Chris van Abkoude

De Nederlandse schrijver Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude werd geboren in Rotterdam op 6 november 1880. Van Abkoudes vader, Pieter van Abkoude, had een kapperszaak. Zijn moeder Anna Hössen stierf in het kraambed, twee weken na Chris’ geboorte. Na de middelbare school ging Chris van Abkoude naar de normaalschool (kweekschool) en behaalde hier zijn onderwijsakte. Van 1901 tot circa 1909 was hij leerkracht op een volksschool in de Rotterdamse wijk Crooswijk. Naast het lesgeven ging Van Abkoude zich ook met journalistiek bezighouden. Verder hielp hij een paar vrienden bij de oprichting van een krant. In 1905 trouwde Van Abkoude met Johanna van Wijk. Kort na elkaar werden drie zoons geboren, van wie veel belevenissen verwerkt zijn in het boek “De zonen van Pietje Bell”. Van Abkoude schreef twee novellen die echter vrij snel uit de handel verdwenen. In 1907 verschenen zijn eerste twee kinderboeken, “Bert en Bram” en “Hollandsche jongens”. Begin 1914 verscheen “Pietje Bell”. Het boek verkocht goed in zowel Nederland als België en zelfs Zuid-Afrika. In augustus van datzelfde jaar brak WO I uit en Van Abkoude ging in militaire dienst. Hij werd korporaal bij de landmacht, maar probeerde hier op allerlei manieren onderuit te komen. Een jaar nadat Van Abkoude uit militaire dienst werd ontslagen, emigreerde hij in de zomer van 1916 naar de Verenigde Staten. Hij ging aan de slag als kinderentertainer en als pianist bij stomme films in een bioscoop. Verder regelde hij optredens voor zijn Holland Dutch Show, bestaande uit poppenkastspel, goocheltoeren en verhalen uit Nederland. Ook veranderde Van Abkoude zijn naam in Charles Winters, omdat zijn oorspronkelijke naam te lastig bleek voor Amerikanen. Op aandringen van uitgeverij Kluitman schreef Van Abkoude een nieuw boek over Pietje Bell: “De vlegeljaren van Pietje Bell”. In Amerika leerde Van Abkoude de miljonair August Heckscher kennen. In 1920 richtte Hekscher The Heckscher Foundation for Children op, waar Van Abkoude in 1921 werd aangesteld als ‘Children’s Director’. Zijn taak was het bedenken van activiteiten om kinderen van de straat te houden. Begin 1922 probeerde Van Abkoude zijn reeks verhalen over Pietje Bell af te sluiten met het boek “De zonen van Pietje Bell”. Er zouden er echter – noodgedwongen – nog enkele volgen. Korte tijd later ontving zijn uitgever ook het verhaal van “Kruimeltje” dat in 1923 werd uitgegeven. In 1943 belandden de Abkoudes in het stadje Alameda, dicht bij San Francisco. In San Francisco was een Amerikaanse marinebasis gevestigd, waar Van Abkoude voorstellingen verzorgde, voornamelijk voor kinderen van militairen en havenarbeiders. Met het eind van de oorlog in 1945 nam ook dit werk weer af. Van Abcoude ontving een ouderdomsuitkering, maar dat was amper genoeg om van te leven. Van Abkoude schreef een kort toneelstuk, “The Miracle”. Nadat dit stuk in oktober 1951 met succes werd opgevoerd maakte hij plannen voor nieuwe stukken. Begin 1951 werd hij echter getroffen door een beroerte, en moest hij stoppen met toneel en schilderen. Chris Van Abkoude overleed op 79-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Portland.

Uit: Pietje Bell

“Tante Cato was al stevig ingedut en hoorde Pietje niet binnenkomen. Hij keek naar tante, naar haar open mond, naar de grote puist op haar neus. Er zaten drie haartjes op. Piet had van de jongens gehoord, hoe je wratten kon afbinden. Met een gewoon draadje garen legde je een stevige knoop om de wrat en trok die zo hard mogelijk aan. Na een paar dagen viel de wrat dan vanzelf af. Hij vond het wel een mooi idee om tante op die eenvoudige manier van dat lelijke ding op haar neus af te helpen. Nu zij sliep, was de gelegenheid daartoe al bijzonder gunstig. De eindjes van de knoop zou hij zo kort mogelijk afknippen, dan bemerkte zij er niets van. En als dan na enige dagen het ding afviel, zou hij zeggen: “Tante, dat heb ik nu gedaan.”
Ja, dat was een mooi en goed plan. Hij haalde een draad garen, strikte daar een losse knoop in en schoof die voorzichtig over de knobbel op de neus van de slapende tante Cato. Toen trok hij hard aan, heel hard, want de knoop moest stevig zitten, anders ging het niet.
[Pietje Bell] Opeens vloog tante met een ruk overeind en schreeuwde, alsof zij vermoord werd. Met beide handen greep zij naar haar neus, en toen zij voelde dat zij nog in het bezit was van dat sierlijke pronkstuk, begon zij tegen Pietje uit te varen.
“Jou akelig, schandelijk kind! Jou misdadige jongen! Oude mensen bespotten en mishandelen. Wat doe je hier? Dit is mijn kamer. Ga weg, oneerbiedige jongen, laat ik je niet meer zien.”
“Maar tante…..”
“Ga weg, ik ben je tante niet! Hemel, wat heb je toch met mijn neus uitgevoerd? Hangt er een draad aan?”
Tante Cato ging voor de spiegel staan en zag het garen om de knobbel geknoopt. Zij maakte het gauw weer los en keek Pietje met een vernietigende blik aan.
“Tante, ik wou….”
“Ben je nog hier? Ik zeg immers, dat ik je tante niet ben en dat je moet weg gaan!”
“Bent u mijn tante niet?” vroeg Pietje verbaasd. “Bent u dan een oom?”
“Nu voor het laatst, brutaal kind: Ga – De – Deur – Uit!”
“Maar dan raakt u de puist niet kwijt, tante.”
Tante Cato was buiten zichzelve. Ze zette Pietje buiten de deur. Deze begreep maar niet, dat tante zoveel drukte om niets maakte.”

 
Chris van Abkoude (6 november 1880 – 2 januari 1960)