Nacht van de Poëzie

Vanavond in het Utrechtse Vredenburg de 26ste Nacht van de Poëzie. Een van de dichters die ik nog niet kende: Thomas Möhlmann (1975). Zijn debuutbundel De vloeibare jongen verscheen in september 2005 bij Uitgeverij Prometheus.

                                                           


Thomas Möhlmann (Baarn 18 november 1975)

De vloeibare jongen

I

Na zijn versleten tooi en kleed te hebben
afgelegd, heeft hij zich licht gebukt gehurkt
bij de rivier gevoegd. Terwijl de veren drogen


vouwt
hij
zijn
kleine
woorden


tot bootjes, worden goedgevormde zinnen
in liefdevolle stomheid nagestaard.

Opstaan, geleidelijk vaste vorm verliezen
nu en wachten tot hij zich tussen de dunne
wanden van zijn huid als in een aangestoten
vissenkom wiegen kan.


Aan de oppervlakte van zijn onderarm
plaatst hij het lijfje van een vogel
om vlak voordat hij wegspoelt
een zelfbedacht geheim in te bewaren.

 

Ook nieuw voor mij, besproken door Peter de Waard in de Volkskrant van vandaag, het tijdschrift voor kunst en cultuur in het Midden-Oosten: Bidoun. Een aanrader voor iedereen die bij die regio alleen maar associaties heeft met olie, oorlog, zand en kamelen.

Dagboek

Na een lange, vermoeiende dag van reizen en studie, kost het moeite de discipline voor het blog op te brengen. De eeuwige strijd ook van elke dagboek schrijver, terwijl ook dat als document juist zijn waarde verkrijgt door het consequente volhouden ervan. Wanneer je het geluk hebt het dagboek van iemand anders in huis te hebben kun je snel en eenvoudig een wonderlijke reis in de tijd maken. Met een beetje meer geluk is ook nog een datum terug te vinden die correspondeert met die van vandaag. Ineens is het 1945. Voor Hans Warren, dan 24,  zit de oorlog er blijkbaar al op.

“24 maart. –  Prachtige voorjaarsdag. ’s Middags met Thimoty naar het Zuid – Sloe. Gelopen via Groenedijk, Zanddijk-Zeedijk tot waar de grote kreek aan de oever komt. Verder konden we niet wegens gevaar voor landmijnen. Enorm veel vogels. Tim schoot een paar eenden. We zaten een hele tijd in de zon op de betonblokken, dronken hete thee en aten appels, brood met hartgekookt ei en chocola met rozijnen.”

De relatie met Thimoty (25), een Engelse luitenant, is gecompliceerder dan het hier lijkt, maar dat moet iedereen die meer wil weten zelf maar nalezen.

 


De jonge Hans Warren in Parijs

Een onverwacht weerzien

Vorige week de film Brokeback Mountain gezien. Prachtige acteurs en met zijn drie Oscars een opmerkelijke film voor Amerikaans begrip. Mijn gedachten gingen terug naar begin jaren zeventig en naar een film die, na de novelle van Thomas Mann, Der Tod in Venedig, wel de grootste impact ooit op mij heeft gehad: Luchino Visconti’s Death in Venice. Wat is internet toch een heerlijk medium, want na een paar minuten surfen was hij daar ineens weer: Tazio!


                 Bjorn Andresen als Tadzio

 

Uit: Der Tod in Venedig

“und zwar ging sein Verlangen dahin , in Tadzio’s Gegenwart zu arbeiten , beim Schreiben den Wuchs des Knaben zum Muster zu nehmen , seinen Stil den Linien dieses Koerpers folgen zu lassen , der ihm goettlich schien , und seine Schoenheit ins Geistige zu tragen , wie der Adler einst den troischen Hirten zum Aether trug .”

 “…nie hatte er die Lust des Wortes suesser empfunden , nie so gewusst , dass Eros im Worte sei , wie waehrend der gefaehrlich koestlichen Stunden , in denen er , an seinem rohem Tische unter dem Schattentuch , im Angesicht des Idols und die Musik seiner Stimme im Ohr , nach Tadzio’s Schoenheit seine kleine Abhandlung , – jene anderthalb Seiten erlesener Prosa formte , deren Lauterkeit , Adel und schwingende Gefuehlsspannung binnen kurzem die Bewunderung vieler erregen sollte .”

 

In 1954, zo’n 14 maanden voor zijn dood op 12 augustus 1955, beschrijft Thomas Mann zichzelf in de woorden die ooit op de Aschenbach uit de novelle van toepassing waren. Hij is nog éénmaal verliefd geweest, op de jonge kelner Franzl.

“Kilchberg, Freitag den 11.6.54

Verwirrtes, zerfranstes, überfordertes, leidendes Dasein dieser Tage, gehetzt, überreizt, dekonzentriert, missbraucht. Bestellung einer gedruckten Dankeskarte zur Erledigung von hundert Anreden.

Verzweiflung und Todeswünsche. Begann nach Stockholm zu schreiben und hörte mittags zitternd und verzweifelt auf, weil es unmöglich ist, bis morgen oder übermorgen das Nötige zu komponieren.

Ich sollte aufhören, dies nutzlose, leere Tagebuch zu führen, aus Scham vor meiner gegenwärtigen elenden Existenz.

Wunderlich, wie ich gestern im Theater und Hotel selbst ganz wie eine Königliche Hoheit behandelt wurde und so reagierte. Wunderlicher Lebenstraum, der bald ausgeträumt sein wird. Kurios, kurios. Das habe ich früh gesagt und werde es zuletzt sagen. Völlig unfähig zu arbeiten. Den ganzen Tag krank. Nachmittags im Bett. Qualvolle Erregung statt Ruhe.”

 

J.C. Bloem: met andere ogen

In de column van Frits Abrahams in het NRC vanavond een opmerkelijke bespreking over de dichter J.C. Bloem. Neerlandicus Gretha Donker vertelt hoe de toen 32-jarige Bloem in 1932 betrapt is op homoseksuele contacten langs de openbare weg in Blaricum. Hij had een jongen betast en hem ervoor betaald (twee gulden). Er is een proces-verbaal  boven water gekomen waarin staat opgetekend „dat hij, beklaagde, tevoren homosexueele neigingen heeft gehad en homosexueel is aangelegd en ook wel tevoren aan die neigingen heeft toegegeven.”

En al keek ik altijd al graag via de ogen van de dichter naar de herfst, de tuinders in de bruine hoven krijgen er nu toch een dimensie bij.

 

Herfstdag

De tuinders werkten in de bruine hoven,
De wereld was verlaten van gerucht,
En het oneindig najaar spande erboven
De paarlen sfeer van een gelaten lucht.

Zo was het hier, zo moest het elders wezen:
Herfst, land en mensen in een stil verband,
Waarboven, in berusting uitgerezen,
Een overal gelijke hemel spant.

Wat dan te doen, grijs landschap, grijze luchten,
Uit de oudste dromen van de ziel gemaakt,
Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten
Al haast niet meer naar deze dingen haakt?

J. C. Boem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

Europa

De Beierse politicus Edmund Stoiber voert weer eena achterhoedegevecht door in plaats van constructief bij te dragen aan de opbouw van Europa aan de rem te gaan hangen. Dan grijp ik nog maar eens naar Friedrich Schiller, die toch ook voor hem een Klassiker zou moeten zijn:

ODE AN DIE FREUDE

FREUDE, schöner Götterfunken,
Tochter aus Elysium,
Wir betreten feuertrunken,
Himmlische, Dein Heiligtum!

Deine Zauber binden wieder,
Was die Mode streng geteilt;
Alle Menschen werden Brüder,
Wo Dein sanfter Flügel weilt.

Wem der große Wurf gelungen,
eines Freundes Freund zu sein,
Wer ein holdes Weib errungen,
mische seinen Jubel ein!

Ja, wer auch nur eine Seele
Sein nennt auf dem Erdenrund!
Und wer’s nie gekonnt, der stehle
Weinend sich aus diesem Bund.


Friedrich Schiller (10 november 1759 – 9 mei 1805)

Willem de Mérode

In het Geheim Dagboek van Hans Warren (deel 17, 1987 – 1990) een passage over de dichter Willem de Mérode gelezen. Na enig zoeken bleken er van deze wat vergeten figuur toch nog het een en ander op internet te vinden. Typisch genoeg zowel in homosexuele als protestants-christelijke context. Waaronder:


Eenzamen

Is er een nood, die meerder nijpen kan
dan deze:
In liefde lusthof zijn een eenzaam man
En een bevreesde?

En mogen niet de martelende pijn
Aan andren toonen,
Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn,
Als liefdes blijdste zonen.

En krimpend van de nooitgenezen wond,
Die staag blijft bloeden,
Gaan zij met monden mild en minlijk rond,
Andren ten goede.

Geen kruid geplukt in blanken dageraad
met hopend vreezen,
Geen bloeisel uit nachts gouden sterregaard
Kan hen genezen.

Geen balsem en geen donkre toverspreuk
Hun leed verzachten
De laafnis voor de doodelijke breuk
In smartlijk smachten.

O liefde! red uit dit onlijdbaar leed,
Of dood door uwen donder!
Uw heil, ach éens, uw heil, wie daarvan weet,
Gaat juichend onder.

 


Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)