Ze krabt aan de sinaasappels en ruikt dan aan de schil, perst een avocado net genoeg om de rijpheid te beoordelen, polijst de McIntoshes op zoek naar kneuzingen.
Ze selecteert met verdikte handen, vingers die zijn opgezwollen met geschiedenis rond het witte goud van een trouwring die ze nu als weduwe draagt.
In tegenstelling tot de gearchiveerde foto’s van jonge, slanke vingers gevangen rond zwart-witte oranjebloesem, strekken haar gevlekte handen zich nu uit naar de kleuren.
Ik zie alle folklore van haar jeugd, de velden, het fruit dat ze ooit zelf van de boom plukte, de pezige wortels die ze uit de grond trok.
En nu, tussen de ingestorte dozen met yucca, door afbrokkelende piramides van gouden mango’s, beweegt ze zich met hetzelfde instinct en dezelfde vaardigheid.
Dit is hoe ze de dood en haar zoon overleeft, door deze nederige plichten die nooit zullen veranderen, door die leefgewoonten waardoor een leven een leven blijft.
Ze houdt rode druiven omhoog om me te vragen wat ik ervan denk en wat ik ervan denk is dit, een nieuw gedicht over haar- de druiven zien eruit als stoffige robijnen in haar handen,
wat ik zeg is dit: ze zien er mooi uit, heel mooi.
Dat we jou, Luuk, ook wel ‘t Uulke noemen dank je aan de doordringende blik waarmee de kirrende clowns boven je ledikant ter plekke tot bezinning dwingt.
Terecht, jij bepaalt wanneer je jouw lach weggeeft. Gezaghebbender in jouw rijk dan je vader in het zijne. Daarover dit nog. Sommigen willen dichter worden,
anderen bankdirecteur. Maar je vader droomde ervan carnavalsprins te zijn onder de zijnen. De fazantenveer zo hoog opgestoken dat hij als een botsauto met het
plafond verbonden blijft, alle dolle dagen energiek. En in je moeder smachtte lang een prinses naar bevrijding. Gun ze daarom hun uitbundigheid, prinsenkind, want in jou
komt alle adel samen. Als een veldheer observeer je de manoeuvres. Weegt, wikt tot je plan klopt. Dan breek
de zon door, valt het ernstig masker van je prethoofd
Rouke van der Hoek (Eindhoven, 15 augustus 1952) Een Lampegatse optocht door het centrum van Eindhoven
“Met een gerust hart was ik vanmorgen naar het ziekenhuis gegaan. Nu sta ik hier met die dichtgeplakte brief en ben uit het lood geslagen. De droom van afgelopen nacht kwam terug: ik was tien, armoedig gekleed, en had in de ijzige kou onder het viaduct staan wachten. Elk moment kon de koets komen. Van het turen in de verte was ik, met tranen in mijn ogen, wakker geworden en had de slaap niet meer kunnen vatten. Ruim op tijd had ik in de wachtkamer plaatsgenomen, had lang gewacht. Het was gebruikelijk om lang te wachten. Het zou vreemd zijn als het anders was. Wanneer je bij binnenkomst direct aan de beurt bent, klopt er iets niet. Geduld oefenen had ik al vroeg in mijn jeugd geleerd. Van de vorige afspraak herinnerde ik me een druk heen en weer geloop van vage gestalten. Ook was achter de glazen wand geen enkel gerucht te horen. Het leek of de afdeling Urologie van dit grote ziekenhuis in comateuze staat verkeerde. Veertien dagen geleden had de uroloog, vrijwel pijnloos, weefsel uit mijn prostaat genomen. Vandaag zou ik de uitslag horen. Ik had de arts toen gevraagd of hij al iets ter geruststelling kon zeggen. Nee, daarover kon hij nog niets meedelen. Wel dat zo’n kleine negentig procent van mijn leeftijdgenoten aan prostaatkanker leed. Vaak wisten ze het zelf niet. ‘Ze gaan er niet aan dood, ze gaan ermee dood. Tenzij…’ De zinnen waren er nogal kortaf uit gekomen, met een vanzelfsprekend, natuurlijk gemak. Hij moest ze al heel vaak hebben uitgesproken. Nu pas valt de opknapbeurt van de wachtkamer me op. De wanden zijn in vlakken hardgeel en roze geverfd, de vloer glimt strakblauw. In het midden reikt een wandmeubel tot aan het plafond, aan weerszijden uitgerust met talloze schuine plateaus voor folders. Door een onmerkbare tochtvlaag fladdert een kleurige folder op de grond, vlak voor mijn voeten. Ongewild lees ik het woord ‘prostaatkanker’. Met het hoofd afgewend veeg ik het onder het blankhouten meubelstuk. Ik bedenk me, raap het netjes op en werp het in een prullenbak. Ik ben de laatste die het lot onnodig zal tarten. Alle afspraken zijn geannuleerd. Alleen ik ben vergeten. Voor mij ligt een brief klaar. Iets klopt er niet, iets klopt er juist wel. Ineens is er de gewaarwording op afstand van de wereld te zijn gezet. Nog steeds sta ik in die zo ruime, volstrekt lege wachtkamer, kan niet van mijn plaats komen. Die brief in mijn hand is vergif, voelt als een aanval. Ik onderga de sensatie weggestuurd te zijn in een stuurloze auto. Vijf jaar geleden heb ik mijn vrouw verloren, vorige week heb ik mijn hond moeten laten inslapen.”
Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)
Onafhankelijk van geboortedata
De Amerikaanse dichter John Hennessy werd geboren in 1965 in New Jersey. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.
Gemakswinkel Aquinas
7-Eleven is een verkeerde benaming, zoals geest- lichaam” probleem. Ze sluiten nooit. Het koppelteken heeft
de vorm van een streepje. Zeker, deze lichaam-geest is een machine, als je wilt, die door de stad ploegt
naar het steakhouse. American Spirit. Geef me het gele pak. Geen lucifers? Deze dollar
negenenvijftig Santa aansteker ook. Grote Grab Bag Doritos. Nee, de “motor” staat niet
op zich – hij maakt deel uit van de machine. Natuurlijk, papier is goed, container voor recycling. Regen is geen probleem.
Ik eet de Doritos, rook verder – jij ook een? De chips maken deel uit van mijn machine –
materie in materie – rook steekt mijn longen in brand, geeft me die stoot van welbehagen in mijn
stuitje, stimuleert misschien een gedachte. Ik ben top materie, geïnformeerd door de ziel.
Nee, ik heb het woord er niet zomaar tussen laten glippen het is een schop – het graaft door onzin.
Leun wat dichterbij, onder de luifel, kom schuilen je wilt een vuurtje. De mist kan niet beslissen
of het regen of nevel is. Straatlantaarns als manen, wolken rond de neonreclames. Roze als de biefstuk waar
we naar op weg zijn. Het comfort van een roodleren bank. Nee, je motor bestaat als onderdeel van
en voedt zijn machine; apart, beide zijn enkel schroot, een stel koppelingen, roestige tandwielen.
Een onverlichte oven. Ongebakken aardappelen. Zure room in een koe, bieslook groeit grotendeels ondergronds.
“Motor” is een slechte analogie. Ik ben een ding geen twee, geen verbindingsstukken. Ik heb
geen lichaam, ik ben er een. Een dat hol is op dit moment. Wat zal het zijn?
Filet mignon? Een plak prime rib, het vet er niet afgesneden? 350 gram T-bone, vijf centimeter dik?
Nee, ik wacht als ik gegeten heb op een ander, ga jij maar alvast. Hier heb je een vuurtje.
De Duitse schrijver en journalist Helge Timmerberg werd geboren op 13 februari 1952 in Dorfitter) is een Duitse journalist en schrijver. Timmerberg is de zoon van een langeafstandschauffeur en een serveerster in Dorfitter, een gemeente in het Ittertal aan de rand van het Nationaal Park Edersee in Noord-Hessen, en groeide op in Bad Oeynhausen. Hij verliet de school met een middelbare schooldiploma en begon een stage in de textielgroothandel en buitenlandse handel bij Katz Textil-Aktiengesellschaft (Katag) in Bielefeld. Daarna liftte hij voor vier maanden naar India. Op 17-jarige leeftijd besloot hij in een Indiase ashram in de Himalaya journalist te worden. Na zijn terugkeer begon hij in 1972 aan een stage bij de Neue Westfälische Zeitung in Bielefeld, waar hij later plaatselijk redacteur werd. Hij werd door de krant naar Minden overgeplaatst. In 1974 opende Timmerberg het eerste vegetarische restaurant “Mandala” in Bielefeld. Daarna werkte hij voor de Braunschweiger Zeitung en Stern. Tijdens zijn tijd bij de Hamburger Stern ontdekte hij het boek “Fear and Loathing in Las Vegas” van Hunter S. Thompson, wiens gonzojournalistiek een vermenging van feit en fictie maakte en een blijvende indruk op hem maakte. Timmerberg reisde en deed vervolgens onderzoek als journalist voor Tempo, Wiener, Playboy en Bunte, waarvoor hij zijn belangrijkste reportages schreef in een subjectieve vertelstijl. Hij verhuisde zijn bureau naar het “Hotel Riviera” in Havana, Cuba, en hield alleen per fax contact met de uitgever. Hij werd uiteindelijk ontslagen door Bunte-hoofdredacteur Franz Josef Wagner en keerde terug naar Hamburg. De werkstijl van Timmerberg is gebaseerd op gonzojournalistiek en Nieuwe Journalistiek. In 2007 begon hij aan een wereldtournee. Het zeilde in 80 dagen om de wereld en volgde ongeveer de route van Phileas Fogg in Jules Verne’s roman “De reis om de wereld in 80 dagen”. Timmerberg woont in Wenen, Berlijn en St. Gallen, hij heeft ook een tijdje in Marrakesh gewoond.
Uit: Die Straßen der Lebenden
„Barcelona Ich ging mit Ferdinand durch das Gotische Viertel von Barcelona. Es war Abend, Ich hatte noch kein Hotel und wollte in seinem fragen, ob sie noch ein Zimmer für mich hätten. Ich fühlte mich seltsam frei. »Seltsam«, weil dieses Gefühl seit geraumer Zeit so selten vorkam. Ferdinands Zweistemehotel erwies sich als ausgebucht, aber gleich gegenüber gab’s ein anderes, ein komplett sternenloses, und an der Rezeption saß ein fettleibiger Mann, indessen Herkunft sich mir nicht auf Anhieb erschloss. Ägypter? Libanese? Pakistani? Er war gut drauf. Er hatte ein Zimmer. Und als Ich fragte, ob Ich dort rauchen dürfe, sagte er etwas sehr Schönes und sehr Wahres. »It’s your room!« Mein Herz hüpfte kurz vor Freude, wie immer, wenn es nach Hause kommt. ln einem Raum, für den man bezahlt, kann man machen, was man will. Aber weil es nur 35 Euro waren, mochte ich ihn mir nicht ansehen, bevor wir gegessen und getrunken hatten. Ein entspannter Abend in Barcelona lag vor uns, und ich wollte nicht, dass er durch den Ausblick auf ein möglicherweise verlaustes Ende an Leichtigkeit einbüßt. Wir verließen das Hotel und gingen zur Rambla zurück. Die Prachtchaussee, die an der Placa de Catalunya beginnt und am Meer endet, teilt die Alt-stadt in Legal und Illegal, manche sagen auch, in Gut und Böse, weil sie Dealer und Huren moralisch verurteilen, ohne zu wissen, wie es sich anfühlt, Dealer oder Hure sein zu müssen. Das Ist eine billig erworbene Moral, und wir teilten sie Gott sei Dank nicht. Wir suchten ein Restaurant In untourlstischer Atmosphäre, und sonst suchten wir nichts. Es war ja alles da. Die Gissen, das Leben und der Mond darüber. Vollmond, wie mir schien. Früher hätte ich das als Warnung verstanden, denn ich wäre bei diesem Licht nicht unbeschadet durch ein Hurenviertel gegangen. Schnee von gestern, Koks von gestern, das Bungee-Jumping der Seele reizte mich heute nicht mehr, wie ein Schuss ins Knie. Eine Mulattin löste sich von einer Gruppe aus drei Männern, als sie uns vorbeispazieren sah. Sie winkte uns mit einer Zigarette, die noch unangezündet war. Sie hätte sich auch von ihren Freunden Feuer geben lassen können, denn sie rauchten alle. Aber es war klar, dass sie hier in ihrer Nikotinsucht eine Chance für bezahlten Geschlechtsverkehr sah. Außerdem war ich schneller, auch schneller als Ferdinand. Sie kam ganz nah heran, als ich ihr Feuer gab, und weil sie eine kleine Mulattin war, musste ich an Ihr hinuntersehen, damit sich niemand verbrannte. Unter der Zigarette, die nun zu glühen und zu dampfen begann, sah ich prall mit Milch und Honig gefüllte Brüste. Drei ewige Sekunden lang gab ich mich dem Anblick hin, und -thank you« sagte dann nicht sie, sondern ich. Es war ein auf richtiges Dankeschön, aus tiefster Seele und reinstem Herzen, und es galt nicht nur Ihr, sondern auch der Kraft, die solche Momente arrangiert.“
„Kurz nach seinem sechzigsten Geburtstag zog mein Va-ter in ein möbliertes Zimmer, Toilette und Bad auf dem Gang, in Hirschgarten, einem südöstlichen Vorort von Ber-lin. Um zu telefonieren, musste er hinunter zur »Landlady«, wie er sich ausdrückte, die das Erdgeschoss bewohnte. Das Zimmer nebenan auf dem Gang war an einen Studenten der Humboldt-Universität vermietet. Die »Landlady«, eine ält liche deutsche Zicke, hatte ihn als erstes eine Hausordnung unterschreiben lassen, in der sie ihm Krach und Besuch nach 22 Uhr verbot. Er bekam dort in Hirschgarten sowieso keinen Besuch außer von mir, seit der Scheidung meiner Eltern vor vielen Jahren verbrachten wir alle Wochenenden zusammen, meis-tens holte er mich Samstagmittag von der Schule ab, aber manchmal fuhr ich auch »in die Stadt«, wie man das Stadt-zentrum nannte, in den ersten Jahren in die Hannoversche Straße und später in das Hugenottenviertel, das ein bisschen zurückgesetzt von der Friedrichstraße liegt, wo er mit der Frau, die er nach meiner Mutter geheiratet hatte, wohnte, bis er nun auch diese gemeinsame Wohnung verließ und das möblierte Zimmer in Hirschgarten bezog. Es war ein Samstag. Ich war 14 Jahre alt und fuhr zum ersten Mal nach Hirschgarten, dem südöstlichen Vorort, der schon einen ländlichen Charakter trägt und in den ich in meinem Leben noch nie einen Fuß gesetzt hatte, und ich ver-stand nicht, was geschehen war. Mein Vater saß in einem häss-lichen und engen Zimmer auf dem Bett, grau im Gesicht, zu-sammengesunken und schweigend, ein Koffer lag offen auf dem Boden, darin wenige Anziehsachen und ein paar Bü-cher, bis er endlich sagte, na komm, gehen wir ein bisschen spazieren. Und dann gingen wir erst einfach die Straße ent-lang, an den Villen und ihren Vorgärten vorbei, dann drehten wir ein paar Runden in einem kleinen Park; er sprach kein Wort und hörte auch nicht zu, als ich versuchte, sein Schwei-gen durch mein Reden zu füllen, was Roswitha so macht, wie es Bärbel geht mit ihren fünf Brüdern und Bettina mit ih-ren Schwestern, und vom Ballett und von der Schule und den Lehrern. Sonst war es ja meistens mein Vater, der von sei-nem Leben erzählte, von der Odenwaldschule, die er in sei-ner Jugend besucht hatte, von seiner Großmutter Anna, de-ren Namen ich trage, von seinem Bruder und seiner Mutter, die beide so früh gestorben waren, und von den verschiede-nen Ländern, in denen er gelebt hatte, und alle diese Erzäh-lungen und Erinnerungen wurden von mir stets durch »Er-zähl weiter, Pappi« im Fluss gehalten.“
Barbara Honigmann (Oost-Berlijn, 12 februari 1949)
Onafhankelijk van geboortedata
De Amerikaanse dichter John Hennessy werd geboren in 1965 in New Jersey. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.
Dat over de monnik
De monnik die knielt onder droge dennen, die vuur Slaat uit stenen. De monnik die drijft over De baai, dobberend op dolboordplanken, die hij heeft samen- Gebonden met zijn amberkleurige sjerp, ondoorgrondelijke Derde boei, knikkend met de vaargeulmarkeringen. De monnik die door schalie en klei klieft met pikhouweel En schop, een stapel botten om het gat te vullen. De monnik die de koeien schrik aanjaagt die op de velden grazen Terwijl hij en zijn vlieger opstijgen, geen enkele boom is hoog genoeg Om hem te vangen, sandalen geen anker. Bellen, dat wel, En loeien, het verbaasde grommen en blaffen Van de Heeler; maar nu te laat om los te laten.
“Dousika was a nobleman or yerewolo, a member of the royal council, a personal friend of the king and the father of ten legitimate sons, ruling as fa or patriarch over five families, his own and those of his younger brothers. His compound reflected his standing in Segu society. Its tall facade overlooking the street was ornamented with sculptures as well as triangular patterns carved into the clay, and surmounted by turrets of varying height and pleasing effect. Within were a number of flat-roofed huts, also of mud, connected by a series of courtyards. The first contained a magnificent dubale tree whose foliage formed a dome of greenery, supported by some fifty columns, roots grown down from the main trunk. The dubale might be called the witness and guardian of the life of the Traores. Beneath its powerful roots the placentas of many of their ancestors had been buried after a safe delivery. In its shade the women and children sat to tell stories, the men to make family decisions. In the dry season it gave protection from the sun. In the rainy season it provided firewood. At night the spirits of the ancestors hid in its branches and watched over the sleep of the living. When they were displeased they showed it by making faint sounds, at once mysterious and as clear as a code. Then those experienced enough to decipher them shook their heads and said: ‘Beware – tonight our fathers have spoken!’ Anyone who crossed the threshold of the Traore compound knew at once what sort of people they were, guessed that they owned plenty of good land planted with millet, cotton and fonio, worked by hundreds of slaves – house slaves and captives. There were storerooms crammed with bags full of cowrie shells and gold dust lavishly bestowed by the king, the Mansa. In a paddock behind the huts were Arab steeds, purchased from the Moors. Signs of wealth were everywhere. And why was the outer courtyard empty now, which was usually swarming with people? With girls and boys, all naked, the first with a string of beads or cowrie shells around their waists, the second with only a cotton string. With women pounding or sieving millet, or spinning cotton as they listened to the jokes of a jester or the epics of a griot singing for a dish of gruel. With men chatting together as they sharpened arrows for hunting or whetted farming implements. Dousika, getting more and more vexed, went on into the second courtyard, overlooked by the huts of his three wives and of Sira, his concubine. He found the latter lying prostrate on a mat, her beautiful face gleaming with sweat and distorted with suffering. ‘Where is everyone?’ he barked. She made an effort to sit up, and said in her imperfect Bambara, ‘By the river, koke.’ ‘By the river?’ he almost yelled. ‘What are they all doing there?’ ‘A white man!’ she managed to murmur. ‘There’s a white man on the bank of the Joliba!’ A white man? Was the woman delirious? Dousika looked down at her belly, which was enormous under the loosely tied pagne, then up, apprehensively, at the clay walls of the hut. Alone with a woman about to give birth!”
Verbannen dichters – woestijncactussen, Geen vocht, Alleen zand rondom , Toch groeien en bloeien ze, Doornige rode bloesems.
Jaren vervagen, Zand bedekt hun sporen. Alleen de verbannen dichters Blijven, Groeien En bloeien Met smartelijke karmozijnrode bloemen.
Wanneer jouw hart en het mijne Wordt doorboord door de doorn van een gedicht, Laten we niet huilen – Verbannen dichters – woestijncactussen Voeden zich met ons bloed.
Vertaald door Frans Roumen
Kazys Bradūnas (11 februari 1917 – 9 februari 2009)
Uit: Chlorine (Vertaald door Deborah Dawkin en Erik Skuggevik)
“I have been weighed and found wanting. It’s nearly two o’clock, the last lesson of the day, and I am standing at the back of the diving board, right on its edge, and in front of me are the others, others who are going to dive, and soon it will be my turn. But it’s impossible. Come what may. I know it. But I’ve got to do it. This is the final dress rehearsal. The last chance but one. I must walk out onto the diving board, bend my knees, and push out with all my strength, dive out into the pool, break the water’s surface, kick my way downward, I must reach the bottom of the pool, find the lifeless plastic dummy down there, rescue her, bring her to the surface with me, pull her after me toward land, up onto the slippery tiles of the swimming hall, and save her life. That is what I’ve got to do. And when I’ve done it a slip of paper will come out of her side, out of a waterproof hatch, a note saying she is alive, showing the frequency of her heartbeat, that she is breathing, evenly, and that she will pull through, even though she has been under water for too long, much too long. Now, it’s my turn. You’ve got to do it. It is one of the requirements for Physical Education in your last year of senior school, and it’s now it counts, and I’ve been dreading this moment, I shan’t manage it, yet I have to save her, I have to get that piece of paper from out of her, otherwise I’ll be defeated, and I’ll flunk P.E., and I can’t afford to do that. So I jump. I dive out over the side and disappear down into the water, get chlorine in my eyes, gasp for air that isn’t there, and my body turns stubbornly in the water and I come floating to the top, breaking through the water’s surface, a foot first and then my head, I barely draw breath, see the teacher standing by the diving board in her white trousers and blue T-shirt, and around her neck hangs the whistle, when she blows it I’ll be finished, then I can come up onto land again, but she doesn’t blow, she shouts out try again!—and I duck my head beneath the water, and far below there’s something red, which must be her, the one that’s drowned, and I need to reach her, so I kick off, my ears hurting, and I kick, kick, but I don’t reach any farther, my lungs are completely empty, I’m aching, and I begin to travel downward, but not fast enough, my body veers off course, twists, and I come floating to the surface, she blows the whistle, next! When you’ve finished your dive, you get left in peace for a few minutes, get to sit and gather yourself on the bench beside the large windows where the sun comes in and glistens in the water. I sit on the bench, shivering, smelling chlorine, and the next one dives out, I watch him disappear to the bottom, take hold of the dummy, and come back up with her around him, he grabs her under the chin, holds her head high and swims with her into land, pulls her up after him onto the poolside, lays her on the tiles and checks her pulse, presses his lips against her lips of rubber, blows life into her, finds the correct spot and massages her heart, giving her life back, a gift, and the teacher blows the whistle, goes over to him, checks the slip of paper ejected from her waist, it looks fine, excellent graphs, she rips the printout off, staples it in her book under his name, and writes satisfactory, or something of the sort, a grade, then casts the dummy back out again, she drowns anew, undramatically, stoically.”
“He is waiting at the gate when her flight comes in. Two years have passed since he last saw his mother; despite himself, he is shocked at how she has aged. Her hair, which had had streaks of gray in it, is now entirely white; her shoulders stoop; her flesh has grown flabby. They have never been a demonstrative family. A hug, a few murmured words, and the business of greeting is done. In silence they follow the flow of travelers to the baggage hall, pick up her suitcase, and set off on the ninety-minute drive. “A long flight,” he remarks. “You must be exhausted.” “Ready to sleep,” she says; and indeed, en route, she falls asleep briefly, her head slumped against the window. At six o’clock, as it is growing dark, they pull up in front of his home in suburban Waltham. His wife Norma and the children appear on the porch. In a show of affection that must cost her a great deal, Norma holds her arms out wide and says, “Elizabeth!” The two women embrace; then the children, in their well-brought-up though more subdued fashion, follow suit. Elizabeth Costello the novelist will be staying with them for the three days of her visit to Appleton College. It is not a period he is looking forward to. His wife and his mother do not get on. It would be better were she to stay at a hotel, but he cannot bring himself to suggest that. Hostilities are renewed almost at once. Norma has prepared a light supper. His mother notices that only three places have been set. “Aren’t the children eating with us?” she asks. “No,” says Norma, “they are eating in the playroom.” “Why?” The question is not necessary, since she knows the answer. The children are eating separately because Elizabeth does not like to see meat on the table, while Norma refuses to change the children’s diet to suit what she calls “your mother’s delicate sensibilities.” “Why?” asks Elizabeth Costello a second time. Norma flashes him an angry glance. He sighs. “Mother,” he says, “the children are having chicken for supper, that’s the only reason.” “Oh,” she says. “I see.” His mother has been invited to Appleton College, where her son John is assistant professor of physics and astronomy, to deliver the annual Gates Lecture and meet with literature students. Because Costello is his mother’s maiden name, and because he has never seen any reason to broadcast his connection with her, it was not known at the time of the invitation that Elizabeth Costello, the Australian writer, had a family connection in the Appleton community. He would have preferred that state of affairs to continue.”
Dit is een dag waarop de waarheden misschien naar buiten komen; lekken uit de bungelende oortelefoons en de kracht van de versierde schakelborden ondermijnen; uit de ramen vallen, van de vensterbanken waaien, – de vage, ietwat onopvallende inhoud van het legen van asbakken; afgeven aan onze vingers zoals inkt van de niet-proefgelezen kranten, zoals de onscherpe foto’s van snode gezichten die onze jassen vervuilen, onze jassen met tropisch gewicht, als doodgeslagen motten.
Vandaag is een dag waarop degenen die werken rondhangen. Degenen die speelden, moeten werken en zich haasten, ook, om het voor elkaar te krijgen, met weinig of geen waardigheid. De kranten worden verkocht; de luiken van de kiosk vallen neer. Maar hoe dan ook, in de nacht schreven de koppen zichzelf, kijk, op de straat en de trottoirs overal; het bezinksel spat zelfs tot de eerste verdiepingen van appartementsgebouwen.
Dit is ook een mooie dag en warm en helder. Om zeven uur zag ik honden uitgelaten worden langs het beroemde strand zoals gewoonlijk, in een glanzende grijsgroene dageraad, hun pootafdrukken achterlatend in het nat. De lijn van brekers was stabiel en de roze, opgesplitste regenboog hing er aldoor boven. Om acht uur waren twee kleine jongens aan het vliegeren.
Vertaald door Frans Roumen
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
“All night the rain fell on Arlington Park. The clouds came from the west: clouds like dark cathedrals, clouds like machines, clouds like black blossoms flowering in the arid starlit sky. They came over the English countryside, sunk in its muddled sleep. They came over the low, populous hills where scatterings of lights throbbed in the darkness. At midnight they reached the city, valiantly glittering in its shallow provincial basin. Unseen, they grew like a second city overhead, thickening, expanding, throwing up their savage monuments, their towers, their monstrous, unpeopled palaces of cloud. In Arlington Park, people were sleeping. Here and there the houses showed an orange square of light. Cars crept along the deserted roads. A cat leapt from a wall, pouring itself down into the shadows. Silently the clouds filled the sky. The wind picked up. It faintly stirred the branches of the trees, and in the dark, empty park the swings moved back and forth a little. A handful of dried leaves shuffled on the pavement. Down in the city there were still people on the streets, but in Arlington Park they were in their beds, already surrendered to tomorrow. There was no one to see the rain coming, except a couple hurrying down the silent streets on their way back from an evening out. “I don’t like the look of that,” said the man, peering up. “That’s rain.” The woman gave an exasperated little laugh. “You’re the expert on everything tonight, aren’t you?” she said. They let themselves into their house. The orange light showed for an instant in their doorway and was extinguished again. On Arlington Rise, where the streetlamps made a tunnel of hard light and the road began its descent down into the city, the wind lifted stray pieces of litter and whirled them around. Further down, the black sky sagged over the darkened shop-fronts. An irascible gust made the signs rattle against the windows. From here the city could be seen, spread out below in the half-splendour of night. A brown haze stood above it. In its heaped centre, cranes and office blocks and the tiny floodlit spires of the cathedral stood out in the dark against the haze. Red and yellow lights moved in little repeating patterns as though they were the lights of an intricate mechanism. All around it, where the suburbs extended to the north and the east, brilliant fields of light undulated over the blackened landscape. In the centre of the city the pubs and restaurants were closed, but people were queuing outside the nightclubs. When the rain started to fall, a few of the girls shrieked and held their handbags over their heads. The boys laughed uneasily. They hunched their shoulders and put their hands in their pockets. The drops fell from the fathomless darkness and came glittering into the orange light. They fell on the awning of the Luna nightclub and twisted in the beams of the streetlamps. They fell into the melancholy, stained fountain in the square, where men in T-shirts sat with cans of lager and hooded boys made graceful circles in the dark on their skateboards. There were people milling in doorways, shrieking girls in stilettos, boys with sculpted hair, middle-aged men furtively carrying things in plastic bags. A woman in a tight raincoat tick-tacked hurriedly along the pavement, talking into her mobile phone.”
Oh, maar het is vies! – dit kleine tankstation, met olie doordrenkt, met olie doorweekt tot een verontrustende, totaal zwarte doorschijnendheid. Wees voorzichtig met die lucifer!
Vader draagt een vies, met olie doordrenkt apenpak dat hem in de oksels snijdt, en een aantal snelle en brutale en smerige zonen helpen hem (het is een familietankstation), allemaal echt door en door vuil.
Wonen ze in het station? Het heeft een betonnen veranda achter de pompen, en daarop een partij vervormd en vet- geïmpregneerd vlechtwerk; op de rieten bank een vuile hond, heel behaaglijk.
Enkele stripboeken bieden de enige kleurtint- van een bepaalde kleur. Ze liggen op een groot donker kleedje, gedrapeerd over een krukje (onderdeel van de set), naast een grote ruige begonia.
Waarom die vreemde plant? Waarom het krukje? Waarom, oh waarom, het kleedje? (Geborduurd in madeliefjessteek met margrieten, denk ik, en zwaar van grijs haakwerk.)
Iemand heeft het kleedje geborduurd. Iemand geeft de plant water, of oliet hem misschien. Iemand schikt de rijen blikken zodat ze zachtjes zeggen: ESSO-SO-SO-SO tegen uiterst gespannen auto’s. Iemand houdt van ons allemaal.
Vertaald door Frans Roumen
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979