George Bernard Shaw en Aldous Huxley

De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli 1856. Hij won de Nobelprijs voor literatuur in 1925 – hij accepteerde de eer maar weigerde het geld. Hij werd geboren in Dublin en verhuisde in 1876 naar Londen; in de 30 jaar daarop keerde hij niet terug naar Ierland. Hij zette zijn eigen opleiding voort door veel tijd door te brengen in het British Museum. In 1895 werd hij de toneelcriticus van de Saturday Review. In 1898 trouwde hij een Ierse erfgenaam, Charlotte Payne-Townshend. In dat jaar ook werd zijn eerste succesvolle toneelstuk ‘Candida’ geproduceerd. Hierna volgde een rij klassieke comedy-dramas.Na de Eerste Wereldoorlog bracht hij meer serieus werk uit, waaronder Heartbreak House (1919) en Saint Joan (1923).

 Citaten:

  “A life spent making mistakes is not only more honorable, but more useful than a life spent doing nothing.”

 

“Americans adore me and will go on adoring me until I say something nice about them.”

 

“Few people think more than two or three times a year; I have made an international reputation for myself by thinking once or twice a week.”

George Bernard Shaw (26 juli 1856 – 2 november 1950)

 

De Engelse schrijver en criticus Aldous Huxley werd  geboren op 26 juli 1894 in Godalming, Surrey. Het voornaamste onderwerp in zijn werk was het “onmenselijke” aspect dat aan de wetenschappelijke vooruitgang verbonden zou zijn. Een van zijn meesterwerken in dat opzicht is Brave New World uit 1932 waarin Huxley een compleet technocratische maatschappij portretteert. Een samenleving waarin leven en dood voorgeprogrammeerd zijn, waar de bevolking door middel van drugs zoet gehouden wordt, en waar wisselende seksuele contacten tot norm verheven zijn. Wrang genoeg werd een deel van Huxleys fantasie gedurende de Tweede Wereldoorlog waarheid.

Citaten:

“A democracy which makes or even effectively prepares for modern, scientific war must necessarily cease to be democratic. No country can be really well prepared for modern war unless it is governed by a tyrant, at the head of a highly trained and perfectly obedient bureaucracy.”

 

“Great is truth, but still greater, from a practical point of view, is silence about truth. By simply not mentioning certain subjects… totalitarian propagandists have influenced opinion much more effectively than they could
have by the most eloquent denunciations.”

 

 “Ignore death up to the last moment; then, when it can’t be ignored any longer, have yourself squirted full of morphia and shuffle off in a coma. Thoroughly sensible, humane and scientific, eh?”

 

Aldous Huxley (26 juli 1894 – 22 november 1963)

Charles Baudelaire en Elias Canetti

Nog meer Franse poëzie tijdens deze zwoele zomeravonden. Ditmaal van Charles Baudelaire.

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L’homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l’observent avec des regards familiers.

Comme de longs échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

II est des parfums frais comme des chairs d’enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d’autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l’expansion des choses infinies,
Comme l’ambre, le musc, le benjoin et l’encens,
Qui chantent les transports de l’esprit et des sens.

 

 

Correspondenties

 

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen

Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;

De mens doorkruist dit woud waarin symbolen schuilen

Die hem er met vertrouwde blikken gadeslaan.

 

Als langgerekte echo’s die van verre mengen

Tot eenheid vol van duister  en diepzinnigheid

Ontzaglijk als de nacht en als het zonnezengen,

Zijn geuren, kleuren, klanken tot één zin herleidt.

 

En zulke geuren zijn er, fris als kinderhuid,

Mild klinkend als hobo’s en groen zoals de steppen,

En andere – bedorven, zat van winst en buit,

 

Die onverholen van oneindigheden reppen,

Waaronder amber, muskus, mirre, wierookwalmen,

Die zins- en geestvervoering zingen in hun psalmen.

 

 

 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d’une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l’ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son oeil, ciel livide où germe l’ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair… puis la nuit ! – Fugitive beauté
Dont le regard m’a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l’éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d’ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j’ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j’eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

 

 

 

In het voorbijgaan

 

Rondom mij kreet de straat haar oorverdovend leven.

Een vrouw, lang, slank in rouwkleed, triest als een vorstin,

Schreed mij voorbij: vol luister was de hand, waarin

Festoen en rokzoom deinden in balans, geheven;

 

Als beeldsnijwerk de benen, adellijk en vlot:

Ik dronk, als een uitzinnige die krampen kwellen,

Uit ogen, bleek als lucht waarin orkanen zwellen.

Naast tederheid die kluistert dodelijk genot.

 

Een weerlicht… Dan de nacht! – O pracht die mij ontglijdt,

Die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,

Zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?

 

Niet hier, ver weg van hier! Te laat! Nooit meer misschien!

Want jóúw weg ken ik niet en jij volgt niet míjn sporen,

Jij die ik minnen zou, jij, die het hebt gezien!

 

 

 

De vertalingen zijn van Petrus Hoosemans en ze zij te vinden in:
Dichters van de avant-garde – de moderne Franse poëzie,

Samengesteld en ingeleid door Guus Luijters,

L.J. Veen, Amsterdam, 2003

Charles Baudelaire

 

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Hij is vooral bekend geworden door ‘Het Martyrium’, zijn eerste en enige roman, en de sociaalfilosofische studie ‘Massa en Macht’.
Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld. Canetti ontving in 1981 de Nobelprijs voor de literatuur.

 

Citaten:

 

„Man mag drei- oder viertausend Menschen gekannt haben, man spricht aber immer nur von sechs oder sieben.“

 

„Feig, wirklich feig ist nur, wer sich vor seinen Erinnnerungen fürchtet“.

 

„Wie wenig du gelesen hast, wie wenig du kennst – aber vom Zufall des Gelesenen hängt es ab, was du bist.“

 

„Ich habe noch nie von einem Menschen gehört, der die Macht attackiert hat, ohne sie für sich zu wollen.“

 


Elias Canetti (25 juli 1905 – 14 augustus 1994)

 

 

Johan Andreas dèr Mouw

Johan Andreas dèr Mouw werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Hij studeerde en promoveerde te Leiden in de klassieke letteren, en was leraar aan het gymnasium te Doetinchem, totdat een conflict inzake zijn antichristelijke theorieën, met een felle lastercampagne, een dubbele poging tot zelfmoord en een rechtszaak daaraan in 1902 een eind maakte. Daarna woonde hij als privé-leraar in Den Haag. Als dichter is hij ook wel bekend onder het pseudoniem Adwaita

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei;
Het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker;
Over het riet beweegt zich blauw geflikker,
Wanneer de wind zijn wimpels schuift op zij.

 

In ’t gras bij ’t water, naast de wilgenrij,
Speelt een blond jochie ernstig met een knikker;
Wegjaagt in ’t bongerdje een vogelverschrikker
De Zondagsstilte over de boerderij.

 

Houdt even op de droogratelende r,
Dan is ’t, of zich de stilte van heel ver
Hier samentrekt en plots’ling vreemd verdicht:

 

Op ’t lege zand voor te gesloten stal,
In ’t vierkant tuintje, in ’t bongerdje, overal,
Is ’t of een vraag en een verwond’ring ligt.

 

 

’t Is zomer, zondagmorgen, een toneel

‘T is zomer; Zondagmorgen. Een toneel
Zie ‘k plots’ling voor me uit verre jongensjaren:
Ik lig in ’t gras; er liggen rozeblaren
Overal om me, roze en wit en geel;

 

Mijn moeder speelt piano, ’t laatste deel
Van Gounod’s Faust. En ’t leek op eens, als waren
Aan ’t trillen ergens in mij zelf de snaren,
En ’t bonsde door mijn borst tot aan mijn keel.

 

En ‘k huilde en huilde, tot mijn moeder kwam,
En me aaide en kuste en me in haar armen nam,
En ‘k gaf, gelukkig, haar de liefste naam. –

 

‘K zie rozen. Ik word grijs. De herinnering
Voel ‘k trillen in mijn keel, en ’t is me, als zing
Ik stil: Anges des cieux, portez mon âme.

 

 

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:
‘K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ‘k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

 

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

Abdelkader Benali

Met weinig tijd en met de meeste bloggers sowieso op vakantie, maar geïnspireerd door het weer met een zoekmachine (nee, niet die van dat werkwoord) gezocht naar gedichten voor de zomer en dan vind je deze van Abdelkader Benali :

MIJN HAAT

Mijn haat voor jou gaat diep, vriend, nog dieper nog
Dan mijn liefde, graag zou ik een verse zak stront
Over je hoofd willen trekken, dat het bruin naar
Beneden loopt, de gele groene strepen van

Diarree die goed kleurt bij je mooie kleding,
Een zak pudding onder je oksels zou je ook
Goed staan, alles staat je goed, als het maar
Vervuld is van mijn walging en afkeer van jou

Die oneindig en voor eeuwig is, die `s nachts
Gewoon nog wortel in mij schiet, hard en stug
Doorgroeit alsof er niks aan de hand is, zoals
De waarheid is hij, of het kussen nu warm of

Koud is, wat zou ik graag zien dat je werd door
Boord door een gorilla, jij, je pijn, je gillen.

 

WELLUST

Ik ben altijd open en mocht ik zin hebben
Dan klop ik ergens aan. `t Is waar: genot
Kun je niet kopen, en wie het onveilig doet
Danst op een vulkaan die veel weg heeft 

Van mijn aars. Rauw lust ik ze, maar ook
In opgezwollen staat, cup d, tepels zacht
Als leer, een jongeheer om door een ringetje
Te halen. Gêne en lust gaan niet goed samen

Daarom ken ik geen schaamte meer. Zo wil
Ik oud worden om eeuwig jong te blijven
Laatst was mama op bezoek, zo lief keek ik
Haar aan, het zit ook in haar geil ding, geen

Eens vroeg ze wat ik deed, op het toppunt van
Mijn kunnen! Steek me geen oog uit, heb er maar één.

 

Gedichten voor de zomer
Abdelkader Benali
Uitgeverij 521, Amsterdam 2003

Abdelkader Benali

 

 

Emma Lazarus

Emma Lazarus was een joodse, Amerikaanse dichteres die vooral bekend is door het gedicht dat in de voet van het Vrijheidsbeeld gegraveerd staat: The New Colossus  Zij was het vierde van in totaal zeven kinderen van Esther en Moses Lazarus. Zij kreeg les van privé-docenten, o.a. in Amerikaanse en Europese Literatuur. Gesteund door haar vader begon zij al op jonge leeftijd gedichten te schrijven. Ralph Waldo Emerson die destijds een van de belangrijkste Amerikaanse dichters en essayisten was kreeg belangstelling voor haar werk en zij correspondeerde met hem tot aan zijn dood in 1882. Naast het schrijven van haar eigen poëzie vertaalde Emma Lazarus ook gedichten van Goethe en Heine. Door het lezen van de roman Daniel Deronda ontstond bij haar het interesse voor het jodendom. De Russische pogroms in het begin van de jaren 1880 versterkten haar interesse nog en zo begon voor haar een productieve tijd, waarin ze veel joodse dichters vertaalde. Ook in haar essays hield ze zich met joodse thema’s bezig. Emma Lazarus reisde twee keer naar Europa: in 1883 en in mei 1885 na de dood van haar vader. Van de tweede reis keerde ze in september 1887 ernstig ziek terug naar New York. Twee maanden later stierf ze, vermoedelijk aan kanker.

The New Colossus

Not like the brazen giant of Greek fame,
With conquering limbs astride from land to land;
Here at our sea-washed, sunset gates shall stand
A mighty woman with a torch, whose flame

Is the imprisoned lightning, and her name
Mother of Exiles. From her beacon-hand
Glows world-wide welcome; her mild eyes command
The air-bridged harbor that twin cities frame.

“Keep ancient lands, your storied pomp!” cries she
With silent lips. “Give me your tired, your poor,
Your huddled masses yearning to breathe free,

The wretched refuse of your teeming shore.
Send these, the homeless, tempest-tost to me,
I lift my lamp beside the golden door!”

 

Long Island Sound

I see it as it looked one afternoon
In August,–by a fresh soft breeze o’erblown
The swiftness of the tide, the light thereon.
A far-off sail, white as a crescent moon.

The shining waters with pale currents strewn,
The quiet fishing-smacks, the Eastern cove,
The semi-circle of its dark, green grove.
The luminous grasses, the merry sun

In the grave sky; the sparkle far and wide
Laughter of unseen children, cheerful chirp
Of crickets, and low lisp of rippling tide

Light summer clouds fantastical as sleep
Changing unnoted while I gazed thereon
All these fair sounds and sights I made my own.

Emma Lazarus (22 juli 1849 – 19 november 1887)

Ernest Hemingway en Belcampo

De Nijmeegse zomerfeesten afgesloten met een optreden van Sven Ratzke. Het werd vandaag dus allemaal wat later.

Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.

 

Uit: The old man and the sea

“…

When the old man saw him coming be knew that this was a shark that had no fear at all and would do exactly what he wished. He prepared the harpoon and made the rope fast while he watched the shark come on. The rope was short as it lacked what he had cut away to lash the fish.
The old man’s head was clear and good now and he was full of resolution, but he had little hope. It was too good to last, he thought. He took one look at the great fish as he watched the shark close in. It might as well have been a dream, he thought. I cannot keep him from hitting me but maybe I can get him. Dentuso , he thought. Bad luck to your mother.
The shark closed fast astern and when he hit the fish the old man saw his mouth open and his strange eyes and the clicking chop of the teeth as he drove forward in the meat just above the tail. The shark’s head was out of the water and his back was coming out and the old man could hear the noise of skin and flesh ripping on the big fish when he rammed the harpoon down onto the shark’s head at a spot where the line between his eyes intersected with the line that ran straight back from his nose. There were no such lines. There was only the heavy sharp blue head and the big eyes and the clicking, thrusting all-swallowing jaws. But that was the location of the brain and the old man hit it. He hit it with his blood-mushed hands driving a good harpoon with all his strength. He hit it without hope but with resolution and complete malignancy.
The shark swung over and the old man saw his eye was not alive and then he swung over once again, wrapping himself in two loops of the rope. The old man knew that he was dead but the shark would not accept it. Then, on his back, with his tail lashing and his jaws clicking, the shark plowed over the water as a speed-boat does. The water was white where his tail beat it and three-quarters of his body was clear above the water when the rope came taut, shivered, and then snapped. The shark lay quietly for a little while on the surface and the old man watched him. Then he went down very slowly.
“He took about forty pounds,” the old man said aloud. He took my harpoon too and all the rope, he thought, and now my fish bleeds again and there will be others.
He did not like to look at the fish anymore since he had been mutilated. When the fish had been hit it was as though he himself were hit.
But I killed the shark that hit my fish, he thought. And he was the biggest dentuso that I have ever seen. And God knows that I have seen big ones.

…”

 

Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961)

 

De Nederlandse schrijver Belcampo werd in Naarden geboren op 21 juli 1902 als Herman Pieter Schönfeld Wichers. De vader van Belcampo was notaris. Het gezin verhuisde naar Sappemeer en later naar Rijssen.  Belcampo studeerde rechten in Amsterdam. Hij zwierf enkele jaren door Europa en ging na terugkomst in Nederland werken op een notariskantoor. Van 1937 tot 1949 studeerde hij vervolgens medicijnen. Hij was huisarts in Bathmen en vanaf 1967 studentenarts in Groningen. Hij debuteerde in 1923 in het studentenblad Propria Cures. Als schrijver nam Schönfeld Wichers het pseudoniem Belcampo aan, dat een letterlijke vertaling van Schönfeld in het Italiaans is. In 1935 verscheen zijn eerste bundel: “Verhalen”. Zijn beroemdste verhaal is “Het grote gebeuren” (1958), dat zich afspeelt in het stadje Rijssen op de dag van het Laatste Oordeel. Het verhaal werd door Jaap Drupsteen in 1975 voor de televisie bewerkt. Belcampo schreef een omvangrijk oeuvre van fantastisch-romantisch proza.

 

“Ik moest met de trein naar Amsterdam. Juist op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje van mijn geboorteplaats tot stilstand. Het stadje is zoo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd, ook door mijn vader en mijn moeder. Nou is onze jongen al dertig jaar, zouden ze denken en elkaar daarbij aanzien, en nog dobbert hij als een stuk wrakhout op den oceaan des levens.  Mijn vader is dominee en houdt van degelijke beeldspraak. Ja ouders, dacht ik nog even, terwijl ik over het eerste spoor stapte, zeg het gerust, als een stuk rottend hout beschouwt gij uw zoon, maar blind zijt gij voor het wonderbaarlijke licht, dat van zoo’n stuk rottend hout kan uitgaan.

Toen ik het portier geopend had, bleef ik verlamd staan.

Ik zat er al.

Ik was al ingestapt.

Daar in de hoek, in achtelooze, eenigszins bekommerde houding, zat ik.

    Ik hoefde dus niet meer in te stappen, ik was mezelf dus al vooruitgeloopen.

Langzaam sloot ik het portier weer en bleef aan het perron genageld; zag toe, dat de stationchef de plaatstok ophief.

Maar daar voelde ik in mijn hand het bruine kaartje.

Maar dan reisde ik zonder kaartje!

In een oogwenk was ik weer in de reeds voortkruipende trein en bevond me tegenover mezelf en alleen met mezelf. lk durfde geen woord te spreken, nauwelijks durfde ik mij op de bank neer te zetten, nooit had ik geweten, dat ik zulk benauwend gezelschap was. Ik keek mij aan en ik keek mij aan. Het kon niet anders. Hetzelfde trotsche voorhoofd, waarvan de edele welving zich verliest in de schaduw van welig bruin haarloof; dezelfde klare en toch mild indringende oogen, die ik zoo goed van de spiegel kende, de nemende mond mijner moeder, de echte ruikneus mijns vaders en daarbij mijn slanke en toch krachtige gestalte met de iets te groote handen. En daar ‑ dezelfde misvormde duim, die ik als jongen, onder de trein … “

Begin van het verhaal Bekentenis uit: ‘De verhalen van Belcampo’ Uitgeverij Kosmos 1947

 

Belcampo ( 21 juli 1902 – 2 januari 1990)

Ernest Hemingway

De Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.

Uit: The old man and the sea

“He hasn’t much faith.”
“No,” the old man said. “But we have. Haven’t we?”
“Yes,” the boy said. “Can I offer you a beer on the Terrace and then we’ll take the stuff home.”
“Why not?” the old man said. “Between fishermen.”
They sat on the Terrace and many of the fishermen made fun of the old man and he was not angry. Others, of the older fishermen, looked at him and were sad. But they did not show it and they spoke politely about the current and the depths they had drifted their lines at and the steady good weather and of what they had seen. The successful fishermen of that day were already in and had butchered their marlin out and carried them laid full length across two planks, with two men staggering at the end of each plank, to the fish house where they waited for the ice truck to carry them to the market in Havana. Those who had caught sharks had taken them to the shark factory on the other side of the cove where they were hoisted on a block and tackle, their livers removed, their fins cut off and their hides skinned out and their flesh cut into strips for salting.
When the wind was in the east a smell came across the harbour from the shark factory; but today there was only the faint edge of the odour because the wind had backed into the north and then dropped off and it was pleasant and sunny on the Terrace.
“Santiago,” the boy said.
“Yes,” the old man said. He was holding his glass and thinking of many years ago.
“Can I go out to get sardines for you for tomorrow?”
“No. Go and play baseball. I can still row and Rogelio will throw the net.”
“I would like to go. If I cannot fish with you. I would like to serve in some way.”
“You bought me a beer,” the old man said. “You are already a man.”
“How old was I when you first took me in a boat?”
“Five and you nearly were killed when I brought
the fish in too green and he nearly tore the boat to pieces. Can you remember?”
“I can remember the tail slapping and banging and the thwart breaking and the noise of the clubbing. I can remember you throwing me into the bow where the wet coiled lines were and feeling the whole boat shiver and the noise of you clubbing him like chopping a tree down and the sweet blood smell all over me.”
“Can you really remember that or did I just tell it to you?”
“I remember everything from when we first went together.”
The old man looked at him with his sun-burned, confident loving eyes.
“If you were my boy I’d take you out and gamble,” he said. “But you are your father’s and your mother’s and you are in a lucky boat.”
“May I get the sardines? I know where I can get four baits too.”
“I have mine left from today. I put them in salt in the box.”

Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961)



Hans Lodeizen

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen was de auteur van slechts één bundel en nagelaten werk. Hij studeerde korte tijd rechten in Leiden, maar ging over op biologie en liep college te Amherst, Massachusetts in de VS. Daar trof hij de dichter James Merrill en andere jonge talenten. Lodeizen leed echter aan leukemie en keerde voortijdig terug naar Europa, om de laatste maanden van zijn leven te verblijven in een Zwitsers sanatorium.

ik heb mij met moeite alleen gemaakt

ik heb mij met moeite alleen gemaakt
je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
het zoveel moeite kost alleen te zijn als
een zon rollende over het grasveld
neem dan – vriend!- de mieren waar
wonend in hun paleizen als een mens
in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en
graven dan verder: het puur kristal
is hen zand geworden.
in het oog van de nacht woon je als een merel,
of als een prins in zijn boudoir: de kalender
wijst het zeventiende jaar van Venetië en
zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht
kijk! je schoenen zijn van perkament
o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte.

 

dit leven zachtjes ken ik het

dit leven zachtjes ken ik het
zachtjes loop ik eruit
als een kind uit de zandbak
ik stroom vol
met vredige zoetigheid
deze man goed kende ik hem
ik liep steeds met hem mee
zoals een kind langs het strand gaat
de zee groet
in langzame statigheid
er zijn zoveel andere levens
en zoveel andere mannen
een jongen speelt op een fluitje
in de avond
met vredige zoetigheid
dit leven zachtjes ken ik het
ik loop steeds eruit
zoals een kind uit het strand gaat
vol zee stroomt
in langzame statigheid.

 

Wij zullen het leven…

Wij zullen het leven op grootse wijze behandelen
zoals wij een moordenaar behandelen onder ons.
Ik houd niet van kunst die sterft
in de mond van de zeer geliefde dichter.
Nu Nyjinski dood is moeten wij
voor alle vensters bloemen zetten, want
zo alleen blijft de schoonheid levend.
Wij willen een handvol kinderen, wijn, en
een speelplaats flink door de zon afgerost.

Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950) 

Anna Enquist

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Ze studeerde Klinische Psychologie in Leiden en daarna speelde ze piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Enquist publiceerde pas op latere leeftijd. Haar liefde voor poëzie werd haar echter al op de middelbare school bijgebracht door haar docent Nederlands, de dichter Dick Steenkamp. Ze debuteerde in 1991 met de gedichtenbundel Soldatenliederen, waarvoor ze de C. Buddingh’-prijs kreeg. Voor haar bundel Jachtscènes’ werd ze beloond met de Lucy B.- en C.W. van der Hoogt-prijs. Enquist werd bij het grotere publiek voornamelijk bekend met haar prozawerken Het meesterstuk (Debutantenprijs) en Het geheim (Trouw Publieksprijs). Ze schrijft ook regelmatig over voetbal voor het tijdschrift Hard Gras. Ook verscheen van haar hand de novelle De ijsdragers, het boekenweekgeschenk van 2002. In Enquists poëzie staan angst en woede vaak centraal. Het leven wordt gepresenteerd als strijd. Tevens komt haar liefde voor muziek vaak naar voren in haar werk.

 

Rivier

Zeer vaak heb ik gezocht in de buurt van rivieren
naar bewijs dat het kon; zo tref ik mijzelf
soms aan parend in hoog gras, hoor water, wind-
zwanen die overvliegen markeren ongeboren tijd
met houten vleugels, het copulatieritme zegt
zwart-wit, ja-nee, zo ook je hart en verder
niets, op schoot graag, en voor altoos

In slechte tijden zocht ik, perfide, halfhartig
het tegendeel: zo zou ik mij met borsten,
kut en al kunnen laten glijden in die kabbelende
zwarte moeder, gewiegd in giftige omarming troostrijk
omgebracht worden. Hoe ik dan blauw
en gezwollen tussen rietstengels zou liggen,
de schrik der waterhoentjes, nee

Een vreemd compromis deed zich voor in
de heldere winternacht toen ik,
tegen tienen, bij Ouderkerk de schaatsen
aanbond en voortgleed, voort over
zwart ijs met hier en daar een zilveren
vis daarin gevat, mij flink voortspoedde
naar nooit meer, naar nergens

 

Essentie van het missen

Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis

haar tot brakens toe, dagelijks. Het is
de kern van het gemis, het missen zelf,

zegt men. Dat zal ik, met gestrekte
hals, fijntjes ontkennen. Dat zal ik

schuimbekkend tegenspreken. de tijd
is een ruimte, je bent altijd bij haar,

zegt men. Ik kijk in de lege spiegel.
Geleerde onzin, schandalige troost.

Ze reed weg met mijn goud, mijn geluk
in haar fietstas, hief haar smalle hand

en verdween tussen de weiden. De kern
van gemis laat mij koud, geen wijsgerige

held gaat mij helpen. Ik mis
het vlees, haar linkshandige lichaam.

 

Met stomheid

Loodzware dagen zeggen we maar
wat weegt zo’n woord weinig; het laatste
zeilt op stadsdamp neerwaarts, kromt
zich keer op keer om zijn betekenis.

Argeloos keren de huizen hun dierbaarste
wanden naar buiten, fluisteren Lissabon,
Lissabon. Tussen keuken – en badkamertegels
zoeken wij traag naar de tekens, verrijzenis.

Het water staat laag. In marmeren armen
murmelt het zacht tegen schepen aan. Stad,
leer mij het onverstaanbare, het openbare,
de sporen van kleine roeiers over de Taag.

 

Anna Enquist (Amsterdam 19 juli 1945)

William Makepeace Thackeray / Josepha Mendels

De Engelse schrijver William Makepeace Thackeray werd geboren in Calcutta op 18 juli 1811. Hij stamde uit een ambtenaarsfamilie in India maar trok op 16-jarige leeftijd naar Engeland om in Cambridge te studeren. Thackeray verbleef enkele jaren op het Europese vasteland, veelal in Parijs, waar zijn interesse voor de schilderkunst opdook. In 1833 verloor hij zijn fortuin en werd hij verplicht om zijn talent als journalist te gebruiken om van te leven. Onder verschillende pseudoniemen werkte hij mee aan tijdschriften zoals Fraser’s Magazine en Punch. “The Book of Snobs” uit 1846 gaf hem de faam als satiricus van de hypocrisie van de Engelse maatschappij. Zijn doorbraak als romanschrijver kwam er met de publicatie van Vanity Fair in 1847.

Uit: Vanity Fair

1 – Chiswick Mall

“While the present century was in its teens, and on one sunshiny morning in June, there drove up to the great iron gate of Miss Pinkerton’s academy for young ladies, on Chiswick Mall, a large family coach, with two fat horses in blazing harness, driven by a fat coachman in a three-cornered hat and wig, at the rate of four miles an hour. A black servant, who reposed on the box beside the fat coachman, uncurled his bandy legs as soon as the equipage drew up opposite Miss Pinkerton’s shining brass plate, and as he pulled the bell at least a score of young heads were seen peering out of the narrow windows of the stately old brick house. Nay, the acute observer might have recognised the little red nose of good-natured Miss Jemima Pinkerton herself, rising over some geranium pots in the window of that lady’s own drawing-room.

“It is Mrs. Sedley’s coach, sister,” said Miss Jemima. “Sambo, the black servant, has just rung the bell; and the coachman has a new red waistcoat.”

“Have you completed all the necessary preparations incident to Miss Sedley’s departure, Miss Jemima?” asked Miss Pinkerton herself, that majestic lady; the Semiramis of Hammersmith, the friend of Doctor Johnson, the correspondent of Mrs. Chapone herself.

The girls were up at four this morning, packing her trunks, sister,” replied Miss Jemima; “we have made her a bow-pot.”

“Say a bouquet, sister Jemima, ’tis more genteel.”

“Well, a booky as big almost as a haystack; I have put up two bottles of the gillyflower water for Mrs. Sedley, and the receipt for making it, in Amelia’s box.”

“And I trust, Miss Jemima, you have made a copy of Miss Sedley’s account. This is it, is it? Very good–ninety- three pounds, four shillings. Be kind enough to address it to John Sedley, Esquire, and to seal this billet which I have written to his lady.”

William Makepeace Thackeray (18 juli 1811 –  24 december 1863)

 

Josepha Judica Mendels werd geboren op 18 juli 1902 te Groningen, als dochter van een orthodox joods echtpaar. Josepha was de derde dochter, en haar vader had haar liever als zoon gehad. Josepha werd eerst naar de lagere en toen naar de middelbare meisjesschool gestuurd. In 1920 haalde zij haat MMS diploma.

Van 1923 tot 1927 was zij au pair-gouvernante. Van 1927 tot 1936 werd zij al snel directrice bij het ‘Zwaluwnest’ een avondopleiding voor joodse meisjes. Daar leert zij Berthe Edersheim kennen. Van 1958 tot 1993 zijn zij onafscheidelijk geweest. In 1936 is Mendels naar Parijs gegaan om daar journaliste te worden. Tussen 1940 en 1942 schrijft zij ‘Rolien en Ralien’ omdat ze niet meer onder haar eigen (joodse) naam kan publiceren. In 1942 vlucht zij. Na vele omzwervingen (via Spanje en Portugal) komt ze in Londen terecht.


Ze is nooit getrouwd, en op haar zesenveertigste toch moeder geworden. Tot 1992 woonde Josepha met Berthe in Parijs. In ’92 verhuisde ze naar Eindhoven. Josepha Mendels overleed, drieënnegentig jaar oud, op 10 september 1995 te Eindhoven.Josepha Mendels werd in stilte begraven met een pen en 93 rozen, en wel op 13 september op de Gemeentelijke Begraafplaats Woensel in Eindhoven.

In een interview met de NRC zei Mendels ooit: ‘De ouderdom is een rot-iets, een onuitstaanbaar, bespottelijk iets. Jarenlang doe je je best voor je lichaam; je koestert het, je levert er strijd mee. En waar word je mee beloond? Met aftakeling!’

 

 

Josepha Mendels (18 juli 1902 – 10 september 1995)