Koen Stassijns en Guy de Maupassant

Om te beginnen een gedicht voor een zomerse augustusdag en wel van Koen Stassijns:

 

Augustus valt op klompen binnen
en buiten hijgt het gras. Een hond
ijsbeert, kruipt achter zijn tong aan,
de dagen staan droog en beginnen

te knagen aan hun dagportie licht.
Zal ik me nu in jouw verwarmen,
mijn woede koelen op je rug vlug
een reis beschrijven zoals je dicht

tegen me, schaamteloos over mijn lijf
de mieren van je vingers jaagt,
mij overeind. Wij moeten de trein

zien te halen, de kamers luchten
en de buren, de vaat doen, de tuin.
Vooral doen alsof we niet vluchten.

 

Koen Stassijns,

Uit: Het broeien van de zomer
Zomergedichten
Uitgeverij 521, Amsterdam 2001

 

Koen Stassijns (Ninove, 1953)

 

De Franse schrijver Guy de Maupassant werd geboren op 5 augustus 1850 in kasteel Miromesnil bij Dieppe, maar heel waarschijnlijk was dat zijn ouders dit kasteel alleen maar eventjes bij zijn geboorte hebben gehuurd, omdat dat mooier zou staan op zijn geboorteakte, dan een geboorte in het vissersdrop Fécamp. Guy gaat in Yvetot naar school en dan later in Rouen, waar hij bekend wordt als dichter. Hierna gaat hij een rechtenstudie in Parijs volgen. Hij moet zijn rechtenstudie onderbreken. Hij moet namelijk in 1870 in dienst van het leger in Rouen. Hij maakte de oorlog dus van heel dichtbij mee. Na de oorlog gaat hij werken op het ministerie. Naast deze baan schrijft hij ook gedichten, die hij aan een goede vriend van zijn moeder laat lezen. Deze man is zelf een bekende schrijver en heet Gustave Flaubert. Het begin van de literaire carriere van Maupassant valt in 1880, bij het verschijnen van de novelle Boule de suif, die door Flaubert als een meesterwerk wordt beschouwd.

Uit: Moiron

“J’eus une révolte, mais une révolte furieuse ; et puis tout à coup j’ouvris les yeux comme lorsque l’on s’éveille ; et je compris que Dieu est méchant. Pourquoi avait-il tué mes enfants ? J’ouvris les yeux, et je vis qu’il aime tuer. Il n’aime que ça, monsieur. Il ne fait vivre que pour détruire ! Dieu, monsieur, c’est un massacreur. Il lui faut tous les jours des morts. Il en fait de toutes les façons pour mieux s’amuser. Il a inventé les maladies, les accidents, pour se divertir tout doucement le long des mois et des années ; et puis, quand il s’ennuie, il y a les épidémies, la peste, le choléra, les angines, la petite vérole ; est-ce que je sais tout ce qu’a imaginé ce monstre ? Ça ne lui suffisait pas encore, ça se ressemble, tous ces maux-là ! et il se paye des guerres de temps en temps, pour voir deux cent mille soldats par terre, écrasés dans le sang et dans la boue, crevés, les bras et les jambes arrachés, les têtes cassées par des boulets comme des oeufs qui tombent sur une route.

Ce n’est pas tout. Il a fait les hommes qui s’entre-mangent. Et puis, comme les hommes deviennent meilleurs que lui, il a fait les bêtes pour voir les hommes les chasser, les égorger et s’en nourrir. Ça n’est pas tout. Il a fait les tout petits animaux qui vivent un jour, les mouches qui crèvent par milliards en une heure, les fourmis qu’on écrase, et d’autres, tant, tant que nous ne pouvons les imaginer. Et tout ça s’entre-tue, s’entre-chasse, s’entre-dévore, et meurt sans cesse. Et le bon Dieu regarde et il s’amuse, car il voit tout, lui, les plus grands comme les plus petits, ceux qui sont dans les gouttes d’eau et ceux des autres étoiles. Il les regarde et il s’amuse. – Canaille, va !”

 


Guy de Maupassant (5 augustus 1850 – 6 juli 1893)

Percy Bysshe Shelley

De Engelse dichter Percy Bysshe Shelley werd op 4 augustus 1792 geboren in de lagere adelstand. Van zijn jeugd is niet veel bekend. Op school werd hij door zijn medeleerlingen geplaagd; hij leed er onder de bekrompen sfeer. Aan de universiteit vond hij zijn eerste kameraden, met wie hij levenslang een band heeft behouden. Als jongen al raakte hij gegrepen door de idealen van de Franse Revolutie, op haar hoogtepunt toen hij geboren werd. Opgevoed met de Griekse tragedie en met Plato raakte hij vertrouwd met diens wijsgerige overtuiging dat de liefde voor het ene mooie lichaam bij ons de liefde moet wekken voor alle mooie lichamen en zo voor de schoonheid zelf. In zijn eerste jaar aan de universiteit van Oxford in 1811 schreef hij een pamflet waarin hij betoogde dat er geen afdoende bewijs bestond voor het bestaan van God (The Necessity of Atheism). Hij werd hierop van de universiteit gestuurd. De zaak veroorzaakte een breuk met zijn vader, die niet kon instemmen met de radicale inzichten van zijn zoon. Nadat Napoleon en Frankrijk verslagen waren nam de europese politiek een wending in behoudende zin. Shelley en de zijnen bleven de idealen van de Franse revolutie trouw, en haalden zich daarmee de wrok van de Engelse burgerij op de hals. Het zijn juist die jaren na de Frans Revolutie waarin Shelley zich ontwikkelt tot dichter, al blijft het een raadsel hoe hij dat heeft gekund, achtervolgd door de maatschappij en door schuldeisers. Hij schrijft in deze tijd van spanning en verwarring zijn eerste voldragen dichtwerk ” Alastor; or, the Spirit of Solitude” . Over “Ode to the West Wind”  schrijft hij in een notitie: “this poem was conceived and chiefly written in a wood that skirts the Arno, near Florence, and on a day when that tempestuous wind, whose temperature is at once mild and animating, was collecting the vapours which pour down the autumnal rains. They began, as I foresaw, at sunset with a violent tempest of hail and rain, attended by that magnificent thunder and lightning peculiar to the Cisalpine regions

 

Ode to the West Wind

 

O wild West Wind, thou breath of Autumn’s being,

Thou, from whose unseen presence the leaves dead

Are driven, like ghosts from an enchanter fleeing,

 

Yellow, and black, and pale, and hectic red,

Pestilence-stricken multitudes: O thou,

Who chariotest to their dark wintry bed

 

The winged seeds, where they lie cold and low,

Each like a corpse within its grave, until

Thine azure sister of the Spring shall blow

 

Her clarion o’er the dreaming earth, and fill

(Driving sweet buds like flocks to feed in air)

With living hues and odours plain and hill:

 

Wild Spirit, which art moving everywhere;

Destroyer and preserver; hear, oh hear!

 

 

II

 

 

Thou on whose stream, mid the steep sky’s commotion,

Loose clouds like earth’s decaying leaves are shed,

Shook from the tangled boughs of Heaven and Ocean,

 

Angels of rain and lightning: there are spread

On the blue surface of thine aëry surge,

Like the bright hair uplifted from the head

 

Of some fierce Maenad, even from the dim verge

Of the horizon to the zenith’s height,

The locks of the approaching storm. Thou dirge

 

Of the dying year, to which this closing night

Will be the dome of a vast sepulchre,

Vaulted with all thy congregated might

 

Of vapours, from whose solid atmosphere

Black rain, and fire, and hail will burst: oh hear!

 

 

III

 

 

Thou who didst waken from his summer dreams

The blue Mediterranean, where he lay,

Lull’d by the coil of his crystàlline streams,

 

Beside a pumice isle in Baiae’s bay,

And saw in sleep old palaces and towers

Quivering within the wave’s intenser day,

 

All overgrown with azure moss and flowers

So sweet, the sense faints picturing them! Thou

For whose path the Atlantic’s level powers

 

Cleave themselves into chasms, while far below

The sea-blooms and the oozy woods which wear

The sapless foliage of the ocean, know

 

Thy voice, and suddenly grow gray with fear,

And tremble and despoil themselves: oh hear!

 

 

IV

 

 

If I were a dead leaf thou mightest bear;

If I were a swift cloud to fly with thee;

A wave to pant beneath thy power, and share

 

The impulse of thy strength, only less free

Than thou, O uncontrollable! If even

I were as in my boyhood, and could be

 

The comrade of thy wanderings over Heaven,

As then, when to outstrip thy skiey speed

Scarce seem’d a vision; I would ne’er have striven

 

As thus with thee in prayer in my sore need.

Oh, lift me as a wave, a leaf, a cloud!

I fall upon the thorns of life! I bleed!

 

A heavy weight of hours has chain’d and bow’d

One too like thee: tameless, and swift, and proud.

 

 

V

 

 

Make me thy lyre, even as the forest is:

What if my leaves are falling like its own!

The tumult of thy mighty harmonies

 

Will take from both a deep, autumnal tone,

Sweet though in sadness. Be thou, Spirit fierce,

My spirit! Be thou me, impetuous one!

 

Drive my dead thoughts over the universe

Like wither’d leaves to quicken a new birth!

And, by the incantation of this verse,

 

Scatter, as from an unextinguish’d hearth

Ashes and sparks, my words among mankind!

Be through my lips to unawaken’d earth

 

The trumpet of a prophecy! O Wind,

If Winter comes, can Spring be far behind?

 

 

 

Percy Bysshe Shelley (4 augustus 1792 – 8 juli 1822)

Rupert Brooke

De Britse dichter Rupert Chawner Brooke werd geboren op 3 augustus 1887 in Rugby, Engeland. Brooke was de zoon van een leraar aan de bekende school in Rugby en werd daar zelf ook opgeleid. Vervolgens bezocht hij de Universiteit van Cambridge, waar hij in 1909 afstudeerde. Daarna reisde hij door Europa en in de jaren 1913-1914 ook door de Verenigde Staten, Canada en Nieuw-Zeeland. Voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij terug in Engeland en nam dienst bij de marine. In 1915 vertrok hij op expeditie naar de Dardanellen, maar aan de militaire campagne zou hij niet deelnemen: hij overleed aan bloedvergiftiging en werd begraven op het eiland Skyros. De gedichten uit 1914 schreef Brookes in de herfst die volgde op het uitbreken van WO I.. The soldier is het beroemdste van deze gedichten, maar het favoriete gedicht van Brookes zelf was The Dead (IV).

 

The Way That Lovers Use

The way that lovers use is this;
They bow, catch hands, with never a word,
And their lips meet, and they do kiss,
— So I have heard.

They queerly find some healing so,
And strange attainment in the touch;
There is a secret lovers know,
— I have read as much.

And theirs no longer joy nor smart,
Changing or ending, night or day;
But mouth to mouth, and heart on heart,
— So lovers say.

1913.

1914 IV. The Dead

These hearts were woven of human joys and cares,
Washed marvellously with sorrow, swift to mirth.
The years had given them kindness. Dawn was theirs,
And sunset, and the colours of the earth.
These had seen movement, and heard music; known
Slumber and waking; loved; gone proudly friended;
Felt the quick stir of wonder; sat alone;
Touched flowers and furs and cheeks. All this is ended.

There are waters blown by changing winds to laughter
And lit by the rich skies, all day. And after,
Frost, with a gesture, stays the waves that dance
And wandering loveliness. He leaves a white
Unbroken glory, a gathered radiance,
A width, a shining peace, under the night.

 

 1914  V. The Soldier

If I should die, think only this of me:
That there’s some corner of a foreign field
That is for ever England. There shall be
In that rich earth a richer dust concealed;
A dust whom England bore, shaped, made aware,
Gave, once, her flowers to love, her ways to roam,
A body of England’s, breathing English air,
Washed by the rivers, blest by suns of home.

And think, this heart, all evil shed away,
A pulse in the eternal mind, no less
Gives somewhere back the thoughts by England given;
Her sights and sounds; dreams happy as her day;
And laughter, learnt of friends; and gentleness,
In hearts at peace, under an English heaven.

Rupert Brooke (3 augustus 1887 – 23 april 1915)

Menno Wigman en James Baldwin

Nu we de warmste juli maand ooit achter ons hebben plaats ik hier een zomergedicht waarin Menno Wigman terugkijkt op een andere juli maand, uit de bundel Zomers stinken alle steden:

 

Bijna Dertig

Nee, die juli bracht bepaald geen
revolutie in mijn bed. Hoe de zomer
zich ook gaf, het leek te laat om nog
een nieuwe hartstocht op te lopen.

Dus dook ik onder voor het zwermen
van de lust en heulde vrolijk
met de slaap. Bijna dertig dacht ik,
wordt mij toch iets helder. En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde joeg op ander bloed
en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

 

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De op 2 augustus 1924 in Harlem geboren James Arthur Baldwin was de stiefzoon van een priester en combineerde een levenslange interesse in het geloof met politiek en seksueel activisme. Zijn romandebuut uit 1953, Go Tell It on the Mountain (genoemd naar een beroemde ‘negro spiritual’), was gebaseerd op zijn ervaringen als jeugdpriester in de Pinkstergemeente. Het was het verslag van twee dagen uit het leven van de veertienjarige John Grimes, die zoekt naar zijn identiteit in een door religieuze twist verscheurde familie. Zijn boek Giovanni’s Room speelt zich af in Parijs, waar Baldwin zelf een tijd gewoond heeft. 

Uit: Giovanni’s Room

`You may laugh,’ she said, humorously, `but there s something in what I say. I began to realize it in Spain — that I wasn’t free, that I couldn’t be free until was attached — no, committed — to someone.’

`To someone? Not something?’

She was silent. `I don’t know,’ she said at last, `but I’m beginning to think that women get attached to something really by default. They’d give it up, if they could, anytime, for a man. Of course they can’t admit this, and neither can most of them let go of what they have. But I think it kills them – perhaps I only mean,’ she added, after a moment, `that it would have killed me.’

`What do you want, Hella? What have you got now that makes such a difference?’

She laughed. `It isn’t what I’ve got. It isn’t even what I want. It’s that you’ve got me. So now I can be — your obedient and most loving servant.’

I felt cold. I shook my head in mock confusion. `I don’t know what you’re talking about.’

‘Why,’ she said, `I’m talking about my life. I’ve got you to take care of and feed and torment and trick and love — I’ve got you to put up with. From now on, I can have a wonderful time complaining about being a woman. But I won’t be terrified that I’m not one.’ She looked at my face, and laughed. `Oh, I’ll be doing other things,’ she cried. `I won’t stop being intelligent. I’ll read and argue and think and all that — and I’ll make a great point of not thinking your thoughts –and you’ll be pleased because I’m sure the resulting confusion will cause you to see that I’ve only got a finite woman’s mind, after all. And, if God is good, you’ll love me more and more and we’ll be quite happy.’ She laughed again. `Don’t bother your head about it, sweetheart. Leave it to me.’

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)

 

Gerrit Krol

De Nederlandse schrijver Gerrit Krol werd in 1934 in Groningen geboren. Na een studie wiskunde werkte hij als computerspecialist bij Shell en vanaf 1970 bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Gerrit Krol bracht enige perioden in het buitenland door. Hij werkte in Nigeria en in Venezuela. Krol debuteerde in 1962 met “De rokken van Joy Scheepmaker”. Naast gedichten, romans en verhalen schreef Krol ook een groot aantal essays. In 1986 werd hij onderscheiden met de Constantijn Huygensprijs en hij ontving in 2001 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre.

Over het stuur

Want wie vrij is heeft een stuur
dat hem met een kleine beweging
brengt waarheen hij wil.
Wie geen stuur heeft behoeft meer kracht
of duur.

Stuur is hetzelfde als inzicht,
als het geen inzicht is is het de wil –
ik persoonlijk heb liever de wil,
want dat is potentiaal,
inzicht heeft geen potentiaal,
met inzicht sta je stil
(want je bent er al).

Er zijn mensen die stil staan
maar die daarbij geen inzicht hebben
en geen stuur.
Ze zijn niet ontevreden maar
het is het soort dat gemakkelijk
de controle over zich zelf verliest.

Nee (refrein), ik heb liever de wil,
want dat is potentiaal, enz…

 

Ach je moet gewoon alles optellen

Ach je moet gewoon alles optellen

Je telt gewoon alles op

Het slechte vergeet de mens en
het goede vergroot-ie,
je telt gewoon alles op.

Dat zeg jij, zegt zij, maar zo werkt het niet
niet bij mij.

Maar we zijn tenminste één.

Welnee, toen wij zogenaamd heerlijk
in het gras lagen zegt zij, lagen we in scheiding,
dat zeg je er niet bij.
En dat van Madurodam is ook niet zo gegaan.

Maar we waren één.

En die liefjes van jou
zegt zi
j, en die van mij…

En die keren dat we toch weer
bij elkaar kwamen, zeg ik,
– en hebben geschreid, zeg ik er niet bij -.

Je telt uiteindelijk
gewoon alles op.

 

Roodborstje

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het

ei breekt in tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.

Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.

Zijn snaveltje sterker dan het ei.

Sterker dan Groenland.

 

Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934 )

 

Cees Nooteboom

Op 31 juli 1933 werd Cornelis Johannes Jacobus Maria Nooteboom geboren te Den Haag. Als Cees Nooteboom debuteerde hij in 1955 met de roman Philip en de Anderen die al snel gevolgd werd met de dichtbundel ‘De Doden zoeken een Huis’ (1956). Voor deze dichtbundel ontving hij een reisbeurs van de Nederlandse regering. De drie passies van Nooteboom zaten er dus al vroeg in: dichten, reizen en romanschrijven. Voor wie online een reisverhaal weil lezen is er dit: “Spaanse herinneringen – vreemdeling in Córdoba”.

 

Harbalorifa

Zoveel soorten bestaan! Zoveel bevolking
om te lijden en lachen in deze heuvels vol stenen!

De vijgeboom staat gebogen in de richting van het zuiden,
boven ons het zachte snurken van een vliegtuig.

Mijn vriend wacht bij een struik met scherpe doornen.
Hij kent het verhaal van zijn ondergang,

we zien de glans van de zee
tussen galappels en distels, een zeil in de verte.

Alles slaapt. Geef mij een ander leven en ik wil het niet.
Schelpen en krekels, mijn kelk is vol eeuwige middag.

De stroom waaruit ik gisteren dronk had koel, helder water.
Ik zag de laurierboom weerspiegeld, ik zag hoe de schaduw

van de bladeren wegdreef over de bodem.
Dit was alles wat ik wilde. Halbaloriefa.

Mijn leeftijd hangt aan een draad. Zo ben ik de spin
boven het pad. Die weeft zijn veelhoekige tijd

tussen braambos en braambos,
tot de wandelaar voorbijkomt op weg naar de haven,

de wandelaar die slaat met zijn stok.

 

 

Cauda

Kijk naar de dingen, zie ze staan
in hun metafysische onschuld,
niet zeker van hun bestaan.

Herinner je het gesprek
in een prieel, een noordelijke zomer,
hortensia’s, het gelijk van een kikker,
rozen, maskers.
Wierook zonder een kerk.

Een vlinder die opvliegt in China
verandert een stormvlaag in Finland.
Iemand zei het, jij zweeg.
Dit was wat je al wist.

Wanneer ontdoen schilderijen zich
van de schilder, wanneer wordt dezelfde materie
een andere gedachte? De avondnevel sloop over
het grasveld, verdronk de laan, de fontein,
en het huis.

Muziek, geplas van riemen.
Iemand doet het licht aan, iemand
gelooft niet in de schemer.
De vraag zonder antwoord dwaalt
langs het raam.

 

 

 

Kleine bang

Het gedicht hoorde hoe het werd geschreven,
het zag de reusachtige hand
waaruit het leek te ontstaan, woord voor woord,
het hield zichzelf nauwelijks bij.

Bij, zag het geschreven, en als echo
zei het zichzelf, bij, bij, maar toen
was de hand alweer verder, gejaagd
door de zweep van het krassen,
het heimwee naar vorm.

Het doet pijn om niet af te zijn
voor wie nergens vandaan komt.
Zonder lucht liggen de woorden op tafel,
de hand is verdwenen, komt terug, is verdwenen,
het gedicht herinnert zich niets,

en het hoofd, zo ver daarboven,
nog steeds als niets anders herkenbaar
dan als masker van baaierd en oorsprong,
wendt zich af van de regels,

het zegt in zijn adem
de cadens van het denken
en sluit het gedicht
met een zucht.

 


Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

Emily Brontë

De Engelse dichteres en schrijfster Emily Brontë werd geboren in Thornton in Yorkshire op 30 juli 1818.. In 1821 verhuisde de familie naar Haworth waar haar vader dominee was. Hier bloeide het literaire talent van de drie zusters op. Als kind al creëerden zij imaginaire landen die voorkwamen in verhalen die zij schreven. Slechts weinig werk van Emily uit deze tijd is bewaard gebleven. Samen met Charlotte ging Emily naar school in Brussel. Emily Brontë schreef poëzie en een roman, Wuthering Heights uit 1847. Dit boek behoort tot de klassiekers van de Engelse literatuur.

Uit: Wuthering Heights, laatste hoofdstuk:

 

“I distinguished Mr. Heathcliff’s step, restlessly measuring the floor, and he frequently broke the silence by a deep inspiration, resembling a groan. He muttered detached words also; the only one I could catch was the name of Catherine, coupled with some wild term of endearment or suffering; and spoken as one would speak to a person present; low and earnest, and wrung from the depth of his soul. I had not courage to walk straight into the apartment; but I desired to divert him from his reverie, and therefore fell foul of the kitchen fire, stirred it, and began to scrape the cinders. It drew him forth sooner than I expected. He opened the door immediately, and said – ‘Nelly, come here – is it morning? Come in with your light.’

‘It is striking four,’ I answered. ‘You want a candle to take up- stairs: you might have lit one at this fire.’

‘No, I don’t wish to go up-stairs,’ he said. ‘Come in, and kindle ME a fire, and do anything there is to do about the room.’

‘I must blow the coals red first, before I can carry any,’ I replied, getting a chair and the bellows

He roamed to and fro, meantime, in a state approaching distraction; his heavy sighs succeeding each other so thick as to leave no space for common breathing between.

‘When day breaks I’ll send for Green,’ he said; ‘I wish to make some legal inquiries of him while I can bestow a thought on those matters, and while I can act calmly. I have not written my will yet; and how to leave my property I cannot determine. I wish I could annihilate it from the face of the earth.’

‘I would not talk so, Mr. Heathcliff,’ I interposed. ‘Let your will be a while: you’ll be spared to repent of your many injustices yet! I never expected that your nerves would be disordered: they are, at present, marvellously so, however; and almost entirely through your own fault. The way you’ve passed these three last days might knock up a Titan. Do take some food, and some repose. You need only look at yourself in a glass to see how you require both. Your cheeks are hollow, and your eyes blood- shot, like a person starving with hunger and going blind with loss of sleep.’

‘It is not my fault that I cannot eat or rest,’ he replied. ‘I assure you it is through no settled designs. I’ll do both, as soon as I possibly can. But you might as well bid a man struggling in the water rest within arms’ length of the shore! I must reach it first, and then I’ll rest. Well, never mind Mr. Green: as to repenting of my injustices, I’ve done no injustice, and I repent of nothing. I’m too happy; and yet I’m not happy enough. My soul’s bliss kills my body, but does not satisfy itself.’

———-

 

Shall earth no more inspire thee

Shall earth no more inspire thee,
Thou lonely dreamer now?
Since passion may not fire thee,
Shall nature cease to bow?

Thy mind is ever moving,
In regions dark to thee;
Recall its useless roving,
Come back, and dwell with me.

I know my mountain breezes
Enchant and soothe thee still,
I know my sunshine pleases,
Despite thy wayward will.

When day with evening blending,
Sinks from the summer sky,
I’ve seen thy spirit bending
In fond idolatry.

I’ve watched thee every hour;
I know my mighty sway:
I know my magic power
To drive thy griefs away.

Few hearts to mortals given,
On earth so wildly pine;
Yet few would ask a heaven
More like this earth than thine.

Then let my winds caress thee
Thy comrade let me be:
Since nought beside can bless thee,
Return–and dwell with me.

 

Emily Brontë (30 juli 1818 – 19 december 1848)

Harry Mulisch

Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927) is van Tsjechisch-Hongaars-Oostenrijkse afkomst en hij is in de Nederlandse letteren zo alom tegenwoordig dat ik het hier bij laat. Behalve dit: Voor een schrijver heeft hij een wel zeer opmerkelijke en professioneel vormgegeven homepage. Surf maar eens naar  Het nieuwe lichaam.

 Ongerijmdheden

Dat komt gewoon omdat zijn vader eens.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen.

omdat zijn vader ooit eens tegen hem
ooit gewoon eens in zijn jeugd hem tegen.
dat komt gewoon doordat zijn vader ooit.
gewoon hem in zijn jeugd toen ooit al eens.

ooit eens tegen hem en nooit zijn moeder.
nooit zijn moeder in zijn jeugd zijn vader.
gewoon toen tegen hem zijn moeder ooit.
nooit eens in zijn jeugd gewoon ooit vader.

 

 

Verzoening

op een late avond
keek ik door een kier:

moeder zat te naaien,
vader dronk zijn bier.

op de televisie
brandde een kaars.

hadden zij soms ruzie?
niemand zei een woord.

vader keek de kaars uit.
dat ik toen niet stierf!

moeder keek de kaars aan.
ik weer moed verwierf.

uit mijn schuilplaats hollend
hief ik toen de kaars.

(op mijn hand viel stollend
toen meteen iets raars.)

vader! moeder! riep ik,
vrede zij gesticht:

moogt gij nimmer kijven
door middel van het licht.

 

Citaten:

 “Sommige vragen zijn zo goed dat het jammer zou zijn ze met een antwoord te verknoeien.”

“U hebt het begrepen, ik ben een groot schrijver.”

 ‘Het enige waar de hemel iets aan heeft is het geloof van de mens.
Aan kennis heeft de hemel niets.’

Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927)

Remco Campert

De Nederlandse schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zijn vader was de dichter en journalist Jan Campert, die in 1943 overleed in het concentratiekamp Neuengamme. De moeder van Remco was de actrice Joekie Broedelet. Na de scheiding van zijn ouders woonde Remco Campert afwisselend bij zijn ouders en grootouders. Campert debuteerde in 1951 met de dichtbundel “Vogels vliegen toch”. Hij behoorde als dichter tot de Vijftigers. Zijn werk wordt gekenmerkt door het gebruik van spreektaal, een lichte ironie en een scherpe observatie.

 

Gedicht

Als wij dan liefhebben, liefhebben
Tussen teveel papier, holle mannen en metaal,
Laten wij dan liefhebben zoals mij goeddunkt:

Liefhebben met de rust van de onrust, niet
Die van de routine, elkaars ogen verliezen
En weer ontdekken, voorbij de huizen gaan

Het land in, de streling van onbekende struiken
Ondergaan, de wind proeven op een steeds andere tong,
De maan zien en de zon in een kaartloze maan.

En laten de vrienden snel verouderen, worden
Tot waardevolle verhalen, en die meter aarde
Is slechts vruchtbaar waarop wij gaan. 

 

Credo

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert

 

Poëzie is een daad…

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef

Poëzie is een toekomst, denken
aan de volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie

Of neem de branding, stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Hilde Domin

De Duirse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zij was van Joodse afkomst en vluchtte daarom tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar toekomstige echtgenoot weg uit Duitsland waarnaar ze achtereenvolgens in Italië, Groot-Brittannië en de Dominicaanse Republiek (haar pseudoniem “Domin” verwijst naar de hoofdstad Santa Domingo) belandden. In 1954 keerde ze weer terug naar het toenmalige West-Duitsland. Na de oorlog begon ze met schrijven en dichten en één van haar bekendste gedichten was De moeilijkste wegen. Hilde Domin overleed op ruim 96-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heidelberg aan de complicaties van een beenbreuk ten gevolge van een val.

Frage

Nach dem kleinen Zusammenstoß
– ein Druck der Lippe genügt -,
wenn ich eine Wolke werde
oder ein Schiff ohne Anker
auf deinem Meer
oder, ganz einfach,
eine andere Form
für dich,
was wird aus dir?
Und wie vermeidest du’s,
am nächsten Morgen
ein wenig befangen zu sein?

 

 

Heckenrose

mit blassen Blättern
über dem engen Kelch.
Du gingst vorbei.
Da war ich eine Hagebutte,
bunt und voll Samen.

 

Ich träumte von einem gepflügten Feld,
du wie quellendes Korn
in der Furche.
Doch wie ich erwachte
da war mein Leib
kaum gewölbt
und unsere Stimmen
leichter als Wind
der mit dem Laub einer Birke spielt.

 

 

 

Schöner

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

 

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

 

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

 

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

 

Hilde Domin (27 juli 1909 –  22 februari 2006)