Jan van Mersbergen

De Nederlandse schrijver Jan van Mersbergen werd geboren in Gorinchem 10 april 1971. Hij studeerde HBO Cultuur en Beleid en Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte onder andere als stratenmaker, als opperman in de bouw, als proefdierverzorger, als postbode, maar voornamelijk in het theater; als producent, productieleider, decorbouwer, fondsenwerver en administrateur. Sinds 2000 houdt hij zich serieus bezig met schrijven. In 2001 debuteerde van Mersbergen met de roman De grasbijter, die genomineerd werd voor de jaarlijkse Debutantenprijs. In 2003 verscheen zijn tweede roman De macht over het stuur, in 2005 gevolgd De hemelrat en Morgen zijn we in Pamplona in 2007. Zijn vijfde roman, Zo begint het, verscheen in 2009. Zie ook alle tags voor Jan van Mersbergen op dit blog.

Uit: De hemelrat

“De jongen trok zijn schoenen en shirt uit, legde de spullen in zijn kast, nam een groen jasje uit de kast en trok het over zijn hoofd. Zijn sloffen stonden onder in de kast. In de hal klonk gerammel van een kar en even later stak Moses zijn gezicht om de deurpost. Hij groette hen met zijn zware stem en ging naast Wilson op het bankje zitten.
Even later kwam Fong in de deuropening staan. Hij sloeg zijn ene been voor het andere en liet zijn slof aan zijn tenen bungelen. Hij zei: Boven is iemand ziek.
Het was geen mededeling en het was ook geen vraag waar iemand een antwoord op kon geven, toch begrepen ze wat hij wilde. Ze zwegen. De Chinees liet zijn blik over Wilson, Moses en Edward gaan. Wilson zat met zijn rug tegen de muur. Hij keek naar zijn knieën, legde zijn handen erop. Fong nam een laatste slok thee en schudde het bekertje leeg in de vuilnisbak. Het spetteren van de druppels tegen het plastic was het enige geluid in de kleedkamer.
Boven? rekte Wilson.
Ze vroegen me of ik een van jullie kon missen.
Hij liet het bekertje vallen. Uiteindelijk zei Wilson: Van mij hoeft het niet.
Van mij ook niet, zei Moses.
Fong keek naar Edward.
Heb jij daar al een keer gewerkt?
Edward schudde zijn hoofd. Toen zei hij: Betaalt het beter?
Dat maakt geen verschil.
Dan blijf ik net zo lief hier.
Ik zal ze zeggen dat ik het gevraagd heb, zei Fong. Hij liep de gang weer op. De deur van de kleedkamer viel achter hem dicht.
Ze liepen de wasserij in, een grote ruimte die door een glaswand in tweeën verdeeld werd. Moses bleef in het schone gedeelte. Wilson en hij gingen door de sluis naar de vieze kant.”

 
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971)