Maarten Biesheuvel, Adriaan Roland Holst, Pär Fabian Lagerkvist, Lydia Rood

De Nederlandse schrijver Jacob Martinus Arend (Maarten) Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Hij debuteerde met de verhalenbundel In de bovenkooi (1972), waarmee hij onmiddellijk naam maakte.

 

Zie ook mijn blog van 15 december 2006.

 

Uit: Reis door mijn kamer

 

“Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Sjanghai vliegen, ik zou scheep kunnen gaan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden. Geld heb ik immers genoeg? Ik zou mijn hele leven kunnen reizen en altijd in hotels slapen en in restaurants eten. Ik zou duizenden mij nu nog onbekende mensen de hand kunnen schudden en zeggen: ‘Goedemiddag, hier ben ik, Maarten Biesheuvel’, of: ‘Bonjour, me voilà, Maarten Biesheuvel.’ Ja, ik zou het allemaal makkelijk kunnen doen en ik vraag me af waarom ik er niet toe overga. Hier op mijn kamer zijn ladenkasten vol met hangmappen, ja ik weet precies hoeveel hangmappen ik heb: twaalfhonderd! In iedere hangmap hangt een verhaal, soms is het verhaal vier, soms zeventig bladzijden lang (mijn uitgever heeft me aangeraden om de markt niet te overvoeren). Ik verdien veel geld, genoeg om ervan te reizen. Vanuit Sevilla zal ik mijn vrouw de opdracht geven om een aardig boek samen te stellen van ongeveer tweehonderd pagina’s, een jaar later zal ik haar vanaf een der Falkland Eilanden dezelfde vraag stellen en ga zo maar door. Eva immers zal niet met me mee kunnen reizen omdat ze de geit heeft, de hond, de katten, de konijnen en de egels om voor te zorgen. Ik zou aprepee zeggen: ‘Moesten er geen dieren zijn, mijn vrouw zou met me meevoyageren!’ Ik ga niet reizen. Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Voor de grap schrijf ik dit verhaal er nog bij, omdat ik niet weet wat ik anders zou moeten doen.” 

 

Biesheuvel

Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939)

 

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam, Zie ook mijn blog van 23 mei 2006.

ONTKOMEN

Zonlicht blonk in de natte wegen
toen hij zijn huis voorgoed verliet,
zonder omzien, zonder zegen:
hij stond voor een klaarlicht verschiet.
Met vrouw en zoon had hij gebroken,
voor beiden voortaan doof en blind.
Er stond een zwarte roos ontloken
in zijn leeg hart.

                         Toen stak de wind
de westewind op en het aangaan
van de Noordzee kwam door en riep
hem bij zijn naam en wou verstaan zijn
eer zijn hoogtij voorgoed verliep.
Hij riep ‘ik kom eraan’ en lopend
brak hij in een wild zingen uit,
een zang van hopen en wanhopen,
van eeuwigheid, van eenzaamheid.

 

ZWERVERSLIEFDE

Laten wij maar zacht zijn voor elkander, kind –
want, o de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaien in de oude wind.

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotste hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder de wind in hulpeloos verdriet.

Wij zijn maar als de blaren in de wind
ristelend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –

En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij samen in ’t oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

Holst

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)  

 

De Zweedse schrijver Pär Fabian Lagerkvist werd geboren in Växjö op 23 mei 1
891 – Stockholm, 11 juli 1974) was een Zweedse schrijver en dichter die in 1951 de Nobelprijs ontving. Enkele bekende boeken van Lagerkvist zijn Ångest, Barabbas en Dvärgen (De Dwerg) waarmee hij in 1944 internationaal doorbrak. Vanaf 1940 was Lagerkvist lid van de Zweedse Academie, op zetel 8. Pär Fabian Lagerkvist is de vader van Bengt Lagerkvist. In 1951 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur.l

 

Uit: Guest of Reality

 

 “In the winter, after she’d had to take to bed, the old woman slowly dwindled away. She left them gradually, no longer saw them so clearly and couldn’t quite follow when they talked to her. She couldn’t follow the work on the farm either; sometimes she asked, wanted to know about this or that, but when they told her it was if she hadn’t heard. Once, one evening, she’d asked where she was. And when they told her she was in the little side room she was astonished; she’d thought the room was a lot bigger.

   They wrote and told them things of this kind in the note that came with the milk. It came early every morning with a few lines from them. It was a cold winter and the note was always frozen; Mother had to breathe on it before she could unfold it without spoiling the writing. She went out more and more often, and towards the end she stayed there. She and the old man, her father, were the ones who always kept watch by the dying woman. He sat over by the window and read out of the Bible. She looked after her, crept quietly in and out of the door, bent down to hear when she whispered what she wanted. The old man could no longer hear her. But she whispered to Mother that she could hear what he read. So he sat there all the time and went on. The snow lay in drifts high up against the windows; in other places the earth was bar and several fruit trees were killed by the frost that winter.”

 

LAGERKVIST

Pär Fabian Lagerkvist (23 mei 1891 – 11 juli 1974)

 

De Nederlandse schrijfster Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Ze studeerde Spaans aan de Universiteit van Amsterdam en journalistiek in Utrecht; in 1988 haalde ze haar doctoraaldiploma Spaanse taal- en letterkunde. Ze was redacteur en eindredacteur bij de Volkskrant; in 1991 koos ze ervoor om schrijver te worden, maar ze bleef af en toe voor verschillende kranten en tijdschriften schrijven. Zij debuteerde met Een geheim pad naar gisteren in 1982. Rood schrijft zowel voor volwassenen als voor de jeugd.

 

Uit: Sprong in de leegte

 

“Ik stond in een winkel naar een tas te kijken, echt de afschuwelijkste glimtas die ik ooit gezien had, met een verschroomde ketting om hem mee aan je schouder te hangen. Er stond een jongen naast me, en opeens grist hij die tas van de standaard en loopt ermee naar de kassa. Lekker bot, dacht ik, en ik draai me om en loop de winkel uit. Komt hij me achterna met grote, nonchalante passen, alsof hij me maar toevallig inhaalt, en als hij naast me is kijkt hij opzij en hij houdt een plastic zak omhoog en haalt de tas eruit.
‘Voor jou’ zei hij, en ik begon te lachen. ‘Nee eerlijk,’ zei hij, ‘voor jou.’
‘Echt niet,’ zei ik, want zo praten ze, en hij natuurlijk: ‘Echt wel.’”

 

Rood

Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)

Arthur Conan Doyle, Alfonsina Storni, Anne de Vries, Kees Winkler


De Britse schrijver Sir Arthur Ignatius Conan Doyle werd geboren in Edinburgh op 22 mei 1859. In 1890 specialiseerde Conan Doyle zich in Wenen in de oogheelkunde en verhuisde in 1891 naar Londen waar hij een praktijk opzette als oogarts, hoewel hij daar weinig patienten meer heeft behandeld. Conan Doyle was daarnaast een fervent sporter. Hij speelde cricket, bokste met overtuiging en stond, ongebruikelijk voor zijn tijd, in Zwitserland op ski’s (een sport die hij in Noorwegen had leren kennen). Als beginnend arts was Conan Doyle reeds begonnen met het schrijven van verhalen. In 1887 verscheen A Study in Scarlet, waarin Sherlock Holmes voor het eerst zijn opwachting maakte. De verhalen rond Holmes (Bakerstreet 221b), verschijnende in het tijdschrift The Strand, betekenden een belangrijke vernieuwing van het genre en werden in korte tijd zeer populair. De druk, die dit legde op Conan Doyle, maakte dat zijn personage hem ernstig dwars ging zitten. In november 1891 schreef hij aan zijn moeder: ‘Ik denk erover Holmes te doden… zodat hij voor eens en altijd verdwenen is. Hij leidt mijn gedachten af van betere dingen’. In december 1893 gebeurde dit ook, in het verhaal The Final Problem, waarin Holmes en zijn aartsvijand Professor Moriarty gezamenlijk in de Reichenbachwaterval in Zwitserland vallen en kennelijk omkomen. Zijn lezers pikten dit echter niet en Holmes keerde als kennelijke overlever van het drama bij de watervallen terug in menig verhaal

 

Uit: The Return of Sherlock Holmes
 

“It can be imagined that my close intimacy with Sherlock Holmes had interested me deeply in crime, and that after his disappearance I never failed to read with care the various problems which came before the public, and I even attempted more than once for my own private satisfaction to employ his methods in their solution, though with indifferent success. There was none, however, which appealed to me like this tragedy of Ronald Adair. As I read the evidence at the inquest, which led up to a verdict of wilful murder against some person or persons unknown, I realized more clearly than I had ever done the loss which the community had sustained by the death of Sherlock Holmes. There were points about this strange business which would, I was sure, have specially appealed to him, and the efforts of the police would have been supplemented, or more probably anticipated, by the trained observation and the alert mind of the first criminal agent in Europe. All day as I drove upon my round I turned over the case in my mind, and found no explanation which appeared to me to be adequate. At the risk of telling a twice-told tale I will recapitulate the facts as they were known to the public at the conclusion of the inquest.”

 

 

 

Doyle
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930)

 

De Argentijnse dichteres Alfonsina Storni werd geboren in Sala Capriasca, Zwitserland op 22 mei 1892. Op vierjarige leeftijd verhuisde ze met haar ouders wegens economische omstandigheden naar Argentinië, waar ze woonde in Rosario, Santa Fe en Buenos Aires. Ze publiceerde in zeven dichtbundels, een Antología poética in 1938 en een boek met poëzie in de vorm van proza, Poemas de amor. Ziek door kanker, pleegde ze zelfmoord door zich te verdrinken in zee bij Mar del Plata op 25 oktober 1938, nadat ze naar La Nación haar laatste gedicht had verstuurd “Voy a dormir”.

 

 

Am Going to Sleep

 

Teeth of flowers, hairnet of dew,
hands of herbs, you, perfect wet nurse,
prepare the earthly sheets for me
and the down quilt of weeded moss.

I am going to sleep, my nurse, put me to bed.
Set a lamp at my headboard;
a constellation; whatever you like;
all are good: lower it a bit.

Leave me alone: you hear the buds breaking through . . .
a celestial foot rocks you from above
and a bird traces a pattern for you

so you’ll forget . . . Thank you. Oh, one request:
if he telephones again
tell him not to keep trying for I have left .
. .

 

 

 

Lighthouse in the Night

 


The sky a black sphere,
the sea a black disk.

The lighthouse opens
its solar fan on the coast.

Spinning endlessly at night,
whom is it searching for

when the mortal heart
looks for me in the chest?

Look at the black rock
where it is nailed down.

A crow digs endlessly
but no longer bleeds.

 

 

 

Storni
Alfonsina Storni
(22 mei 1892 – 25 oktober 1938)

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Anne de Vries werd geboren op 22 mei 1904. Hij werd vooral bekend door een tweetal streekromans over de Drentse jongen Bartje. Zijn jeugd bracht de Vries  hij door op een oude boerderij die eenzaam was gelegen in het veld bij Assen. Als scholier schreef hij berichtjes voor de Asser Courant die hem twee kwartjes per stuk opleverden. Ook schreef hij eens een kerstverhaal dat een rijksdaalder waard was. Uit heimwee naar zijn Drentse geboortegrond schreef hij zijn eerste boekjes in zijn latere woonplaats Zeist. Daar schreef hij ook het boek Bartje dat niet lang daarna een begrip werd. Naar eigen zeggen mag dit boek niet gezien worden als een autobiografie.

 

Uit: De storm steekt op

 

“Het kwam misschien door de storm dat Frits op die morgen in Maart 1942 baldadiger was dan ooit. Die joelde nog door zijn hoofd, nadat hij zich als de leider van een troep schreeuwerige buitenjongens op de fiets naar de stad had laten blazen, die raasde ze allen door het bloed en bracht ze tot een wilde stoeipartij op het schoolplein. Maar plotseling viel er een stilte en ze groepten samen, want ze zagen meneer Muys komen, het kleine driftige Muysje met zijn glinsterbril en zijn geitenbaardje, leraar Duits en Geschiedenis, ook wel genoemd ‘de Afrikaan’. Hij was een paar weken ziek geweest en niemand wist precies wat hem gescheeld had; sommigen zeiden ‘bronchitis’ en anderen ‘overspannen’. De meesten waren overtuigd van het laatste en nauwelijks was de leraar de stoep op, of Frits kwam met een overmoedig plan voor de dag. Ze moesten het die lelijke Afrikaan vandaag zo lastig maken, dat hij morgen weer op zijn bed zou liggen.

De anderen schrokken er van, dat zag hij wel, maar toch was er niemand die protesteerde. Voor Muys durfde niemand het op te nemen, want hij ging door voor een Moffenknecht en landverrader. De andere leraren waren allemaal ‘goed’ en dat merkte je dagelijks.”

 

 

DeVries
Anne de Vries
(22 mei 1904 – 29 november 1964)

 

De Nederlandse dichter Kees Winkler werd op 22 mei 1927 in Hoorn geboren. Winkler studeerde medicijnen en was in zijn studietijd redacteur van het studentenblad Propria Cures. Kees Winkler werkte na zijn artsexamen als bibliothecaris bij het herseninstituut aan de Universiteit van Amsterdam. Kees Winkler debuteerde in 1960 met de bundel “Tussen twee oorlogen”. Hierna verscheen nog een elftal bundels. Winkler schreef vooral over het alledaagse leven. Zijn poëzie werd in 1997 gebundeld in zijn “Verzamelde gedichten”. In 1985 stelde Kees Winkler de bloemlezing “Liefde is het enige; de honderd mooiste liefdesgedichten na 1945” samen. In 1972 kreeg Winkler de Henriette Roland Holst-prijs voor zijn poëzieoeuvre. Kees Winkler overleed in april 2004 in Amsterdam op 76-jarige leeftijd. De laatste jaren van zijn leven leed Winkler aan de ziekte van Parkinson.

September

 

Mijn hemel de rozen verwelken
de treurwilg staat al op nul
aanschouw het zéro van de kelken
mijn hemel wat ben ik een sul

 

Ik had van de roos moeten plukken
meeldraden uit moeten zeven
alleen om een kwestie van bukken
verspeel ik de winst van een leven

 

Bij de rozenhof in het Vondelpark
staat stil de tuinman met zijn hark
en ziet de bloemen kwijnen

 

Geven wij elk het zijne
de dichter staat voor zijn sonnet
een tuinman voor het rozenbed

 

 

De dichter en de dood

 

Ik peuter maar wat en ik mier
aan gindse wilgen hangt mijn lier
onbereikbaar voor de hand
in ’t bekende polderland.

Ik peuter wat en mier verder
in de woestijn is geen herder
de wolf in schaapskleren gehuld
huilt, doch de jager brult

Brult tegen de karavaan
die verder trekt naar Ispahan
brult vanwege de vette kamelen
en de ruiters die ze bevelen

Eén raakt achter, wordt verslonden
wolven vechten om de botten
de karavaan is niet te stoppen
de enkeling gaat snel te gronde.

 

 

Winkler
Kees Winkler (22 mei 1927 –  1 april 2004)

 

 

Gabriele Wohmann, Alexander Pope, Emile Verhaeren

 

De technische problemen van gisteren zijn opgelost. Hier wat “nagekomen berichten”. (22 mei 2007. 11.45 uur)

 

De Duitse schrijfster Gabriele Wohmann werd op 21 mei 1932 in Darmstadt geboren als Gabriele Guyot; de naam Wohmann nam ze over van haar echtgenoot, Reiner Wohmann. Zij ging naar school op het eiland Langeoog in Schleswig-Holstein, en studeerde vervolgens in Frankfurt am Main zowel germanistiek als romanistiek, alsook muziekwetenschap. Na haar huwelijk in 1953 gaf ze drie jaar les op Langeoog, maar besloot in 1956 naar haar geboortestad terug te keren en er als zelfstandig auteur te werken. Zij werd lid van de Gruppe 47, die na de Tweede Wereldoorlog was ontstaan met als doel nieuwe wegen voor de literatuur te verkennen. Haar œuvre is sedertdien gestadig aangegroeid en omvat talloze romans en luisterspelen; bovenal is ze echter vermaard om haar vele kortverhalen. In 1975 werd ze lid van de Akademie der Künste. Wohmann ontving meerdere prijzen voor haar werk, waaronder in 1971 de literatuurprijs van de stad Bremen en in 1985 van het ZDF. Zij leeft tot op vandaag in Darmstadt.

 

Uit: Bleibt doch über Weihnachten

 

„Das Abendessen hatte mein Vater gekocht und eine Käsesauce ausprobiert. Meine Mutter unterbrach uns bei Tisch immer wieder, um ihm zu huldigen und von der Sauce zu schwärmen. Er ist ihr in der Küche überlegen, und sie sagte: Drei Kochplatten gleichzeitig überwachen – ich hätte nie die Nerven dazu, was wir alle längst wissen, weil sie es so oft sagt. Zwei Platten warens heut abend nur, Schatz. Mein Vater verbesserte sie sanft, aber sie wollte nicht runter von ihrem Trip und rief: Dann ist eben die Salatschüssel Nummer drei, und mein Vater grinste ganz zufrieden, aber ich fand, auch ein bisschen vorsichtig. Wenn meine Mutter in dieser Theaterstimmung ist, kann es leicht einen Umschwung geben. Trotzdem fühlte ich mich gut, und das ist kurz vor Weihnachten erstaunlich, weil meine Mutter da ziemlich schwierig werden kann. In diesem Jahr würde es wegen Hannchen vielleicht Probleme geben. Ich hatte mal Gesprächsfetzen zwischen meinen Eltern mitgekriegt, als sie nicht wussten, dass ich nebenan vom Wohnzimmer zwischen den Bücherregalen im Oxford Advanced Learner´s noch mal murder und murderer überprüfte, und sie, da bin ich sicher, übers Hannchen redeten, und meine Mutter sagte, Gut, man ist ein Problem los, aber das ist schon wieder ein neues Problem. Weil es gemein von mir ist. Ihr schlechtes Gewissen kriegt sie jedesmal, wenn sie sich von einer Last befreit fühlt. Mein Vater versucht, es ihr auszureden. Er sagt: Sie vermissen, das tust du ja auch. Vielleicht gehts meiner Mutter mit Gewissensbiss besser als ohne, deshalb widerspricht sie: Ja, schon, aber nicht genug“. 

 

 

wohmann

Gabriele Wohmann (Darmstadt, 21 mei 1932)

 

De Engelse dichter Alexander Pope werd geboren in Londen op 21 mei 1688. Zijn eerste echt grote werk was An Essay on Criticism uit 1711. Andere bekende werken uit die tijd waren The Rape of the Lock (1712, herziene versie 1714) en zijn vertalingen van Homerus’ Ilias en Odyssee (1715-1726). Deze laatste werken leverden hem het geld op om zich terug te kunnen trekken in een landhuis in Twickenham, waar hij de rest van zijn omvangrijke werk schreef. Popes werk geeft een goede weerspiegeling van zijn tijd. In de tijd van koningin Anne schreef hij pastorale poëzie, de ‘Ilias’ en ‘Odyssee’ ontstonden onder George I. In zijn derde periode behandelde hij de grote godsdienstige en intellectuele zaken van die tijd. Hij schreef voornamelijk in de vorm van ‘heroic couplets’: series van meestal tien-lettergrepige op elkaar rijmende regels.

 

ODE ON SOLITUDE

Happy the man, whose wish and care
A few paternal acres bound,
Content to breathe his native air,
In his own ground.

Whose herds with milk, whose fields with bread,
Whose flocks supply him with attire,
Whose trees in summer yield him shade,
In winter fire.

Blest! who can unconcern’dly find
Hours, days, and years slide soft away,
In health of body, peace of mind,
Quiet by day,

Sound sleep by night; study and ease
Together mix’d; sweet recreation,
And innocence, which most doth please,
With meditation.

Thus let me live, unseen, unknown;
Thus unlamented let me dye;
Steal from the world, and not a stone
Tell where I lye.

 

 

pope

Alexander Pope (21 mei 1688 – 30 mei 1744)

 

De Vlaamse dichter Emile Verhaeren werd geboren in Sint Amands op 21 mei 1855. Zie ook mijn blog van 21 mei 2006.

 

Soir religieux

Vers une lune toute grande,
Qui reluit dans un ciel d’hiver
Comme une patène d’or vert,
Les nuages vont à l’offrande.

Ils traversent le firmament,
Qui semble un chœur plein de lumières
Où s’étageraient des verrières
Lumineuses obscurément,

Si bien que ces nuits remuées
Mirent au fond de marais noirs,
Comme en de colossaux miroirs,
La messe blanche des nuées.    

 

Au bord du quai

Et qu’importe d’où sont venus ceux qui s’en vont,
S’ils entendent toujours un cri profond
Au carrefour des doutes !
Mon corps est lourd, mon corps est las,
Je veux rester, je ne peux pas ;
L’âpre univers est un tissu de routes
Tramé de vent et de lumière ;
Mieux vaut partir, sans aboutir,
Que de s’asseoir, même vainqueur, le soir,
Devant son oeuvre coutumière,
Avec, en son coeur morne, une vie
Qui cesse de bondir au-delà de la vie.

300px-Theo_van_Rysselberghe-_A_Reading_by_Emile_Verhaeren

Emile Verhaeren (21 mei 1855 – 27 november 1916) 
Théo van Rysselberghe, A Reading by Emile Verhaeren (1903)

 

Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Wolfgang Borchert, Honoré de Balzac, A.C. Cirino

 

De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zijn carrière als dichter kreeg pas duidelijk gestalte nadat Roel Houwink zich als zijn literaire mentor ontpopte. Het eerste resultaat was de bundel Afvaart (1931) waarin Achterbergs hoofdthema al aanwezig is: het oproepen van de gestorven geliefde.Na de publicatie van Afvaart raakte Achterberg in een geestelijke crisis. Hij werd enkele keren opgenomen in een psychiatrische inrichting en had moeilijke relaties met vrouwen. De verwarring die dat met zich meebracht, leidde bij Achterberg vaak tot gewelddadige buien.

De ontwikkelingen mondden uit in een drama. Achterberg had in 1934 het onderwijs verruild voor een baan als landbouwcrisisambtenaar bij de Crisis Vee Centrale in Utrecht. Hij woonde in Utrecht op kamers en kreeg, hoewel hij inmiddels verloofd was, een relatie met zijn hospita. Op 15 december 1937 schoot Achterberg haar dood en hij verwondde haar dochter. Hij meldde zich zelf bij de politie en werd tot tbr veroordeeld. Tot augustus 1943 verbleef hij in diverse (forensisch-) psychiatrische inrichtingen. Daarna volgde een periode van resocialisatie tot de tbs in 1955 definitief werd opgeheven.

Onderwijl produceerde hij een stroom aan nieuw werk. Tussen 1939 en 1953 verschenen 22 bundels. En Jezus schreef in ’t zand (1947) werd in 1949 onderscheiden met de P.C. Hooftprijs. Ballade van de gasfitter (1953) kreeg in 1954 de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam en in 1959 kreeg Gerrit Achterberg voor zijn gehele werk de Constantijn Huygensprijs toegekend.

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

Diaspora

Al zijt gij in onnoembaarheid,
glanzende scharen van mijn wil
zijn uitgegaan om u te tellen:
een prevelen, niet te verstaan,
zal eenmaal samenvallen
met onze kennismaking
diep in de taal.

 

Dan treedt uw lichaam uit mijn som,
want alle moleculen
roep ik weerom
uit hun verstrooiing. Alle.

 

Depersonalisatie

 

Het schijnt verleden week te Amersfoort.

Een middag voor een ander; van opzij.

De zakenlui. De wereld zonder mij.

Een bakkersjongen in de Koppelpoort.

 

Het zet zich binnen stadsgezichten voort.

Bijna de dood; aan mijn leven voorbij.

Zo zal het zijn als ik hier niet meer rij.

Dan heeft de afzender het laatste woord.

 

Letters figuurtjes op de winkelruiten.

Mijn naam en ik gescheiden van elkaar.

Er zit al speling tussen hier en nu.

 

Agenten wenken dat ik moet besluiten.

Vrachtwagens met inboedel ronken zwaar.

Ik stuur u nog vanavond het reçu.

 

 

Achterberg

Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna Maria Geertruida Schmidt werd geboren in Kapelleop 20 mei 1911. Annie Schmidt werkte aanvankelijk als bibliothecaris in Amsterdam en Vlissingen. Na de WO II werkte ze vanaf 1946 als documentaliste en later als redactrice bij de Amsterdamse krant Het Parool. Het laatste werk deed ze tot 1958. In die periode werd ze lid van de cabaretgroep De Inktvis, waar ook andere Parool-coryfeën aan meededen. Annie Schmidt – de tussenletters M.G. waren nodig ter onderscheid van een andere schrijfster A. Schmidt – schreef in de beginjaren cabaretteksten/liedjes voor o.a. Wim Kan, Wim Sonneveld en Conny Stuart. Bekendheid als schrijfster kreeg ze met de hoorspelserie In Holland staat een huis over de familie Doorsnee, waar tussen 1952 en 1958 91 afleveringen van gemaakt werden. In 1965 schreef ze de tekst van de eerste oorspronkelijk Nederlandstalige succesvolle musical “Heerlijk duurt het langst” die 534 voorstellingen zou beleven en waarvoor Harry Bannink de muziek componeerde. In 1968 volgde de inmiddels legendarische televisieserie “Ja zuster, nee zuster” weer in nauwe samenwerking met Bannink. Meer musicals zouden volgen:

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

Uitverkoop in de Konijnen-Bijenkorf

 

In de Konijnen-Bijenkorf daar is h
et uitverkoop.

Daar krijg je voor een prikje een konijnekussensloop.

Er zijn konijnebroekjes voor drie worteltjes het stuk

en bij de kinderwagens is het heel bijzonder druk.

Er zijn konijne-nylons, o, die worden veel gevraagd,

‘konylons’ ja, ze ladderen niet, zelfs als je er aan knaagt.

Meneer Van Snuffert wil een fles met uitjes en augurken,

mevrouw Van Oren-Pokkestaart wil naar de zonnejurken.

Ze willen allemaal in de lift, de liftboy staat te gillen:

‘De derde! Schrijfbehoeften, lingerie, konijne-brillen!

De vierde! Levensmiddelen, corsetten, baby-wol!

Past op uw oren, dames, heren, ja, de lift is vol!’

Kijk daar, konijne-toffeltjes met echte vilten zolen

en een konijne-juffrouw demonstreert een rauwkostmolen:

‘U hoeft niet meer te knagen!’ zegt zij. ‘Dames! Kijkt u even!

Met deze rauwkostmolen blijft u eeuwig in het leven.’

Daar komt een dame met haar kinders, ’t zijn er vierentachtig,

ze krijgen ieder een ballon, wat vinden ze dat prachtig.

Och kijk, die twee konijntjes met hun oren in de knoop!

In de Konijnen-Bijenkorf daar is het uitverkoop!

 

Schmidt

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

De Duitse schrijver Wolfgang Borchert werd geboren op 20 mei 1921 in Hamburg. In 1942 kreeg hij difterie en kwam met oorlogswonden in het lazaret terecht. Zijn gezondheid zou zich nooit meer herstellen. Borchert kwam meermaals met de legerleiding in aanvaring: men verdacht hem van insubordinatie in zijn briefcorrespondentie, en hij werd in de gevangenis te Neurenberg opgesloten. Zijn vrijlating geschiedde op voorwaarde dat hij opnieuw naar het front in het oosten zou trekken: tijdens de veldtocht onderkoelde hij echter en liep vervolgens geelzucht op, zodat hij in Smolensk wederom in het veldhospitaal belandde. Uiteindelijk mocht hij met verlof naar huis: hij sloot zich in Hamburg bij het cabaret aan; in 1943 werd hij desondanks steeds zieker, en toen hij poogde aan het front in het theater toegelaten te worden, werd hij eens te meer gearresteerd. Hij werd in 1944 nogmaals voor het gerecht gebracht, ditmaal in Berlijn, er tot negen maand gevangenis veroordeeld en vervolgens opnieuw doodziek naar het front gestuurd. In 1945 capituleerde zijn regiment in Frankfurt am Main aan de Fransen: hij liep weg en trok te voet naar Hamburg terug.

In 1945 werkte Borchert eindelijk terug voor het theater: hij speelde weer cabaret, regisseerde Lessing en richtte zelf een toneelvereniging op in Altona. Maar hij was sterk verzwakt en bedlegerig: de aantasting van zijn lever zette zich snel door, en hij wist dat hij niet lang meer te leven had. In 1946 schreef hij nog een lange rist verhalen en een dichtbundel, die aanknoopten bij de expressionistische traditie van het interbellum die door het Derde Rijk verboden was geweest. Zijn radicale keuze voor het grove, eenvoudige en eenduidige maakten hem tot een hoofdvertegenwoordiger van wat men Kahlschlag of het Uur nul noemt. Met Draußen vor der Tür verwerd hij tot spreekbuis voor een misnoegde en ontmoedigde generatie, die zich voornam van nul te herbeginnen. Na hem kwamen nieuwe experimenten, die soms wel bij de vooroorlogse traditie poogden aan te knopen, maar desalniettemin heeft hij met dit ene toneelstuk, dat een klassieker is geworden, een gigantische impact op de Duitse literatuur nagelaten.

 

Uit: Draußen vor der Tür

 

“Aha, da steht einer. Da auf dem Ponton. Sieht aus, als ob er Uniform anhat. Ja, einen alten Soldatenmantel hat er an. Mütze hat er nicht auf. Seine Haare sind kurz wie eine Bürste. Er steht ziemlich dicht am Wasser. Beinahe zu dicht am Wasser steht er da. Das ist verdächtig. Die abends im Dunkeln am Wasser stehn, das sind entweder Liebespaare oder Dichter. Oder das ist einer von der großen grauen Zahl, die keine Lust mehr haben. Die den Laden hinwerfen und nicht mehr mitmachen. Scheint auch so einer zu sein von denen, der da auf dem Ponton. Steht gefährlich dic
ht am Wasser. Steht ziemlich allein da. Ein Liebespaar kann es nicht sein, das sind immer zwei. Ein Dichter ist es auch nicht. Dichter haben längere Haare. Aber dieser hier auf dem Ponton hat eine Bürste auf dem Kopf. Merkwürdiger Fall, der da auf dem Ponton, ganz merkwürdig. (Es gluckst einmal schwer und dunkel auf. Die Silhouette ist verschwunden.) Rums! Da! Weg ist er. Reingesprungen. Stand zu dicht am Wasser. Hat ihn wohl untergekriegt. Und jetzt ist er weg. Rums. Ein Mensch stirbt. Und? Nichts weiter.”

 

 

borchert2

Wolfgang Borchert (20 mei 1921  – 20 november 1947)

 

De Franse schrijver Honoré de Balzac werd geboren in Tours op 20 mei 1799. Aanvankelijk studeerde hij rechten, maar in 1819 stopte hij met zijn studie om te gaan schrijven. Eerst onder verschillende pseudoniemen, later onder zijn eigen naam. Het succes bleef uit en hij nam een drukkerij over. Ondanks zijn verhouding met de rijke en vijftien jaar oudere en getrouwde Laure de Berny, had hij altijd grote schulden. Balzac trouwde met Eve Hanska, een rijke weduwe uit Polen, maar stierf kort daarna op eenenvijftigjarige leeftijd te Parijs. Hij werd begraven op de beroemde Parijse begraafplaats Père-Lachaise. De Balzac wordt beschouwd als de onbetwiste meester van het realisme. Hij was een harde werker, een broodschrijver, en schreef de monumentale Comédie humaine, een oeuvre van bijna honderd boeken met als doel de gehele Franse maatschappij vast te leggen. Zijn eerste grote successen waren La Peau de chagrin en Le Père Goriot. Le Lys dans la vallée wordt als zijn meesterwerk beschouwd.

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

 

Uit: Le père Goriot

 

« Madame Vauquer, née de Conflans, est une vieille femme qui, depuis quarante ans, tient à Paris une pension bourgeoise établie rue Neuve-Sainte-Geneviève, entre le quartier latin et le faubourg Saint-Marceau. Cette pension, connue sous le nom de la Maison-Vauquer, admet également des hommes et des femmes, des jeunes gens et des vieillards, sans que jamais la médisance ait attaqué les moeurs de ce respectable établissement. Mais aussi depuis trente ans ne s’y était-il jamais vu de jeune personne, et pour qu’un jeune homme y demeure, sa famille doit-elle lui faire une bien maigre pension. Néanmoins, en 1819, époque à laquelle ce drame commence, il s’y trouvait une pauvre jeune fille. En quelque discrédit que soit tombé le mot drame par la manière abusive et tortionnaire dont il a été prodigué dans ces temps de douloureuse littérature, il est nécessaire de l’employer ici: non que cette histoire soit dramatique dans le sens vrai du mot; mais, l’oeuvre accomplie, peut-être aura-t-on versé quelques larmes intra muros et extra . Sera-t-elle comprise au-delà de Paris? le doute est permis. Les particularités de cette scène pleine d’observations et de couleurs locales ne peuvent être appréciées qu’entre les buttes de Montmartre et les hauteurs de Montrouge, dans cette illustre vallée de plâtras incessamment près de tomber et de ruisseaux noirs de boue; vallée remplie de souffrances réelles, de joies souvent fausses, et si terriblement agitée qu’il faut je ne sais quoi d’exorbitant pour y produire une sensation de quelque durée. » 

 

 

BALZACRodin

Honoré de Balzac (20 mei 1799 – 18 augustus 1850)
Beeld van Auguste Rodin

 

De Surinaamse schrijver A.C. Cirino werd geboren in Goede Hoop op 20 mei 1929. Hij was een kenner van de inheemse culturen en publiceerde in het Nederlands twee bundels Indiaanse vertellingen, gebaseerd op de vertelschat van Karaïben en Arowakken. Jarenlang waren ze de eerste, uitgebreide collectie van Surinaams-Indiaanse vertellingen, vastgelegd door iemand die zelf afkomstig was uit een Indiaanse groep.

 

Uit: Het meisje en de vogels

 

“O, wat waren de vogeltjes verdrietig. Bij honderden kwamen ze aangevlogen om haar te troosten en beterschap te wensen. Overal zaten ze op de grond, op de spanten van het kamp, op het dak, aan de rand van haar hangmat, zelfs tegen de bladerwand van het kamp. Overal. En ze piepten en floten al maar door. En ze hadden heel wat lekkernijen voor haar meegebracht, heel wat bosvruchten. Het hele vogelrijk was in de waar en in de weer gekomen.
Sommige vogeltjes stierven van verdriet, omdat zij weigerden te eten toen zij Matuwi maar zagen wegkwijnen. De vogels kwamen bij elkaar en zeiden: “Matuwi is onze koningin. Hoe kunnen wij haar helpen?” Rediborsu dacht bij zichzelf: “Matuwi wordt niet beter.” En hij bracht zijn familie om de vogelkoningin te groeten en een goede reis naar het hiernamaals te wensen.
Een der kleine grijze vogels sprong op Matuwi’s armen en pikte haar. Er kwam wat bloed uit dat op de vogeltjes viel.
Enkele dagen daarna was het dorp en het hele vogelrijk in rouw gedompeld. Matuwi was overleden. Bij haar begrafenis zaten duizenden vogeltjes stil op de takken van de bomen toe te kijken. De vogels hadden zo’n verdriet dat zij nooit meer grote vriendschap met de mensen hebben gesloten. Vanaf die tijd vliegen zij snel weg als je in hun buurt komt.
En jij die dit verhaal hebt gehoord, weet nu ook waarom de rediborsu rode veren en een roodachtige bek heeft.”

 

REDIBORSI

A.C. Cirino (20 mei 1929 –  6 mei 2003) 
Rediborsi (Geen portret beschikbaar)

Karel van het Reve, Ruskin Bond, Fritz Rudolf Fries, Rahel Varnhagen

 

De Nederlandse letterkundige, vertaler, essayist, schrijver en columnist Karel van het Reve werd geboren in Amsterdam op 19 mei 1921.Van het Reve groeide samen met zijn broer Gerard op in een communistisch milieu in het Amsterdamse Betondorp Hij was de zoon van de bekende communistische schrijver en journalist Gerard Vanter. Van het Reve bezocht het Amsterdamse Vossius Gymnasium, waar hij onder meer geschiedenis kreeg van Jacques Presser. Tijdens de Tweede Wereldoorlog volgt hij illegaal colleges slavistiek bij Bruno Becker. Hij rondt deze studie na de oorlog regulier af en promoveert in 1954. In 1957 wordt hij benoemd als hoogleraar Slavische letterkunde in Leiden, een functie die hij tot zijn emeritaat in 1983 zou vervullen. In 1967 en 1968 is Karel van het Reve correspondent voor Het Parool in Moskou. Hij begeeft zich in de kringen van sovjetdissidenten, waar hij onder anderen Andrej Amalrik, Pavel Litvinov en Andrej Sacharov leert kennen. Dankzij Van het Reve is het werk van Sacharov in het Westen bekend geworden. Van het Reve richtte samen met de historicus Jan Willem Bezemer de Alexander Herzen Stichting op, die dissidente sovjetliteratuur publiceerde.

 

Uit: Het geloof der kameraden

 

“Hoe is het met de leer buiten de Sovjet-Unie? Bestaan er handboeken van het marxisme-leninisme in het Chinees, Koreaans, Abessijns, Cubaans, Hongaars, Pools, Servo-kroatisch? Ik heb mij twintig jaar geleden niet in die vraag verdiept, en ik doe dat nu ook niet. Ook bemoei ik me niet met de vraag, hoe het zit met de aanhangers van het marxisme-leninisme buiten de landen waar de leer staatsgodsdienst is. In hoeverre gelooft een Nederlandse, Engelse, Japanse, Chileense, Pakistaanse communist aan de stellingen die in dit boek uiteengezet worden? Doen de gebeurtenissen in de Sovjet-Unie hem zijn geloof verliezen? Ik weet het niet. Sommige communisten, lijkt het, verliezen eerder hun geloof in Moskou dan hun geloof in Lenin.

Trouwens ook buiten de communistische beweging lopen heel wat mensen rond, die, vaak zonder zich daarvan bewust te zijn, bepaalde marxistisch-leninistische leerstellin-

gen aanhangen. Denk maar aan de mensen die geloven dat Philips wel een niet kapot gaande gloeilamp kan maken, maar dat niet doet omdat dan de winst in gevaar zou komen. De theorie der ‘planmatige veroudering’ (‘planned obsolescence’) is eigenlijk een onderdeel van de marxistisch-leninistische stelling dat onder het kapitalisme nieuwe uitvindingen verdonkeremaand worden om de kapitalistische winst te beschermen.

Andere voorbeelden: ‘wij hebben in het Westen weliswaar winkels die vol liggen met de prachtigste waren, maar die waren zijn alleen bestemd voor de rijken. Alleen de rijken immers hebben genoeg geld om die waren te kopen’. Zo’n bewering wordt door menigeen geloofd, en het is een stukje van de communistische leer. (Het is natuurlijk een onjuiste bewering, want als die waren alleen door de rijken gekocht werden zouden die winkels binnen enkele weken failliet gaan.) Heel wat mensen in het Westen geloven, hoewel ze geen communist zijn, dat de dialektiek iets heel interessants en nuttigs is, of dat ons land geregeerd wordt door een ‘heersende klasse’, of dat de Franse revolutie een einde maakte aan het ‘feodalisme’ in Frankrijk, of dat de armen steeds armer en de rijken steeds rijker worden. Kortom, het ‘geloof der kameraden’, hoezeer ook door de ongunst der tijden in het nauw gebracht, bestaat nog steeds.”

 

reve3

Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999)

 

De Indiase schrijver Ruskin Bond werd geboren op 19 mei 1934 in Kasauli. In twintig jaar tijd schreef meer dan honderd korte verhalen, essays, romans en kinderboeken. The Room On The Roof was zijn eerste roman, geschreven toen hij zeventien was en hij kreeg er in 1957 de John Llewellyn Rhys Memorial prize voor.In 1992 ontving hij de Sahitya Akademi Award voor Our Trees Still Grow In Dehra.

 

Uit: THE PHOTOGRAPH

 

“I WAS TEN YEARS OLD. My grand mother sat on the string bed under the mango tree. It was late summer and there were sunflowers in the garden and a warm wind in the trees. My grandmother was knitting a woollen scarf for winter months. She was very old, dressed in a plain white sari. Her eyes were not very strong now but her fingers moved quickly with the needles and the needles kept clicking all afternoon. Grandmother had white hair but there were very few wrinkles on her skin.
I had come home after playing cricket on the maidan. I had taken my meal and now I was rummaging in a box of old books and family heirlooms that had just that day been brought out of the attic by my mother. Nothing in the box interested me very much except for a book with colourful pictures of birds and butterflies. I was going through the book, looking at the pictures, when I found a small photograph between the pages. It was a faded picture, a little yellow and foggy. It was the picture of a girl standing against a wall and behind the wall there was nothing but sky. But from the other side a pair of hands reached up, as though someone was going to climb the wall. There were flowers growing near the girl but I couldn’t tell what they were. There was a creeper too but it was just a creeper. …”

 

Bond

Ruskin Bond (Kasauli, 19 mei 1934)

 

De Duitse schrijver Fritz Rudolf Fries werd geboren op 19 mei 1935 in Bilbao als zoon van een Duitse koopman. Ook zijn moeder was Duitse, maar van Spaanse afkomst. In 1942 kwam de familie naar Leipzig. Na zijn studie Engels, Romaanse talen en Spaans werd Fries zelfstandig vertraler (Calderón, Cervantes e.a.) en schrijver. Van 1960 tot 1966 werkte hij als assistent van de Akademie der Wissenschaften in Berlijn (DDR). Zijn eerrste roman, Der Weg nach Oobliadooh, mocht in de DDR niet gedrukt worden en verscheen in 1966 in de BRD. In 1996 werd hij als onofficiële medewerker van de Stasi ontmaskert. Als gevolg daarvan voelde hij zich door het literaire bedrijf in de ban gedaan en trok hij zich uit alle verenigingen terug.

 

Uit: Hesekiels Maschine oder Gesang der Engel am Magnetberg

 

Und so geschah es, wir luden ihn ein, in zwei Musiker verwandelt, die auf die Gelegenheit eines gigs warteten, indes ihre Kollegen im Halblicht auf der Bühne spielten, hinter Schwaden von Tabakrauch und in den leisen Passagen in ihrer Musik beinahe zugedeckt von den unbekümmert geführten Gesprächen am Tisch, die ein Ostinato waren, durchaus anregend gedacht wie die ständige Begleitung auf dem Schlagzeug, unterbrochen oder gesteigert durch das Klirren eine zerbrochenen Glases, das Aufschlagen der Bestecke auf einem geleerten Teller und der unerwartet in die Höhe steigenden Spirale eines Lachens, das auch das der Sängerin sein konnte, die auch heute auf ihre Gardenie im Haar nicht verzichtet hatte und deren abgezehrter Körper unmöglich diese Stimme beherbergen konnte, die stammelte wie ein kleines Mädchen und dann wieder stöhnte wie eine auf den Wogen der Lust reitende Geliebte, und die ihre Kollegen animierte, aus ihren Trompeten und Saxophonen, Gitarren und Bässen die letzten Geständnisse herauszupressen, die sie der Sängerin und uns machen wollten, an diesem Abend und dann nie wieder.“

 

FRIES

Fritz Rudolf Fries (Bilbao, 19 mei 1935)

 

De Duitse schrijfster Rahel Varnhagen werd geboren op 19 mei 1771 in Berlijn. Van 1790 tot 1806 hield zij daar een literaire salon, waarin dichters, wetenschappers, politici en adel elkaar ontmoetten. Gasten waren o.a. Jean Paul, Ludwig Tieck, Ernst von Pfuel, Friedrich Schlegel, Wilhelm und Alexander von Humboldt, Friedrich de la Motte Fouqué, Prins Louis Ferdinand en diens maitresse Pauline Wiesel. In 1812 publiceerde zij een deel van haar briefwisseling met Karl August Varnhagen dat betrekking had op Johann Wolfgang von Goethe en dat aanzienlijk nijdroeg aan diens roem als dichtervorst van Weimar.

 

Uit: Gedanken, Beobachtungen und Erinnerungen

 

„Was ist am Ende der Mensch anders als eine Frage! Zum Fragen, nur zum Fragen, zum ehrlich kühnen Fragen, und zum demütigen Warten auf Antwort, ist er hier. Nicht kühn fragen, und sich schmeichelhafte Antworten geben, ist der tiefe Grund zu allem Irrtum: und ist man in diesem auch ehrlich und irrt nur, so ist es doch Verzärtelung und Mangel an Klarheit; und bei beiden können wir nicht immer verweilen: Die große allgütige Einrichtung Gottes, das wirkliche Verhalten der Dinge untereinander und der Gedanken zu den Dingen wird uns doch zum schwereren, demütigern Werke mit fortreißen. Auf solche Weise glaub’ ich, sind wir zum ganzen hiesigen Dasein gekommen. Wir mußten es durchmachen. Wie überhaupt Menschengeister lernen. Mit eigener Mühe; dabei fängt die große Mitgift, Persönlichkeit, an. Dies ist für mich »der Gedanke aller Gedanken, die Menschwerdung Gottes«; die Gnade, uns eine Person werden zu lassen, und in dieser Gnade find’ ich auch gleich ihren eigenen Grund; sie enthält ihre Bedingung in sich selbst.“

 

Varnhagen

Rahel Varnhagen (19 mei 1771 – 7 maart 1833)

W.G. Sebald, Ernst Wiechert, Franziska zu Reventlow, Omar Khayyám, Bertrand Russell, John Wilson

De Duitse schrijver W.G. Sebald werd geboren in Wertach (Allgäu) op 18 mei 1944. Om medische redenen werd Sebald vrijgesteld van militaire dienst. Hij studeerde twee jaar literatuurwetenschap in Freiburg im Breisgau en behaalde in 1966 een Licence de Lettres in Fribourg, Zwitserland. Hij zette te zijn studie voort aan de Universiteit van Manchester, en trouwde in 1967. Hij doceerde korte tijd in Manchester en in Zwitserland.

Vanaf 1970 was Sebald lector aan de Universiteit van East Anglia in Norwich. Hij promoveerde in 1973 met een studie over Alfred Döblin, in 1986 in Hamburg met “Die Beschreibung des Unglücks”. In 1988 werd hij door de Universiteit van East Anglia benoemd tot hoogleraar Duitse letterkunde. In 1989 richtte hij het British Centre for Literary Translation op in Norwich.

Sebald overleed in 2001 ten gevolge van een verkeersongeluk, waarbij ook zijn dochter Anna zwaar gewond raakte. Sinds het einde van de jaren ’80 publiceerde Sebald literair werk, dat aanvankelijk vooral in Angelsaksische wereld, onder meer door toedoen van Susan Sontag, gewaardeerd werd. In Duitsland kreeg hij vanaf het midden van de jaren ’90 bekendheid. Zijn literair oeuvre is klein, maar buitengewoon origineel. Hij is vaak getipt als kandidaat voor een Nobelprijs.

 

Uit: Austerlitz

 

„In der zweiten Hälfte der sechziger Jahre bin ich, teilweise zu Studienzwecken, teilweise aus anderen, mir selber nicht recht erfindlichen Gründen, von England aus wiederholt nach Belgien gefahren, manchmal bloß für ein, zwei Tage, manchmal für mehrere Wochen. Auf einer dieser

belgischen Exkursionen, die mich immer, wie es mir schien, sehr weit in die Fremde führten, kam ich auch, an einem strahlenden Frühsommertag, in die mir bis dahin nur dem Namen nach bekannte Stadt Antwerpen. Gleich bei der Ankunft, als der Zug über das zu beiden Seiten mit sonderbaren Spitztürmchen bestückte Viadukt langsam in die dunkle Bahnhofshalle hineinrollte,

war ich ergriffen worden von einem Gefühl des Unwohlseins, das sich dann während der gesamten damals von mir in Belgien zugebrachten Zeit nicht mehr legte. Ich entsinne mich noch, mit welch unsicheren Schritten ich kreuz und quer durch den inneren Bezirk gegangen bin, durch die Jeruzalemstraat, die Nachtegaalstraat, die Pelikaanstraat, die Paradijsstraat, die Immerseelstraat und durch viele andere Straßen und Gassen, und wie ich mich schließlich, von Kopfschmerzen und unguten Gedanken geplagt, in den am Astridplein, unmittelbar neben dem Zentralbahnhof gelegenen Tiergarten gerettet habe. Dort bin ich, bis es mir ein wenig besser wurde, auf einer Bank im Halbschatten bei einer Vogelvoliere gesessen, in der zahlreiche

buntgefiederte Finken und Zeisige herumschwirrten. Als der Nachmittag sich schon neigte, spazierte ich durch den Park und schaute zuletzt noch hinein in das erst vor ein paar Monaten neu eröffnete Nocturama. Es dauerte eine ganze Weile, bis die Augen sich an das künstliche Halbdunkel gewöhnt hatten und ich die verschiedenen Tiere erkennen konnte, die hinter der Verglasung ihr von einem fahlen Mond beschienenes Dämmerleben führten.“

 

Sebald_b

W.G. Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001)

 

De Duitse schrijver Ernst Wiechert werd geboren op 18 mei 1887 in Kleinort bij Sensburg in Oostpruisen.(Tegenwwordig Polen). In 1932 verscheen zijn roman “Die Magd des Jürgen Doskocil“, waarmee hij zijn naam als schrijver vestigde. Hij werd al snel een van de meest gelezen schrijvers van zijn tijd. Al vroeg in de jaren dertig riep studenten hij ertoe op kritisch te blijven denken over het nationaalsocialisme. In 1938 zat hij vier maanden vast in Buchenwald, waarover hij berichtte in Der Totenwald. Dat boek verscheen pas in 1945.

 

AUSKLANG

Ich habe den Tag nicht vergeudet,
er gab mir Verse und Brot,
am westlichen Himmel scheidet
das letzte Abendrot.

Ein Segel zieht in der Ferne
dem letzten Leuchten nach,
unter dem Abendsterne
liegt still mein dunkles Dach.

Ich halte auf meinen Knien
die Bibel aus der Kinderzeit,
ich sehe mein Leben ziehen
still in die Ewigkeit.

Das meiste versäumt und verloren,
was Gott mir anvertraut,
und doch noch einmal geboren
und die Stirn mit Gnade betaut.

Gekämpft und geliebt und gelitten
und die Herzen gekränkt und gefreut,
und den Kreis doch ausgeschritten
und die Saat doch ausgestreut.

Ach, in der Abendhelle
Schimmert der goldene Strand,
schimmert die dunkelnde Schwelle,
die ich am Abend fand.

Der Gürtel des Orion leuchtet
im Westen tief und spät,
und meine Wimper feuchtet
sich still im Dankgebet.

 

 

DEUTSCHE WEIHNACHT

Da ist ein Volk, das vor den Krippen betet,
wie alle Völker auch in dieser Nacht.
Gott hat wie Disteln dieses Volk gejätet
und es zum Brennen auf das Feld gebracht.

Da ist ein Volk, braucht keinen Stall zu bauen
für Kinder, die heut’ Nacht geboren sind,
weil alle Sterne durch die Dächer schauen
und alle Mütter friert’s im Weihnachtswind.

Dort liegen zitternd sie in ihren Wehen,
kein Engel, der die feuchten Hände hält,
kein Ochs und Esel, die beim Kinde stehen,
kein Hirtenlied aus dem verschneiten Feld.

Und Joseph kauert auf den nassen Stufen
und träumt vom letzten Brot, das er sich brach,
wo ist ein Gott, ihn gläubig anzurufen?
Wo ist ein Richter, der nicht “schuldig” sprach?

Und keine Könige, die sich verneigen,
und weder Weihrauch, Milch noch trocknes Brot,
und in den Ecken steht das dunkle Schweigen,
und auf den Trümmern sitzt der dunkle Tod.

Da ist ein Volk, im Dunklen noch verloren
und ist ein Volk, das ist wie keins allein,
und sind doch Kinder ihm heut nacht geboren,
und alle werden reinen Herzens sein.

 

wiechert

Ernst Wiechert (18 mei 1887 – 24 augustus 1950)

 

De Duitse schrijfster Franziska (gravin) zu Reventlow werd geboren op 18 mei 1871 in Husum. Al vroeg verzette zij zich tegen haar opvoeding als “hogere dochter” en tegen de gangbare sexuele moraal. Na de pensionering van haar vader verhuisde de familie naar Lübeck. Hier volgde zij een opleiding tot lerares. Toen zij meerderjarig werd maakte zij zich los van haar familie. In Hamburg leerde zij een jurist kennen die haar studie schilderen in München financierde. Zij trouwden in 1894. In 1897 scheidden zij weer. Zu Reventlow bekostigde toen haar leven in de Schwabinger Boheme met o.a. het vertalen van Franse literatuur. In deze tijd ging zij ook om met Rainer Maria Rilke.

 

Uit: Das Männerphantom der Frau

„Der Mann! – Einmal muß der Moment ja doch schließlich kommen – trotz der strengsten Mutter und der wachsamsten Tante –, der Moment, wo «der Mann» nicht mehr hinwegzuleugnen ist und wo das junge Mädchen anfängt, etwas zu fühlen und zu begreifen, etwas – ja, wie soll man es definieren, dieses geheimnisvolle Etwas, die Vorempfindung des andern Geschlechts im eignen Blute?

Daß er, «der Mann», existiert, wie er beschaffen ist, auf welchen Bedingungen sein Dasein sich aufbaut, weshalb, wozu und inwiefern er eben «der Mann» ist, das wird bekanntlich dem heranwachsenden Weibe so lange wie möglich verborgen gehalten.

Bis die Stunde der großen Offenbarung kommt, früher oder später. Und die Offenbarung wird jedem in anderer Form und Gestalt, je nachdem wie er – oder sagen wir in diesem Falle lieber: sie – und ihr inneres und äußeres Leben sich gestaltet. Es läßt sich das weder generalisieren noch spezialisieren, das eine wäre zu oberflächlich und das andere zu schwierig oder, richtiger gesagt, einfach unmöglich. Es ist eben ein individuelles Erlebnis, das nur in seinen Folgen und Wirkungen an die Oberfläche tritt und auch da wieder in unterschiedlicher Form.“

 

reventlow

Franziska zu Reventlow (18 mei 1871 – 25 juli 1918)

 

De Perzische dichter Omar Khayyám, of zoals zijn arabische naam luidt, al-Imâm Abu Hafs ‘Omar ebn Ebrâhim al-Khayyâmi, werd geboren op 18 mei 1048 te Nishapur.

 

Zie ook mijn blog van 18 mei 2006.

 

Uit de Rubáiyát

 

VII

 

De roode wijn, die onder lachgeluid
zich voortspoedt door den gorgelenden tuit,
is bloed des harten en het blank kristal
een oogentraan, die het rondom omsl
uit

 

 

VIII

 

Veel kostbaar bloed heeft ’s werelds loop gestort
en menig bloem is onverhoopt verdord;
verhef u niet op jongzijn en op glans,
de knop valt af, eer zij geopend wordt.

 

 

XVI

 

0 droomend hart, kies u een nieuw vertier
in vrouwenwang en purpren eglantier;
licht als kwikzilver vlieten onze dagen,
de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier

 

 

Vertaald door J.H. Leopold.

 

 

 

omar

Omar Khayyam (18 mei 1048 – 4 december 1131)

 

De Britse filosoof, logicus, wiskundige en politiek activist Bertrand Arthur William Russell werd gebpren om Trellech (Monmouthshire), Wales op 18 mei 1872.  Russell was een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw. Hij schreef veel boeken over logica en hield zich onder andere bezig met het onderzoek naar de grondslagen van de wiskunde. Een van zijn voornaamste werken is de Principia Mathematica dat hij samen met Alfred North Whitehead schreef.

Alhoewel van christelijke huize was hij een uitgesproken agnost. Hij zei wel dat de meeste mensen hem waarschijnlijk als atheïst zouden beschouwen, omdat hij op dezelfde manier evenmin in de christelijke God als in de Homerische goden geloofde.

Ook over zijn redenen om agnost te zijn schreef hij boeken. In zijn betoog Why I Am Not a Christian (Waarom ik geen christen ben) valt hij de belangrijkste argumenten voor het bestaan van een god aan en komt tot de conclusie dat er geen enkele noodzaak is om aan te nemen dat er een god bestaat. Ook betoogt hij dat religie meer kwalijke dan goede gevolgen heeft. Hij beschouwde zichzelf als vrijdenker. Tevens lanceerde hij een argument dat bekendstaat als Russells theepot, om het onfalsifieerbare karakter van godsdienstige opvattingen aan de kaak te stellen.

Ook op het gebied van seksualiteit had hij een voor die tijd zeer progressieve opvatting. Zo zag hij geen enkele reden om bijvoorbeeld seks buiten het huwelijk immoreel te vinden. Iets kan volgens Russell alleen immoreel zijn wanneer het anderen schaadt, en dat is bij seks buiten het huwelijk niet het geval. Hoewel zulke opvattingen tegenwoordig vrij normaal gevonden worden, kwam Russell er regelmatig door in de problemen.

In de verzamelingenleer is de Russellparadox naar hem genoemd. Deze paradox gaat over de verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet bevatten, met de vraag of deze verzameling zichzelf nu wel of niet bevat In 1950 won Russell de Nobelprijs voor literatuur.

 

Uit: Why I am Not a Christian

 

“To come to this question of the existence of God, it is a large and serious question, and if I were to attempt to deal with it in any adequate manner I should have to keep you here until Kingdom Come, so that you will have to excuse me if I deal with it in a somewhat summary fashion. You know, of course, that the Catholic Church has laid it down as a dogma that the existence of God can be proved by the unaided reason. This is a somewhat curious dogma, but it is one of their dogmas. They had to introduce it because at one time the Freethinkers adopted the habit of saying that there were such and such arguments which mere reason might urge against the existence of God, but of course they knew as a matter of faith that God did exist. The arguments and the reasons were set out at great length, and the Catholic Church felt that they must stop it. Therefore they laid it down that the existence of God can be proved by the unaided reason, and they had to set up what they considered were arguments to prove it. There are, of course, a number of them, but I shall take only a few.”

 

 

Russel

Bertrand Russell (18 mei 1872 – 2 februari 1970)

 

De Schotse schrijver John Wilson werd geboren in Paisley op 18 mei 1785. In 1817 kwam hij in de redactie van Blackwood’s Magazine en werd al snel een van zijn belangrijkste schrijver, grotendeels gepubliceerd onder het pseudoniem Christopher North. Hij was een sympathisant van de Tories en dat leverde hem een hoogleraarschap op in moraalfilosofie aan de universiteit van  Edinburgh (1820 – 1851).   

 

Uit: Recreations of Christopher North

 

Art thou beautiful, as of old, O wild, moorland, sylvan, and pastoral Parish! the Paradise in which our spirit dwelt beneath the glorious dawning of life—can it be, beloved world of boyhood, that thou art indeed beautiful as of old? Though round and round thy boundaries in half an hour could fly the flapping dove—though the martens, wheeling to and fro that ivied and wall-flowered ruin of a Castle, central in its own domain, seem in their more distant flight to glance their crescent wings over a vale rejoicing apart in another kirk-spire, yet how rich in streams, and rivulets, and rills, each with its own peculiar murmur—art Thou with thy bold bleak exposure, sloping upwards in ever lustrous undulations to the portals of the East! How endless the interchange of woods and meadows, glens, dells, and broomy nooks, without number, among thy banks and braes! And then of human dwellings—how rises the smoke, ever and anon, into the sky, all neighbouring on each other, so that the cock-crow is heard from homestead to homestead; while as you wander onwards, each roof still rises unexpectedly—and as solitary, as if it had been far remote. Fairest of Scotland’s thousand parishes—neither Highland, nor Lowland—but undulating—let us again use the descriptive word—like the sea in sunset after a day of storms—yes, Heaven’s blessing be upon thee! Thou art indeed beautiful as of old!”

 

 

Wilson

John Wilson (18 mei 1785 – 3 april 1854)

Peter Høeg, Lars Gustafsson, Henri Barbusse, Cor Bruijn, Virginie Loveling, Dorothy Richardson

 

De Deense  schrijver Peter Høeg werd geboren in Kopenhagen op 17 mei 1957. Hij begon zijn carrière als zeeman, danser en acteur. Peter Høeg groeide op in Kopenhagen, waar hij in 1984 zijn studie literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Kopenhagen afrondde. Hierna werkte hij onder andere als sportleraar en danser. In 1988 debuteerde hij met Forestilling om det tyvende århundrede (Voorstelling van de twintigste eeuw). Na deze roman en zijn tweede boek Fortællinger om natten (1990, Nachtvertellingen) groeide de belangstelling voor zijn werk. Zijn grote doorbraak kwam in 1992 met zijn misdaadroman Frøken Smillas fornemmelse for sne (Smilla’s gevoel voor sneeuw). Dit boek werd een wereldwijde bestseller en werd in 1997 door Bille August verfilmd. Na het verschijnen van de roman De måske egnede (Grensgevallen) in 1993 kwam er ook steeds meer kritiek op zijn werk en ook zijn volgende roman, Kvinden og aben (1996, De vrouw en de aap) kon hier niets aan veranderen.

Na het uitkomen van dit boek bleef het tien jaar lang stil rondom de persoon Peter Høeg tot in 2005 bekend werd dat er een nieuw boek van zijn hand zou verschijnen. Zodoende kwam in mei 2006 Den stille pige (De stilte en het meisje) uit. Deze roman werd niet al te best ontvangen door de Deense recensenten, terwijl de Noorse schrijver Jan Kjærstad het juist voor hem opnam.

Peter Høeg heeft ook het fonds Lolwe opgericht, dat vrouwen en kinderen in de Derde Wereld ondersteunt. De opbrengst van de roman Kvinden og aben ging naar dit fonds.

Met zijn werk heeft Høeg verschillende prijzen gewonnen, waaronder De Gyldne Laurbær (1994).

In 2006 was er in de Nederlandse theaters een toneelbewerking te zien van het boek De måske egnede onder de naam Grensgevallen.

 

Uit: Das stille Mädchen (Den stille pige)

 

„Gott die Herrin hatte einen jeglichen Menschen in seiner eigenen Tonart gestimmt, und Kasper konnte sie heraushören. Am besten in den kurzen, ungeschützten Augenblicken, in denen sie schon in seiner Nähe waren, aber noch nicht ahnten, daß er lauschte. Deshalb wartete er am Fenster, auch jetzt.

Es war kalt. So kalt, wie es nur in Dänemark kalt werden konnte, und auch nur im April. Wenn die Leute in geistesverwirrter Verzückung über das Licht die Heizung ausgestellt, den Pelz beim Kürschner abgegeben, die langen Unterhosen vergessen hatten und ausgegangen waren. Und viel zu spät bemerkten, daß die Temperatur auf den Gefrierpunkt gefallen war, die Luftfeuchtigkeit neunzig Prozent betrug, der Wind aus Norden blies und Stoff und Haut durchdrang und sich ums Herz legte und es mit sibirischer Tristesse erfüllte.
Der Regen war kälter als Schnee und fein, dicht und grau wie ein Seidenvorhang. Durch diesen Vorhang rollte ein langer schwarzer Volvo mit getönten Scheiben heran. Dem Auto entstiegen ein Mann, eine Frau und ein Kind. Der Auftakt war verheißungsvoll.
Der Mann war groß und breit und schien gewohnt, seinen Willen durchzusetzen und seinen Mitmenschen, falls er ihn einmal nicht durchsetzen konnte, den Kopf zurechtzurücken. Die Frau war blond wie ein Gletscher, glich einem one million dollar baby und sah aus, als wäre sie clever genug gewesen, die Million selbst verdient zu haben. Das Mädchen trug teure Sachen und hatte Würde. Die Szene ähnelte dem Auszug der heiligen und hochvermögenden Familie“.

 

Hoeg

Peter Høeg (Kopenhagen, 17 mei 1957)

 

De Zweedse schrijver Lars Gustafsson werd geboren in Västeras, op 17 mei1 936. Hij studeerde wijsbegeerte in Uppsala en Oxford. Hij debuteerde op achttienjarige leeftijd met de roman ‘De laatste dagen en de dood van de dichter Bromberg’. Hierna volgde een reeks romans, verhalen, gedichten, essays, reisbeschrijvingen en filosofische en politieke beschouwingen die Gustafsson in korte tijd tot een van de meest spraakmakende auteurs van Zweden maakten. Zijn romans en gedichten zijn in verscheidene talen vertaald. In 1962 verscheen zijn eerste dichtbundel, ‘De ballonvaarders’. Van 1962 tot 1972 was Gustafsson verbonden aan het belangrijkste literaire tijdschrift in Zweden, Bonniers Literara Magasin. Nu schrijft hij nog steeds in Svenska Dagbladet en publiceert hij regelmatig poëzie in The New Yorker. Een hoogtepunt in zijn verhalend proza is de vierdelige romancyclus ‘De barsten in de muur’, een relaas van de verstikkende werking van een overgeorganiseerde maatschappij op het individu.

 

Uit: De stilte van de wereld voor Bach

 

Er moet een wereld bestaan hebben voor

de Triosonate in D, een wereld voorde Partita in a mineur,

maar hoe zag die wereld eruit?

Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,

overal onwetende instrumenten waar

 Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier

Nooit over een claviatuur waren gegaan.

Eenzaam gelegen kerken

waar de sopraanstem uit de Johannes-Passion zich

nimmer in hulpeloze liefde had geslingerd rond

de mildere windingen van de fluit,

weidse zachtmoedige landschappen

 waar alleen oude houthakkers met

hun bijlen te horen zijn,

het gezonde geluid van sterke honden in de winter

en – als een slingerklok – schaatsen klauwend in glansijs;

zwaluwen zwermend in de zomerlucht,

schelp waar het kind aan luistert

en nergens Bach, nergens Bach,

schaatsstilte van de wereld voor Bach.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

 

Gymnasium

Es waren eigentlich nur vier kurze Winter.
Mit Thomas Mann und Hesse
und der griechischen Grammatik.
Und dem Kino Skandia.
Heutzutage vergeht so etwas schnell.
Aber damals, zu jener Zeit
war alles so groß, so lan
wie ein halbes Leben.

Die Fahrräder, an denen die Schlösser rosteten.
Das Innerste dieser rostenden Fahrradschlösser:
Eine dieser Stellen
die wir nicht gründlich genug
studiert haben.

 

Vertaald door Verena Reichelaus

 

GUSTAFSSON

Lars Gustafsson (Västeras, 17 mei1936)

 

De Franse schrijver Henri Barbusse werd geboren op 17 mei 1873 in Asnières-sur-Seine. Toen Barbusse in 1916 Het vuur schreef had hij al bijna twee jaar in de loopgraven doorgebracht, eerst als soldaat en daarna als brancardier. Bij het schrijven maakte hij gebruik van de aantekeningen die hij vanaf oktober 1915 had gemaakt. Het resultaat is een indringend getuigenverslag waarin hij een onthutsend beeld geeft van het rauwe soldatenleven, van de barre strijd om het bestaan. Bij de verschijning in 1916 in Frankrijk riep het boek in patriottische kringen weerstand op, maar het ontving ook uitbundige loftuitingen, onder meer van Céline, en het werd al na enkele dagen met de prestigieuze Prix Goncourt bekroond. Het vuur geldt tegenwoordig als een van de hoogtepunten uit de literatuur over de Eerste Wereldoorlog.

 

Uit Le feu

 

« Plus que les charges qui ressemblent à des revues, plus que les batailles visibles déployées comme des oriflammes, plus même que les corps à corps où l’on se démène en criant, cette guerre, c’est la fatigue épouvantable, surnaturelle, et l’eau jusqu’au ventre, et la boue, et l’odeur et l’infâme saleté. C’est les faces moisies et les chairs en loques et les cadavres qui ne ressemblent même plus à des cadavres, surnageant sur la terre vorace. C’est cela, cette monotonie infinie de misère, interrompues de drames aigus, c’est cela et non pas la baïonnette qui étincelle comme de l’argent, ni le chant de coq du clairon au soleil »

 

 

barbusse

Henri Barbusse (17 mei 1873 –30 augustus 1936)

 

De Nederlandse schrijver Cor Bruijn werd geboren in Wormerveer op 17 mei 1883. Bruijn schreef voornamelijk streekromans en kinderboeken. Zijn bekendste boek is Sil de strandjutter (1940). Bruijn was de oudste van tien kinderen.Zijn vader was kruidenier. Hij doorliep de Rijkskweekschool voor onderwijzers in Haarlem, en werd onderwijzer.In 1903 was Bruijn betrokken bij de oprichting van de Humanitaire School in Laren waar hij van 1906 tot 1916 hoofdonderwijzer was. In 1916 vertrok hij naar de Hilversumse Schoolvereniging. Vanaf 1942, toen hij wegens gezondheidsredenen met vervroegd pensioen ging, legde hij zich volledig toe op schrijven. In 1955 won hij de prijs voor het beste kinderboek van het jaar met Lasse Länta.

 

Uit: Langs de waterkant

 

“Het was een Maandagmiddag in het begin van November. Broer Siem werkte hard in het tuintje bij het huis. De boerekoolplantjes, die hij er nu al weken in had staan, bleven maar kleine miezertjes, zoodat hij besloten had alles maar om te spitten. En daar was hij nu mee bezig. Er viel een akelig motregentje, doch Siem was nu juist dien middag thuis en dan moest die motregen maar motregenen, vond hij. De meeste regen viel toch bezijden hem. Hij werkte flink door, want hij wou voor het donker werd, klaar zijn en het liep al tegen vieren. Siem was in October twaalf jaar geweest. Hij ging nog school, maar nu was hij thuis om op kleine Japie te passen, want vader was dood en moeder ging vijf dagen van de week uit werken om den kost te verdienen voor haar twee jongens en zich zelf. Meestal nam ze Japie dan mee, maar ’s Maandags werkte ze bij een mevrouw, die dat niet wou toestaan en daarom bleef  Siembroer dan thuis om op hem te passen. Kleine Japie was een man van drie jaar. Hij had al een broek aan met diepe zakken, waarin hij zijn korte, ronde armen haast tot de ellebogen begraven kon. Nu zat hij voor het raam en keek toe, hoe Siembroer kluit voor kluit en strook na strook van de vochtig-glimmende aarde keerde.”

 

Bruijn

Cor Bruijn (17 mei 1883 – 6 november 1978)
Uitgave van “Langs de Waterkant” (geen portret beschikbaar)

 

De Vlaamse schrijfster Virginie Loveling werd geboren in Nevele op 17 mei 1836. Zij debuteerde, samen met haar zuster Rosalie, met realistische, observerende gedichten, die een sentimentele ondertoon hadden. Virginie bekwam de Belgische nationaliteit na de dood van haar moeder (1879). Haar vader Anton Loveling was namelijk afkomstig van Papenburg (Nedersaksen).

Zij schreef na het vroegtijdige overlijden van Rosalie in 1875 in hoofdzaak novellen en romans in een vrij sobere en realistische stijl. De scherpe politieke tegenstellingen van haar tijd inspireerden haar tot twee antikatholieke werken (In onze Vlaamsche gewesten. Politieke schetsen, 1877 en Sophie, 1884), waarin zij ten aanval trok tegen de geestelijkheid die volgens haar een te grote invloed had op het platteland. Zo beschrijft Sophie (1884) bijvoorbeeld de schoolstrijd op het Vlaamse platteland.

Samen met Cyriel Buysse schreef zij Levensleer (1911), een humoristische roman over de verfranste Gentse bourgeoisie. Haar romans Een dure Eed (1891) (bekroond met de Vijfjaarlijkse prijs voor de Nederlandse letterkunde) en De twistappel (1904) gelden als haar hoofdwerken.

Virginie was een zeer ontwikkelde, geëmancipeerde vrouw en beheerste meerdere talen (o.a. Duits, Frans, Italiaans). Zij heeft ook enkele grote reizen gemaakt. Zo vergezelde zij in het najaar 1886 het echtpaar de Deurwaerder-Fobe op een reis naar het Zuiden. In de Eerste Wereldoorlog hield zij een dagboek bij, dat in 1999 voor het eerst verscheen in een integrale editie.

 

Uit: In Oorlogsnood

 

Gent 2 augustus. ’s avonds 7 uur.

Langs de Leopoldlaan onder het gewelf der kastanjeboomen loopen groepen soldaten met de kwispelmuts of de muts met rooden rand op, in de twee richtingen voortschrijdend. Ze zijn niet gewapend.

Zware wagens met kanonnen, die den grond doen beven en de huizen trillen, komen aangerold. Op elk affuit ligt er een kanon horizontaal, doch met den versmalden vuurmond ietwat naar omlaag. Ze schijnen niet heel groot, maar het gewicht moet wel ontzaglijk wezen; want vijf paarden trekken elken wagen voort. Met ijzerrinkelingen komen legerkisten en kastwagens op een draafje aan.

In het Stadspark, waar bloemen bloeien; de zon op de effen, fluweelgroene zode schijnt, staan voor het Feestpaleis

Met het Stadspark wordt het Citadelpark bedoeld. Elders noemt Loveling dat park het Tentoonstellingspark, omdat het in 1913 de locatie van de Gentse wereldtentoonstelling was. Het ‘Feestpaleis’ werd voor die gelegenheid gebouwd.

talrijke ambulancewagens van het Roode Kruis op de te kwetsen jeugd te wachten; verhuizingwagens, staatsspoorwegwagens en vervoermiddelen van allen aard. Daarrond woelen vele menschen van alle klassen der samenleving. De afstand is te groot om de gesprekken te hooren.

Op het speelplein ginder, veel verder, loopen, springen, dansen, huppelen kinderen, geheel ingenomen door hun dartele vreugd; hier en daar grazen, uitgespannen of in te spannen paarden het korte gras af.

 

 

Loveling

Virginie Loveling (17 mei 1836 – 1 december 1923)

 

De Engelse schrijfster Dorothy Miller Richardson werd geboren op 17 mei 1873 in Abington, Oxfordshire. Haar dertien delen tellende romancyclus Pilgrimage is een van de grote modernistische en feministische werken in de Engelse taal. Deel een van de cyclus, Pointed Roofs (1915), was de eerste stream of consciousness roman (al was Joyce al begonnen met het schrijven van Ulysses).

 

Uit: Pointed Roofs

 

“Play ‘Abide with me,'” “Play ‘Abide with me'” yesterday, if he didn’t care? What was the good of being so quiet and saying nothing? Why didn’t he say “Don’t go” or “When are you coming back?” Eve said he looked perfectly miserable.

There was nothing to look forward to now but governessing and old age. Perhaps Miss Gilkes was right. . . . Get rid of men and muddles and have things just ordinary and be happy. “Make up your mind to be happy. You can be perfectly happy without anyone to think about. . . .” Wearing that large cameo brooch–long, white, flat-fingered hands and that quiet little laugh. . . . The piano-organ had reached its last tune. In the midst of the final flourish of notes the door flew open. Miriam got quickly to her feet and felt for matches.”

 

 

richards

Dorothy Richardson (17 mei 1873 – 17 juni 1957)

Adrienne Rich, Jakob van Hoddis, Friedrich Rückert, Olaf J. de Landell, Paul Gellings, Juan Rulfo, Lothar Baier

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zij  schreef aanvankelijk volgens de in de jaren vijftig gangbare, door de zeventiende eeuwse Engelse dichters, geïnspireerde opvattingen over poëzie. In de jaren zestig liet zij rijm en strikte vormen varen; zij schreef over persoonlijke ervaringen en raakte betrokken bij de radicaal politieke beweging, in de jaren zeventig bij het feminisme.

 

For the Dead

I dreamed I called you on the telephone
to say: Be kinder to yourself
but you were sick and would not answer

The waste of my love goes on this way
trying to save you from yourself

I have always wondered about the left-over
energy, the way water goes rushing down a hill
long after the rains have stopped

or the fire you want to go to bed from
but cannot leave, burning-down but not burnt-down
the red coals more extreme, more curious
in their flashing and dying
than you wish they were
sitting long after midnight

 

From a Survivor

The pact that we made was the ordinary pact
of men & women in those days

I don’t know who we thought we were
that our personalities
could resist the failures of the race

Lucky or unlucky, we didn’t know
the race had failures of that order
and that we were going to share them

Like everybody else, we thought of ourselves as special

Your body is as vivid to me
as it ever was: even more

since my feeling for it is clearer:
I know what it could and could not do

it is no longer
the body of a god
or anything with power over my life

Next year it would have been 20 years
and you are wastefully dead
who might have made the leap
we talked, too late, of making

which I live now
not as a leap
but a succession of brief, amazing movements

each one making possible the next

 

 

Rich

Adrienne Rich (Baltimore, 16 mei 1929)

 

De Duitse dichter Jakob van Hoddis (pseudoniem van was Hans Davidsohn) werd geboren in Berlijn op 16 mei 1887. Na zijn middelbare school studeerde Jakob van Hoddis architectuur in München, Grieks en filosofie in Jena en Berlijn. Tijdens zijn studie maakte hij kennis met Kurt Hiller, met wie hij (samen met onder meer Erwin Loewenson) in 1909 de Neue Club oprichtte in Berlijn. Wat later werd het Neopathetischen Cabarets, waaraan ook Georg Heym had bijgedragen, in Berlijn opgericht. Er werden dan verscheidene keren literaire avonden georganiseerd, waarbij Hoddis vaak uit eigen werk voorlas. Reeds eind 1912 vertoonde hij de eerste tekenen van schizofrenie. Sinds 1914 leefde hij in klinieken en gestichten. In 1942 werd hij door de nationaal-socialisten eerst in een joods gesticht in de buurt van Koblenz gedeporteerd en wat later werd hij door hen in het kamp Sobibór vermoord. Hij werd vooral bekend dankzij zijn gedicht ‘Weltende’, dat in 1911 in het Berlijnse weekblad Der Demokrat verscheen.

 

Weltende

 

Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,

In allen Lüften hallt es wie Geschrei,

Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei

Und an den Küsten – liest man – steigt die Flut.

Der Sturm ist da, die wilden Meere hupfen

An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken.

Die meisten Menschen haben einen Schnupfen.

Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.

 

 

Der Todesengel

 

I

 

Mit Trommelwirbeln geht der Hochzeitszug,
in seidner Sänfte wird die Braut getragen,
durch rote Wolken weißer Rosse Flug,
die ungeduldig goldne Zäume nagen.

 

Der Todesengel harrt in Himmelshallen
als wüster Freier dieser zarten Braut.
Und seine wilden, dunklen Haare fallen
die Stirn hinab, auf der der Morgen graut.

 

Die Augen weit, vor Mitleid glühend offen
wie trostlos starrend hin zu neuer Lust,
ein grauenvolles, nie versiegtes Hoffen,
ein Traum von Tagen, die er nie gewußt.

 

Hoddis

Jakob van Hoddis (16 mei 1887 – mei/juni ? 1942)

 

De Duitse dichter Johann Michael Friedrich Rückert werd geboren in Schweinfurt op 16 mei 1788.  Hij studeerde aan de universiteit van Würzburg. Van 1811-1812 werkte hij als privaatdocent klassieke filologie in Jena, waar Friedrich von Schlegel Rückerts passie voor de Oosterse wereld deed oplaaien. Deze passie resulteerde in heel wat vertaalwerk van Rückert uit het Perzisch. Zo z
ette hij bijvoorbeeld de Perzische liederen van de dichter Hafis om naar het Duits in zijn bundel Östliche Rosen (1822): wijn, liefde en levensgenot vormen de ingrediënten van deze dichtbundel. Door op die manier heel wat Oosters gedachtegoed in de Duitse poëzie te brengen, heeft hij die enorm verrijkt. Rückert is tevens de schrijver van de 114 Kindertotenlieder, waarvan een aantal later door Gustav Mahler op muziek werden gezet.

Zie ook mijn blog van 17 mei 2006.

 

Uit: Kindertotenlieder

 

Erwach, o Licht des Gesanges,
O Licht der Erinnerung!
Rings am Himmel ist banges
Gewölk der Trauer genung.

Es soll in meinem Herzen
Nicht auch noch finster seyn.
Dazu in der Nacht hat man Kerzen,
Wenn aus ist Sonnenschein.

Den Schein der Sonn’ ersetzen,
O Kerze, kannst du nicht;
Doch kann das Auge sich letzen
An keinem anderen Licht.

Ich zag’ ums Herz, wie lang es
Ist ohne Freudenschwung;
Erwach, o Licht des Gesanges,
O Licht der Beseligung!

Wach, holden Überschwanges,
O Licht der Erinnerung,
Bis ich beschwichtigten Dranges
Schlaf ein in Dämmerung!

 

 

Uit: Ghaselen des Mewlana Dschelaleddin Rumi

 

Obgleich die Sonn’ ein Scheinchen ist deines Scheines nur,
Doch ist mein Licht und deines ursprünglich eines nur.
Ob Staub zu deinen Füßen der Himmel ist, der kreist;
Doch eines ist und eines mein Sein und deines nur.
Der Himmel wird zu Staube, zum Himmel wird der Staub;
Und eines bleibt und eines dein Wesen, meines nur.
Wie kommen Lebensworte, die durch den Himmel gehn,
Zu ruhn im engen Raume des Herzenschreines nur?
Wie bergen Sonnenstrahlen, um heller aufzublühn,
Sich in die spröden Hüllen des Edelsteines nur?
Wie darf, Erdmoder speisend, und trinkend Wasserschlamm,
Sich bilden die Verklärung des Rosenhaines nur?
Herz, ob du schwimmst in Fluten, ob du in Gluten glimmst,
Flut ist und Glut ein Wasser; o sei du reines nur.
O Mewlana! Am Morgen wacht’ ich mit dir, und sah:

Mein Auge, statt voll Thränen, voll Himmelsweines nur

 

 

rueckert

Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866)

 

De Nederlandse schrijver Olaf J. de Landell (pseudoniem van Jan Bernard Wemmerslager van Sparwoude) werd geboren in Cirebon op Java in Nederlands-Indië op 16 mei 1911. In 1935 verscheen zijn eerste roman “Wij moderne menschen”, waarvan er niet zo heel veel van zijn verkocht. In de Tweede Wereldoorlog had zijn uitgever hem aangemeld voor de Kultuurkamer, en dat kwam hem na de oorlog te staan op een jaar publicatieverbod. Hij werd een beetje bekender toen zijn boek “De appels bloeien” uit 1950 een aanmoedigingsprijs kreeg bij het inzenden voor het boekenweekgeschenk. Helemaal in de wolken was hij toen hij een jaar later met “De porseleintafel” de eerste plaats kreeg: boekenweekgeschenk 1951. Hij won f 2000,- . Vanaf 1966 begon hij langzaam meer boeken te verkopen, ook al werd hij niet echt erkend als “groot schrijver”. In 1974 tot en met 1976 verscheen zijn meest bekende werk, de trilogie over de Porseleinboom. Verder heeft de Landell ook in talrijke tijdschriften korte verhalen geschreven.

 

Uit : De dief stelen

 

“Wat vreemd eigenlijk, dat het mensdom volwassenheid beschouwd als een winst.

Want als de mens volwassen is, heeft hij al zijn onbevangenheid, dus grote dosis eerlijkheid, en veel uitingskracht verloren.

Kijkt U eens op straat naar het jongetje, dat plotseling een sprong in de hoogte doet, met zijn armen klapt en “kukeleku” roept.

Zou u dat doen, doe ik het?

Wij zijn volwassen.”

 

 

Landell

Olaf J. de Landell (16 mei 1911 – 26 april 1989)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953.  Van
1978 tot 1982 was hij als wetenschappelijk ambtenaar verbonden aan het Romaans Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 1993 is hij als docent Frans werkzaam aan de Thorbecke Scholengemeenschap te Zwolle. Daarbij wijdde hij zich vanaf 1985 aan zijn doctoraalopleiding Franse letterkunde, welke hij in 1987 afsloot. In de jaren 1985-1998 werkte hij intensief samen met literair café ‘In de Sinnepoppen’ te Zwolle, waar hij veelvuldig betrokken was bij voorleesavonden en andere evenementen. Gellings publiceert regelmatig poëzie, novellen, artikelen in literaire tijdschriften als Hollands Maandblad, De Gids, Bzzletin en Tirade. Daarnaast is hij werkzaam als literatuurrecensent bij De Stentor en het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Gebloemleesd werk o.m. in Meulenhoffs Dagkalender en ‘De dikke Komrij’. In 2003 heeft Gellings, samen met Jos Wiersema, de website Zuidelijke Wandelweg in het leven geroepen. De website is gebaseerd op de roman Zuidelijke Wandelweg en gaat over de Amsterdamse Rivierenbuurt. In april 2004 werd Gellings voor een periode van twee jaar benoemd tot eerste stadsdichter van Zwolle.

 

 

Terug naar Eden

over de tuin van Harry Pierik

Het land waar het begon is nagenoeg bestraat,
de tuin bijna onvindbaar sinds de dag dat we
in de brandende zon moesten vertrekken.

De verrassing was dus overweldigend
om hier tussen de huizen ons paradijs
zonder distels, zonder duivels
ongeschonden aan te treffen.

Met paden die stromen als rivieren, met
bomen die bloesemen en vruchten dragen,
alsof de tijd is opgerold naar het begin.

Maar zo gaat het hier: eenmaal binnen
ontdek je in de struiken het verre land
van toen, waar valleien ruisen en voorbij
het groen de oude horizon weer lokt.

Of je vindt achter een gordijn van rozen
een uitgegraven schaduw die naar aarde
ruikt, zomers in het bos waar het begon.

 

Februari

 

Mijn kalender op een kier gezet
en alvast geroken aan
onzichtbaar groen.

 

Mijn oor op het papier gelegd
en geluisterd naar het lied
van ieder jaar.

 

Begraven in het flets gazon
schopt de krokus, wentelt
zich de narcis.

 

Deze dagen niet verscheuren, maar
koesteren als een raam met
zicht op zilver water.

 

Avond aan avond nog de stilte van
het wachten, de aarde houdt zich
in, geen kat schreeuwt

 

om gezelschap en van takken
trilt alleen de schaduw
in de maan.

 

Zo vluchtig deze tijd, een altijd
nieuw seizoen, dat ik in huis
haal om te vangen.

 

Gellings

Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

 

De Mexicaanse schrijver Juan Rulfo werd geboren op 16 mei 1917 in Sayula.Hij groeide op in de nadagen van de Mexicaanse revolutie. Hij schreef, naast Pedro Páramo, verhalen en filmscripts. In 1980 ontving hij de Nationale Literatuurprijs van Mexico. Met Pedro Páramo vestigde deze Mexicaanse schrijver in één klap zijn roem als een van de belangrijkste Zuid-Amerikaanse schrijvers.

 

Uit: Pedro Páramo

“I saw that there was no one, although I kept hearing what sounded like the murmur of many people in a market.  A constant buzz without rhyme or reason, similar to that which is made by the wind rustling the branches of a tree in the night, when neither the tree nor the branches can be seen though their whispers can be heard.  I didn’t dare take another step.  I began to feel that the murmuring was getting closer and circling me like a swarm until I was able to make out a few words, almost void of sound: ‘Pray to God for us.’ That’s what I heard them telling me.”

 

Rulfo

Juan Rulfo (16 mei 1917 – 8 januari 1986)

 

De Duitse schrijver, vertaler en essayist Lothar Baier werd geboren in Karlsruhe op 16 mei 1942. Hij studeerde Duitse taal en letterkunde, filosofie en sociologie. Baier schreef literatuurkritieken en essays. Hij was medeoprichter van het tijdschrift “Text und Kritik”. Lothar Baier vertaalde werk van de Franse schrijvers Paul Nizan, André Breton en Georges Simenon. Vooral zijn vertalingen van de vroege werken van Jean-Paul Sartre baarden veel opzien in het Duitse taalgebied. Baier ontving in 1982 de Jean-Améry-Preis voor essays en in 2003 de Gerrit-Engelke-Preis. Hij publiceerde o.a. in Merkur, Kursbuch en Deutschlandfunk.

 

Uit: Keine Zeit. 18 Versuche über die Beschleunigung

 

“Keine Zeit! Die Leute im Kino biegen sich vor Lachen, wenn auf der Leinwand ein Stadtstreicher zwei anderen Stadtstreichern, die mit ihm ein Schwätzchen halten wollen, zuruft: »Je n’ai pas le temps!« Ein Penner in Eile, das gibt es nicht und ist deshalb zum Brüllen komisch. Der Mann will sich gegenüber seinen Kameraden in der Misere nur zu etwas Besserem machen, zu einem Verwandten der vielen ordentlich beschäftigten Zeitgenossen, die durch den Tag hetzen, von Termin zu Termin. Die Leute im Kino, Zuschauer des Film Joyeux calvaire 1 von Denys Arcand, Regisseur der auch außerhalb Kanadas bekannt gewordenen Spielfilme Jésus de Montréal und Le déclin de l’empire américain (»Jesus von Montreal« und »Der Untergang des amerikanischen Imperiums«), biegen sich vor Lachen. Sie lachen, wie wenn sie sich über eine Figur amüsierten, die sich das falsche Kostüm angezogen hat und es nicht merkt. Doch der Penner macht kein Theater, er weiß, was er sagt. Der Film läßt ihn eine ernst und wörtlich zu nehmende Einsicht aussprechen.”

 

 

BAIER

Lothar Baier (16 mei 1942 – 11 juli 2004)

Arthur Schnitzler, Mikhail Bulgakov, Judith Hermann, Lyman Frank Baum, Max Frisch, Peter Shaffer, Albert Verwey, Raymond Federman

De Oostenrijkse schrijver en arts Arthur Schnitzler werd geboren in Wenen op 15 mei. Door zijn succes als auteur ging hij zich steeds meer op literatuur toeleggen. Zijn bekendste toneelwerk is Reigen (in het Nederlands vertaald als Reidans) over het decadente Weense leven rond 1900. Destijds was het stuk zo controversieel dat het lange tijd niet mocht worden opgevoerd.

Ook als prozaschrijver is Schnitzler belangrijk. Zijn novelle Leutnant Gustl (1900) is het eerste verhaal in het Duits dat helemaal als innerlijke monoloog is geschreven. Het is een satire op de huichelachtige erecode in het toenmalige Oostenrijkse leger.

 

Uit: Leutnant Gustl

 

„Wie lang’ wird denn das noch dauern? Ich muß auf die Uhr schauen… schickt sich wahrscheinlich nicht in einem so ernsten Konzert. Aber wer sieht’s denn? Wenn’s einer sieht, so paßt er gerade so wenig auf, wie ich, und vor dem brauch’ ich mich nicht zu genieren… Erst viertel auf zehn?… Mir kommt vor, ich sitz’ schon drei Stunden in dem Konzert. Ich bin’s halt nicht gewohnt… Was ist es denn eigentlich? Ich muß das Programm anschauen… Ja, richtig: Oratorium! Ich hab’ gemeint: Messe. Solche Sachen gehören doch nur in die Kirche! Die Kirche hat auch das Gute, daß man jeden Augenblick fortgehen kann. – Wenn ich wenigstens einen Ecksitz hätt’! – Also Geduld, Geduld! Auch Oratorien nehmen ein End’! Vielleicht ist es sehr schön, und ich bin nur nicht in der Laune. Woher sollt’ mir auch die Laune kommen? Wenn ich denke, daß ich hergekommen bin, um mich zu zerstreuen… Hätt’ ich die Karte lieber dem Benedek geschenkt, dem machen solche Sachen Spaß; er spielt ja selber Violine. Aber da wär’ der Kopetzky beleidigt gewesen. Es war ja sehr lieb von ihm, wenigstens gut gemeint. Ein braver Kerl, der Kopetzky! Der einzige, auf den man sich verlassen kann… Seine Schwester singt ja mit unter denen da oben. Mindestens hundert Jungfrauen, alle schwarz gekleidet; wie soll ich sie da herausfinden? Weil sie mitsingt, hat er auch das Billett gehabt, der Kopetzky… Warum ist er denn nicht selber gegangen? – Sie singen übrigens sehr schön. Es ist sehr erhebend – sicher! Bravo! Bravo!… Ja, applaudieren wir mit. Der neben mir klatscht wie verrückt. Ob’s ihm wirklich so gut gefällt? – Das Mädel drüben in der Loge ist sehr hübsch. Sieht sie mich an oder den Herrn dort mit dem blonden Vollbart?… Ah, ein Solo! Wer ist das? Alt: Fräulein Walker, Sopran: Fräulein Michalek… das ist wahrscheinlich Sopran… Lang’ war ich schon nicht in der Oper. In der Oper unterhalt’ ich mich immer, auch wenn’s langweilig ist. Übermorgen könnt’ ich eigentlich wieder hineingeh’n, zur ›Traviata‹. Ja, übermorgen bin ich vielleicht schon eine tote Leiche! Ah, Unsinn, das glaub’ ich selber nicht! Warten S’ nur, Herr Doktor, Ihnen wird’s vergeh’n, solche Bemerkungen zu machen! Das Nasenspitzel hau’ ich Ihnen herunter…

 

Schnitzler

Arthur Schnitzler (15 mei 1862 – 21 oktober 1931)

 

De Russische schrijver Mikhail Afanasjevitsj Bulgakov werd geboren op 15 mei 1891 in Kiev, de huidige hoofdstad van Oekraïne. Hij groeide op in een gezin van 7 kinderen. Zijn vader was professor aan de Theologische Academie. Na zijn middelbare studies aan het Gymnasium ging Bulgakov naar de Medische Faculteit van de St-Vladimir Universiteit van Kiev, waar hij in 1916 afstudeerde. Hij werkte achtereenvolgens in het Militair Hospitaal en in het Tsjernovtsi hospitaal, beide in Kiev. In 1913 was hij getrouwd met Tatjana Lappa. Samen met haar verhuisde hij naar het platteland in Smolensk om er provinciedokter te worden. Over deze ervaringen schreef hij in Aantekeningen van een jonge arts. In 1918 ging Bulgakov terug naar Kiev, waar verschillende partijen met elkaar aan het vechten waren. Hij begon een dokterspraktijk in Andrejevski spusk 13 in een huis dat hij later in zjn roman De Witte Garde uitvoerig zou beschrijven Vlak vóór zijn dood voltooide Bulgakov zijn grote roman Master i Margarita, of toch bijna. Hier en daar merk je “loose ends” of tegenstellingen in de verhaallijn die erop duiden dat de schrijver net iets te vroeg gestorven is. De eerste publicatie van dit werk in 1966 in West-Europa maakte hem in één klap wereldberoemd. Tegenwoordig wordt Bulgakov beschouwd als één van Ruslands beste schrijvers van de twintigste eeuw

 

Uit: The Heart of a Dog   (vertaald door Michael Glenny)

 

‘Food, Ivan Arnoldovich, is a subtle thing.  One must know how to  eat, yet just think – most people don’t know how to eat at all. One must not only know what to  eat,  but when  and how.’  (Philip Philipovich 

waved his fork meaningfully.)  ‘And  what to say while you’re eating.  Yes, my dear sir. If you care about your digestion, my advice is – don’t talk about bolshevism or medicine at table.  And,  God  forbid – never  read Soviet newspapers before dinner.’

     ‘M’mm . . . But there are no other newspapers.’

     ‘In  that case don’t read any at all.  Do  you know  I once made thirty tests in my clinic. And  what  do  you  think? 

The patients  who never read newspapers felt  excellent. Those whom I specially made read Pravda all lost weight.

    

‘My dear fellow, you know me, don’t you? I am a man of facts, a man who observes. I’m the enemy of unsupported hypotheses. And I’m known as such not only in Russia but in Europe too. If I say something,  that means that it is based on some fact from which I draw my conclusions. Now there’s  a fact for you: there is a hat-stand and a rack for boots and galoshes in this house.’

     ‘Interesting . .

 

M_BULGAKOV

Mikhail Bulgakov (15 mei 1891 – 10 mei 1940)

 

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zij studeerde germanistiek en filosofie met de bedoeling als journaliste te gaan werken, maar ze brak haar studie af om in Nerw York praktijkervaring op te doen. Daar bezocht zij de journalistenschool. In de VS schreef zij haar eerste literaire teksten en ontdekte het korte verhaal als „haar“ genre. In 1998 verscheen haar eerste bundel Sommerhaus, später, gevolgd door Nichts als Gespenster in 2003.

 

Uit: Nichts als Gespenster

 

»Heute habe ich einen dieser Briefe wiedergefunden, ein Lesezeichen in einem Buch, ein wenig zerknittert, zusammengefaltet, Ruths große, schön geschwungene Schrift “Liebe, geht es Dir gut? Ich hatte einen langen Tag und gehe jetzt schlafen – 22 Uhr -, meine Füße sind völlig zerschunden von den gottverdammten neuen Schuhen. Ich habe eingekauft, Obst und Milch und Wein, mehr Geld war nicht da. A. hat angerufen und gefragt, wo Du wärst, und ich habe gesagt, die ist draußen und sucht mal wieder unter jedem Pflasterstein nach einer Botschaft, hätte ich das nicht sagen sollen? Gute Nacht und bis morgen, ich küsse Dich, R.”

 

 

Hermann

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Lyman Frank Baum werd geboren in Chittenango op 15 mei 1856. In zijn jeugdjaren schreef Lyman Frank diverse korte verhalen die hij samen met zijn jongere broer in stencilvorm uitbracht. Baum trouwde in 1882 met Maud Gage Baum. Op 44-jarige leeftijd voltooide hij een van zijn meesterwerken, The Wizard of Oz dat in 1902 herschreven werd tot een musical. In 1939 werd van het boek een film gemaakt met Judy Garland in de hoofdrol.

 

Uit: The Wonderful Wizard of Oz

 

When Dorothy was left alone she began to feel hungry.  So she went to the cupboard and cut herself some bread, which she spread with butter.  She gave some to Toto, and taking a pail from the shelf she carried it down to the little brook and filled it with clear, sparkling water.  Toto ran over to the trees and began to bark at the birds sitting there.  Dorothy went to get him, and saw

such delicious fruit hanging from the branches that she gathered some of it, finding it just wha
t she wanted to help out her breakfast.

 

    Then she went back to the house, and having helped herself and Toto to a good drink of the cool, clear water, she set about making ready for the journey to the City of Emeralds.

 

    Dorothy had only one other dress, but that happened to be clean and was hanging on a peg beside her bed.  It was gingham, with checks of white and blue; and although the blue was somewhat faded with many washings, it was still a pretty frock.  The girl washed herself carefully, dressed herself in the clean gingham, and tied her pink sunbonnet on her head.  She took a little basket and filled it with bread from the cupboard, laying a white cloth over the top.  Then she looked down at her feet and noticed how old and worn her shoes were.

 

Baum

Lyman Frank Baum (15 mei 1856 – 6 mei 1919)

 

De Zwitserse schrijver en architect Max Frisch werd geboren in Zürich op 15 mei 1911.Tijdens zijn schooldagen begon hij al met het schrijven van korte toneelstukken die nooit echt gespeeld werden. In 1930 schreef Frisch zich in aan de Universiteit van Zürich om daar Duitse literatuur en kunstgeschiedenis te studeren. Zijn eerste roman, Jürg Reinhart, verscheen in 1934 en werd in 1936 opnieuw uitgegeven als Die Schwierigen. Andere bekende prozawerken zijn Homo faber uit 1957 en Mein Name sei Gantenbein uit 1964. In 1936 schrijft Max Frisch zich in voor de Architectenopleiding aan de Hogeschool van Zürich en studeerde 5 jaar lang om in 1941 zijn diploma in architectuur te behalen. Tot de verplichte schoollectuur in Duitsland behoort zijn toneelstuk Andorra, dat in 1961 verscheen en over antisemitisme en massapsychologie handelt. Verder is het stuk “Herr Biedermann und die Brandstifter (1953)” van hem zeer bekend. Oorspronkelijk bedoeld als radiohoorspel en later bewerkt voor toneel.

 

Uit: Stiller (1954)

 

“Ich bin nicht Stiller! – Tag für Tag, seit meiner Einlieferung in dieses Gefängnis, das noch zu beschreiben sein wird, sage ich es, schwöre ich es und fordere Whisky, ansonst ich jede weitere Aussage verweigere. Denn ohne Whisky, ich hab’s ja erfahren, bin ich nicht ich selbst, sondern neige dazu, allen möglichen guten Einflüssen zu erliegen und eine Rolle zu spielen, die ihnen so passen möchte, aber nichts mit mir zu tun hat, und da es jetzt in meiner unsinnigen Lage (sie halten mich für einen verschollenen Bürger ihres Städtchens!) einzig und allein darum geht, mich nicht beschwatzen zu lassen und auf der Hut zu sein gegenüber allen ihren freundlichen Versuchen, mich in eine fremde Haut zu stecken, unbestechlich zu sein bis zur Grobheit, ich sage: das jetzt einzig und allein darum geht, niemand anders zu sein als der Mensch, der ich in Wahrheit leider bin, so werde ich nicht aufhören, nach Whisky zu schreien, sooft sich jemand meiner Zelle nähert. Übrigens habe ich bereits vor Tagen melden lassen, es brauche nicht die allererste Marke zu sein, immerhin ein trinkbare, ansonst ich eben nüchtern bleibe, und dann können sie mich verhören, wie sie wollen, es wird nichts dabei herauskommen, zumindest nichts Wahres. Vergeblich! Heute bringen sie mir dieses Heft voll leerer Blätter: Ich soll mein Leben niederschreiben! wohl um zu beweisen, dass ich eines habe, ein anderes als das Leben ihres verschollenen Herrn Stiller. “Sie schreiben einfach die Wahrheit”, sagt mein amtlicher Verteidiger, “nichts als die schlichte Wahrheit. Tinte können Sie jederzeit nachfüllen lassen!”

 

 

FRISCH

Max Frisch (15 mei 1911 – 4 april 1991)

 

De Britse toneelschrijver Peter Shaffer werd geboren op 15 mei 1926 in Liverpool. Hij studeerde geschiedenis in Cambridge en werkte daarna, samen met zijn broer Anthony die draaiboekauteur zou worden, in de openbare bibliotheek in New York. Vanaf 1954 was hij terug in Engeland als muziek- en literatuurcriticus. Zijn eerste stuk, The Salt Land, werd in 1954 door de BBC als hoorspel uitgezonden. Zijn naam vestigde hij in 1958 met de publicatie van Five Finger Exercise.

Zijn bekendste werken zijn Amadeus (1979) en Equus (1973) die ook allebei zijn verfilmd.

 

Uit: Equus

“You see, I’m lost. What use, I should be asking, are questions like these to an overworked psychiatrist in a provincial hospital? They’re worse than useless; they are, in fact, subversive.

[He enters the square. The light grows brighter.]

The thing is, I’m desperate. You see, I’m wearing that horse’s head myself. That’s the feeling. All reined up in old language and old assumptions, straining to jump clean-hoofed on to a whole new track of being I only suspect is there. I can’t see it, because my educated, average head is being held at the wrong angle. I can’t jump because the bit forbids it, and my own basic force — my horsepower, if you like — is too little. T
he only thing I know for sure is this: a horse’s head is finally unknowable to me. Yet I handle children’s heads — which I must presume to be more complicated, at least in the area of my chief concern…In a way, it has nothing to do with this boy. The doubts have been there for years, piling up steadily in this dreary place. It’s only the extremity of this case that’s made them active. I know that. The extremity is the point! All the same, whatever the reason, they are now, these doubts, not just vaguely worrying — but intolerable…I’m sorry. I’m not making much sense. Let me start properly; in order. It began one Monday last month, with Hesther’s visit.”

 

Schaffer

Peter Shaffer (Liverpool, 15 mei 1926)

 

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Na een conflict met Kloos verliet Verwey in 1889 de redactie van De Nieuwe Gids. In 1890 huwde hij Kitty van Vloten (1867-1945, dochter van de destijds bekende literator en theoloog Johannes van Vloten, 1818-1883) en vestigde zich buiten de periferie van het literaire Amsterdam in Noordwijk. Het verschijnen van Verweys driedelige Verzamelde Gedichten op 24-jarige leeftijd in 1889 (overigens met een vertaling van werk van Marlowe) betekende echter geenszins dat hij daarna stilviel; integendeel, tot zijn dood in Noordwijk wonend, behoorde hij tot de meest productieve letterkundigen van de eerste helft van de 20e eeuw.

Zie ook mijn blog van 15 mei 2006.

 

Ik weet, dat geen die later dit boek leest

Ik weet, dat geen die later dit boek leest,
’t Begrijpt, – en wie de wereld gadeslaat,
Weet dat zij slecht noemt wat zij niet verstaat,
En goed het niet-verstaan van eigen geest.

 

Maar ik, die dit boek schiep, ben niet geweest
Schepper van ’t niet-verstane, in andren kwaad,
Maar van het wél-verstane – en, naar hún raad,
Goede in mij zelf en ú, u allermeest.

 

En ik begeer der menschen oordeel niet
Op ’t slechtgeteekend prentje, dat zij met
Mijn naam eronder hangen in hun ziel

 

En aanzien voor mijn welgeslaagd portret:
Dat hebt gij enkel die mijzelven ziet
En weet wanneer ‘k u wel, wen niet, beviel.

 

 

Christus aan het kruis

 

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een groote, bleeke vlam, – wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zoo schoon?

 

Glanzende Liefde in eenen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van ’t kruis, – hoe lacht gij soms zoo zacht, –
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!

 

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez’ donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

 

Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met groote liefde en eindloos leed.

 

 

Verwey

Albert Verwey (15 mei 1865 –  8 maart 1937)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, essayist, criticus, vertaler en literatuurwetenschapper Raymond Federman werd geboren in het Franse Montrouge op 15 mei 1928. Hij emigreerde naar de VS in 1947. Hij studeerde aan de at Columbia University en aan de University of California, waar hij een graad haalde in vergelijkende literatuurwetenschap met een studie over Samuel Beckett. Hij is ook medeoprichter van Fiction Collective, een uitgeverij gewijd aan experimentele literatuur.

 

DANCING IN THE DARK

 

The problem

with this poem

is that

it needs

light

to be read.

 

light:

daylight

candle-light

electric light.

sun light.

 

One can dance

in the dark

one can sing

in the dark

one makes

love

in the dark

but this poem

cannot be read

in darkness

that is perhaps

its greatest

weakness.

 

 

 

ACRO

BATICS

Y

O   U

 give a work out

to your essential muscle

and all your other muscles

essentially

 also get a work out

*****

***

*

therefore

exercise your

essential muscle

as often as possible

so that

IT

 stays

 I N

 g

 o

 o

 d

shape

 to make

all your other

 muscles  also   profit

 

Federman

Raymond Federman (Montrouge, 15 mei 1928

Dante Alighieri, Jo Gisekin, Eoin Colfer

 

De Italiaanse dichter Dante Alighieri werd tussen 14 mei en 13 juni 1265 (volgens hemzelf in de Divina Comedia in de Goede Week en in het teken van de Tweelingen) te Florence geboren uit een klein-adellijk geslacht. Hij verloor vroeg zijn ouders, volgde een veelzijdige studie en schreef al op zeer jeugdige leeftijd verzen, waardoor hij in vriendschappelijk contact kwam met andere dichters zoals Guido Cavalcante , Lupo Gianni, Cino da Pistoia en Forese Donati. Dante vatte een grote liefde op voor Bice di Folco Portinari, ons beter bekend als Beatrice, die hij onsterfelijk maakte in zijn gedichtenbundel Vita Nova en in zijn Divina Commedia. Hij bekleedde korte tijd in 1300 het hoogste stadsambt in Florence maar raakte steeds meer betrokken bij de interne partijstrijd en werd in 1302 vanwege zijn mislukte antipauselijke politiek voorgoed uit zijn vaderstad verbannen. Dante is niet alleen de grootste dichter van Italië maar ook één van de verhevenste figuren van de wereldlitteratuur. Hij vertegenwoordigde het Italiaanse genie en betekent een hoogtepunt van de veelzijdige middeleeuwse beschaving. Hij leefde in een tijd waarin de scholastiek plaats ging inruimen voor meer rationalistische ideeën. Dante heeft zijn onsterfelijke roem hoofdzakelijk te danken aan zijn Divina Commedia waarin hij zijn denkbeeldige reis beschrijft in 100 zangen die hem naar de Hel, de Louteringsberg en het Paradijs voert. Zijn gids in de Hel en op de Louteringsberg is de, door zijn jeugdliefde en grote inspiratrice Beatrice, gestuurde dichter Vergilius. De Divina Commedia is in Toscaans Italiaans geschreven en heeft in zeer belangrijke mate de ontwikkeling van het Italiaans beïnvloed. Het meesterwerk is onder meer een zedelijke allegorie. De dichter wordt in het begin door zijn hartstochten belet de zonnige heuvel van de deugd te bestijgen. Zijn gids en begeleider Vergilius symboliseert de wijsheid en de filosofie die Dante tot inkeer brengt, zijn zonden doet zien en de loutering van het berouw doet ondergaan waardoor hij het aardse geluk vindt. Tot de eeuwige gelukzaligheid, het Paradijs, echter voert hem alleen de goddelijke openbaring en de kerk (Beatrice).

 

Uit: Divina Commedia

DE HEL

Eerste zang

 

Juist midden op de reistocht van ons

zag ik mij in een donker woud verloren,   

daar ik van ’t goede pad was afgeweken,   

Helaas, hoe ’t was, dat woud, valt zwaar te zeggen:
zó wild was ’t en zó woest, zó dicht en donker,
dat de angsten nog herleven bij ’t herdenken.
Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Maar om van ’t heil dat ik daar vond te spreken,   

zal ‘k ook verhalen, wat ik eerst aanschouwde.

Vaag heugt mij maar, hoe ik er binnendoolde:
zó had de slaap mij in dat uur vermeesterd,

toen ik de ware weg de rug toekeerde.   

Maar toen ik bij een heuvel was gekomen,   

daar waar de grenzen liepen van de helling,
die mij van vrees het hart reeds had doorstoken,
keek ik omhoog en zag zijn kruin omgeven
door ’t licht van de planeet, die met zijn stralen   

ons allen veilig leidt langs alle wegen.   

Toen werd de vrees toch wel een weinig stiller,
die eerst gewoed had op de zee mijns harten,
geheel die nacht dat ik zo veel verduurde.

 

Vertaald door Christinus Kops

Vita Nuova 26

 

Volmaakt vervuld van zoete zaligheid

is wie mijn liefste ontwaart tussen de vrouwen,

en elke vrouw die haar op straat begeleidt

bedanke God voor wat zij mag aanschouwen!

 

Haar schoonheid is zo vol van deugd dat nijd

en jaloezie geheel erdoor verflauwen,

zodat zich iedereen met haar verblijdt

in minzaamheid en liefde en vertrouwen.

 

Haar aanblik maakt de wereld zacht en teer

en strekt, door al
wat ruw is te verjagen,

niet slechts zichzelf maar elke vrouw tot eer.

 

Zij pleegt zich zo innemend te gedragen

dat wie zich haar herinnert keer op keer

zuchtend verzinkt in liefdes welbehagen.

 

 

Vertaald door Frans van Dooren

 

 

 

Der Herr der Liebe

 

An Jeden, der mit edlem Geist dem Bunde

der Himmelsmächte dient in Erdentalen

und willig dartut, was sie anbefahlen,

ergeht vom Geist der Liebe meine Kunde.

 

Es war zur Nacht und schon die vierte Stunde,

da sah ich plötzlich Alles um mich strahlen

und vor mir stand der Herr der Liebesqualen,

sein Blick entsetzte mich bis tief zum Grunde.

 

Erst schien er fröhlich. In der Hand, der einen,

hielt er mein Herz; auf seinem Arm indessen

schlief meine Herrin, blaß, in rotem Leinen.

 

Er weckte sie, und ließ sie von dem kleinen

und völlig glühenden Herzen schüchtern essen.

Darauf entwich er mir mit lautem Weinen.

 

 

Vertaald door Richard Dehmel

 

Dante

Dante Alighieri  (14 mei/13 juni 1265 – 13/14 september 1321)

 

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin (Leentje Vandemeulebroecke) werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Jo Gisekin is een kleindochter van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels. Zij werd diverse malen bekroond en zag een aantal van haar gedichten getoonzet door componisten als Vic Nees, Wilfried Westerlinck en Ernest van der Eyken.

 

Daarna

Daarna
hebben we het raam gesloten
de ontroering
als een zijden zakdoek
kuis tussen ons gespreid.

Alsof wij jaren bedachtzaam
op dit moment
hadden gewacht
heb ik het laken
stilzwijgend als een geheim
over je heen geslagen

toedekkend
waar geen naam
voor bestaat.

 

Gisekin

Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

De Ierse schrijver Eoin Colfer (zijn voornaam wordt uitgesproken als Owen) werd geboren in Wexford op 14 mei 1965. Hij is het bekendst door zijn boeken in de Artemis Fowl serie. Voordat hij zich volledig aan het schrijven wijdde was hij een aantal jaren werkzaam als leraar op een basisschool in Wexford, in Ierland. Zijn Artemis Fowl boeken worden vaak vergeleken met de Harry Potter serie van J.K. Rowling, maar Colfer wil van deze vergelijking niets weten.

 

Uit: Artemis Fowl: The Opal Deception

“Prologue

We’ve all heard the official explanation for the tragic events surrounding the Zito Probe investigation. LEP Internal Affairs would have us believe that one of their officers was almost singlehandedly responsible for the entire affair. I am posting this article to ensure that you do not rush to judgement without all the facts. The LEP may be able to silence their officers, but they cannot censor me.

I know for an absolute fact that the officer in question, Captain Holly Short, did not commit the despicable crime she is accused of, and by the time you have finished reading this account, you will know it too.”

 

Colfer

Eoin Colfer (Wexford, 14 mei 1965)