Annie Salomons

De Nederlandse schrijfster, dichteres en vertaalster Annie Salomons (eigenlijk Anna Maria Francisca van Wageningen-Salomons) werd geboren in Rotterdam op 26 juni 1885. Annie Salomons haalde haar HBS-diploma in 1901. Als extraneus aan het Erasmiaans Gymnasium behaalde zij in 1905 het diploma gymnasium-alfa, waarna zij Nederlandse letteren studeerde, eerst in Leiden (1905-1907), later in Utrecht. Zij beëindigde in 1910 de studie voortijdig. Daarna woonde zij bij haar ouders tot aan haar huwelijk op 27 november 1924 met de jurist Henri (Han) van Wageningen. Van 1924 tot 1927 verbleven zij in Medan op Sumatra, in Nederlands-Indië. Han van Wageningen kon een goede carrière maken bij de Rechterlijke Macht, maar Annie Salomons verdroeg de hitte slecht. Na drie jaar keerden zij terug naar Nederland om zich in Den Haag te vestigen, waar Van Wageningen tot rechter was benoemd. Salomons werkte al vroeg mee aan tal van tijdschriften. Onder invloed van de Tachtigers en aangemoedigd door Johan de Meester sr. was zij aanvankelijk dichteres. Later maakte zij echter vooral naam door haar romans. Salomons heeft de vele groten van de generatie na Tachtig persoonlijk gekend: Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Louis Couperus, J.H. Leopold, P.C. Boutens, Nico van Suchtelen, Carel Gerretson (Geerten Gossaert), Slauerhoff, J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst. Van de schrijfsters kende zij vooral Top Naeff, Ina Boudier-Bakker, Carry van Bruggen en Margo Scharten-Antink. Verder de Vlamingen August Van Cauwelaert, Felix Timmermans, Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck. Al deze ontmoetingen maakten indruk op Salomons en velen werden door haar bewonderd. In “Herinneringen uit de oude tijd aan schrijvers, die ik persoonlijk heb gekend” vertelt zij over deze kleurrijke mensen die haar leven en werken hebben beïnvloed en gevormd.

 

Zigeunerweisen van Sarasate

De klanken klagen door den zwaren nacht
Hun zoelen zang van ongetroost verlangen….

Ik bid je, leg je hand niet aan mijn wangen,
Ook ik heb jarenlang vergeefs gewacht,
En bij de eentonig-uitgehuilde klacht
Voel ik mijn ziel door ouden waan bevangen.

De klanken stijgen tot een sterken stroom,
Die zich een bres breekt door het steil berusten.
Ik wéét niet meer, met welken verren droom
Ik vroeger steeds mijn heet verlangen suste….
De stroom is niet te stuiten; – liefde kóóm’,
En néém mijn mond, die hunkert naar haar lusten.

 

Wreede liefde

III
Wij, die elkaar in droomen minden,
Buiten den dwang van ruimte en tijd,
Hoe zullen wij bevreed’ging vinden
In deze arme werklijkheid?

Uw hoofd, in mijnen arm gedoken,
Lijkt als een vrucht zoo broos en klein;
Gij houdt uw oogen vroom geloken;
Kan daar mijn hééle wereld zijn?

Er ligt een trots van troostend weten
In uwer handen vasten druk.
Maanden van hunkring, fel verbeten,
Heeft rustloos mij de drang bezeten
Naar dit onmogelijk geluk.

Maar, bang en blij tot u gekomen,
Zooals een kind naar ’t eerste feest,
Lijkt liefde’s liefste mij ontnomen:
Gij maakt een eind aan al mijn droomen….
Ik ben nog nooit zóó arm geweest.

 

 
Annie Salomons (26 juni 1885 – 16 januari 1980)