Heinrich Böll


Rustige vakantiedagen, ook het warme weer en stroomstoringen spelen me parten. Moet ik hier vermelden dat Erle Stanley Gardner geboren werd op 17 juli 1889, de schepper van detective en advocaat Perry Mason? Die tv- serie was voor mijn tijd. Niet alleen Couperus stierf op een 16e juli, laat ik het daar maar op houden.

 

Zijn meest bekende werken zijn onmiskenbaar het uitzichtloze Billard um halb zehn, vervolgens ook Ansichten eines Clowns uit ’63 waarin hij, via een rebelse hoofdfiguur, grondig afrekent met allerlei vormen van burgerlijke pose met conservatieve waarden als gezin, staat en kerk. Bölls verhouding met de katholieke kerk is altijd erg problematisch geweest. Hoewel hij wel gelovig was, verwierp hij de onfeilbaarheid van de paus. Bovendien stond hij erg wantrouwig tegenover de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het (Nazi)regime, wel integendeel, en dus mee verantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in een miserabele Duitse maatschappij en ten slotte Gruppenbild mit Dame, waarin hij allerlei ambitieuze typetjes, notabele burgermannetjes en arrivisten met de billen bloot zet. Heinrich Böll stierf op 16 juli 1985. De herinnering aan hem leeft nog steeds, onder andere in de Heinrich-Böll-Foundation en het speciale Heinrich-Böll-Archief in de bibliotheek van Keulen.

 

 

Uit: Ansichten eines Clowns

 

„Es war schon dunkel, als ich in Bonn ankam, ich zwang mich, meine Ankunft nicht mit der Automatik ablaufen zu lassen, die sich in fünfjährigem Unterwegssein herausgebildet hat: Bahnsteigtreppe runter, Bahnsteigtreppe rauf, Reisetasche abstellen, Fahrkarte aus der Manteltasche nehmen, Reisetasche aufnehmen, Fahrkarte abgeben, zum Zeitungsstand, Abendzeitungen kaufen, nach draußen gehen und ein Taxi heranwinken. Fünf Jahre lang bin ich fast jeden Tag irgendwo abgefahren und irgendwo angekommen, ich ging morgens Bahnhofstreppen rauf und runter und nachmittags Bahnhofstreppen runter und rauf, winkte Taxis heran, suchte in meinen Rocktaschen nach Geld, den Fahrer zu bezahlen, kaufte Abendzeitungen an Kiosken und genoß in einer Ecke meines Bewußtseins die exakt einstudierte Lässigkeit dieser Automatik. Seitdem Marie mich verlassen hat, um Züpfner, diesen Katholiken, zu heiraten, ist der Ablauf noch mechanischer geworden, ohne an Lässigkeit zu verlieren. Für die Entfernung vom Bahnhof zum Hotel, vom Hotel zum Bahnhof gibt es ein Maß: den Taxameter. Zwei Mark, drei Mark, vier Mark fünfzig vom Bahnhof entfernt. Seitdem Marie weg ist, bin ich manchmal aus dem Rhythmus geraten, habe Hotel und Bahnhof miteinander verwechselt, nervös an der Portierloge nach meiner Fahrkarte gesucht oder den Beamten an der Sperre nach meiner Zimmernummer gefragt, irgendetwas, das Schicksal heißen mag, ließ mir wohl meinen Beruf und meine Situation in Erinnerung bringen. Ich bin ein Clown, offizielle Berufsbezeichnung: Komiker, keiner Kirche steuerpflichtig, siebenundzwanzig Jahre alt, und eine meiner Nummern heißt: Ankunft und Abfahrt, eine (fast zu) lange Pantomime, bei der der Zuschauer bis zuletzt Ankunft und Abfahrt verwechselt; da ich diese Nummer meistens im Zug noch einmal durchgehe (sie besteht aus mehr als sechshundert Abläufen, deren Choreographie ich natürlich im Kopf haben muß), liegt es nahe, daß ich hin und wieder meiner eigenen Phantasie erliege: in ein Hotel stürze, nach der Abfahrtstafel ausschaue, diese auch entdecke, eine Treppe hinauf- oder hinunterrenne, um meinen Zug nicht zu versäumen, während ich doch nur auf mein Zimmer zu gehen und mich auf die Vorstellung vorzubereiten brauche. Zum Glück kennt man mich in den meisten Hotels; innerhalb von fünf Jahren ergibt sich ein Rhythmus mit weniger Variationsmöglichkeiten, als man gemeinhin annehmen mag – und außerdem sorgt mein Agent, der meine Eigenheiten kennt, für eine gewisse Reibungslosigkeit. Was er “die Sensibilität der Künstlerseele” nennt, wird voll respektiert, und eine “Aura des Wohlbefindens” umgibt mich, sobald ich auf meinem Zimmer bin: Blumen in einer hübschen Vase, kaum habe ich den Mantel abgeworfen, die Schuhe (ich hasse Schuhe) in die Ecke geknallt, bringt mir ein hübsches Zimmermädchen Kaffee und Kognak, läßt mir ein Bad einlaufen, das mit grünen Ingredienzien wohlriechend und beruhigend gemacht wird. In der Badewanne lese ich Zeitungen, lauter unseriöse, bis zu sechs, mindestens aber drei, und singe mit mäßig lauter Stimme ausschließlich Liturgisches: Choräle, Hymnen, Sequenzen, die mir noch aus der Schulzeit in Erinnerung sind. Meine Eltern, strenggläubige Protestanten, huldigten der Nachkriegsmode konfessioneller Versöhnlichkeit und schickten mich auf eine katholische Schule. Ich selbst bin nicht religiös, nicht einmal kirchlich, und bediene mich der liturgischen Texte und Melodien aus therapeutischen Gründen: sie helfen mir am besten über die beiden Leiden hinweg, mit denen ich von Natur belastet bin: Melancholie und Kopfschmerz.“

 

 

 

Heinrich Böll
(21  december 1917 – 16 juli 1985)

 

 

Rainer Kirsch

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook alle tags voor Rainer Kirsch op dit blog

Uit: De redding van de Saragossazee (Vertaald door J.F. Vogelaar)

“Het waren een groene en een rode walvis, beide zwommen in zee. Zullen we elkaar iets over de wereld vertellen, zei de een, ik stel voor het over plankton te hebben. Je bedoelt dat je het over jezelf wil hebben, zei de ander, het is je lievelingsvoedsel, ook ik moet het dus over jou hebben. Denk je er wel aan dat het hier de ijszee is, zei de groene walvis, soms ben ik bang dat we te groot zijn. Omdat we groot zijn blijven we op temperatuur, zei de ander. Laten we een duik nemen en ervaringen opdoen.
De Saragossazee bestaat of bestaat niet, in elk geval voer er een zeilschip, aan dek een jongeman, zijn haar woei in de wind. Er zijn eenvoudige handelingen, zei de jonge man, die zeker zijn, ík wil ze zeker noemen. Een zeil hijsen, op het dek staan, de koers wijzigen of de koers houden. De zon is een natuurverschijnsel, maar ook die heeft een betekenis, ze gaat op en onder, ik zeil, zulke dingen vormen samen het geluk. En ook staat vast dat de Balearen eilanden zijn en in de oceaan liggen.
Je vergeet de afstand, zei een stem. De jongeman schrok want er was niemand aan dek. Hij zei: ik word nog eens een filosoof want ik praat in mezelf. Hij hield zich met de linkerhand vast en beschermde met de rechter zijn ogen tegen de zon. Er zwom naast het schip iets blinkends snel door de golven. Dolfijnen, zei de jongeman. Hij hoorde lachen. Wil je zeggen dat ik mij vergis, zei de jongeman, geloof maar niet dat ik nooit iets over hallucinaties heb gehoord, een reis naar de Balearen duurt lang, zo kom je tenminste je tijd door.
Ik ben een heks, zei de stem. Zij kwam naderbij, hij zag haar rug en rossig haar. Zij zwom even snel als het schip, zonder de armen te bewegen. Het leven is interessant, zei de jongeman, ik maak voortdurend wel iets mee. O ja, zei de heks en hij meende een spottende toon in haar stem te horen. Ik vergelijk nieuwsgierigheid met het varen op schoeners, zei de jongeman, toch stoort mij iets in je manier van praten. Je bent jong en zwemt behendig, wanneer je zoals nu op je zij ligt laat je linkerborst een eigen smal kielzog achter. Heb je een staartvin?”

Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)


Louis Couperus

De Nederlandse schrijver Louis Couperus vestigde zich in maart 1923 in De Steeg, gemeente Rheden, in een door vrienden en bewonderaars aangeboden huis. Op 4 juni werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 9 juni vond de huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag plaats. Op 16 juli overleed Louis Couperus aan longvliesontsteking en bloedvergiftiging. De crematie vond plaats op Westerveld. Zijn as is enige tijd later overgebracht naar zijn graf op de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag.

Uit: De stille Kracht

I

“De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op. Een doodse stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moe van de zonneblakende dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donzende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, hees, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Residentie-huis. Laag, dadelijk in de nacht der waringinbomen, zigzagde het zijn pannendaken, het ene achter het andere, naar de schaduw van de achtertuin toe, met een primitieve lijn van daktekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éen lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met brede tussenruimten, met grote openheid van ontvangst, met een uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal”

 

 Uit: De stille Kracht

 

VI
”….

In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neer, en als marmer glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het venster of de kamprets weer binnen zouden vliegen… Ja, zij zou voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde zich schielijk, in een ruwe handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar tovermiddel van jeugd, lenigheid, harde blankheid. Op dit ogenblik zag zij op haar dij een klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water, een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag zij op haar borst twee drie grotere spatjes, donker vermiljoen. Zij werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weer wreef zij zich af; en zij nam de handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu groter, als uitgespogen door een kwijlende sirih-mond. Stervenskoud gaf zij een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neer op haar rug… Op het groenige wit van de vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij uit in het nog niet weggelopen water. In het bassin bezoedelden zij het water ook en smolten viezig uiteen. Zij zag geheel rood, vuil bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermiljoen, dat onzichtbare sirih-kelen vanuit de hoeken der kamer samenschraapten en spogen naar haar toe, mikkend in haar haren, op haar ogen, op haar borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er haperde iets aan de kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld, stortte zij in de armen van haar meid.”

 

 

Filmproducenten IdtV Film, Motel Films en Fu Works werken aan een verfilming van de roman De stille kracht van Louis Couperus uit het jaar 1900. Het is de tweede keer dat het boek wordt verfilmd: in de jaren zeventig werd er al een televisieserie van gemaakt. Hierin speelden Pleuni Touw, Willem Nijholt en Bob de Lange de hoofdrol. (Hierboven een scène uit deze serie) Het is de bedoeling dat de film volgend jaar in 2007 in première gaat.

 


Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Rembrandt

Vandaag een iets ander bericht, in die zin dat niet een of meer schrijvers, maar een schilder het onderwerp vormt.  2006 Is een Rembrandtjaar. Donderdag was ik in het Rembrandthuis in Amsterdam voor een tentoonstelling over de etsen van Rembrandt. Op 15 juli 1606 werd Rembrandt van Rijn in Leiden geboren als negende kind van Harmen Gerritszoon van Rijn en Neeltje Willemsdochter van Suydbroeck.  Hier vier gedichten bij schilderijen van de beroemde kunstenaar.

De nachtwacht

 

In afwachting

Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo’n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.

En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.



Daan Zonderland

Het joodse bruidje

 

Het Rood van het joodse Bruidje

Ik heb het Rood van ’t Joodse bruidje lief,
van toen ik het zag voor het eerst
en ik nog niet begreep,
welk een verkering ik die dag begon.
Ik kwam er ook op dagen zonder zon,
of dat haar licht zich even maar verhief
en vloeide weg in een wankele streep,
dan zocht ik de nuance, die het teerst
en toch nooit diep genoeg
mij lang te blijven vroeg.
Ik zag het Bruidje met de linkerhand
piano spelen op de rechter- van
haar door de tijd bedeesde man
en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.
Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,
het is mij om het Rood van haar kleed en
anders niets te doen,
ook niet om de entourage in goudig-groen.
Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,
of Rembrandt naast mij er mee speelde
binnen de bronzen van de achtergrond
en welke kleuren hij er nog penseelde,
er toch die kleur voor alle tijden vond.
Ontstond zij met of zonder schilderstok,
het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,
neen, geen juwelen, franjes of kant,
het is maar rood, het Rood, dat ik aanbid,
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

 

Pierre Kemp

 

David speelt harp voor Saul

 

Bij het schilderij van Rembrandt – David speelt harp voor Saul:

Meesterwerk

 Wat nu de Saul van Rembrandt betreft,
mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand
die harp of harpsichord speelt,
aan een scepter en een bescheiden gordijn
waarmee ik tranen kan drogen.

 

Jan Emmens

 

David singt vor Saul

König, hörst du, wie mein Saitenspiel
Fernen wirft, durch die wir uns bewegen:
Sterne treiben uns verwirrt entgegen,
und wir fallen endlich wie ein Regen,
und es blüht, wo dieser Regen fiel.

Mädchen blühen, die du noch erkannt,
die jetzt Frauen sind und mich verführen;
den Geruch der Jungfraun kannst du spüren,
und die Knaben stehen, angespannt
schlank und atmend, an verschwiegnen Türen.

Daß mein Klang dir alles wiederbrächte.
Aber trunken
taumelt mein Getön:
Deine Nächte, König, deine Nächte -,
und wie waren, die dein Schaffen schwächte,
o wie waren alle Leiber schön.

Dein Erinnern glaub ich zu begleiten,
weil ich ahne. Doch auf welchen Saiten
greif ich dir ihr dunkles Lustgestöhn? –


II

König, der du alles dieses hattest
und der du mit lauter Leben mich
überwältigest und überschattest:
komm aus deinem Throne und zerbrich
meine Harfe, die du so ermattest.

Sie ist wie ein abgenommner Baum:
durch die Zweige, die dir Frucht getragen,
schaut jetzt eine Tiefe wie von Tagen
welche kommen -, und ich kenn sie kaum.

Laß mich nicht mehr bei der Harfe schlafen;
sieh dir diese Knabenhand da an:
glaubst du, König, daß sie die Oktaven
eines Leibes noch nicht greifen kann?


III

König, birgst du dich in Finsternissen,
und ich hab dich doch in der Gewalt.
Sieh, mein festes Lied ist nicht gerissen,
und der Raum wird um uns beide kalt.
Mein verwaistes Herz und dein verworrnes
hängen in den Wolken deines Zornes,
wütend ineinander eingebissen
und zu einem einzigen verkrallt.

Fühlst du jetzt, wie wir uns umgestalten?
König, König, das Gewicht wird Geist.
Wenn wir uns nur aneinander halten,
du am Jungen, König, ich am Alten,
sind wir fast wie ein Gestirn das kreist.

 

Rainer Maria Rilke

Rembrandt van Rijn (15 juli 1606 – 4 oktober 1669)
Zelfportret uit 1629

Verlaine 3 en Natalia Ginzburg

Op veler verzoek, om het zo te zeggen, en omdat het de Franse nationale feestdag is nog een keer Paul Verlaine. Het Engelse woord ‘spleen’ is een begrip in de Franse Romantiek en duidt een vorm van levensmoeheid aan.

 

Spleen

Les roses étaient toutes rouges
Et les lierres étaient tout noirs.

Chère, pour peu que tu ne bouges,
Renaissent tous mes désespoirs.

Le ciel était trop bleu, trop tendre,
La mer trop verte et l’air trop doux.

Je crains toujours, – ce qu’est d’attendre !
Quelque fuite atroce de vous.

Du houx à la feuille vernie
Et du luisant buis je suis las,

Et de la campagne infinie
Et de tout, fors de vous, hélas !

 

Paul Verlaine

 

Spleen

Zo bloedrood als de rozen waren,
Zo nachtzwart was mij de klimop.

Ach liefste, je verroert je maar en
Mijn wanhoop steekt de kop weer op.

De hemel was te blauw, te teer,
Te groen de zee, te zacht de lucht.

Ik vrees – en ik verwacht! – steeds weer
Dat jij me jammerlijk ontvlucht.

De hulst met zijn gelakte blad
En ’t glanzend palmhout ben ik zat.

Ook ’t weidse land: alles is mij
Teveel, helaas, behalve jij?

 

Vertaling: Peter Verstegen
Uit: Paul Verlaine: Een droom vreemd en indringend,
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2002

 

Paul Verlaine

 

 

De Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg (eigenlijk Natalia Levi) werd geboren op 14 juli 1916. Natalia Levi trouwde in 1938 met Leone Ginzburg, die samen met Giulio Einaudi en Cesare Pavese een uitgeverij oprichtte. Opgepakt als ver
zetsstrijder, werd haar man in 1944 doodgemarteld. Haar werk heeft een sterk autobiografische inslag en is geschreven in een geserreerde stijl. Daartoe behoren o.a. de romans ‘E stato cosi’ (1947), ‘Valentino’ (1957), ‘Le voci della sera’ (1964) en ‘Caro Michele’ (1973), de verhalenbundels ‘La stada che va in città’ (1942) en ‘Tutti i nostri ieri’ (1962) en de herinneringen ‘Lessico famigliare’ (1963). Na de oorlog werd zij lid van de communistische partij en zat zij vele jaren in het Italiaanse parlement.

 

Citaten:

 

“Er is een bepaalde eentonige eenvormigheid in het lot van de mensen. Onze levens verlopen volgens oude, onveranderlijke wetten, volgens een eenvormig en oeroude ritme. Dromen komen nooit uit, en zodra we zien dat ze verbrijzeld zijn, begrijpen we opeens dat de grootste vreugden van ons leven buiten de werkelijkheid liggen. Zodra we zien dat onze dromen verbrijzeld zijn, worden we verscheurd door heimwee naar de tijd dat ze nog in ons gloeiden. Ons levenslot bestaat uit deze wisselwerking tussen hoop en heimwee.”

 

Winter in Abruzzo, Natalia Ginzburg 

“Eigenlijk zou voor het kind de school van het begin af het eerste gevecht moeten zijn die het zonder ons, alleen, moet leveren; van het begin af zou duidelijk moeten zijn dat dit zijn eigen strijd is, waarin wij niet meer dan incidentele en minimale hulp kunnen bieden. En als het kind aldus onrechtvaardigheden ondergaat of niet begrepen wordt, is het nodig, hem te doen begrijpen dat daar niets vreemds aan is, want in het leven moeten wij verwachten dat wij voortdurend niet begrepen worden, misverstaan worden, en slachtoffers van onrechtvaardigheid zullen zijn; het enige wat er toe doet, is geen onrechtvaardigheden begaan. Met onze kinderen delen wij hun successen en mislukkingen omdat wij erg veel van ze houden, maar net zo en in gelijke mate zullen zij, naarmate zij eenmaal wat ouder worden, onze successen en mislukkingen delen, onze vreugden en zorgen delen. Het is niet waar dat zij jegens ons de plicht hebben, hun best te doen op school en er het beste van hun talent voor aan te wenden. Aangezien wij hun in staat hebben gesteld naar school te gaan, is hun plicht jegens ons niet meer dan hun vorming te voltooien. Als zij het beste van hun talent niet aan school willen wijden, maar aan iets anders van hun belangstelling, zij het hun insectenverzameling of het bestuderen van de Turkse taal, is dat hun zaak en hebben wij niet het recht om het hun aan te rekenen, noch om ons in onze trots gekrenkt of gefrustreerd in onze verwachtingen te voelen.”

 

 

Natalia Ginzburg (14 juli 1916 – 7 oktober 1991)

Gustav Freytag en Isaak Babel

De Duitse schrijver en  journalist Gustav Freytag werd geboren op 13 juli 1816 in Kreuzburg. Zijn vader was arts en burgemeester. Freytag bezocht het gymnasium in Oels en studeerde taalkunde in Breslau (bij August Heinrich Hoffmann von Fallersleben) en in Berlijn. Van 1839 tot 1847 was hij privaatdocent in Breslau. In 1848 werd hij hoofdredacteur van “Die Grenzboten”, een tijdschrift uit Leipzig. Onder zijn leiding werd het een toonaangevend nationaal-liberaal blad. Hij raakte bevriend met hertog Ernst II van Saksen-Coburg en Gotha, die hem in 1854 de titel Hofrat verleende. In 1867 werd Freytag in de Rijksdag van de Noord-Duitse Bond gekozen, maar hij verliet drie jaar later al de politiek. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog was hij in de jaren 1870-1871 rapporteur voor de Pruisische kroonprins Frederik Willem. Gustav Freytag was een van de meestgelezen schrijvers van de 19e eeuw. Hij overleed op 30 april 1895 in Wiesbaden.

 

Bilder aus der deutschen Vergangenhei

I
Aus dem Klosterleben

Von Klöstern und Bischofsitzen verbreitete sich eine Bildung, die in ihrer Literatur noch fast ganz lateinisch, in ihren praktischen Forderungen fast ganz deutsch war. Mit neuer Kraft betätigte der Christenglaube seine Macht als Kulturträger. Allerdings auf eine Weise, welche uns fremdartig erscheint; denn es war Fügung, daß gerade die Richtung, welche unserer Bildung am wenigsten heimisch ist, die weltverachtende Aszese, den Völkern des Mittelalters weltliche Kultur und irdisches Heil begründen sollte.

Christus und die Apostel hatten nicht in der Einsamkeit härenes Gewand getragen, sondern ihr Leben darangesetzt, Lehrer der Völker zu werden. Aber aszetischer Eifer, in dem jüdischen Glauben wie in den heidnischen Kulten des Orients seit alter Zeit geschäftig, drang auch in die milde Christenlehre.

Aus den sittenlosen Städten Ägyptens, wo uralte Superstition sich mit griechischen und orientalischen Kulten widerwärtig gemischt hatte, wo raffinierte Sinnlichkeit auch die Christgläubigen verdarb, zogen sich die frommen Büßer hinweg in die Wüsten längs dem Niltal. Dort am Saum der bewohnbaren Welt errichteten sie ihre Zellen, um darin betend zu kauern, oder einen Säulenschaft, um zu Gottes Ehre darauf zu stehen.

Gustav Freytag (13 juli 1816 – 30 april 1895)

 

Hij werd geboren op 13 juli 1894 in Odessa, een belangrijke havenstad (nu in Oekraïne) aan de Zwarte Zee. In 1905 overleed zijn grootvader tijdens een massale pogrom, waarbij zo’n 300 Joden de dood vonden. Isaak Babel zelf overleefde de pogrom door de hulp van zijn buren. Midden jaren 20 keerde Babel terug naar Odessa. Daar begon hij aan het werk waarmee hij het meest bekend zou worden: De Odessa Vertellingen, een serie humoristische korte verhalen over de onderwereld in de wijk Moldavanka in Odessa, met als één van de hoofdpersonen de gangsterbaas Benja Krik. In 1925 emigreerde zijn vrouw met zijn dochter naar Frankrijk. Door de toenemende druk vanuit de communistische partij om de voorgeschreven stijl van het socialistisch realisme te volgen, werd Babel steeds minder productief. Na de dood onder verdachte omstandigheden van zijn beschermheer Maksim Gorki in 1936, en de start van de Grote Zuivering, raakte Babel er steeds meer van overtuigd dat ook zijn tijd was gekomen. In mei 1939 werd hij gearresteerd en overgebracht naar de Loebljanka gevangenis. De aanklacht luidde spionage voor de Fransen. Alle manuscripten werden in beslag genomen. Na een schijnproces werd Babel ter dood veroordeeld. Hij werd neergeschoten in de Boetirka gevangenis. Pas op 23 december 1954, een jaar na Stalin’s dood en bijna 15 jaar na de executie, werd Babel postuum in ere hersteld.

Uit:  THE DEATH OF DOLGUSHOV

 

“The curtains of battle were moving toward the city. At noon, Korochaev, in a black cloak, the disgraced commander of the fourth division, fighting alone and seeking out death, flew past us. On the run he shouted to me:

“Our communications links are broken! Radziwillow and Brody are in flames!”

And he galloped off, fluttering, all black, with eyes like coal.

On the plain, flat as a board, the brigades were repositioning themselves. The sun was rolling along in the crimson dust. The wounded, in ditches, were snacking. Nurses were lying on the grass and singing quietly. Afonka’s scouts were roaming the field, searching out the dead and uniforms. Afonka passed by within two feet of me. Without turning his head he said:

“They smacked us right in the face. Ain’t no doubt about it. They’re thinking of changing the divisional commander. The soldiers don’t trust him.”

The Poles came up to the forest three versts from us and set up their machine guns nearby. Bullets whine and scream. Their lament grows unendurably. Bullets wound the earth and dig into it, trembling with impatience. Vytyagaichenko, commander of the regiment, snoring in the sunshine, cried out in his sleep and woke up. He got on his horse and rode off to the lead squadron. His face was crumpled, in red streaks after his uncomfortable sleep, and his pockets were full of plums.

“Son of a bitch,” he said angrily and spit a seed out of his mouth. “What a hell of a mess. Timoshka, pull out the flag!”

“Shall we get going?” asked Timoshenko, taking the staff out of the stirrup and unfurling the banner, which had a star on it and some wording about the Third International.

“We’ll see what’s up there,” Vytyagaichenko said. Then he suddenly let out a wild yell: “Girls, to your horses! Squadron commanders, get your men together!”

 

Isaak Babel (13 juli 1894 – 27 januari 1940)

Stefan George en Max Jacob

Stefan George werd geboren op 12 juli 1868 in Büdesheim. Hij was de zoon van een wijnbouwer aan de Rijn. Reeds vroeg had hij de drang dichter te worden; tijdens zijn leven reisde hij voortdurend door Europa en woonde maar zelden langer dan een maand op dezelfde plek. In 1889 kwam hij in Parijs in contact met de leidende Franse dichters uit die tijd, onder wie Stéphane Mallarmé en Paul Valéry. Een jaar later publiceerde hij zijn eerste cyclus, Hymnen, in een zeer hermetische, persoonlijke stijl, die hem zou blijven kenmerken. In 1891 maakte George in Wenen kennis met Hugo von Hofmannsthal, met wie hij een sterke band ontwikkelde, waaraan Hofmannsthal zich echter op zachte wijze poogde te onttrekken. George publiceerde tussen 1892 en 1919, in een zeer beperkte oplage en in sterk gestileerde druk, een tijdschriftje in Wenen, Blätter für die Kunst; uit het intellectuele lezerschap dat hij hiermee verwierf, vormde zich een hechte kring van twaalf bewonderaars, die George als een soort meester vereerden. Zijn werk is van veeleer beperkte omvang, en geheel lyrisch;behalve enkele vertalingen van onder andere Dante, Shakespeare en Ibsen schreef George groots opgezette cycli van gedichten.

Komm in den totgesagten park und schau

Komm in den totgesagten park und schau:
Der schimmer ferner lächelnder gestade,
Der reinen wolken unverhofftes blau
Erhellt die weiher und die bunten pfade.

Dort nimm das tiefe gelb, das weiche grau
Von birken und von buchs, der wind ist lau,
Die späten rosen welkten noch nicht ganz,
Erlese küsse sie und flicht den kranz,

Vergiss auch diese lezten astern nicht,
Den purpur um die ranken wilder reben
Und auch was übrig blieb von grünem leben
Verwinde leicht im herbstlichen gesicht.

 

Eingang

Du stets noch anfang uns und end und mitte
Auf deine bahn hienieden · Herr der Wende ·
Dringt unser preis hinan zu deinem sterne.
Damals lag weites dunkel überm land
Der tempel wankte und des Innern flamme
Schlug nicht mehr hoch uns noch von andrem fiebern
Erschlafft als dem der väter: nach der Heitren
Der Starken Leichten unerreichten thronen
Wo bestes blut uns sog die sucht der ferne ..
Da kamst du spross aus unsrem eignen stamm
Schön wie kein bild und greifbar wie kein traum
Im nackten glanz des gottes uns entgegen:
Da troff erfüllung aus geweihten händen
Da ward es licht und alles sehnen schwieg.

 

Du schlank und rein wie eine flamme

Du schlank und rein wie eine flamme
Du wie der morgen zart und licht
Du blühend reis vom edlen stamme
Du wie ein quell geheim und schlicht

Begleitest mich auf sonnigen matten
Umschauerst mich im abendrauch
Erleuchtest meinen weg im schatten
Du kühler wind du heisser hauch

Du bist mein wunsch und mein gedanke
Ich atme dich mit jeder luft
Ich schlürfe dich mit jedem tranke
Ich küsse dich mit jedem duft

Du blühend reis vom edlen stamme
Du wie ein quell geheim und schlicht
Du schlank und rein wie eine flamme
Du wie der morgen zart und licht

Stefan George (12 juli 1868 – 4 december 1933)

 

Max Jacob werd op 12 juli 1876 geboren in Quimper. Hij was dichter, schrijver en schilder. Zijn jeugd bracht hij door in zijn geboorteplaats. Daarna vestigde hij zich in Parijs waar hij vaak te vinden was op Montmartre. Hij was van joodse afkomst maar hij liet zich in 1915, 40 jaar oud, dopen. Aanleiding daarvoor was een visoen. Nadat hij van 1921 tot 1928 al een teruggetrokken leven had geleid in het Benedictijns klooster Saint-Benoît-sur-Loire keerde hij er in 1936 weer terug. Op 24 februari 1944 werd hij na het bijwonen van de ochtendmis door de Gestapo gevangen genomen. Hij stierf op 5 maart 1944 in het kamp Drancy aan een longontsteking.

 

Mille  regrets

J’ai retrouvé Quimper où sont nés mes quinze premiers ans
Et je n’ai pas retrouvé mes larmes.
Jadis quand j’approchais les pauvres faubourgs blancs
Je pleurais jusqu’à me voiler les arbres.
Cette fois tout est laid, l’arbre est maigre et nain vert
Je viens en étranger parmi des pierres
Mes amis de Paris que j’aime, à qui je dois
D’avoir su faire des livres gâtent les bois
En entraînant ailleurs loin des pins maigres ma pensée
Heureuse et triste aussi d’être entraînée
Plutôt je suis de marbre et rien ne rentre. C’est l’amour
De l’art qui m’a fait moi-même si lourd
Que je ne pleure plus quand je traverse mon pays
Je suis un inconnu : j’ai peur d’être haï.
Ces gens nouveaux qui m’ignorent, je crois qu’ils me haïssent
Et je n’ai plus d’amour pour eux : c’est un supplice.  

Max Jacob (12 juli 1876 – 5 maart 1944)

In memoriam Hubert Lampo

In Memoriam

De Belgische schrijver Hubert Lampo is op 85-jarige leeftijd overleden. Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: De man die onderdook

“Toen, voor de eerste maal tijdens dit hele avontuur, heb ik me angstig gevoeld, – een korte wijl althans. De lamp had ik gedoofd; het gevoel van haar lichaam onder mijn vervoerde handen had me reeds te veel geschenen en ook enige schroom had me er trouwens toe gedreven. Hoewel er aanvankelijk een diepe loomheid over me kwam, huiverde er plots een dwaze twijfel door me heen en schielijk trok ik de hand terug, waarmede ik nog steeds haar flanken streelde. Gruwzaam stond het beeld van de oude vrouw in de trein me weer voor de geest.
Ik rilde en schoof terzijde, beluisterde met tot in de keel bonzend hart haar moeizame, enigszins ruige adem, welke me aan deze van een asthmalijder denken deed. Aarzelend zocht opnieuw mijn hand haar lichaam. Mijn spieren versteven van louter walg, mijn koude huid trok samen: langzaam onder mijn aanraking voelde ik dit begerenswaardige lichaam verslappen tot een massa zonder innerlijke weerstand of veerkracht, terwijl een weeë, ongezonde geur van ouderdom en organische ontbinding me tegensloeg. In een uiterste inspanning richtte ik me op, verliet het ledikant en rukte de dichtgeschoven gordijnen open. Het weefsel verpulverde in mijn bevende greep. Een kille schemering vulde het vertrek en met walg herkende ik de matrone uit de trein, kwalachtig in haar vetplooien, weerzinwekkend in haar onbeschaamde, blauw dooraderde naaktheid.

Nauwelijks kon ik een kreet van verbijstering en afkeer onderdrukken en wilde vluchten, ofschoon ik niet wist waarheen.
Hier vallen mijn herinneringen stil. Wat er verder met me gebeurd is, weet ik niet, – of veeleer: ik kan geen vrede nemen met wat ik weet. Trouwens, waarom zou ik me in speculatieve beschouwingen verdiepen? Ik weet, dat er een wereld is, die verder reikt dan het koele uiterlijk der dingen, verder dan de grens van onze zintuigen, mijn onbekende vriend. Je zoudt me kunnen vragen, wat er achteraf met me gebeurd is, hoe ik terug de weg vond, naar wat wij hovaardig de werkelijkheid noemen. Hierop kan ik alleen antwoorden, dat ik het niet weet en het nooit weten zal. Waar de tijd stilvalt en we onderduiken in het verzonken continent, – wellicht het land waarheen de armen van geest wederkeren, rijker dan één van ons het vermoeden kan -, dat in ons is, baat de redenering met onze schamele praemissen van één en één is twee niet meer. Daarom, ik bid je, stel me geen verdere vragen thans en weet, dat ik je onuitsprekelijk dankbaar ben voor je geduld… Ik moet je nu vaarwel zeggen, – of neen, tot wederziens, want wie weet of ééns, ééns…”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

 

Léon Bloy / Herman de Man / Marjan Berk

Léon Marie Bloy werd geboren op 11 juli 1846 in Périgueux. Het visionaire genie van deze christelijke waarheidsfanaticus, van de “eeuwige bedelaar”, gelovige katholiek en strijdbare geest werd pas na zijn dood erkend en gewaardeerd. Bloy geldt als wegbereider van de “renouveau catholique”. De visionair Bloy, door de protestantse theoloog Walter Nigg “de blaffende hond van God” genoemd, geldt als een van de radicaalste critici van het verburgerlijkte Christendom aan het eind van de 19e eeuw. Als extatisch verheerlijker van de armoede verschijnt zijn positie nu, in de 21e eeuw, als de antithese tegen de vermaak –en consumptiemaatschappij.  Bloy stond als “nar in Christo” voor een naar het verleden gerichte utopie. Hij wilde terug naar het Oerchristendom en propageerde een radicale navolging van Christus in totale armoede.

Uit: Le Désespéré  

 

“_Quand vous recevrez cette lettre, mon cher ami, j’aurai achevé de tuer mon père. Le pauvre homme agonise, et mourra, dit-on, avant le jour.

 

Il est deux heures du matin. Je suis seul dans une chambre voisine, la vieille femme qui le garde m’ayant fait entendre qu’il valait mieux que les yeux du moribond ne me rencontrassent pas et qu’on m’avertirait_ quand il en serait temps.

 

_Je ne sens actuellement aucune douleur ni aucune impression morale nettement distincte d’une confuse mélancolie, d’une indécise peur de ce qui va venir. J’ai déjà vu mourir et je sais que, demain, ce sera terrible. Mais, en ce moment, rien ; les vagues de mon coeur sont immobiles. J’ai l’anesthésie d’un assommé. Impossible de prier, impossible de pleurer, impossible de lire. Je vous écris donc, puisqu’une âme livrée à son propre néant n’a d’autre ressource que l’imbécile gymnastique littéraire de le formuler.

 

Je suis parricide, pourtant, telle est l’unique vision de mon esprit ! J’entends d’ici l’intolérable hoquet de cette agonie qui est véritablement mon oeuvre, — oeuvre de damné qui s’est imposée à moi avec le despotisme du destin ! “

 

 

Léon Bloy (11 juli 1846 – 3 november 1917)

 

“In Hoenkoop, achter den IJsselstroom, daar ligt een zware kruishoef met breede lage stalling, twee vijfroei’s hooibergen, zomerhuis en open wagenschuur, te midden van het vette land. Water-Snoodt is die woning geheeten. Dat is het onbezwaard bezit van de oude vrouw Beijen, de weeuw van Rijk Beijen verscheiden, die al zijn baasjaren Hoofdingeland, later Heemraad van de Vereenigde Waterschappen is geweest.”

Zo begint Het wassende water, het bekendste boek van de schrijver Herman de Man. De Nederlandse schrijver Herman de Man (1898-1946) werd geboren in Woerden als Salomon Herman Hamburger. Zoals zijn werkelijke naam reeds verraadt waren de ouders van De Man joods. Na de ulo in Oudewater ging Herman de Man werken in de textielzaak van zijn vader. In 1916 verhuisde het gezin naar Gouda waar de vader van Herman een winkel in tweedehands huisraad begon. Herman de Man debuteerde in 1922 met de roman “Aardebanden”. De bekendste roman van Herman de Man is “Het wassende water” uit 1925. Hierin wordt de geschiedenis verteld van een boerenzoon, die strijdt tegen het water en tegen zijn dominante moeder. De roman werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en veel later voor de t.v. verfilmd. In 1938 werd zijn werk bekroond met de Tollensprijs. In het eerste oorlogsjaar verliet Herman de Man zijn vrouw en kinderen. Aanvankelijk wilde hij naar Nederlands-Indië, maar via Lissabon kwam hij in Londen terecht, waar hij ging werken voor Radio Oranje. In 1943 kreeg hij de leiding over de Curaçaose Radio-Omroep. Na terugkomst in Nederland kreeg Herman de Man te horen dat zijn vrouw en vier kinderen in Duitsland waren vergast. De oudste zoon was in Frankrijk gefusilleerd. De Man kon niet meer schrijven en werd directeur van een auto- en motorbedrijf in Eindhoven. Hij kwam om bij een vliegtuigongeluk op Schiphol in 1946.

deman

Herman de Man  (11 juli 1898 – 14 november 1946)

 

Marjan Berk werd geboren op 11 juli 1932 in Zeist als Marie-Janne van Baaren. Op haar achttiende ging zij de verpleging in, maar drie jaar later werd ze toegelaten tot de toneelschool. Vele jaren was ze werkzaam bij cabaret (Lurelei), toneel, musical en televisie (rol als geesje Zoet in Oebele). Ze was in de jaren ’60 ook presentatrice van een NTS-zondagmiddagprogramma “Monitor”. Ook speelde ze een rolletje in Grijpstra & De Gier (mevrouw Grijpstra). Later ging ze zich toeleggen op het schrijven van boeken, verhalen en series voor radio en televisie. De meest bekende serie waarvoor ze het scenario schreef was Vrouwenvleugel, die van 1993 tot 1995 werd uitgezonden

Citaat:

“Het leuke van fietsen is, dat je dicht genoeg bij de grond zit om de kleinste bloemetjes goed te kunnen zien, maar hoog genoeg boven de wereld om een staat van onthechtheid te bereiken’. 

(In FietsActief, juni 2000)

Marjan Berk (Zeist, 11 juli 1932)

Marcel Proust / Gerhard L. Durlacher

De Franse schrijver Marcel Proust werd geboren op 10 juli 1871. Hij was een Franse intellectueel, romanschrijver, essayist en criticus. Zijn vader was een bekende hoogleraar in de medicijnen. Zijn moeder kwam uit een rijke Joodse familie. Vanaf zijn negende levensjaar heeft hij last gehad van astma. Op zijn 51ste stierf hij, nadat hij kou had gevat.

Zijn belangrijkste werk is À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd). Proust begon het werk in 1909 en eindigde vlak voor zijn dood in 1922. De laatste drie delen zijn geredigeerd door zijn broer Robert. A la recherche du temps perdu beslaat met zeven delen zo’n 3000 pagina’s en bevat meer dan 2000 figuren. Proust wordt dankzij dit werk gerekend tot de grootse romanschrijvers van de twintigste eeuw.

Uit: Du côté de chez Swann

« Longtemps, je me suis couché de bonne heure. Parfois, à peine ma bougie éteinte, mes yeux se fermaient si vite que je n’avais pas le temps de me dire: -Je m’endors.- Et, une demi-heure après, la pensée qu’il était temps de chercher le sommeil m’éveillait; je voulais poser le volume que je croyais avoir encore dans les mains et souffler ma lumière; je n’avais pas cessé en dormant de faire des réflexions sur ce que je venais de lire, mais ces réflexions avaient pris un tour un peu particulier; il me semblait que j’étais moi-même ce dont parlait l’ouvrage: une église, un quatuor, la rivalité de François Ier et de Charles Quint. Cette croyance survivait pendant quelques secondes à mon réveil; elle ne choquait pas ma raison mais pesait comme des écailles sur mes yeux et les empêchait de se rendre compte que le bougeoir n’était plus allumé. Puis elle commençait à me devenir inintelligible, comme après la métempsycose les pensées d’une existence antérieure; le sujet du livre se détachait de moi, j’étais libre de m’y appliquer ou non; aussitôt je recouvrais la vue et j’étais bien étonné de trouver autour de moi une obscurité, douce et reposante pour mes yeux, mais peut-être plus encore pour mon esprit, à qui elle apparaissait comme une chose sans cause, incompréhensible, comme une chose vraiment obscure. Je me demandais quelle heure il pouvait être; j’entendais le sifflement des trains qui, plus ou moins éloigné, comme le chant d’un oiseau dans une forêt, relevant les distances, me décrivait l’étendue de la campagne déserte où le voyageur se hâte vers la station prochaine; et le petit chemin qu’il suit va être gravé dans son souvenir par l’excitation qu’il doit à des lieux nouveaux, à des actes inaccoutumés, à la causerie récente et aux adieux sous la lampe étrangère qui le suivent encore dans le silence de la nuit, à la douceur prochaine du retour. «  

Marcel Proust (10 juli 1871 –18 november 1922)

 

De Nederlandse schrijver Gerhard L. Durlacher werd geboren in Baden-Baden op 10 juli 1928. Hij was een schrijver van Nederlandstalige romans. In 1937 kwam hij met zijn Joodse ouders naar Nederland toe. Gerard Durlacher werd op 3 oktober 1942 gearresteerd en via Theresienstadt naar Auschwitz gevoerd. Op 8 mei 1945 werd hij er door de Russen bevrijd. Zijn vader kwam om in Bergen-Belsen en zijn moeder in Stutthof. Hij was van 1964 tot eind 1983 docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Durlacher schreef verscheidene andere boeken over zijn persoonlijke ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Als joods jongetje in Baden-Baden in het boek ‘Drenkeling’, en als kampgevangene in dit boek, ‘Strepen aan de hemel’. In 1994 ontving Durlacher de AKO literatuurprijs voor zijn boek ‘Quarantaine’.

Citaten:

‘In de kleine, bescheiden Rabbijn zou ik nooit de orthodoxe jongen uit het Männerlager herkend hebben. Zijn verlegenheid maakt ook mij verlegen. […] “Ik heb iets voor je meegebracht: een boekje over ons en hoe – Zijn Naam zij geprezen – ons gered heeft”. / Op de gele omslag zie ik een tekening waarin ik Yehuda’s hand herken. De tekst kan ik niet lezen, evenmin als de zinnen die hij op het schutblad heeft geschreven. / De woorden die wij wisselen zijn moeizaam. De stiltes zijn lang. Onze werelden liggen ver van elkaar en toch is er een oude band. Na nog geen uur vertrekt hij, omdat, zoals hij verontschuldigend zegt, de sabbat niet meer ver is en hij zijn plichten wil vervullen. Met gemengde gevoelens van genegenheid en twijfel kijk ik hem na. Het boekje over ons en “hoe – Zijn Naam zij geprezen – ons gered heeft” weegt zwaar in mijn hand. / Waarom ons en niet de anderen?’ (De Zoektocht, Verzameld Werk, blz. 208 -209)

‘Ik wilde – en wil – het “waarom” en het “hoe” van onze catastrofe weten en daarmee mijn eigen coördinaten leren kennen. Hoe hadden wij geleefd en overleefd, hoe was onze bevrijding, hoe onze thuiskomst? En waarom hield de wereld zich blind en doof tijdens de zwartste uren in de oorlog en daarna? Onderzoek in bibliotheken en archieven liet heel veel vragen open en heel veel antwoorden deden pijn’. (Strepen aan de hemel, Verzameld Werk, blz. 89)

Gerhard L. Durlacher (10 juli 1928 – 2 juli 1996)