Reiziger “doet” Golgotha

Reiziger “doet” Golgotha

1

Zij hebben Hem, zonder zich af te vragen,
of Hij het kon verdragen,
met nagels aan het kruis geslagen.

En toen Hij daar te lijden hing,
– een spijker is een lelijk ding –
zei Hij: Vader vergeef het hun.

Zei Hij: ze weten niet wat ze doen.
Het was hun er immers om te doen,
om eens te zien, wat of Hij nu zou doen!

Zo heeft Hij nog voor hen gebeden,
en in Zijn sterven aan hen meegegeven
een alibi voor hun geweten.

En ik stond in de verte quasi wat te praten
met ’n paar onnodige, onnozele soldaten.
Ze deden immers tóch, wat ze niet konden laten.

Maar Hij beriep zich op het allerlaatste:
de handen van Zijn Vader; – nog vóór Pasen
moest ik me naar mijn schip in Jaffa haasten.

 

Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)

Samuel Beckett

“… you would do better, at least no worse, to obliterate texts than to blacken margins, to fill in the holes of words till all is blank and flat and the whole ghastly business looks like what it is, senseless, speechless, issueless misery.”  (Molloy)

Samuel Beckett (13 april 1906 — 22 december 1989)

 

De Ierse (toneel)schrijver en dichter Samuel Barclay Beckett beweert geboren te zijn op Goede Vrijdag, 13 april 1906, maar er zijn aanwijzingen dat de geboorte een maand later plaatsvond. Vandaag wordt echter allerwegen zijn honderdste geboortedag herdacht.

Aan het eind van de jaren 20 begon Beckett met het publiceren van zijn eigen werk. “Assumption” , zijn eerste short story, verscheen in het invloedrijke avant-garde tijdschrift transition in 1929, In het daarop volgende jaar won zijn gedicht “Whoroscope” een prijs van The Hours Press.

In januari 1953 werd voor het eerst ‘En attendant Godot’ gespeeld. Het bleek een ongekend succes dat overal ter wereld volle zalen zou trekken. Beckett was eindelijk, op zevenenveertigjarige leeftijd, doorgebroken.

Twee gedichten (hij schreef zowel in het Frans als in het Engels) als hommage:

 

que ferais-je sans ce monde

que ferais-je sans ce monde sans visage sans questions
où être ne dure qu’un instant où chaque instant
verse dans le vide dans l’oubli d’avoir été
sans cette onde où à la fin
corps et ombre ensemble s’engloutissent
que ferais-je sans ce silence gouffre des murmures
haletant furieux vers le secours vers l’amour
sans ce ciel qui s’élève
sur la poussière de ses lests

que ferais-je je ferais comme hier comme aujourd’hui
regardant par mon hublot si je ne suis pas seul
à errer et à virer loin de toute vie
dans un espace pantin
sans voix parmi les voix
enfermées avec moi

 

Neither

to and fro in shadow from inner to outer shadow

from impenetrable self to impenetrable unself
by way of neither

as between two lit refuges whose doors once
neared gently close, once away turned from
gently part again

beckoned back and forth and turned away

heedless of the way, intent on the one gleam
or the other

unheard footfalls only sound

till at last halt for good, absent for good
from self and other

then no sound

then gently light unfading on that unheeded
neither

unspeakable home

 

Gabriël Smit

Gabriël Smit (1910 – 1981) was op 24-jarige leeftijd tot de katholieke kerk toegetreden, omdat hij in zijn eigen oud-katholieke kerk de “vlam van God” miste. Smits werk bleef staan in het teken van de wedergeboorte. Eenmaal katholiek geworden richtte hij zich als dichter op de gemeenschapslyriek: kerkelijke liederen, voor een deel in vertaling. Verder schreef hij Kerst-, Paas-, Pinkster-, en Mariagedichten die hij bundelde in Het Jaar van de Heer. Zijn bewerking van de Psalmen, verschenen in 1952, behoort tot zijn beste werk. Aangezien de ontwikkelingen hem na Vaticanum II niet ver genoeg gingen trad hij overigens in 1969 weer uit de roomse kerk. Onderstaand gedicht behoort, verrassend genoeg, tot de context van de Paasgedichten.

Het paard

Gij zijt ook gestorven voor het paard.
Achter zijn manen valt de weide open,
wijkt het groen naar het water, lopen
de zilveren rimpels van de wolkenvaart

in zee en hemel uit om terug te stromen
door mijn hart en mijn hand op zijn hals,
van U, door U en met U, zoals
Gij eens op aarde zijt gekomen

en heengegaan, begraven en verrezen
en sindsdien komt en gaat, naar alle zijden
bloeiend en bloedend in mens en dier.

In zijn donkere ogen staat het te lezen:
door U kan mijn hand iets van hem bevrijden,
iets, maar toch niet verder dan hier.

 

(uit: ‘Geboorte’, Utrecht/Antwerpen 1952)

Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)

 

Gródek, Georg Trakl

Vandaag vond ik een bijzonder expressieve internetweergave van het gedicht Gródek van Georg Trakl. In de herfst van 1914 had de dichter in Gródek (in het oosten van Polen) de leiding over de verzorging van zo’n negentig ernstig verwonde soldaten. Hij bezweek onder de druk en deed een poging tot zelfmoord die echter werd verhinderd. Nadat hij was opgenomen in een ziekenhuis in Krakau, zwaar depressief, overleed hij op 4 november aan een overdosis cocaïne. Het is niet geheel duidelijk of dit zelfmoord of een ongeluk was.

Gródek

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

Verder nog twee afbeeldingen van de dichter die je niet vaak ziet. De dichter op een postzegel én op het strand.

 

 

In memoriam Gerard Reve 3

Bij dit derde in memoriam zal ik het laten, al zou het bij Gerard Reve passen om een heel octaaf aan hem te wijden, van Palmzondag tot en met Pasen. Acht was zijn geluksgetal ook. Ik hoop maar dat hij, eenmaal hier boven, deze drie ook niet erg vindt, immers: ‘En nu blijven Hermans, Mulisch en Reve, deze drie; doch het meeste van deze is Reve.’ ,om de apostel Paulus te parafraseren. (1 Cor. 13:13).

Reve lees ik al sinds begin jaren 70 en heeft van alle Nederlandse prozaschrijvers tot nu toe mij het meeste leesplezier verschaft, troost ook vaak en bemoediging en inspiratie. Zaken die ik normaal gesproken meer in poëzie zoek dan in proza. Overigens wees Kees Fens er gisteren in het radioprogramma “Met het oog op morgen” terecht op dat zijn gedichten niet onderschat mogen worden.

Ook kenschetste hij Reves proza als lyrisch van aard, waarbij we dan toch weer terug zijn bij de poëzie. Angst en wanhoop worden in heel Reves werk voortdurend bezworen, zoals in de eerste twee gedichten, maar als laatste kies ik hier toch maar “De blijde boodschap”:

 

Op mijn ouderdom

 

Indien ik nog geruime tijd leef, word ik een oud man.

De wanhoop is nog groter geworden, maar veelvuldiger dan ooit

word ik aangezocht inleidingen, lezingen, hallo,

voordrachten uit eigen werk 

te komen houden voor inrichtingen van onderwijs.

Om mijn geitestrot hangt de te wijde boord

van het smetteloze overhemd,

waarop de das met streepjes.

Soms, als de samenkomst, wegens fraai weder,

in de tuin van de campus wordt gehouden,

ben ik de enige die het koud krijgt

en huivert in zijn boers nieuw, duur donkerblauw en aangemeten pak:

het vuur in mij brandt nog maar laag.

Een meisje schrijft alles op, en als ik zeg:

Die en die, die vind ik wel een groot dichter,

dan schrijft ze neer, in groot en leesbaar schrift:

“Die en die is een groot dichter”.

Als ik mijn eigen door de Dood naar mij teruggevoerde stem hoor,

wil ik schreeuwen dat het geen zin heeft nu allen dood zijn,

en dat ik naar huis wil.

Maar wie begrijpt dat.

Plotseling staat de wind stil, en is er een schaduw over alles,

en hijg ik van angst, maar voor wie of wat dan toch, in godsnaam?

 

 

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U

 

De Blijde Boodschap

 

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,

en dacht: “Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken

van het toenemend verval der zeden?”

En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al:

decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;

influenza filmi i cinema bestiale

contra sacrissima matrimoniacale

criminale atheistarum rerum novarum, 

(et cum spiritu tuo), cortomo:

nix aan de handa.

Het was jammer, dat het zo kort duurde.

Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.

Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog

het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:

“Waar hebben wij het aan verdiend?”

 

Gerard Reve

 

Vorfrühling

Hugo von Hofmannsthal (eigenlijk Hugo Hofmann Edler von Hofmannsthal), * 1 februari 1874 Wenen, † 15 juli 1929 Rodaun. Een van de belangrijkste Oostenrijkse dichters en schrijvers van zijn tijd. Zoon van een bankier. Publiceerde als gymnasiast al, onder pseudoniem, gedichten die een enorme respons vonden. In de jaren 90 van de negentiende eeuw schreef hij de gedichten en lyrische drama’s die zijn roem als esthetisch stylist vestigden. Een hoogtepunt van zijn vroege scheppingsperiode vormde in 1902 “Ein Brief” (bekend als “Brief des Lord Chandos”), waarin von Hofmannnsthal  zijn radicale scepsis ten aanzien van de taal verwoordde. Later richtte hij zich op het toneel, o.a. door een vernieuwing van het middeleeuwse mysteriespel, en op het schrijven van libretto’s bij de muziek van R. Strauss.

Vorfrühling

Es läuft der Frühlingswind
Durch kahle Alleen,
Seltsame Dinge sind
In seinem Wehn.

Er hat sich gewiegt,
Wo Weinen war,
Und hat sich geschmiegt
In zerrüttetes Haar.

Er schüttelte nieder
Akazienblüten
Und kühlte die Glieder,
Die atmend glühten.

Lippen im Lachen
Hat er berührt,
Die weichen und wachen
Fluren durchspürt.

Er glitt durch die Flöte,
Als schluchzender Schrei,
An dämmernder Röte
Flog er vorbei.

Er flog mit Schweigen
Durch flüsternde Zimmer
Und löschte im Neigen
Der Ampel Schimmer.

Es läuft der Frühlingswind
Durch kahle Alleen,
Seltsame Dinge sind
In seinem Wehn.

Durch die glatten
Kahlen Alleen
Treibt sein Wehn
Blasse Schatten

Und den Duft,
Den er gebracht,
Von wo er gekommen
Seit gestern Nacht.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)

 

 

 

April is the cruellest month

De eerste verzen speelden bij het zonnige voorjaarsweer van vandaag traditiegetrouw door mijn hoofd. Voor wie veel meer over speciaal dit werk van T.S Eliot wil weten, het staat op deze Website, geannoteerd als ware het de wetenschappelijke uitgave van een boek.

Uit: The Waste Land

  April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Summer surprised us, coming over the Starnbergersee
With a shower of rain; we stopped in the colonnade,
And went on in sunlight, into the Hofgarten,
And drank coffee, and talked for an hour.
Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch.
And when we were children, staying at the arch-duke’s,
My cousin’s, he took me out on a sled,
And I was frightened. He said, Marie,
Marie, hold on tight. And down we went.
In the mountains, there you feel free.
I read, much of the night, and go south in the winter.What are the roots that clutch, what branches grow
Out of this stony rubbish? Son of man,
You cannot say, or guess, for you know only
A heap of broken images, where the sun beats,
And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,
And the dry stone no sound of water. Only
There is shadow under this red rock,
(Come in under the shadow of this red rock),
And I will show you something different from either
Your shadow at morning striding behind you
Or your shadow at evening rising to meet you;
I will show you fear in a handful of dust.
Frisch weht der Wind
Der Heimat zu
Mein Irisch Kind,
Wo weilest du?
“You gave me hyacinths first a year ago;
“They called me the hyacinth girl.”
—Yet when we came back, late, from the Hyacinth garden,
Your arms full, and your hair wet, I could not
Speak, and my eyes failed, I was neither
Living nor dead, and I knew nothing,
Looking into the heart of light, the silence.
Oed’ und leer das Meer.

Madame Sosostris, famous clairvoyante,
Had a bad cold, nevertheless
Is known to be the wisest woman in Europe,
With a wicked pack of cards. Here, said she,
Is your card, the drowned Phoenician Sailor,
(Those are pearls that were his eyes. Look!)
Here is Belladonna, the Lady of the Rocks,
The lady of situations.
Here is the man with three staves, and here the Wheel,
And here is the one-eyed merchant, and this card,
Which is blank, is something he carries on his back,
Which I am forbidden to see. I do not find
The Hanged Man. Fear death by water.
I see crowds of people, walking round in a ring.
Thank you. If you see dear Mrs. Equitone,
Tell her I bring the horoscope myself:
One must be so careful these days.
Unreal City,
Under the brown fog of a winter dawn,
A crowd flowed over London Bridge, so many,
I had not thought death had undone so many.
Sighs, short and infrequent, were exhaled,
And each man fixed his eyes before his feet.
Flowed up the hill and down King William Street,
To where Saint Mary Woolnoth kept the hours
With a dead sound on the final stroke of nine.
There I saw one I knew, and stopped him, crying: “Stetson!
“You who were with me in the ships at Mylae!
“That corpse you planted last year in your garden,
“Has it begun to sprout? Will it bloom this year?
“Or has the sudden frost disturbed its bed?
“Oh keep the Dog far hence, that’s friend to men,
“Or with his nails he’ll dig it up again!
“You! hypocrite lecteur!—mon semblable,—mon frère!”

T. S. Eliot (26 september 1888 –4 januari 1965)

Herinneringen van Hadrianus

Vandaag is een van mijn beste vrienden vader geworden van een zoon. Hij kreeg de mooie naam Ardin, een oude Perzische c.q Iraanse naam die “trouw en eerlijk” betekent. Het Europese equivalent zou zijn Adrianus of Hadrianus. Over de laatste, de Romeinse keizer uit de tweede eeuw na Chr. Gaat een van de mooiste romans die ik ken: Mémoires d’Hadrien.

Hadrianus (24 januari 76 – 10 juli 138)

 

Marguerite de Crayencour werd op 8 juni 1903 geboren in Brussel. Zij werd later bekend onder haar pseudoniem Marguerite Yourcenar. Zij stelde deze naam samen uit de letters van haar familienaam, een anagram dus. Marguerite Yourcenar zou dit jaar honderd en drie jaar geworden zijn. Zij schreef een aanzienlijk oeuvre bestaande uit poëzie, romans, verhalen, essays, theaterstukken en redes. Marguerite Yourcenar werd in 1980 opgenomen in de Académie Française. Yourcenar was de eerste vrouw die hierin werd opgenomen. Voordien was ze als buitenlands lid opgenomen in de Académie Royale. Marguerite Yourcenar had in 1947 de Amerikaanse nationaliteit aangenomen. Haar bekendste werken zijn “Mémoires d’Hadrien” en “L’Oeuvre au noir”. De laatstgenoemde titel werd door André Delvaux gebruikt voor een film.

‘Romeinen schreven kasboeken, geen dagboeken,’ zei Marguerite Yourcenar ooit tegen een interviewer. Zelf maakte ze die omissie goed met Mémoires d’Hadrien, Herinneringen van Hadrianus, waarin ze de Romeinse keizer laat terugkijken op zijn leven. “‘Statig’ is voor dit boek een understatement. Yourcenars Hadrianus (Mémoires d’Hadrien) schrijft uitsluitend volzinnen die zich pagina na pagina ontrollen. Er zit in die zinnen een strak ritme verborgen, zo dwingend dat je onvermijdelijk raakt opgesloten in het hoofd van de keizer.”(Maartje Somers)

(8 juni 1903 – 17 december 1987)