Murat Tuncel

Murat Tuncel (Turkije, 1952) is geboren in Kars, Turkije. Na zijn broepsopleiding werkte hij jarenlang als leraar op een basisschool in Turkije. Later werd hij leraar in de Turkse taal.  Als journalist was hij verbonden aan diverse kranten en tijdschriften. Daarnaast publiceerde  hij elf boeken in het Turks. Waaronder verhalenbundels, romans en kinderboeken. Twee van zijn romans en een verhalenbundel werden in Turkije met literaire prijzen onderscheiden. Zijn eerste verhaal is in 1979 in het dagblad Uyanış gepubliceerd. Zijn verhalen worden  in de literaire tijdschriften Varlik, Evrensel Kültür, Damar, Edebıyat Dunyası, Kıyı, Gösteri Sanat, Cumhuríyet Kítap gepubliceerd. Van hieruit levert hij ook bijdragen aan Turkse literaire tijdschriften over bijvoorbeeld Nederlandse en Vlaamse literatuur.  Sinds twaalf jaar woont hij in Den Haag waar hij ook werkt op een basisschool en ook heeft hij literaire les op het Rotterdamse conservatorium gegeven.

Ze waren met z’n tweeën

Ze waren met z’n tweeën,
op de dronken godenberg.
De een was het holst van de nacht ingegaan,
de ander had de slaap tot aan de ochtend uitgesteld.

Ze waren met z’n tweeën,
onder het wankele licht dat zwaaide in de wind.
De een was naar de glanzende sterren gegaan,
de ander had zijn toevlucht gezocht in de duisternis.

Ze waren met z’n tweeën,
een koude wind streek over hun voorhoofd.
De een was zo wakker als de duivel,
de ander sliep net zoals sneeuwwitje.

Ze waren met z’n tweeën,
een kameraad voor levenloze straatstenen.
De een zuiverde zijn hart voor de liefde,
de ander was slechts voor Sokrates een vriend.

 

In het Turks:

İki kişiydiler

İki kişiydiler,
esrik tanrı dağında.
Biri gecenin gφğsüne girmiş,
biri uykuyu sabaha bırakmış.

İki kişiydiler,
rόzgβrın salladığı titrek ışıklar altında.
biri parlak yıldızlara çıkmış,
Biri karanlıklara sığınmış.

İki kişiydiler,
soğuk rüzgâr alınlarını yalayan.
Biri iblis kadar uyanık,
biri Pamuk Prenses gibi uyuyan.

İki kişiydiler,
φlό kaldırımlara yoldaş.
Biri sόzόyordu yόreğini aşka,
biri yalnız Sokrat’a arkadaş.

© Murat Tuncel, december 1999
Copyright vertaling © Irena t`Hooft

 

Murat Tuncel (Kars, 1952)

William Shakespeare

Met herdenkingen kun je van het ene uiterste in het andere vervallen. Van versjesmaker tot grootmeester.

Volgens de traditie werd William Shakespeare op 23 april 1564 geboren in Stratford-on-Avon. Het is niet mogelijk om dit met zekerheid te kunnen zeggen, maar volgens de kerkelijke gegevens werd hij gedoopt op 26 april en het was gebruikelijk om drie dagen te wachten met de doop. Overigens is het wel zeker dat hij stierf op 23 april 1616, op de leeftijd van 52 jaar. Een dubbele herdenking dus vandaag. Deze keer eens niet sonnet 23, maar sonnet 129:


SONNET 129

The expense of spirit in a waste of shame
Is lust in action; and till action, lust
Is perjured, murderous, bloody, full of blame,
Savage, extreme, rude, cruel, not to trust,
Enjoy’d no sooner but despised straight,
Past reason hunted, and no sooner had
Past reason hated, as a swallow’d bait
On purpose laid to make the taker mad;
Mad in pursuit and in possession so;
Had, having, and in quest to have, extreme;
A bliss in proof, and proved, a very woe;
Before, a joy proposed; behind, a dream.
All this the world well knows; yet none knows well
To shun the heaven that leads men to this hell.

 

William Shakespeare, Uit:
Stephen Booth ,Shakespeare’s Sonnets (Yale, 1977)

 

In 1983 verscheen hiervan de volgende vertaling van Jan Jonk:

SONNET 129

Je ziel vergooid, beschaamd, ontredderd zijn,
is lust ontbrand; maar de lust vóór de daad
is vals, moordzuchtig, uit op bloed, venijn,
wild, heftig, wreed, een gruwelijk onverlaat;
amper genoten wordt zij weer veracht;
onkenbaar nagestreefd, en na het bezit
onkenbaar toch gehaat, als het aas dat wacht
op prooi en hem dan tot razernij verhit –
razend verlangend, en gebeten, ook;
wild na het bezit, er bij, en in het zuchten,
hoe zoet van smaak, en na de daad een spook;
eerst vreugd, daarna een droom om te ontvluchten.
Dit alles is bekend; maar niemand mijdt
het hemelpad dat hem ter helle leidt.

 

Vertaling: Jan Jonk, Uit: Shakespeare’s sonnetten,
Tabula, Amsterdam 1983

William Shakespeare (23 april 1664 – 23 april 1616)

Aafjes en Hermans

Bertus Aafjes, Nederlands dichter en prozaïst, volgde een tijd een priesteropleiding, studeerde archeologie in Leuven en Rome en werd journalist. Zijn grote succes kwam met het omvangrijke autobiografische dichtwerk Een voetreis naar Rome (1946). Hij overleed, vandaag 13 jaar geleden, 79 jaar oud. Aafjes was een exponent van het katholieke schrijverschap. Hij is, zeker in de “zuidelijke Nederlanden” nog lang populair geweest, maar drong nooit door tot de hogere literaire rangen.

 

Ballade op Hollands Water

 

Wie eenmaal in de vreemde was

En tot de reis gereed,

Die weet hoe nooit de wond genas,

De wond, die Holland heet;

En zit hij ’s avonds op het plein

Bij staf en ransel neer,

Dan staart hij in zijn beker wijn,

Dan ziet hij Holland weer.

 

Dan tuurt hij – door dien droom bezocht-

Achter een groenen ruit,

Op een der grachten in de bocht

Van Hollands hoofdstad uit;

Hij nipt aan zijn jeneverglas

en zet het stil weerom:

de maan drijft in den waterplas

Als in een glazen kom

 

Dan ziet hij plotseling de zee,

De kleine Zuiderzee;

De botter op de horizon

Verdwijnt van lieverlee;

De golven worden grauw als asch,

Het waterveld vergrijst:

Antiek gelijk een spiegelglas,

Dat niemand meer polijst

 

Dan vriest het eenklaps dat het kraakt,

Op Frieslands helder meer;

De schaats die nauw de ijsvloer raakt,

Grift een verwaaide veer;

De schaduw met de ronde rug

IJlt langs het dorre riet

En van de ijsschol zingt terug

Een onverstaanbaar lied.

 

En komt de lente in het land

Dan fonkelt de rivier

De visch springt naar de overkant

En zedig wuift het wier.

En nergens is natuur zo frisch,

Waar twee verzameld zijn

Al tusschen madelief en lisch

In hollands springfontein!

 

Wie eenmaal in de vreemde was

En tot de reis gereed,

Die weet hoe nooit de wond genas,

De wond, die Holland heet;

En zit hij ’s avonds op het plein

Bij staf en ransel neer,

Dan staart hij in zijn beker wijn,

En ziet zoo Holland weer.

 

Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)

 

Vandaag is het ook 6 jaar geleden dat Toon Hermans overleed. En vooruit, laten we deze schitterende cabaretier dan ook maar gelijk met een versje herdenken.

 

“`N BEETJE”

Sterven doe je niet ineens
maar af en toe `n beetje
en alle beetjes die je stierf
’t is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls zelf ontgaan
je zegt ik ben wat moe
maar op `n keer dan ben je aan
de laatste beetje toe.

 

Toon Hermans (17 december 1916 – 22 april 2000)

 

Percy Bysshe Shelley

Als we het nu toch hebben over jong gestorven Engelse Romantici, dan mag deze ook niet ontbreken: Percy Bysshe Shelley die net geen 30 werd. Terwijl hij met een vriend aan het varen was, sloeg als gevolg van een plotselinge windvlaag hun boot om en zij verdronken. Na enkele dagen spoelden de lichamen aan op het strand. Shelleys as werd bijgezet op de protestantse begraafplaats van Rome. In Engeland werd opgelucht gereageerd: ‘Shelley de atheïst is dood. Nu weet hij of er een God bestaat of niet.’

Time Long Past

Like the ghost of a dear friend dead
Is Time long past.
A tone which is now forever fled,
A hope which is now forever past,
A love so sweet it could not last,
Was Time long past.

There were sweet dreams in the night
Of Time long past:
And, was it sadness or delight,
Each day a shadow onward cast
Which made us wish it yet might last–
That Time long past.

There is regret, almost remorse,
For Time long past.
‘Tis like a child’s belovèd corse
A father watches, till at last
Beauty is like remembrance, cast
From Time long past

Percy Bysshe Shelley (4 augustus 1792 – 8 juli 1822)

John Keats

John Keats behoort net als Byron tot de Engelse Romantiek. Hij stierf al op 25 jarige leeftijd aan tuberculose. Hij leidde een kort, maar wel intens leven, vol tragiek, en wordt gerekend tot de belangrijkste dichters van zijn generatie. Tijdens zijn leven werd het belang van zijn werk niet altijd onderkend en over zijn poëzie werd erg kritisch geoordeeld, ook door tijdgenoten als Byron. Keats heeft tijdens zijn korte leven vele brieven geschreven waarin hij zijn visie op het dichterschap uiteenzette. Deze brieven worden tot de mooiste uit de Engelse literatuur gerekend.

When I have fears

WHEN I have fears that I may cease to be
Before my pen has glean’d my teeming brain,
Before high piled books, in charact’ry,
Hold like rich garners the full-ripen’d grain;
When I behold, upon the night’s starr’d face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows, with the magic hand of chance;
And when I feel, fair creature of an hour!
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love! – then on the shore
Of the wide world I stand alone, and think
Till Love and Fame to nothingness do sink.

John Keats (31 oktober 1795 –  23 februari 1821)

 

Lord Byron

De Engelse dichter Lord George Gorden Byron, 6e baron Byron, stierf op 19 april 1824 in wat nu Griekenland heet, waar hij naar toe was gereisd om de Grieken te steunen in hun strijd om onafhankelijkheid van Turkije. Zelfs heden ten dage wordt hij nog als Griekse held vereerd. Byrons roemruchte geschiedenis, exotische reizen en flamboyante levensstijl maakten zo’n indruk dat de term “Byronic” werd gemunt in de betekenis van romantisch, arrogant, duister en cynisch.

 

She Walks in Beauty

She walks in beauty, like the night
Of cloudless climes and starry skies;
And all that’s best of dark and bright
Meet in her aspect and her eyes:
Thus mellow ‘d to that tender light
Which heaven to gaudy day denies.

One shade the more, one ray the less,
Had half impair ‘d the nameless grace
Which waves in every raven tress,
Or softly lightens o’er her face;
Where thoughts serenely sweet express
How pure, how dear their dwelling-place.

And on that cheek, and o’er that brow,
So soft, so calm, yet eloquent,
The smiles that win, the tints that glow,
But tell of days in goodness spent,
A mind at peace with all below,
A heart whose love is innocent!

Lord Byron (22 januari 1788 – 19 april 1824)

Antinous

Op 6 april had ik het hier over Yourcenars roman Herinneringen van Hadrianus. Nog een keer Hadrianus, klagend om zijn verdronken geliefde, zoals onnavolgbaar verwoord door Rainer Maria Rilke.

 

KLAGE UM ANTINOUS

KEINER begriff mir von euch den bithynischen Knaben
(daß ihr den Strom anfaßtet und von ihm hübt . . .).
Ich verwöhnte ihn zwar. Und dennoch. wir haben
ihn nur mit Schwere erfüllt und für immer getrübt.

Wer vermag denn zu lieben? Wer kann es? ‑ Noch keiner.
Und so hab ich unendliches Weh getan ‑.
Nun ist er am Nil der stillenden Götter einer,
und ich weiß kaum welcher und kann ihm nicht nahn.

Und ihr warfet ihn noch, Wahnsinnige, bis in die Sterne,
damit ich euch rufe und dränge: meint ihr den?
Was ist er nicht einfach ein Toter. Er wäre es gerne.
Und vielleicht wäre ihm nichts geschehn.

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

 


Antinous (circa 111 — 130)

Borstbeeld in het Louvre

Pasen 2000

‘Tempora mutantur, et nos mutamur in illis’  denk je wel wanneer je onderstaand gedicht van Mischa de Vreede vergelijkt met dat van Gezelle gisteren.

 

Pasen 2000

gedroomd dat er een soort kar voorbij kwam
met mensen die eieren bij zich hadden
hun handen eromheen
boers gedoe

ze riepen me toe dat het gewoonte was
in de plaats waar ik woon
– Camperduin –
om met Pasen een ei neer te leggen
daar waar je een dier had begraven
in de tuin dus

ik zag het voor me:
onder het prille groen van de vlier
bij het houten kruis van de poes
waarop in plakletters staat te lezen:
Jantje 17 jaar lief

en ook voor het huis
tussen de hemelse scylla’s
waar Engel ligt:
een 6 jaar jonge teckel
geveld door hernia

hier en daar zo’n volmaakt gaaf gegeven
schijnbaar verloren in rommelig gras

wakker geworden
verbaasd
aan Grieks gedacht
bloedrode eieren op de zerken
‘Christus is waarlijk opgestaan’

ei is ding dus dood
maar wat eruit komt piepen
beweegt
van levendigheid

nog verder denkend
half alweer dromend
zag ik ze staan
Engel en Jantje
leurend aan de keukendeur
deerlijk bemodderd
verwijtend hun blik:

Waar was je nou
in dat voortdurende donker?
Waar bleef je nou
in dat verschrikkelijke niks?

ik moest hun bekennen
dat ik
die over hun welzijn beschikt had
ook degeen was geweest
die hen ‘inslapen’ liet
snikkend niet kijkend
maar toch

het deerde hun niet
en ik liet hen binnen
hun eten schrokten ze op
ik streelde hun holle flanken
wist me vergeven
en voelde me God

 

Uit: ‘Zeestenen’, De Prom, Baarn 2001


Mischa de Vreede (Batavia, 17 september 1936)
In 1959

 

Gerard Reve

Erwin Mortier heeft zaterdag bij de uitvaart van Gerard Reve een schitterende grafrede gehouden. Die wou ik hier toch niet onvermeld laten.

Pasen

Pasen

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de slag van
lerke en vinke
nu de stem van
mens en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
pint de lampen,
laat de verse
wierook dampen:
Hallelujah,
’t jok is af
van de dood en
van het graf!


Pasen, Pasen,
opgestanden
is de God, die
boze handen
hadden aan het
kruis gedaan:
heeft Hij hout en
steen en ijzer
overwonnen,
die, verrijzer,
Hallelujah,
één uit al,
leeft en immer
leven zal!


Pasen, Pasen,
dwaze mannen
dachten Hem in ’t
graf te spannen,
met Pilatus’
zegelmerk:
Pasen, Pasen,
ijdel werk,
ijdel waken:
God almachtig
is verrezen,
eigenkrachtig,
Hallelujah,
door de steen,
eer de zon in
’t oosten scheen.


Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de taal van
lerk en vinke
nu de taal van
mens en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
spijst de lampen,
laat de blauwe
wierook dampen:
Hallelujah,
God is groot:
overwinnaar
van de dood!

 

Guido Gezelle
uit: Tijdkrans I in
Verzameld Dichtwerk van Guido Gezelle

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Jan Engelman

In het najaar van 1924 werd mede door Jan Engelmans inspiratie in Utrecht het tijdschrift De Gemeenschap opgericht, dat een algehele katholieke reconstructie probeerde te bewerkstelligen en waarin niet de religieuze intentie van de dichter, maar de artistieke realisatie van het kunstwerk ging gelden. Later werkte Engelman mee aan De Vrije Bladen, Helikon, Roeping en Forum. In 1934 keert hij op verzoek van Anton van Duinkerken en na vertrek van Kuyle nog een keer in de Gemeenschapsredactie terug. Nadat Van Duinkerken, tot hoogleraar te Nijmegen benoemd, De Tijd had verlaten, nam Engelman diens zaterdagse literaire rubriek over; vooral in de jaren 1953 tot 1957 heeft hij in dat kader uitvoerige letterkundige artikelen gepubliceerd, zoals hij voor 1940 in De Nieuwe Eeuw placht te doen. De oorlog beroofde Engelman van zijn beste vriend, Hendrik Marsman, die als schepeling van de getorpedeerde Berenice, van Bordeaux op weg naar Engeland in de nacht van 20 Op 21 juni 1940 verdronk. Hoewel Engelman in jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig onverminderd werkzaam bleef, wist hij, zonder dat hij zich daaromtrent iets voorspiegelde, dat zijn visies, zijn spreektrant, zijn thema’s gedateerd schenen, dat hij gedoodverfd werd als een avant-gardist uit de twintiger jaren. De cantilene Vera Janacopoulos is zijn bekendste gedicht geworden.

Gebed in het duister

Heer, behoed haar in de wereld
die ik lang mijn eigen noem.
In haar ogen staat bepereld
met uw eigen dauw de bloem

van een onverwelkbaar minnen
uit de grond der ziel geteeld.
En geen stervling zal bezinnen
op het eeuwig Aanvangsbeeld

lijk uw knecht, die hare leden
in het schemerlicht onthult,
die zich, stamelend gebeden,
aan háár wil alleen vervult.

Lang voor ’t eerste dagegloren,
lang na Venus’ gouden schijn
kniel ik, uwe stem te horen
uit die weelde, uit die pijn,

uit die tuin, bedekt, bedwereld
met een bloesem van Voorheen.
Heer, behoed haar in de wereld,
doe uw mantel om ons heen!


Jan Engelman (Utrecht 7 juni 1900—Amsterdam 20 maart 1972)