Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Zoiets simpels

Het is vaak zoiets simpels, het is
gemis van je stem bijvoorbeeld, geen
verhaal over landschappen meer, geen
gedoe met je was, je kleren

onaangeroerd in de kast. Het is van je handen
op zoek naar houvast de afdruk nog weten
op leuning en deurpost en je voetstappen
op het parket en de trap, dat zo willen
laten, bedenken: poetsen en wrijven is
sinks de tijd verdrijven, jouw tijd

moet hier blijven. Het is
zo simpel en groot als huilen
bij meikersen, appelstroop in de schappen
en geitenkaas op het brood.

 

Een zuil van basalt

1.
Niet
wat men groef en weer gladstreek bedek ik
met bloemen en groen, maar het niet te dempen
gat dat je naliet. Wat ik koester is

niet de zuil van basalt en het zwarte
graniet met je naamhiëroglief, maar
hun fundament dat jij bent. Je

sprong over stenen, vulde je longen, prees
vlinder en zweefvlieg, uitbundige
bloei van de oleander. Nu

in je langste wieg neergelegd, zing je
in alle tongen van stilte: alles gezegd.

 

Verkeerd geparkeerde auto vernield

Je staat hier verkeerd geparkeerd
hufter, wacht even dan haal ik
m’n krik, bik ik je voorruit
eens lief uit z’n rubbers, ik

agressief? hé zoek je soms mot
ook dat kan je krijgen, kom op
als je durft, bang voor je jasje
je bankpas, je kloten misschien? en leg

dat mobieltje maar neer, als mannen
onder elkaar heb je daar niks an gewoon
met je blote handjes meneer, ja kijk uit als ik
me kwaad maak pleur ik je zo

door je vijfde deur, scheur ik je voorklep
wordt straks je mokkel niet zoenen
effetjes pech hè, zeg kom op poenige
golfyup wat zoek je, je handicap soms?

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Strout werd geboren op 6 januari 1956 in Portland, Maine. Zie ook alle tags voor Elizabeth Strout opdit blog.

Uit: The Burgess Boys

“On a breezy October afternoon in the Park Slope neighborhood of Brooklyn, New York, Helen Farber Burgess was packing for vacation. A big blue suitcase lay open on the bed, and clothes her husband had chosen the night before were folded and stacked on the lounge chair nearby. Sunlight kept springing into the room from the shifting clouds outside, making the brass knobs on the bed shine brightly and the suitcase become very blue. Helen was walking back and forth between the dressing room—­with its enormous mirrors and white horsehair wallpaper, the dark woodwork around the long window—­walking between that and the bedroom, which had French doors that were closed right now, but in warmer weather opened onto a deck that looked out over the garden. Helen was experiencing a kind of mental paralysis that occurred when she packed for a trip, so the abrupt ringing of the telephone brought relief. When she saw the word private, she knew it was either the wife of one of her husband’s law partners—­they were a prestigious firm of famous lawyers—­or else her brother-­in-­law, Bob, who’d had an unlisted number for years but was not, and never would be, famous at all.
“I’m glad it’s you,” she said, pulling a colorful scarf from the bureau drawer, holding it up, dropping it on the bed.
“You are?” Bob’s voice sounded surprised.
“I was afraid it would be Dorothy.” Walking to the window, Helen peered out at the garden. The plum tree was bending in the wind, and yellow leaves from the bittersweet swirled across the ground.
“Why didn’t you want it to be Dorothy?”
“She tires me right now,” said Helen.
“You’re about to go away with them for a week.”
“Ten days. I know.”
A short pause, and then Bob said, “Yeah,” his voice dropping into an understanding so quick and entire—­it was his strong point, Helen thought, his odd ability to fall feetfirst into the little pocket of someone else’s world for those few seconds. It should have made him a good husband but apparently it hadn’t: Bob’s wife had left him years ago.
“We’ve gone away with them before,” Helen reminded him. “It’ll be fine. Alan’s an awfully nice fellow. Dull.”

 


Elizabeth Strout (Portland, 6 januari 1956)

 

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Aarde (Fragment)

Wij lasteren de naam van God en jij zegent.
Wij ontheiligen en jij heiligt.
Wij slapen zonder dromen, maar jij
Droomt in je eeuwige waaktoestand.

Wij doorboren je boezem met zwaarden en speren,
En jij kleedt onze wonden met olie en balsem.
Wij beplanten je velden met schedels en beenderen,
En jij verbouwt cipressen
En wilgen.

Wij legen ons afval in je schoot, en jij vult
Onze voorraadschuren met tarweschoven
En onze wijnpers met druiven.

Wij maken van je grondstoffen bommen
En kanonnen, maar jij schept uit dezelfde stoffen
Lelies en rozen.

Hoe geduldig ben je, aarde, en hoe barmhartig!

Ben je een atoom van stof, dat opwaait
Door de voeten van God toen Hij reisde van het oosten
Naar het westen van het universum?
Of een vuurvonk uit de oven
Van de eeuwigheid?

Ben je een zaad dat in de velden is geworpen
Van het firmament om Gods boom te worden
Die uitreikt boven de hemelen met zijn hemelse tak­ken?
Of ben je een druppel bloed in de aderen van de
Reus der reuzen, of een druppel zweet op zijn
Voorhoofd?

Ben je een vrucht die gerijpt is in de zon?
Groei je aan de boom van absolute
Kennis, waarvan de wortels zich uitstrekken door de
Eeuwigheid en waarvan de takken door het
Oneindige zweven?

Ben je een juweel geplaatst door de God van de tijd in de
Palm van de God van de ruimte?

Wie ben je, aarde, en wat ben je?

Jij bent mij, aarde!
Jij bent mijn blik en mijn onderscheidingsvermogen.
Jij bent mijn kennis en mijn droom.
Jij bent mijn honger en dorst.
Jij bent mijn vreugde en verdriet.
Jij bent mijn onachtzaamheid en mijn waakzaamheid.
Jij bent de schoonheid die in mijn ogen leeft,
Het verlangen in mijn hart,
Het eeuwige leven in mijn ziel.

Jij bent mij, aarde.
Als het niet voor mijn wezen was geweest,
Dan zou jij niet hebben bestaan.

 


Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)
Monument in Sydney, Australië

 

De Franse schrijver Romain Sardou werd geboren op 6 januari 1974 in Boulogne-Billancourt. Zie ook alle tags voor Romain Sardou op dit blog.

Uit: America

« Toute la nuit des messagers avaient été lancés depuis l’est de l’Irlande afin de couvrir les cinquante lieues qui les séparaient de Dublin, s’arrêtant aux étapes pour se désaltérer mais sans descendre de cheval tant leur mes-sage était urgent : — Hier, près du village d’Aughrim, la dernière année des Irlandais a affronté celle des Anglais. — Elle l’a emporté ? — Non. — Perdu ? — Que me chantes-tu de perdre ? Elle a été taillée en pièces ! C’est nous qui sommes perdus… Les messagers qui parvenaient à pénétrer dans Dublin se précipitaient à l’auberge du Vina Norrois, dernier quartier général des catholiques de la capitale. L’un des témoins oculaires de la défaite arriva dans un état effroyable. Il était jeune, trempé de boue, maculé de sang. U fut rassasié et pansé avant de pouvoir prendre 13 parole. Le jeune homme arracha le haut de son plastron. Ce n’était point un soldat, comme tous l’avaient pensé, mais un diacre. Il relata la sanglante journée du I2 juillet : — Tout avait pourtant commencé pour le mieux, fit-il remarquer. Le nouveau général de notre année, le mar-quis français de Saint-Ruth, avait fixé la prochaine bataille dans un défilé de marais et de tourbières dominé par une longue crête, haute d’une soixantaine de mètres. Hier, les années anglaises commandées en chef par k général de Ginkel arrivèrent vers nous au point du jour, sans imagi-na ce qui les attendait. Un épais brouillard empêchait de se repérer à plus de vingt pas ; aveugles, trente mille sol-dats protestants s’approchaient de vingt mille soldats catholiques, sans que rien ne s’entendit nulle part. Les premiers assauts ont tourné à noue avantage : le sang des Anglais débordés s’accumula au bas de la crête jusqu’à recouvrir une nappe d’eau donnante ; nos soldats y plan-taient leurs bottes et les désembourbaient avec un affreux bruit de succion. A ce moment, la victoire semblait acquise, Ginkel était prêt à capitula mais la chance lui a souri insolemment : k ronflement de nos canons a cessé d’un coup. Ç’a été la stupeur. Les nouvelles munitions britanniques qu’on nous avait fournies ne correspondaient pas au calibre de nos pièces d’artillerie françaises ! Saint-Ruth, voyant nos artilleurs harcelés, a foncé à leur res-cousse, convaincu que ce fait d’armes serait décisif. On l’entendit s’exclamer, en plein galop : 11 Le jour est à nous !. Moins d’une minute plus tard, il avait la tète emportée par un boulet ennemi. Le rapport de force s’inversa. La salle de l’auberge du Vieux Norrois était silen-cieuse ; la trentaine de catholiques présents écoutaient le diacre, comme au supplice. — Dieu m’est témoin, reprit-il, la nuit seule a sauvé ce qui demeurait de l’infanterie du marquis de Saint-Ruth. Les Anglais ont abandonné, sans sépulture, plus de quant mille des nôtres, voués à être dévorés par les chiens errants et les corbeaux. Nos rares rescapés se sont retran-chés dans la cité de Limerick_ Mais la débâcle n’est pas discutable. Ils ne tarderont pas à déposa les armes. Par-tout, les protestants exultent. Nous sommes vaincus… Le diacre se signa .».

 


Romain Sardou (Boulogne-Billancourt, 6 januari 1974)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

The Long Shadow of Lincoln: A Litany

(We can succeed only by concert. . . . The dogmas of the quiet past are inadequate to the stormy present. The occasion is piled high with difficulty, and we must rise with the occasion. As our case is new so we must think anew and act anew. We must disenthrall ourselves. . . . December 1, 1862. The President’s Message to Congress.)

Be sad, be cool, be kind,
remembering those now dreamdust
hallowed in the ruts and gullies,
solemn bones under the smooth blue sea,
faces warblown in a falling rain.

Be a brother, if so can be,
to those beyond battle fatigue
each in his own corner of earth
or forty fathoms undersea
beyond all boom of guns,
beyond any bong of a great bell,
each with a bosom and number,
each with a pack of secrets,
each with a personal dream and doorway
and over them now the long endless winds
with the low healing song of time,
the hush and sleep murmur of time.

Make your wit a guard and cover.
Sing low, sing high, sing wide.
Let your laughter come free
remembering looking toward peace:
“We must disenthrall ourselves.”

Be a brother, if so can be,
to those thrown forward
for taking hardwon lines,
for holding hardwon points
and their reward so-so,
little they care to talk about,
their pay held in a mute calm,
highspot memories going unspoken,
what they did being past words,
what they took being hardwon.
Be sad, be kind, be cool.
Weep if you must
And weep open and shameless
before these altars.

There are wounds past words.
There are cripples less broken
than many who walk whole.
There are dead youths
with wrists of silence
who keep a vast music
under their shut lips,
what they did being past words,
their dreams like their deaths
beyond any smooth and easy telling,
having given till no more to give.

There is dust alive
with dreams of The Republic,
with dreams of the Family of Man
flung wide on a shrinking globe
with old timetables,
old maps, old guide-posts
torn into shreds,
shot into tatters
burnt in a firewind,
lost in the shambles,
faded in rubble and ashes.

There is dust alive.
Out of a granite tomb,
Out of a bronze sarcophagus,
Loose from the stone and copper
Steps a whitesmoke ghost
Lifting an authoritative hand
In the name of dreams worth dying for,
In the name of men whose dust breathes
of those dreams so worth dying for,
what they did being past words,
beyond all smooth and easy telling.

Be sad, be kind, be cool,
remembering, under God, a dreamdust
hallowed in the ruts and gullies,
solemn bones under the smooth blue sea,
faces warblown in a falling rain.

Sing low, sing high, sing wide.
Make your wit a guard and cover.
Let your laughter come free
like a help and a brace of comfort.

The earth laughs, the sun laughs
over every wise harvest of man,
over man looking toward peace
by the light of the hard old teaching:
“We must disenthrall ourselves.”

 

 
Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Standbeeld in Galesburg

 

De Duitse schrijver Jens Johler werd geboren op 6 januari 1944 in Neumünster. Zie ook alle tags voor Jens Johler op dit blog.

Uit: Kritik der mörderischen Vernunft

Ich muss die E-Mails checken.
Mit einem Ruck richtete er sich im Bett auf. Ein stechender Schmerz fuhr durch seinen Kopf. Er hielt sich mit der linken Hand die Stirn, während er auf die Uhr schaute. Es war kurz nach halb vier.
Ich muss die E-Mails checken, dachte er wieder.
Es war vollkommen unsinnig, er konnte es genauso gut am Morgen machen, aber die Idee saß fest.
Er stand auf, zog sich den Bademantel an, ging hinüber ins Arbeitszimmer und drückte auf die Power-Taste des Computers. Dann machte er sich auf den Weg ins Bad. Als er wieder
herauskam, hielt er eine Schlaftablette und eine Doppelpackung Aspirin mit C in der Hand.
In der Küche nahm er ein Glas aus dem Regal, füllte es mit Wasser, riss die Aspirinpackung auf und ließ zwei Brausetabletten ins Glas gleiten. Während sie sich auflösten, dachte er an das Telefongespräch, das er gestern Abend geführt hatte.
Es ging eigentlich nur um die Verabredung am kommenden Samstag. Sein Freund Hans-Otto Mertens wurde fünfzig und gab ein großes Fest, auf dem ihre alte Band aus der Schülerzeit
noch einmal auftreten sollte. Sie hatten erst über die Songs geredet, die sie spielen wollten, und dann noch ein bisschen übers Älterwerden und darüber, dass Troller ja in diesem Jahr auch fünfzig wurde, und auf einmal war alles aus ihm herausgebrochen, er wusste selbst nicht war um: Dass er es leid war, dass er es satt hatte, das ganze Leben, die ewige Wiederkehr des Gleichen und vor allem die totale Wirkungslosigkeit.
Natürlich war es undankbar, so zu reden, er hatte einen Job, um den ihn neunzig Prozent seiner Kollegen beneideten, er hatte eine Freundin, um den ihn neunzig Prozent der Männer beneideten, er hatte eine Tochter, die er liebte, auch wenn er sie zu selten sah, er verdiente gut, er war sogar gesund, was wollte er mehr? Er war undankbar, aber wem gegenüber? Dem Schicksal? Warum hatte ihm das Schicksal nicht ein anderes Leben zugewürfelt? Eines, in dem er etwas bewirken konnte. Eines, in dem er sich nicht so nutzlos fühlte. Denn das war er: nutzlos. Er schrieb bedeutende Artikel, aber was bedeutete das schon? Sie verpufften. Wie alles, was für den Pressemarkt geschrieben wurde.“

 

 
Jens Johler (Neumünster, 6 januari 1944)
Cover

 

De Duitse dominee en dichter van (geestelijke) liederen Philipp Friedrich Hiller werd geboren op 6 januari 1699 Mühlhausen an der Enz, nu een voorstad van Mühlacker. Zie ook alle tags voor Philipp Friedrich Hiller op dit blog.

 

Die Gnade sei mit allen

Die Gnade sei mit allen, die Gnade unsers Herrn, des Herrn,
dem wir hier wallen, wallen und sehn sein Kommen gern.
Auf dem so schmalen Pfade gelingt uns ja kein Tritt,
es gehe seine Gnade, Gnade denn bis zum Ende mit.
Auf Gnade darf man trauen, man traut ihr ohne Reu;
und wenn uns je will grauen, grauen, so bleibt’s: der Herr ist treu.
Damit wir nicht erliegen, muß Gnade mit uns sein;
denn sie flößt zu dem Siegen, Siegen Geduld und Glauben ein.
So scheint uns nichts ein Schade, was man um Jesum misst;
der Herr hat eine Gnade, Gnade, die über alles ist.
Bald ist es überwunden nun durch des Lammes Blut,
das in den schwersten Stunden, Stunden die größten Taten tut.
Herr, laß es dir gefallen, noch immer rufen wir:
die Gnade sei mit allen, allen, die Gnade sei mit mir!

 


Philipp Friedrich Hiller (6 januari 1699 – 24 april 1769)
Schloss Mühlhausen in Mühlhausen an der Enz

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York. Zie ook alle tags voor E. L. Doctorow op dit blog.

Uit: City Of God

“This afternoon in Battery Park. Warm day, people out. Soft autumn breeze like a woman blowing in my ear.
Rock doves everywhere aswoop, the grit of the city in their wings.
Behind me the financial skyline of lower Manhattan sunlit into an island cathedral, a religioplex.
And I come upon this peddler of watches, fellow with dreadlocks, a big smile. Standing tall in his purple chorister’s robe. His sacral presence not diminished by the new white Nikes on his feet.
“Don’t need windin, take em in de showerbat, everyting proof, got diamuns ’n such, right time all de time.”
A boat appears, phantomlike, from the glare of the oil-slicked bay: the Ellis Island ferry. I will always watch boats. She swings around, her three decks jammed to the rails. Sideswipes bulkhead for contemptuous New York landing. Oof. Pilings groan, crack like gunfire.
Man on the promenade thinks it’s him they’re after, breaks into a run.
Tourists down the gangplank thundering. Cameras, camcorders, and stupefied children slung from their shoulders.
Lord, there is something so exhausted about the NY waterfront, as if the smell of the sea were oil, as if boats were buses, as if all heaven were a garage hung with girlie calendars, the months to come already leafed and fingered in black grease.
But I went back to the peddler in the choir robe and said I liked the look. Told him I’d give him a dollar if he’d let me see the label. The smile dissolves. “You crazy, mon?”
Lifts his tray of watches out of reach: “Get away, you got no business wit me.” Looking left and right as he says it.
I was in mufti-jeans, leather jacket over plaid shirt over T-shirt. Absent cruciform ID.
And then later on my walk, at Astor Place, where they put out their goods on the sidewalk: three of the purple choir robes neatly folded and stacked on a plastic shower curtain. I picked one and turned back the neck and there was the label, Churchpew Crafts, and the laundry mark from Mr. Chung.
The peddler, a solemn young mestizo with that bowl of black hair they have, wanted ten dollars each. I thought that was reasonable.
They come over from Senegal, or up from the Caribbean, or from Lima, San Salvador, Oaxaca, they find a piece of sidewalk and go to work. The world’s poor lapping our shores, like the rising of the global warmed sea.”

 


E. L. Doctorow (6 januari 1931 – 21 juli 2015)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag

Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Laat winterlandschap

heeft soms het dunne landschap zich
vandaag gesneden aan het licht
en zit er zo een wakke plek
ginds in die ijzig strakke lijn
juist waar de zon nu snel verdwijnt?

waarschijnlijk zit daar het lek
kroop je er ongemerkt doorheen
(zoals nevel het land op trekt)
terwijl ik blijkbaar wat alleen
liep langs het vastgevroren riet

of is het dit verdrietig licht
waardoor je hier plots voor me staat
zonder gewicht en zo verweesd
dat schemer uit je ogen slaat

 

Thebe

Die ochtend gingen we naar Père Lachaise.
We dronken koffie in Café Rond Point
en staken bij het stoplicht over:
wie grafwaarts gaat wil er niet aan.

Wat ingestort was vonden we het mooist.
Jij nam wat foto’s: een gebroken zerk
met scheefgezakte zuilen, terwijl ik Thebe
schreef, de dood een stad vol heimelijk leven.

Een boom had zich genesteld rond een
steen, een naam omworteld, overschreven,
alsof dat hooguit breeduit bleef van
wie ooit stam zei, takken, blad.

We keken in een onafzienbaar gat en
spraken over dàt. Ik zou niet treuren
op je graf zei je, dat kan ik niet, ik zou
je missen, missen zou ik je.

 

We vroegen

We vroegen hoe laat komt de dood
voorbij en ze zeiden we weten het niet,

alles is voorbestemd nu en hier
dus we weten het niet. Waarom

is het zo stil verbaasden we ons, zelfs
de klokken slaan hun notie van tijd niet.

Alle uur zonder waarheid
is stilgezet, zeiden zei.

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

Lees verder “Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow”

Hester Knibbe, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow, Benedikt Livshits, Joachim Specht

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Ik zit in de kilte

Ik zit in de kilte van steen.
Wit zijn de muren bedoeld, maar ze
breken; andere levens krioelen
erover, erdoorheen.

Op mijn schoot je marmeren lichaam.
Houd je ogen niet zo gesloten
wil ik je vragen, lach naar je moeder
sta op, wees wat lichter.

Nee.
Altijd zal ik je dragen.

 

Ja

Liefde, ja er zit altijd een lichaam aan vast
en dat maakt het en maakt het, maakt het

soms lastig. Maar het geeft niet, we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

Natuurlijk, voorbodes kruipen onder de huid, dansen
mee als je danst, rennen mee als je rent, hangen

ook op de bank, zitten daar en later gaat Haper
aan de haal met je dromen, teistert een winter
de oude rivier die wil stromen. Maar het

geeft niet en de sfinx die ons het raadsel
opgeeft wie van wie het meest is niks

om je druk om te maken, we houden elkaar gewoon
bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen.

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

Lees verder “Hester Knibbe, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow, Benedikt Livshits, Joachim Specht”

Hester Knibbe, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

En hij bestond

En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het

hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo’n

hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij

wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp

is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot

gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla? 

 

Thuiskomst

Ik droomde dat ik van je
droomde: we zaten op de bank en
praatten wat, je droeg de trui die ik
die dag gedragen had, je haar was
nat van alle regen. Je lijf solide

warm had weer de frisheid van
wanneer je in de grienden was geweest
en je vertelde feestelijk gewoon
dat het daarginds toch anders
bleek, hoe diep de wortels
reiken van de eik. En ik

verhaalde van wat ik hierboven
had geleefd, over het groeien van
de hazelaar, ook een bijzonder rijk
spinnenjaar zei ik. Je schaterlachte.

 

Domein
Voor Anke

Dit is je grondgebied, vruchtbaar
maar afgemeten. Zet hier je paden uit,
de smalle en de brede. Stenen
zijn inclusief, grenzen staan

vast. Mijd Eden. Die hof lijkt
uitgediend; de boom die in het midden
staat, kraakt onder vrucht en blad,
muurvast dringt het seizoen

rond het verleden. Blijf ervan
af. Schaf schoenen aan, ga
stevig stap voor stap.

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

Lees verder “Hester Knibbe, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Ivan Olbracht

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen
wekt in mij een nog nooit vermoede kracht.
Jij hebt mij bij mijn eigen bron gebracht
en stromen mag ik, vrij en onbevangen.

Jij brak mijn doolhof van gedachten open
en hebt mij stapvoets uit mijzelf ontward.
Gretig je gangen gravend naar mijn hart
ben jij op wat ik zelf niet wist gestoten.

Het vuur dat smeulde en vergeten brandde
onder de as, riep jij in mij terug.
De vonk herleeft, geeft aan zijn vlammen lucht
en ik ontvang mijn vrijheid uit jouw handen.

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen
heeft heel het harnas om mijn ziel gekraakt.
Ik weet mij aan mijn naakte huid geraakt
die, niet verborgen meer, nu alle licht wil vangen.

 

Vertaald door Sonja Roskamp

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)
Monument in Washington

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Ivan Olbracht”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Over Vriendschap

En een jongeling zei: Spreek tot ons over vriendschap.
En hij antwoordde, zeggende:
Je vriend is een antwoord op je verlangen.
Hij is je akker die je met liefde bezaait en vol dankzegging oogst.
En hij is je tafel en haardvuur.
Want je komt tot hem met je honger en bij hem zoekt ge rust.

Wanneer je vriend je zijn eigen geest ontsluit, ben je niet bang voor het ‘neen’ in je eigen geest, noch onthou je hem het ‘ja’.
En wanneer hij zwijgt, blijft je hart luisteren naar zijn hart;
want zonder woorden worden in vriendschap alle gedachten, alle verlangens, alle verwachtigen geboren en gedeeld, vol ongevraagde vreugde.
Wanneer je afscheid neemt van je vriend, treur je niet;
want wat je het diepst in hem bemint, kan klaarder voor je zjin bij zijn afwezigheid, zoals een bergbeklimmer de berg duidelijker ziet vanuit de vlakte.
En laat je vriendschap geen andere bedoeling hebben dan een verdieping van de geest.
Want de liefde die iets anders zoekt dan de openbaring van haar eigen mysterie is geen liefde, maar een net dat uitgeworpen wordt; en alleen het waardeloze wordt gevangen.

En laat het beste voor je vriend zijn.
Zo hij de eb van je getij moet ervaren, doe hem ook de vloed kennen.
Want wat is je vriend dat je hem enkel zoeken zou om de tijd te doden.
Zoek hem steeds om de tijd te leven.
Want hij moet je tekort vullen, maar niet je ledigheid.
En laat er een lach zijn in de zoetheid der vriendschap en een samen beleven van genoegens.
Want in de dauw der kleine dingen vindt het hart zijn morgen en wordt verfrist.

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Idris Davies

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

Over het Huwelijk

Toen sprak Almitra opnieuw en zei:
En wat kun je ons zeggen over het huwelijk?
En hij antwoordde:
Tezamen werd je geboren, en tezamen zul je voor immer zijn.
Jij zult tezamen zijn, als de witte vleugelen van de dood je dagen verstrooien.
Ja, je zult zelfs tezamen zijn in Gods stille herinnering.
Maar laten er tussenruimten zijn in je tezamenzijn.
Laat de winden des hemels tussen je dansen.
Hebt elkander lief, maar maakt van de liefde geen band:
laat zij veeleer zijn een golvende zee tussen de kusten van je zielen.
Vult elkanders bekers, maar drinkt niet uit dezelfde beker.
Geeft elkander van je brood, maar eet niet van hetzelfde stuk.
Zingt en danst tezamen en weest blijde, maar bent ieder alleen,
zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen dezelfde muziek.
Geef je harten, maar geef ze niet aan elkander in bewaring.
Want alleen de hand des levens kan je harten bevatten.
En staat tezamen, maar niet te dicht bijeen:
want de zuilen van de tempel staan ieder op zichzelf,
en de eik en de cypres groeien niet in elkanders schaduw.

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Zelfportet, rond 1911

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Idris Davies”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

Lied van de ziel

In de diepte van mijn ziel is
Een woordeloos lied – een lied dat woont
In het zaad van mijn hart.
Het weigert om samen te smelten met inkt
Op papier. Het overspoelt mijn gevoelens
In een transparante mantel en vloeit,
Maar niet over mijn lippen.

Hoe kan ik het verlangen? Ik ben bang dat
Het zich vermengt met aardse ether.
Voor wie zal ik het zingen? Het woont
In het huis van mijn ziel, in vrees voor
Verharde oren.

Toen ik in mijn innerlijk zocht,
Zag ik de schaduw van haar schaduw.
Als ik mijn vingertoppen aanraak,
Voel ik haar trillingen.
De daden van mijn handen zien haar
Aanwezigheid zoals een meer de schittering
Van de sterren weerspiegelt. Mijn tranen
Onthullen haar, zoals heldere dauwdruppels
Het geheim van een verwelkte roos onthullen.

Het is een lied ontstaan in gedachten
En uitgevoerd in stilte,
Gemeden door schreeuwers,
En omhelsd door waarheid,
Herhaald door dromen,
En begrepen door liefde,
Verborgen bij het ontwaken
En gezongen door de ziel.

Het is het lied van de liefde.
Welke Kaïn of Ezau kan het zingen?
Het is geuriger dan jasmijn.
Welke stem kan het tot slaaf maken?

Het is een hartsgeheim zoals dat van een maagd.
Welke snaar kan het doen trillen?
Wie durft het gebulder van de zee te verenigen
Met het zingen van de nachtegaal?
Wie durft het geloei van de storm te vergelijken
Met de zucht van een kind?
Wie durft de woorden hardop uit te spreken
Die bedoeld zijn voor het menselijk hart?
Welke mens durft het
Lied van God te zingen?
Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Zelfportet, rond 1911

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Jens Johler, E. L. Doctorow, Carl Sandburg

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2008 en ook mijn blog van 6 januari 2009 en ook mijn blog van 6 januari 2010.

 

Uit: Spiegels van de ziel 

 

Als je staat aan het begin van je kennen,

sta je aan het begin van je voelen.

Wie alleen kan zien wat het licht onthult

en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,

ziet en hoort eigenlijk niets.

 

De werkelijkheid van iemand anders

is niet gelegen in het feit wat hij je onthult

maar in wat hij je niet kan onthullen.

Als je hem dus wilt begrijpen

luister dan niet naar wat hij zegt,

maar veel meer naar wat hij niet zegt.

 

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,

voor elkaar en voor onszelf,

tot de dag waarop jij spreekt en ik luister

omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is

en ik, wanneer ik voor je sta,

meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

 

 

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

 

 

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Jens Johler, E. L. Doctorow, Carl Sandburg”

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Carl Sandburg, E. L. Doctorow, Romain Sardou, Jens Johler

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2008 en ook mijn blog van 6 januari 2009.

Uit: A Poet’s Death is His Life

„The dark wings of night enfolded the city upon which Nature had spread a pure white garment of snow; and men deserted the streets for their houses in search of warmth, while the north wind probed in contemplation of laying waste the gardens. There in the suburb stood an old hut heavily laden with snow and on the verge of falling. In a dark recess of that hovel was a poor bed in which a dying youth was lying, staring at the dim light of his oil lamp, made to flicker by the entering winds. He a man in the spring of life who foresaw fully that the peaceful hour of freeing himself from the clutches of life was fast nearing. He was awaiting Death’s visit gratefully, and upon his pale face appeared the dawn of hope; and on his lops a sorrowful smile; and in his eyes forgiveness.

He was poet perishing from hunger in the city of living rich. He was placed in the earthly world to enliven the heart of man with his beautiful and profound sayings. He as noble soul, sent by the Goddess of Understanding to soothe and make gentle the human spirit. But alas! He gladly bade the cold earth farewell without receiving a smile from its strange occupants.

He was breathing his last and had no one at his bedside save the oil lamp, his only companion, and some parchments upon which he had inscribed his heart’s feeling. As he salvaged the remnants of his withering strength he lifted his hands heavenward; he moved his eyes hopelessly, as if wanting to penetrate the ceiling in order to see the stars from behind the veil clouds.

And he said, “Come, oh beautiful Death; my soul is longing for you. Come close to me and unfasten the irons life, for I am weary of dragging them. Come, oh sweet Death, and deliver me from my neighbors who looked upon me as a stranger because I interpret to them the language of the angels. Hurry, oh peaceful Death, and carry me from these multitudes who left me in the dark corner of oblivion because I do not bleed the weak as they do. Come, oh gentle Death, and enfold me under your white wings, for my fellowmen are not in want of me. Embrace me, oh Death, full of love and mercy; let your lips touch my lips which never tasted a mother’s kiss, not touched a sister’s cheeks, not caresses a sweetheart’s fingertips. Come and take me, by beloved Death.”

Then, at the bedside of the dying poet appeared an angel who possessed a supernatural and divine beauty, holding in her hand a wreath of lilies. She embraced him and closed his eyes so he could see no more, except with the eye of his spirit. She impressed a deep and long and gently withdrawn kiss that left and eternal smile of fulfillment upon his lips. Then the hovel became empty and nothing was lest save parchments and papers which the poet had strewn with bitter futility.“

Khalil_Gibran_1908

Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)
Portret door Yusef Hoyiek, 1908.

 

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analyste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. Zij publiceerde poëzie in onder meer Tirade, Bzzlletin, Raster en Maatstaf. Ze debuteerde in 1982 als dichter met de bundel Tussen gebaren en woorden en publiceerde sindsdien nog zes bundels, waarvan Antidood (1999) bekroond werd met de Herman Gorterprijs. In 2001 ontving zij de Anna Blamanprijs voor haar gehele oeuvre. Voor De buigzaamheid van steen werd haar de Publieksprijs 2005 toegekend.

De achterkant van Rome

De achterkant van Rome is een koker
met harde stemmen, was die hangt te drogen.

Hier klinkt in mei een oude lente
met in de ochtend oud geluid

van duiven, terwijl de nacht blijft kleven
aan de stenen; er grauwt alleen

wat dag doorheen. Vanuit de kamers
is de hemel dicht; pas als je

uit het raam buigt, kiert hij
licht. Beelden van Huisraad,

Golfplaat, Afvoerbuis: een tempel
van god Onooglijkheid.

 

knibbe

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2009.

 

Back Yard 

 

Shine on, O moon of summer.

Shine to the leaves of grass, catalpa and oak,

All silver under your rain to-night.

 

An Italian boy is sending songs to you to-night from an accordion.

A Polish boy is out with his best girl; they marry next month; to-night they are throwing you kisses.

 

An old man next door is dreaming over a sheen that sits in a cherry tree in his back yard.

 

The clocks say I must go—I stay here sitting on the back porch drinking white thoughts you rain down.

 

Shine on, O moon,

Shake out more and more silver changes.

 

 

 

The Road and the End 

 

I shall foot it

Down the roadway in the dusk,

Where shapes of hunger wander

And the fugitives of pain go by.

I shall foot it

In the silence of the morning,

See the night slur into dawn,

Hear the slow great winds arise

Where tall trees flank the way

And shoulder toward the sky.

 

The broken boulders by the road

Shall not commemorate my ruin.

Regret shall be the gravel under foot.

I shall watch for

Slim birds swift of wing

That go where wind and ranks of thunder

Drive the wild processionals of rain.

 

The dust of the traveled road

Shall touch my hands and face. 

 

carl_sandburg

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York. Zie ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2009.

 

Uit: Homer & Langley

 

„The item about us in the “what to do, where to go” section of one of the evening papers was the first sign of trouble: something to the effect of a high-class taxi dance on Fifth Avenue where you could rub shoulders with the upper crust. We didn’t know how the item got there. Langley said, These newspaper people are illiterate—how can one rub shoulders with an upper crust?

At the very next dance we had to close the doors with people still clamoring to get in. Those we had to turn away sat down on the stoop and milled about on the sidewalk. They were noisy. Naturally there followed complaints from the residences south of us: a letter of articulate disapproval, hand-delivered by someone’s butler, and an angry phone call from someone who would not give her name, although there may have been more than one phone call from more than one person. Indignation. Umbrage. The neighborhood going to seed. And of course there was the visitation one day of a policeman, though he seemed not to be acting on the complaints of our neighbors. He had his own amiable view of the problem.

Standing at the open door he brought a cold breeze in with him. He announced in rather formal tones that it was against the law to operate a commercial enterprise out of a residence on Fifth Avenue. Then his whiskeyed voice softened: But seeing as you are respectable folks, he said, I am inclined to overlook the matter for a kindly donation of, say, fifteen percent of the weekly monies to the Police Beneficiaries League.

Langley said he had never heard of the Police Beneficiaries League and asked what its work was.

The cop didn’t seem to hear. I leave the accounting to you in good faith, Mr. Coller, and I will come by of a Wednesday morning for the remittance and no questions asked, but with a floor of ten dollars.

Langley said: What do you mean “a floor”?

The cop: Well, sir, it would not be worth my time for anything less.“

 

ELDoctorow

E. L. Doctorow (New York, 6 januari 1931)

 

De Franse schrijver Romain Sardou werd geboren op 6 januari 1974 in Boulogne-Billancourt. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009.

 

Uit: Personne n’y échappera

 

“Le flic, lui, s’était déjà fait son idée sur le professeur. Franklin portait un blue-jean clair et un col roulé bordeaux, manches remontées, renforcées de cuir au coude. Des lunettes et une barbe de quelques heures le vieillissaient à peine. Ses cheveux blonds ondulés lui dessinaient délicat d’ange. Le flic le sentait intelligent, assurément dégourdi s’il surprenait le besoin de se défendre, mais curieux aussi, attentif, ce qui était bon signe. La pièce était rangée, impeccable, méthodique. Ca aussi, cela lui convenait.

Le colonel posa son sac par terre, son dossier sur le bureau, et s’assit sans en avoir été prié. Le professeur fit de même.

– Ma venue vous inquiète, Franklin…

(…)

 

Boz expliqua qu’il avait affamé ses trois chiens depuis trois jours. Il pensait attendre encore un peu, mais la venue de Franklin précipitait l’expérience.

Avec efficacité, il assujettit la viande sur les extrémités du squelette avec de solides ficelles de boucher.

– Ce sont de vrais os, dit-il en tapotant un tibia, achetés grâce au département des accessoires de l’université de médecine de Manchester.

Boz requit à deux reprises l’aide de Frank pour l’aider à maintenir la viande. Le professeurs essayait autant que possible de ne pas trahir ses hésitations ni le tremblement de ses doigts qui s’imprégnaient de la barbaque. Le bas du corps artificiellement reconstitué avec du plat de côte et des jarrets de boeuf rassis, Boz lâcha enfin les chiens.”

 

romain-sardou

Romain Sardou (Boulogne-Billancourt, 6 januari 1974)

 

De Duitse schrijver Jens Johler werd geboren op 6 januari 1944 in Neumünster. Zie ook mijn blog van 6 januari 2009.

 

Uit: Gottes Gehirn

 

“Am Nachmittag des siebten Juli machte Britta Eklund, die Frau des Nobelpreisträgers John Eklund, eine grauenhafte Entdeckung.

Britta hatte, da ihr Mann an einem neuen Buch arbeitete und Ruhe brauchte, einige Freundinnen zu einem Ausflug auf ihre Yacht eingeladen. Eigentlich hatten sie drei volle Tage fortbleiben wollen, aber da Ethel, die Frau des Senators, ganz überraschend einen Anruf bekam und erfuhr, dass sie Großmutter geworden war, kehrte die Yacht mit den Champagner trinkenden Damen einen Tag früher als beabsichtigt nach Fort Lauderdale zurück.

Sie waren alle bester Stimmung, als sie in die Millionaire’s Row einbogen, den weit verzweigten Wasserarm, an dessen Ufern sich die Happy few aus Film, Politik, Wissenschaft und Big Business ihre Villen gebaut hatten. Hinter einem Wald von Masten und Segeln mehr oder weniger eleganter, zumeist aber luxuriöser Yachten und hinter den tief hängenden Zweigen ausladender Trauerweiden bot sich ein Querschnitt durch die architektonischen Tr
äume und Verirrungen der Menschen, die sich über Geschmack und Zurückhaltung keine Gedanken mehr zu machen brauchten. Wie selbstverständlich duckte sich zwischen zwei opulenten Kolonialvillen der flache Kubus eines vom Bauhaus inspirierten Bungalows, und neben einem luxuriösen Palast im maurischen Stil moderte ein Holzhaus aus dem Südwesten mit umlaufender Veranda und Staketenzaun vor sich hin.

Britta setzte Ethel und die übrigen Damen ab und tuckerte mit der gewohnten Vorfreude auf ihr Haus zu. Sie liebte dieses Haus. John hatte es von dem Geld bauen lassen, das er mit seinem ersten und einzigen Bestseller verdient hatte. Wege aus der Klimafalle war vor siebzehn Jahren ein Aufsehen erregendes Buch gewesen, es war in zweiundzwanzig Sprachen übersetzt worden und hatte sie reich gemacht. Nun ja, reich. Aber zusammen mit dem Geld für den Nobelpreis hatte es für das Haus und das sündhaft teure Grundstück gereicht.”

 

Johler

Jens Johler (Neumünster, 6 januari 1944)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.