Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

                              

Uit: Titaantjes

“Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z’n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z’n hoofd in z’n handen, over de zon te praten, bij ’t sentimenteele af. En we vonden dat ’t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z’n vuist tegen z’n voorhoofd en vloekte: „God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.” Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.”

 

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Nescio op het terras van het (nu verdwenen) Noord- en Zuidhollands koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

“I, Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus This-that-and-the-other (for I shall not trouble you yet with all my titles) who was once, and not so long ago either, known to my friends and relatives and associates as “Claudius the Idiot”, or “That Claudius”, or “Claudius the Stammerer”, or “Clau-Clau-Claudius” or at best as “Poor Uncle Claudius”, am now about to write this strange history of my life; starting from my earliest childhood and continuing year by year until I reach the fateful point of change where, some eight years ago, at the age of fifty-one, I suddenly found myself caught in what I may call the “golden predicament” from which I have never since become disentangled.”
(…)

“And what thoughts or memories, would you guess, were passing through my mind on this extraordinary occasion? Was I thinking of the Sibyl’s prophecy, of the omen of the wolf-cub, of Pollio’s advice, or of Briseis’s dream? Of my grandfather and liberty? Of my grandfather and liberty? Of my three Imperial predecessors, Augustus, Tiberius, Caligula, their lives and deaths? Of the great danger I was still in from the conspirators, and from the Senate, and from the Gaurds battalions at the Camp? Of Messalina and our unborn child? Of my grandmother Livia and my promise to deify her if I ever became Emperor? Of Postumus and Germanicus? Of Agrippina and Nero? Of Camilla? No, you would never guess what was passing through my mind. But I shall be frank and tell you what it was, though the confession is a shameful one. I was thinking, ‘So, I’m Emperor, am I? What nonsense! But at least I’ll be able to make people read my books now. Public recitals to large audiences. And good books too, thirty-five years’ hard work in them. It wont be unfair. Pollio used to get attentive audiences by giving expensive dinners. He was a very sound historian, and the last of the Romans. My history of Carthage is full of amusing anecdotes. I’m sure that they’ll enjoy it.”

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Cover   

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Zomer

3.
Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos,
En hangt smaakvol in evenwijd’ge bogen
Zijn dweilen uit, om onderwijl te drogen,
Rood, geel, groen, blauw van verf en bloed en roos;

Op ’t tekenvuil in ’t oosten gooit hij boos
De kop’ren kam, nu helemaal verbogen. –
Pet-blauw, knoop-geel, stuiptrekkend vastgezogen
Veel buit aan kam: hij voelt zich virtuoos.

Daar krauw’len uit de schurft luizen en maaien:
Ze zien verbleken de onschaadlijke dweil,
En machtloos-verre tanden groenig laaien:

Lovend hun luizengod in luizenstijl
Gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil
Kruipen ze zwetend op elkaar en n…..

 

‘k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij

‘k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij
onhoorbaar zegt, terwijl ik sta te kijken:
‘Ik hang in ’t niets, zelf niets dan schijn van eiken,
van weiden en van wolken, zee en hei;

Brahmans gedachte heeft bereikt in mij,
wat in uw werklijkheid hij wou bereiken.
Met kosmisch Zelfgevoel zal ‘k u verrijken;
zink door mijn schijn in ’t Wezen en word vrij.’

Maar ’t panorama – ergernis voor wijding
geeft mij zijn sluwe en spokige misleiding:
’t liegt mij de straat op, wrev’lig en beklemd,

waar, diep genot om eerlijkheid verscherpend,
rumoerig klikkend, knallend, klinglend, snerpend,
het leven rent en motort, fietst en tramt.

 

’t Is lang geleden (3)

Maar – één ding was er, dat ‘k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in ’t donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zo’n mond?
En met dat griez’lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei – ‘k hoor nog haar lieve stem –
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dàt goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep ’t: gelijk zijn al de doden,
De mensen en de negers en de Joden.

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Hier met pleegdochter Hetty

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn drie blogs van 24 juli 2011.