Albert Verwey, Arthur Schnitzler, Pem Sluijter, W.J.M. Bronzwaer, Frits van Oostrom

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Noach’s duif

Ik rustte in ’t holle van een golf, ik plooide
Mijn vleugels en ik deinde: ik wist niet meer
Bewoog ik mee omhoog of mee omneer
En of mij links of rechts mijn schomling gooide.

Er was gedroppel dat zich op mij strooide,
Er was een hemel en een hemels weer,
En ik genoot en leefde in iedre veer,
Verheugd omdat zo schoon heelal mij kooide.

Toch wiekte ik traag en wendde en naar mijn ark
Richtte ik de koers: van boom op hoge heuvel
Plukte ik een twijg en gaf me aan ’t venster in.

En mensen, beesten, met vervreugden zin,
Haastten weer uit met mij naar ’t vorig euvel:
Het godverlaten, schendig aardepark.

 

Van de liefde die vriendschap heet

9
Men kàn geen vlammen als een gouden vloed
Uit éen vaas gieten in een andre vaas:
Daarbinnen branden ze en een bevend waas
Gloeit door het hulsel heen met halven gloed.

Open het nooit – het is zoo schoon, en ’t moet
Zó schoon zijn, blijvend in die zelfde plaats:
Die vlam zal niemand zien: zij zal, helaas!
Zichzelf verteren daar haar niemand voedt.

Brand niet zoo luid, mijn ziel! waaróm zoo luid?
Gij weet toch, dat ge alleen en stil moet zijn;
En veel begrijpen, daar me’ ú nièt verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! úw gloed vergaat
Weldra, die grote, en zie, een schone schijn
Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

 

Orfeus

Had Orfeus niet Eurydice gedood
Door zelf te hunkren naar haar levende ogen,
Voor eeuwig had hij haar in ’t licht gevoerd.

Nu stond hij wenend waar zich de afgrond sloot
En had voorgoed zich aan zijn arm onttogen
Wie hij zo vast zich dacht aan ’t hart gesnoerd.

Nu bleef zijn hunkren als een open wond
En ’t lied van nederwaarts gericht verlangen
Zwaar en verzadigd als een boom die treurt,

Terwijl die Andre opnieuw de cirkling bond
Waaruit alleen de opvaart van zijn gezangen
Haar – voor hoe kort, helaas! – had losgescheurd.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)
Albert Verwey en Stefan George door Jan Toorop, 1901

 

De Oostenrijkse schrijver en arts Arthur Schnitzler werd geboren in Wenen op 15 mei 1862. Zie ook alle tags voor Arthur Schnitzler op dit blog.

Uit: Der einsame Weg

““Erster Akt
Das kleine Gärtchen am Hause des Professor Wegrat. Es ist beinahe gänzlich von Häusern umschlossen, so daß jeder freie Ausblick fehlt. Rechts im Garten das kleine einstöckige Haus mit gedeckter Holzveranda, von der drei Holzstufen herabführen. Auftritt sowohl von der Veranda aus als auch rechts und links vom Hause. Ungefähr in der Mitte der Bühne ein grüner Gartentisch mit passenden Sesseln, ein bequemerer Fauteuil, links an einem Baum eine kleine Eisenbank.
Erste Szene
Johanna spaziert im Garten auf und ab. Felix tritt auf in Ulanenuniform.
Johanna sich umwendend. Felix!
Felix. Ja, ich bin’s.
Johanna. Grüß’ dich Gott. – Wie ist denn das möglich, daß du schon wieder Urlaub bekommen hast?
Felix. Es ist nicht auf lang. – Nun wie geht’s der Mama?
Johanna. In den letzten Tagen ganz leidlich.
Felix. Meinst du, sie würde erschrecken, wenn ich so unerwartet vor sie hinträte?
Johanna. Nein. Aber warte doch lieber ein bißchen, jetzt schlummert sie. Ich komme eben aus ihrem Zimmer. – Wie lang bleibst du denn bei uns, Felix?
Felix. Morgen Abend geht’s wieder fort.
Johanna mit dem Blick ins Weite. Fort . . .
Felix. Es klingt nur so großartig. Gar so weit ist man ja doch nicht, in keiner Beziehung.
Johanna. Du hast es ja so sehr gewünscht . . . Auf seine Uniform deutend: Nun hast du’s erreicht. Bist du nicht zufrieden?
Felix. Jedenfalls ist es das Vernünftigste von allem, was ich bisher angefangen habe. Denn nun spüre ich wenigstens, daß ich unter gewissen Umständen etwas leisten könnte.
Johanna. Ich glaube, du würdest es in jedem Beruf zu etwas bringen.
Felix. Ich zweifle doch, daß ich als Advokat oder als Techniker meinen Weg gemacht hätte. Und im Ganzen fühle ich mich jetzt bedeutend wohler als jemals zuvor. Es scheint mir nur manchmal, als wenn ich nicht zur rechten Zeit geboren wäre. Vielleicht hätt’ ich auf die Welt kommen sollen, als es noch nicht so viel Ordnung gab, als man allerlei wagen konnte, was man heute nicht mehr wagen darf.“

 

 
Arthur Schnitzler (15 mei 1862 – 21 oktober 1931)
Scene uit een opvoering in 2013 in Karlsruhe

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Pem Sluijter werd geboren in Middelburg op 15 mei 1939. Zie ook alle tags voor Pem Sluijter op dit blog.

 

De boerin

Met beest wordt in haar taal
koe bedoeld warm woord dat
zij het rund toefluistert
wanneer zij haar gespierde
handen om de tepels legt.

Bij melken heeft zij als kind
geleerd telt de relatie met
het dier dat geeft meer geeft
wanneer je het met eerbied
en genegenheid benadert.

Zo zat zij dagelijks
op haar kruk half onder een
koeienlijf kende elke ronding
van de volle borst en denkt soms
nog aan hoe in het begin voor
het vrij melken
de koe uitsluitend melk gaf
wanneer men haar
haar kalf liet zien.

 

 
Pem Sluijter (15 mei 1939 – 18 december 2007)
Middelburg, Abdij

 

De Nederlandse letterkundige, essayist en criticus W.J.M. Bronzwaer werd geboren op 15 mei 1936 in Heerlen. Zie ook alle tags voor W. J. M. Bronzwaer op dit blog

Uit: Lessen in Lyriek

“Poëzie is altijd pragmatisch verankerd; zij dient altijd een doel, ook als het slechts een doel is dat de dichter zichzelf heeft gesteld. Als Vasalis haar gedicht Aan een boom in het Vondelpark begint met de regel:

Er is een boom geveld met lange groene lokken

dan is er voor de instructie die tot dit gedicht heeft geleid geen andere aanwijzing dan dat de dichteres zelf de noodzaak heeft gevoeld over deze boom, die ‘nog vol van zomerwind’ en ‘ruisend als een kind’ is geveld, mededelingen te doen. Maar als Andreas Burnier een gedicht begint met de vraag ‘Wat is een mens?’, dan kunnen we die beginregel opvatten als de herhaling van een buiten het gedicht gestelde vraag, waarop het gedicht een antwoord moet geven; de instructie komt dan tot de dichter als een ‘opdracht’ van buiten, vanuit een gemeenschap die belang heeft bij de beantwoording van de vraag. Een vergelijkbare situatie vinden we aan het begin van Shakespeares achttiende sonnet, hier aangehaald in de vertaling van Albert Verwey:

Zal ‘k U gelijken bij een zomerdag?
Gij zijt veel milder en veel lieflijker.
De storm slaat bloesems met te hard een slag
En al te ras is zomers zoetheid ver.

Men kan dit sonnet lezen als een vervulling van een opdracht, gesteld door een opdrachtgever aan de dichter, om hem met een zomerdag te vergelijken. De pragmatische situatie is dan overduidelijk; alleen is de instructie, net als bij Andreas Burnier, in de tekst van het gedicht opgenomen.”

 

 
W.J.M. Bronzwaer (15 mei 1936 – 20 januari 1999)

 

De Nederlandse historisch letterkundige Frits van Oostrom werd geboren in Utrecht op 15 mei 1953. Zie ook alle tags voor Frits van Oostrom op dit blog.

Uit: Antipathieke personages. *Cees *Nooteboom op ego-trip

“Wij hebben een land en een literatuur van het midden, en bijgevolg zijn anti-pathieke personages hier niet dik gezaaid – maar wat de literatuur betreft, maak ik graag een uitzondering voor de ik-figuur in de reisverhalen van Cees Nooteboom. Dat er – als ik het goed heb – niet al veel vaker op is gewezen met wat voor irritant sujet wij hier te maken hebben, moet wel zijn oorzaak vinden in de hardnekkige hedendaagse gewoonte om alles in moderne letterkunde per se autobiografisch te willen duiden. En in de werkelijkheid is Cees Nooteboom natuurlijk een allerplezierigst mens, een toonbeeld van beschaving en beminnelijkheid, een charmante Europese intellectueel met hoofd en hart op de correcte plaats. Dat zo iemand als hoofdfiguur een geblaseerde kwal zou opvoeren, ligt buiten het voorstellingsvermogen van de meesten.
Maar hebben zij dan niet geleerd dat je terdege onderscheid moet maken tussen de schrijver en zijn personages? Bij Nooteboom moet dat zelfs op het scherpst van de snede, omdat hij in een subtiel spel tussen feit en fictie zijn reizende hoofdfiguur, annex verteller, een aantal trekken van zijn eigen welbekende persoon heeft meegegeven: dezelfde naam, om te beginnen; een roomse jeugd, waaraan hij een cultuurhistorische bagage dankt die bovenal bij kerkbezoek van pas komt; en, zoals hij het zelf uitdrukt in De wereld een reiziger, een gestalte die ‘niet groot’ is. Maar in zo’n laatste citaatje proeven we al iets van de subtiele verschuiving van de sympathieke schrijver naar zijn antipathieke hoofdfiguur (laten we zeggen: van Nooteboom naar *Nooteboom), want in het echt zou Nooteboom natuurlijk gewoon zeggen ‘klein’. In zo’n nuance draagt Nooteboom, met fijn penseel, bij tot de tekening van het literaire karakter dat hij zijn verhaalfiguur *Cees *Nooteboom heeft meegegeven: dat van een man die het geweldig met zichzelf getroffen heeft, en die hooguit via een verhullende litotes iets minder indrukwekkends van zichzelf kan zeggen.”

 

 
Frits van Oostrom (Utrecht, 15 mei 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.