Kris Pint, Sabine Scho, Lenrie Peters, J. J. Cremer, Edgar Rice Burroughs

De Vlaamse dichter Kris Pint werd geboren in Halle op 1 september 1981. Zie ook mijn blog van 30 mei 2009.

 

Beatrice

Wat als het raam zich gesloten
opent voor de kamer, je ligt
in bed, de stad is in jou aan
het verdwalen, bang trek

je deze grens toe als een rits
tevergeefs: het onaardse zingen
van de trams voert je mee, licht
weerkaatst in de kanalen

en scheurt je als een brug
tussen twee oevers vandaan,
hier heb je me ontmoet

enkel om in jou te sterven:
als in een donker woud staat
een gids wakend in je bloed

Pint

Kris Pint (Halle, 1 september 1981)

 

De Duitse schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Van 1990 tot 1999 studeerde zij germanistiek en filosofie in Münster. Zij woont en werkt tegenwoordig in Hamburg. In 2001 verscheen van haar een bundel gedichten en foto’s onder de titel  Thomas Kling entdeckt Sabine Scho. Sinds 1999 heeft zij ook als performer naam gemaakt op internationale festivals in Amsterdam, Berlijn, Bremen, Graz, Sarajevo, Rotterdam, San Diego en Sydney.

 

Uit Dam Dog

 

„Nehmt euch in Acht, ganz Kalifornien ist durstig und die Hitze hat schon härtere Hunde umgebracht!“

„Den hier hat der Black Canyon geboren, die Hure hats doch mit jedem Tier gemacht,“ er lachte. „God damn the dog! Hell’s Hole schenkte dem schwarzen Bastard das Leben, hätt was drum gegeben, wenn er eines Tages an meinem Grab gewacht.“

„Trust Mr Hoover, er hat die schwärzesten Bugs in Umlauf gebracht.“ „And here’s one for the Ladies: Everybody ought to be rich – all time high Dow,“ mit seinem sardonischen Grinsen ging es das Stauwerk hinab.

„Ich habe mich immer gefragt, wie grün ist jetzt wohl das Gras bei Shiloh und schläft man im Weißen Haus in Damast?“

„Erst hebt man dich hoch, nur um dich dann zu werfen. Und wer kein Hirn besaß sich zu fürchten, den ließ man an seidenen Fäden herab. Chick war so eine Spinne der Furcht einflößenden Schlucht, lauerte im Schatten, holte sich nach der Sprengung die steinerne Beute, putzte die rauhen Schenkel glatt. Er war ihr bester Freier, nachts beim Feuer spann er Luftgespinste, träumte von noch größeren Dämmen, von einer wattstarken Stadt in der Wüste, der die Sterne ihr Funkeln abtraten – geistfreies leuchtendes Glück. Chick ließ eine schwarze Witwe von zweiunddreißig Jahren mit sechs Kindern zurück.“

Die Turbinen waren beflaggt. Mit Höllenatem und stechendem Blick fuhr er fort: „Wisst ihr, dies ist das Nest. Hier brüten sie Basiliskeneier, hier schlüpfen Amerikas Sterne. Auf dem Weg nach oben streifen die scharfen Klingen eines unsichtbaren Butchers den ein oder andren gemeinen Mann und lassen den Hundsfott dann aufgeschlitzt liegen. Ihr denkt als Blutzoll für die Geier? Nein, so denken wir nicht. Wir opfern uns, doch keinen fabelhaft großen Tieren. Kein Schicksal wird uns je richten, selbst die Sorgen, glaubt mir, sind noch handgemacht, und das Licht am Ende des Tunnels haben wir selbst entzündet, damit es Amerika besser hat. Amerikaner sein, das muss man sich leisten, vier Dollar am Tag, da überlegst du nicht lang.“

 

 

Scho2

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

 

De Gambiaanse schrijver en chirurg Lenrie Leopold Wilfred Peters werd geboren in Bathurst op 1 september 1932.  Peters studeerde aan het Trinity College in Cambridge, waar hij Bachelor of Science werd. Van 1956 tot 1959 werkte en studeerde hij aan het University College Hospital in Londen en behaalde in 1959 zijn diploma van chirurg in Cambridge. Tijdens zijn studieperiode in Cambridge werd hij verkozen tot voorzitter van de African Students Union en interesseerde hij zich voor het panafrikanisme. Hij schreef toen ook een aantal gedichten en zijn enige roman The Second Round, die gepubliceerd werd in 1965. Hij werd toen een van de beste dichters van Afrika genoemd. Bij zijn terugkeer in Gambia werd hij hoofdchirurg aan het Protectorate Hospital in Bansang. Later begon hij zijn eigen Westfield Clinic in Serekunda. Peters speelde ook een belangrijke rol in de overgang van een militaire naar een burgerlijke regering in 1995 -1996, toen hij in december 1995 voorzitter werd van de National Consultative Commission.

 

Parachute men say

 

Parachute men say
The first jump
Takes the breath away
Feet in the air disturb
Till you get used to it.

Solid ground
Is not where you left it
As you plunge down
Perhaps head first

As you listen to
Your arteries talking
You learn to sustain hope.

Suddenly you are only
Holding an umbrella
In a windy place
As the warm earth
Reaches out to you
Reassures you
The vibrating interim is over

You try to land
Where green grass yields
And carry your pack
Across the fields

The violent arrival
Puts out the joint
Earth has nowhere to go
You are at the staring point

Jumping across worlds
In condensed time
After the awkward fall
We are always at the starting point

 

peters

Lenrie Peters (1 september 1932 – 28 mei 2009)

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jacob(us) Jan Cremer werd geboren op in Arnhem op 1 september 1827. Hij schreef naast de bestsellers “Over-Betuwsche novellen” en ” Nieuwe Over-Betuwsche novellen” ook enkele romans, gedichten en toneelstukken. De novellen spelen zich met name af in het Betuwse Driel, en zijn in het Betuws dialect geschreven. Zijn betrokkenheid bij het toneel was groot, waardoor in Haarlem er nog steeds een toneelgezelschap met zijn naam is. Zijn boek Fabriekskinderen, maar ook zijn persoonlijke bemoeiingen hebben een belangrijke invloed gehad bij de besluitvorming om kinderarbeid af te schaffen. Enkele andere werken zijn: Toneelspeelers, Anna Rooze en Hanna de Freule. In zijn jonge jaren was J. J. Cremer ook tekenaar en schilder.

 

Uit: Wiege – Mie

 

“Men bad – Peter bad ernstig met een dankbaar hart, Willem, zijn buurman, had zeker zulk
heerlijk avondeten niet voor zijn vrouw en kinders. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijn pet de roode wangen van zijn goede vrouw en kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weder digt en zeide, zijn hart tot den Gever alles goeds verheffende: ‘Ik dank U goede en groote God! amen.’ – Vrouw Janssen had ook wel gebeden, maar, zij was wel een weinig afgedwaald: manke Heintje was toch gesturven: ze dacht er over, wanneer de begroafenis zou wêzen en of er op ’t arfhuus ook wat van hoar goajing zou zin, tot dat ze eindelijk bedacht, dat de goede God haar ook wel eens had kunnen oproepen en, hoe ellendig zou Peter dan met de kienders zin blieven zitten, en er kwam een traan in haar oog, en ze was innig dankbaar dat zij nog was gespaard gebleven, en ze zeide zacht tot den Vader in den Hemel: ‘Ik dank U goede en groote God! amen.’

De kinderen hadden hun: ‘Heere zêgen,’ enz. spoedig afgerammeld, en gluurden nu eens naar den dampenden schotel met pap, en dan weder naar hunne ouders, om te zien, of ze nog niet hoast gedoan hadden.

Vader zette de pet weder op het hoofd; moeder gaf het teeken om te beginnen, en, eer vijftien minuten waren verstreken, was de pap uit den schotel, naar de respectieve magen verhuisd.

Het gezin was verzadigd en de kinderen werden spoedig ter rust gelegd. Peter rakelde het vuur aan de haardstede nog eens op. Net bood haar jongste kind, dat in een kribje had liggen slapen, de moederlijke borst, en ’t kleintje weerde zich dapper. ‘Mins, mins,’ zeide vrouw Janssen, terwijl zij de oogen op het knaapje hield geslagen, ‘die jong is pas zeuven moanden oud, ’t is nou over drie dagen Alder Heiligen en tegen Maria Lichtmis is ’t alwêer zoo wiet.’

‘Kom da’s zoo’n spul niet,’ sprak Peter op geruststellenden toon, ‘we motten toch ’t half dozijntje vol hebben, hê Net?’

 

 

cremer

J. J. Cremer (1 september 1827 – 5 juni 1880)

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Rice Burroughs werd geboren in Chicago op 1 september 1875 als de zoon van een zakenman. Zie ook mijn blog van 1 september 2008.

 

Uit: Tarzan of the Apes

 

From the records of the Colonial Office and from the dead man’s diary we learn that a certain young English nobleman, whom we shall call John Clayton, Lord Greystoke, was commissioned to make a peculiarly delicate investigation of conditions in a British West Coast African Colony from whose simple native inhabitants anotherEuropean power was known to be recruiting soldiers for its native army, which it used solely for the forcible collection of rubber and ivory from the savage tribes along the Congo and the Aruwimi.
The natives of the British Colony complained that many of their young men were enticed away through the medium of fair and glowing promises, but that few if any ever returned to their families.
The Englishmen in Africa went even further, saying that these poor blacks were held in virtual slavery, since after their terms of enlistment expired their ignorance was imposed upon by their white officers, and they were told that they had yet several years to serve.
And so the Colonial Office appointed John Clayton to a new post in British West Africa, but his confidential instructions centered on a thorough investigation of the unfair treatment of black British subjects by the officers of a friendly European power. Why he was sent, is, however, of little moment to this story, for he never made an investigation, nor, in fact, did he ever reach his destination.“

 

Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)