Wereldwijde mist

“Eenzaamheid, schuldgevoelens, angstgevoelens en verdriet zijn de vier gevoelens die je moet kennen om te rijpen. Iemand die zichzelf overwint is sterker dan hij die een stad overwint. Het lijden moet je bewust ervaren, pas dan kun je een echte Zorger worden.”  Een citaat van Steven Membrecht.

Over Steven Membrecht, die toch enkele van mijn favoriete gedichten geschreven heeft, is op internet slechts zeer weinig te vinden. Dat is jammer, want hij verdient een grotere bekendheid. Regelmatig een zoekmachine raadplegen levert soms wel eens een verrassing op. Zo vond ik een recensie in Meander, een site over literatuur die al sinds 1995 op internet verschijnt, van de hand van Yvonne Broekmans, en het volgende gedicht uit Wereldwijde mist, zijn 46e publicatie en 19e dichtbundel.

 

De angstige

Met veel angstigs om het lijf
Met een verbrande huid

Door ziekelijke halfdode boze
Maar ook al te trieste woorden

Wacht tevergeefs tot het wit
Van bergen oud papier

Tekenen vertoont
Van zekere betekenissen

Hoopt tevergeefs dat zijn ontzet gelaat
Op het papier dat nog bruikbaar is

Niet al te zeer vertekend wordt
Door zijn zwartgallig schrift

 

Steven Membrecht (Amersfoort, 13 juni 1937)

 

Over de grens

Aangezien dit blog gebruik maakt van een Belgische dienst en ik zodoende wat vaker “over de grens kijk” (want Romenu is Nederlander) doe ik vanzelf meer ontdekkingen. Vandaag  Hendrik Carette, toch niet bepaald een debutant, zoals Bernard Wesseling gisteren. Wel verschijnt nog deze maand een nieuwe bundel van Carette, Gestolen lucht, waarin ook dit gedicht dat toch zeker zuidelijk van karakter is:

Mijn gestorvenen

Hier in de kelder brouwen zij het verraderlijk bier
van hoge en soms ook triviale gisting
en bottelen zij de veel te zware zwarte wijn.

Hier vanuit dit uiterste vooronder, vanuit de kokers
en schachten van dit benedenruim, hoor ik de echo
van hun roepen als in een bergwoestijn.

En onder deze onderkelderde spinde, bij
borrelende en rokende retorten, blijven zij almaar
malen, mouten, stoken en vermalen.

Maar niet in deze zo bestofte en decadente salon
en zeker niet op zolder, want daar
slapen mijn levende lievelingen als muizen in het meel
.

Hendrik Carette (Brugge, 17 december 1946) 

Een nieuwe lente

Wellicht wat vroeg, maar onder het motto: een nieuwe lente en een nieuw geluid (Herman Gorter, Mei) Een gedicht uit de debuutbundel Focus van Bernard Wesseling:

 

Figuur

Wie soms denkt dat hij alle mensen is
hurkt als in hout onderaan een totempaal en torst
zich met de totems
waaruit anderen opmaken wat zij willen

Zo iemand kan overleven door in een figuur te
veranderen
die eerst bijzonder gevonden wordt, daarna typisch

kiest zichzelf uit als op een uiterlijk
dat hem beter staat en waarvan later alleen nog
een vale tattoo getuigt: de draak, een onmogelijk
beest

de macht van die gemaakte keuze moet hij blijven
demonstreren

vaak dwingt hij ze te raden wie hij nadoet en hij
doet zichzelf steeds beter tussen
telkens iemand anders

 

Bernard Wesseling (Amsterdam, 27 december 1978)

Rolf Hochhuth 75 jaar

In de Sueddeutsche Zeitung gisteren een interview met Rolf Hochhuth. Hochhuth is een Duitse schrijver die in 1963 een toneelstuk onder de titel Der Stellvertreter  (in het Nederlands De Plaatsbekleder) schreef. Hij is gisteren 75 jaar geworden.

Het toneelstuk gaat over het (vermeend) controversiële gedrag van de Rooms Katholieke kerkleiding met name (Paus Pius XII ofwel de voormalige Italiaanse kardinaal Pacelli) in de periode 1939-1945. Het mocht niet opgevoerd worden in diverse Europese hoofdsteden uit angst voor rellen e.d

De première in Berlijn in het Theater am Kurfürstendamm onder de regisseur Erwin Piscator op 20 april 1963 leidde tot het grootste en omvangrijkste debat over toneel in Duitsland tot dan toe.

Els Wiertz-Boudewijn vatte het als volgt samen:

“Hochhuth liet in de drie eerste bedrijven de toeschouwers kennismaken met de nuntius, gezant van de paus, met Riccardo, die getuige was van de jodenvervolgingen in Berlijn en met de historische figuur Gerstein een antinazi, die in S.S.-vermomming vele mensen heeft kunnen redden. Daar is later ook de Jood, met wie Riccardo van soutane, naam en ster ruilt opdat de eerste gered zal worden. Verder treden er Nazi-figuren op als Eichmann en de dokter, de historische arts, in wie Mengele te herkennen is. Het Joodse gezin op deportatie vormt met hen een schril contrast. In het vierde bedrijf treedt eindelijk de Paus in vol ornaat op. Hij schrijft niet, zoals iedereen verwacht, een brief aan Hitler, die hij respecteert als een bolwerk tegen het bolsjewisme, maar leest een nietszeggend epistel voor. Dan doet Riccardo wat wij allen hadden moeten doen: hij speldt zich de gele ster op en gaat met de Joden mee, de Paus in verbitterde miskenning achterlatend. Ellendig en berooid komen zij in Auschwitz aan. Na de dood van beide Riccardo’s en het bericht dat de Paus geen schuld treft, valt het doek.”

Rolf Hochhuth (Eschwege, 1 april 1931)

 

In 2002  werd het stuk door Constantin Costa-Gravas onder de titel Amen verfilmd.

 

De toekomst der religie

Simon Vestdijk (1898-1971) werd opgeleid als arts, debuteerde in 1932 met Verzen en publiceerde in hoog tempo romans, gedichten, novellen en essays. In De toekomst der religie, een essay van bijna vierhonderd bladzijden, schreef Vestdijk dat het christendom vroeg of laat zou sterven, dat hij daar geen traan om liet en dat socialisme en boeddhisme de toekomst hadden.

Weinig boeken veroorzaakten zoveel ophef als De toekomst der religie van Simon Vestdijk. Volgens Vestdijk was het christendom ten dode opgeschreven. Het boek verscheen in 1947 en zorgde voor een intens en langdurig debat.

 

De Leidse godsdienstwetenschapper Hans van de Breevaart analyseerde het debat en promoveerde erop. In Trouw vandaag een uitgebreid artikel van zijn hand. Hij concludeert:

“Opvallend is dat het hier zowel theologen als literatoren zijn die een baanbrekende rol spelen. Beperkte het verschijnsel buitenkerkelijke religieuzen zich aanvankelijk tot een enkele vrijzinnige, met P. (’geef mijn portie maar aan fikkie’) Smits als bekendste voorbeeld, tegenwoordig kan ook een ex-gereformeerde als H.M. (’goden zijn zoekplaatjes’) Kuitert ertoe worden gerekend. En schrijvers als Frans (’mystiek lichaam’) Kellendonk, C.O. (’het uitblijvend antwoord’) Jellema en, recent nog, Jan (’verlost van zelfgeschapen demonen’) Oegema, bekeerden zich eveneens tot de soloreligieuze trend van tegenwoordig.

……..

Ook Vestdijk meende dat ’een primitieve, patriarchale moraal van schuld, straf, belooning, boete, wedervergelding, haar nut kan hebben bij het paedagogisch temmen van barbaren, krachtmenschen en gevaarlijke misdadigers, en bij het opvoeden van moeilijke kinderen tot op zekere leeftijd*’ Mij lijken die woorden nog niets van hun geldingskracht te hebben verloren.

Anders dan de tegenwoordige socialisten (ook degenen onder hen die zich liberalen noemen) dienen we de neiging tot het kwade in ieder mens serieuzer te nemen. En anders dan veel van de tegenwoordige liberalen dienen we ervoor te waken de bestrijding van het kwaad louter als een overheidstaak te zien. Absoluut noodzakelijk is daarvoor een grondige herwaardering van de betekenis die christelijke waarheden en de daarbij behorende moraal nog altijd voor ons kunnen hebben.“

Proefschrift: Hans van de Breevaart,
Authority in Question
,Uitg. Eburon, Delft 2005

 

Vier stellingen van Jan Oegema

 1. Wie is soloreligieus? Wat is soloreligieus? Na een half jaar blijkt het een term met een onverwachte aantrekkingskracht. Omwille van de helderheid lijkt het me goed hem te reserveren voor mensen zonder kerkelijke binding. Je bent soloreligieus omdat je geen dak meer boven je hoofd hebt, zo simpel is het. Dit betekent niet dat soloreligieuzen nooit meer in een kerkbank schuiven; maar als ze dat doen, dan bij wijze van spreken als toerist in hun eigen vaderland.

2. Soloreligieuzen zijn er in soorten en maten, daarvoor zijn het per slot soloreligieuzen. Je hebt spirituelen en nuchteren, verstokte eenzaten en voorzichtige gezelschapzoekers. Je hebt vrijen en geremden, stillen en roependen, geëngageerden en contemplatieven, godzoekers en goddumpers, kerktoeristen en kerkmijders. Je hebt er die het christendom onverschillig laat en die er nog een band mee voelen. Je hebt mannen die redetwisten over termen en vrouwen die dat geamuseerd aanhoren.

3. Vanuit godsdienstsociologisch perspectief bezien is de moderne soloreligiositeit een ongeorganiseerd complot van subjectieve instellingen, als zodanig een van de manifestaties van een christendom in transformatie of, wie zal het zeggen, in een zieltogende eindfase.

4. Monniken zijn op hun manier zijn het natuurlijk ook soloreligieuzen. Ik denk dat alle spiritualiteit die die naam verdient, gepaard gaat met eenzaamheid. Hoe groter de innerlijkheid, hoe groter de afstand tot de wereld. Als monniken elkaar ergens voor nodig hebben, dan als lotgenoten wier loutere aanwezigheid voldoende is om de eenzaamheid beter te verdragen. Het klooster is een gemeenschap van solitairen. In letterlijke zin is soloreligiositeit iets van alle tijden.

 

Jan Oegema

 

 Digitaal gedicht

Omdat computers ook uit mijn werk en uit mijn leven niet meer weg te denken zijn : In dit gedicht neemt Bas Belleman, als een verre nazaat van Achterberg, het moderne dichterschap met de nodige ironie op de digitale korrel:

INKTALLERGIE

zachte nagels, de allerzachtste nagels
zachte tanden, de allerzachtste tanden

ik ben een mens maar dat zijn er wel
meer en het zijn er te veel
ik heb nauwelijks recht van spreken

verwacht niet mijn teksten met een beitel
in de muur ik heb een ergonomisch toetsenbord
anti-RSI de allerzachtste geruisloze toetsen

ik heb een inktallergie en een laserprinter


Bas Belleman
(Alkmaar, april 1978)

Profetisch gedicht

In het laatste kwartaal van 2005 verscheen het debuut van Robin Block. Hij ontving al meteen de Publieksprijs voor de beste poëziebundel 2005, ingesteld in een gezamenlijk initiatief door Rottend Staal en de Contrabas. In zijn bundel Bestialen viel, al maanden voor de recente cartooncrisis, het volgende te lezen.

EXPANSIEDRIFT

Geen woord over de oorlog
wij zwijgen in gebed

want kan een huisvrouw medeplichtig zijn
aan, zeg, 30 doden

er druipt een landkaart van de inktpest
er woedt een plaag van zwarte tranen
men spreekt van zilverglans in oliehaar

je kunt het anders doen
handenschuddend in je pak meneren
– met vrouwlief op de knik toe –

dubbelloops vingers aan de klapsigaar:
een glimlach blijft een krachtig wapen

 

Dat maakt zijn gedichten behalve betrokken en bij de tijd ook haast nog profetisch. En mij maakt het benieuwd naar zijn volgende bundel.

Robin Block (Heemskerk, 8 februari 1980)

Tenebrae

Nu we sinds gisteren toch in een meditatieve stemming verkeren: ook de Gedichten van  Paul Celan passen daar uitstekend bij. Neem dit:


Tenebrae

Nah sind wir, Herr,
nahe und greifbar.

Gegriffen schon, Herr,
ineinander verkrallt, als wär
der Leib eines jeden von uns
dein Leib, Herr.

Bete, Herr,
bete zu uns,
wir sind nah.

Windschief gingen wir hin,
gingen wir hin, uns zu bücken
nach Mulde und Maar.

Zur Tränke gingen wir, Herr.

Es war Blut, es war,
was du vergossen, Herr.

Es glänzte.

Es warf uns dein Bild in die Augen, Herr
Augen und Mund stehn so offen und leer, Herr.
Wir haben getrunken, Herr.
Das Blut und das Bild, das im Blut war, Herr.

Bete, Herr.
Wir sind nah.

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

‘Tenebrae’  verwijst naar de missen in de schemeringsuren, vlak voor Pasen opgedragen en naar de oudtestamentische profeet Jeremia. Celan was een kind van het Oost-Europese jodendom, in 1920 geboren aan de buitenste flank van de Karpaten, in Czernowitz in de Boekovina. Zijn cultuur, zijn volk, zijn familie, ze zijn allemaal uitgewist door het Duitse fascisme. Daar heeft Celan de rest van zijn leven over geschreven, in het Duits. Daar gaat zijn hele poëtische oeuvre over, in de taal van de moordenaars, gebruikt als de taal van de dichters. De hevige depressies en spanningen die zulks met zich meebracht, leidden er uiteindelijk toe dat hij op vermoedelijk 20 april 1970 zijn leven zelf beëindigde door in de Seine te springen.

 

Thomas Kirchoff fotografeerde deze onheilsplek bij de Pont Mirabeau.

 

Gedichten voor de vastentijd

Twee gedichten in het kader van de vastentijd, tenslotte zitten we al weer op de helft. Zo nodig geschikt voor een meditatie.

Simon Vestdijk, ooit genoemd voor de Nobelprijs, maar nu steeds minder gelezen en als dichter ten onrechte verwaarloosd.

Gethsemane

Waakt met mij, éen nacht, éen uur, éen oogwenk,
Opdat ik de plek voel waar gij zijt.
Kunt gij waken, strijdend tegen lijfsdwang,
Kunt ge ook troosten met aanwezigheid.

Zóo zijn goden vaak op ’t eind vereenzaamd,
Menschonwaardig, haav’loos en verkild,
Dat zij need’rig smeeken om de bijstand
Van een vriend die ’t zelfde heeft gewild.

En zij gaan ongaarne in de doodsstrijd
Waar geen spiegel zelfs hen gadeslaat,
En zij huiv’ren voor de bleeke nanacht,
Als de haan kraait en de vriend verraadt.

Waakt met mij, éen nacht, éen uur, éen oogwenk,
Slaap is maar een smalle overzij,
En wanneer de slaap u tóch vermeestert,
Breekt uit droomen los, en waakt met mij.

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

Martinus Nijhoff, een van mijn favorieten, niet vergeten dankzij zijn moderniteit (Awater, Het Uur U),associeert men ook niet direkt met de hier verwoorde religieuze gevoeligheid.

De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief -‘
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
en werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
in ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

Europa en de globalisering

Pim Huijnen levert op DuitslandWeb een samenvatting van een discussie tussen de politicus Frits Bolkestein en de Duitse filosoof Peter Sloterdijk

“Het debat was  maandag 17 maart in het Amsterdamse cultuurcentrum Felix Meritis georganiseerd ter ere van de verschijning van de Nederlandse editie. Sloterdijk besteedt in ‘Het Kristalpaleis’ ruim aandacht aan het eind van de geschiedenis, dat de basis vormt voor zijn analyse van de hedendaagse samenleving. Bolkestein kan er de relevantie niet van ontdekken.

Niets dan gegoochel met woorden!

Want welk nut heeft uw bewering, professor Sloterdijk, dat we voorbij het einde van de gechiedenis leven?” De vroegere Eurocommissaris voor Interne Markt krijgt in het debat als eerste het woord. Hij maakt daarbij onverbloemd duidelijk dat hij maar weinig enthousiasme kan opbrengen voor de beweringen die zijn opponent in zijn nieuwste boek ‘Het Kristalpaleis’ doet. 

Frits Bolkestein (Amsterdam, 4 april 1933)

………..

Sloterdijks Kristalpaleis is echter geen theorie, maar een metafoor. En als zodanig voldoet ze, verdedigt de Duitse filosoof zichzelf, want het beeld van een glazen paleis impliceert datgene wat als belangrijkste activiteit kan worden beschouwd van de kapitalistische wereldheerschappij: het creëren van “de illusie van een interieur”. Als in een broeikas wordt in deze geklimatiseerde binnenwereld het ideale en beschermende milieu geschapen voor de kasplant van het kapitaal: de consument.

De meest uitgesproken uitdrukking van dit systeem is het overdekte winkelcentrum, de shopping mall. Je kunt er de hele dag binnen doorbrengen (en er je geld uitgeven!), zonder je zorgen te hoeven maken over iets als het weer. Sterker: je wéét in de overdekte winkelparadijzen vaak niet eens wat voor weer het buiten is. Niet voor niets is het kapitalisme in de woorden van Sloterdijk “de revolte tegen de seizoenen, tegen de natuur”.

 

Meer van Peter Sloterdijk is te vinden op zijn eigen website. Je moet wel van een bepaald soort Duits houden om van zijn formuleerkunst te kunnen genieten. Bijvoorbeeld:

Europas tiefster Gedanke ist, dass man der Verachtung widerstehen muss, und heute schuldet sich die europäische Intelligenz ein Beispiel dafür, dass eine Politik im Großen jenseits des Imperiums und jenseits der imperialistischen Verachtung möglich ist. Die Unüberwindlichkeit dieses Gedankens liegt darin, dass er auch für müde und besiegte Menschen wahr bleibt.

Entscheidet sich die Brüssler Vorherrschaft jedoch für ein neues Imperium, verliert Europa die Reste seiner Seele und zieht sich den Untergang durch Verwahrlosung in den nächsten drei Generationen zu.

Mit der imperialen Allianz von Ambition und Zynismus alleine kommt keine moderne Kultur auch nur mehr 100 Jahre weit.

Es ist nicht zu leugnen, dass Europa, falls es erwacht, zu sich kommt am Vorabend eines Zeitalters der Stürme – Zeitgenossen, die in die Zukunft blicken, mag zumute sein, als blätterten sie in einem Katalog angekündigter Miseren.

Die neue Politik beginnt für uns mit der Kunst, Worte zu schaffen, die an Bord der Wirklichkeit den Horizont aufzeigen.

Peter Sloterdijk (Karlsruhe, 26 juni 1947)

 

Nog meer zorgen om Europa in Trouw. Ditmaal in de vorm van een artikel door Theodore Dalrymple  waarvan ik het slot wel aardig vind.

“De Europese Unie dient vele doeleinden die geen van alle veel te maken hebben met de echte uitdagingen waar het continent voor staat. De EU helpt de Duitsers vergeten dat ze Duitsers zijn, en geeft hun een andere identiteit die ze aangenamer vinden; de EU maakt het de Fransen mogelijk te vergeten dat zij tegenwoordig een van de vele middelgrote landen zijn, en verschaft hun de illusie van macht en gewichtigheid; de EU fungeert als een reusachtig pensioenfonds voor politici die niet meer succesvol willen of kunnen wedijveren in de jungle van de electorale politiek, en stelt hen in staat, nog lang nadat ze zijn afgewezen door de kiezers, te blijven vasthouden aan invloed en macht; en de EU fungeert als een potentiële vesting tegen de winden van de competitie die nu vanuit de hele wereld komen aanwaaien en die zeer verontrustend zijn voor mensen die niets liever willen dan zekerheid.

Apocalyptisch denken geeft een eigenaardig genoegen. ’Gedoemd tot de ondergang’ is volgens mij te sterk uitgedrukt; ik denk dat het preciezer zou zijn om te zeggen dat Europa slaapwandelt naar een verdergaand relatief verval. Maar we moeten ook in alle bescheidenheid blijven beseffen dat de toekomst uiteindelijk niet kenbaar is.”

Theodore Dalrymple (Londen 11 oktober 1949)