Juan Marsé, Alfred Tomlinson

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: De laatste middagen met Teresa (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)

“In een sterrennacht in september lopen ze langzaam over een bed van confetti en serpentines de hele verlaten straat door, met boven hun hoofd een dak van slingers, gekleurde papiertjes en kapotte lampionnen: het is de laatste avond van het Fiesta Mayor (met de confetti en de laatste wals ten afscheid) in een volkswijk aan de rand van de stad, het is vier uur ’s nachts, alles is afgelopen. Het houten podium waar het orkest daarnet nog verzoeknummertjes speelde is leeg, de piano is ingepakt in zijn gele foedraal, de lichten zijn uit en de klapstoelen staan opgestapeld op de stoep. In de straat heerst de verlatenheid die volgt op feesten in garages of op platte daken: het is weer tijd voor andere bezigheden, andere dagelijkse, punctuele taken, de handen moeten weer aan de slag met ijzer, hout en baksteen, armzalige plicht die op de loer ligt in portieken en ramen, ineengedoken wacht op het aanbreken van de dag. De melancholieke bedrieger, de duistere achterbuurtjongen voor wie ’s zomers het avontuur lokt, de smoorverliefde begeleider van de onbekende schone weet het nog niet, de zomer is voor hem nog een groene archipel. Van de balkons hangen in schitterende spiralen serpentines en lampions, waarvan het gelige licht, dat nog onverschilliger is dan de sterren, als uitgeput stof op het dikke confettitapijt valt dat de straat heeft veranderd in een sneeuwlandschap. Een licht briesje laat het dak van papiertjes sidderen en ontlokt het een fris geruis, als een rietveld.
Het eenzame paar past niet in dit landschap, zoals hun kleding ook niet bij elkaar past: de jongeman (spijkerbroek, sportschoenen, zwarte polo met op zijn borst de opdruk van een arrogante windroos) houdt zijn arm om het middel van het elegante meisje (roze jurk met klokrok, fraaie hoge hakken, blote schouders en lang, steil, blond haar) en zij leunt met haar hoofd tegen zijn schouder, terwijl ze langzaam weglopen, loom op het witte schuim trappend waarmee de straat is overdekt. Ze verdwijnen in de richting van een bleke schittering die op de volgende straathoek opdoemt: een sportwagen. De manier van lopen van het paar doet denken aan het plechtige schrijden bij een huwelijksceremonie, met de ideale traagheid waarvan we in onze dromen mogen genieten. Ze kijken elkaar in de ogen. Ze naderen de auto, een witte Floride. Plotseling komt er een vochtige windvlaag de hoek om en blaast hun wolken confetti in het gezicht; het is de eerste herfstwind, de regenachtige klap in het gezicht die het einde van de zomer aankondigt. Verrast laten de jonge mensen elkaar los, lachen en houden hun handen voor hun ogen. Met hernieuwde kracht zoemt de werveling van confetti onder hun voeten, slaat haar sneeuwwitte vleugels uit, omsluit hen volledig en houdt hen een paar seconden verborgen; dan zoeken ze tastend naar elkaar in de ruimte, alsof ze blindemannetje spelen, en ze lachen, roepen elkaar, omhelzen elkaar, laten elkaar los en wachten totdat er een eind komt aan deze hele warwinkel, met een plechtstatige houding, de ruggen naar elkaar toe gekeerd, heel even verloren, verdwaald in de wolk van witte vlokken die als een wervelwind om hen heen draait.”

 

Juan Marsé (8 januari 1933 – 18 juli 2020)

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

Tegen reizen

Deze dagen zijn het beste als je nergens heen gaat,
Het huis een reservoir van stille verandering,
Het kraken van meubels, de ruiten
Geborsteld door het halfrijm van activiteiten
Die niet helemaal verklaren wat het was
Wat er buiten door omhoogkwam. De kleuren, zelfs,
In overeenstemming met de teneur van de dag – ja, ‘grijs’
Hoor je in het weerbericht,
Maar wat voor grijs, waarin de tinten zweven,
Op het punt om te vangen, maar zich nog steeds inhoudend,
De gloed die erin is als de zon verschijnt,
En toch doet hij dat niet. Dan geeft de ruit
Door een trilling van glas
De verre dreun toe van een vertrekkend vliegtuig.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Frans Kellendonk, Dionne Brand

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Beeld en gelijkenis

“Ze konden me thuis in die tijd met geen stok onder de tafel vandaan krijgen. Er was werkelijk niets waar ik me niet voor schaamde. Ik schaamde me voor mijn moeder, die altijd die verkeerde kleren droeg. Voor mijn vader, die zo gruwelijk ‘d’r neven’ kon zwetsen, en voor zijn duitendieverij. Voor de neuzen van mijn schoenen. Voor mijn oren en mijn stem en het meest van al en eigenlijk voor het blote feit dat ik was wie ik was. `Zo, je weet dus niet hoe dat komt. Je voelt je, als het ware, een verstotene?’ `Ja, pater.’ `Een misbaksel, een nietsnut, een oud vod?’ `Ja, pater.’ `Te smerig om aan te raken, nog onwaardiger dan het straatvuil onder je schoenen’ (snerpend, almaar snerpender) ‘een beerput vol ongerechtigheid, een drol, een plas kots?’ `Nou, zo erg niet, pater.’ Ik begon een beetje te begrijpen waarom de parochianen zo’n hekel aan hem hadden. `Maar ik schaam me wel verschrikkelijk.’ `Dat komt door de erfzonde, mijn zoon.’ Zijn stem werd nu zo warm datje erin zou willen slapen en hij vertelde dat de erfzonde van oorsprong misschien een vloek, maar uiteindelijk een zegen is. Ik had de jaren des onderscheids bereikt, zei hij, en kennis gekregen van goed en kwaad. Hij zei dat de mens zich door die kennis godgelijk kan wanen, maar in zijn eigen ogen ook altijd te kort moet schieten. Dat ze van de duivel komt en ons dichter brengt bij God. Dat Jezus Christus om de erfzonde aan het kruis is gestorven en de poorten van de hemel voor ons heeft geopend. In de mond van de overijverige franciscaan kregen deze woorden, voordien tiranniek geraaskal van een hoofdpijn verwekkende onzinnigheid, de kracht en de pracht van een openbaring. ‘Stel je bij alles wat je doet Hem ten voorbeeld, mijn zoon, want Hij is de weg, de waarheid en het leven, en bid nu samen met mij een oefening van berouw en voor je de kerk verlaat nog drie onzevaders en drie weesgegroeten.’ Ik had niet veel op met Jezus Christus, een man in een soepjurk, die zich een doornenkroon op het hoofd had laten drukken, edik had gedronken van een spons en die, als hij in moeilijkheden zat, dreigde zijn vader erbij te halen. Zijn vader was een toornige ijdeltuit, die nooit genoeg geloofd en geprezen kon worden. Van dat stel had ik altijd een gezonde afkeer gehad, maar nu dat van die erfzonde pijnlijk waar bleek te zijn besloot ik toch maar om een vrome katholiek te worden. Godsdienst was in de praktijk van alledag een kwestie van centen en stuivers. Door te sjacheren om een handjevol geld kwam je erachter wat een onbegonnen werk het is om zonder Gods genade de eeuwige zaligheid te verdienen.”<p> &nbsp;</p>

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is kellendonkfrans.jpg
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
Portret door Kees Knopper, 1984.

 

De Canadese dichteres en schrijfster Dionne Brand werd geboren op 7 januari 1953 op Trinidad. Zie ook alle tags voor Dionne Brand op dit blog.

 

Ik zag deze vrouw ooit in een ander gedicht

Ik zag deze vrouw ooit in een ander gedicht, zittend,
water over haar hoofd gieten op de korst van een landelijk
strand toen ze zich naar haar eeuw keerde. Toen ik haar zag
was geen enkel deel van mij op zijn gemak met zichzelf. Ik was jaloers op haar,
zo oud en apart geplaatst, een bepaalde gewoonte spoelde weg uit haar
ogen. Ik moet haar hebben herkend. Ik weet dat ik naar haar
keek langs de rand van de branding, mezelf belovend, dat een oude vrouw vrij is.
In mijn zenuwen was daar iets aan het ontrafelen, en ze was een plek om naartoe te gaan, geloof me, tegen stormen van mannelijkheid in, maar daarin was ze toen
mannelijk, oude vrouw, oude vogel die loenst naar de
watervleugel boven haar hoofd, vloekend onder haar
adem. Ik dacht dat ze gracieus in mij zou zijn
en dat was ze misschien ook geweest als ik je niet had horen
lachen in een andere tijd en hief mijn hoofd op, weg van haar
droge charme.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is dione_brand.jpg
Dionne Brand (Trinidad, 7 januari 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Drie Koningen (Willem de Mérode), Carl Sandburg

 

Bij het feest van Driekoningen

 

Aanbidding der wijzen door Bartolomé Esteban Murillo, ca. 1655

 

Drie Koningen

Hij, met zijn fonkelende oogen
In ’t bruine perkament gelaat,
Buigt ’t hoofd en houdt de knie gebogen
En kust de voet van ’t Kind dat staat

En stort de schatting zijner landen:
Het toornig roode goud, ter aard,
En voelt den greep der kleine handen
Bewegen in zijn breeden baard.

Hij, in den witten wollen kleede,
Die zijn vrijwillig lachen won,
Kostert zich in den hoogen vrede,
Een stapelwolk verguld van zon.

Hij brengt den triesten wierook, zoete
Herinnering aan vreugde en waan,
En aan berouw, gebed en boete,
En bidt den kleinen Koning aan.

En hij, die gladgeboende zwarte
In ’t flodderige groen habijt,
Die met zijn zwoel zwaarmoedig harte
Nadert tot Gods blijmoedigheid,

Hij brengt de bittre mirr’, die booze
Nijd, en halsstarigge overmoed,
En al de vunzige en vooze
Begeerten bijt uit ’t troebel bloed.

Toen hij nog weifelde om ’t te vragen,
Droeg hij het trapllend Jongsken al.
Maria loech vol welbehagen.
Jozef kuischte den leemen stal.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Andreaskerk in Spijk, de geboortgeplaats van Willem de Mérode

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Drie ballen

Jabowsky’s huis ligt in een zijstraat en alleen de regen wast de stoffige drie ballen.
Toen ik een maand geleden langs het raam liep lagen daar in trotse afzondering:
Een familiebijbel met het koperen slot eraf, een houten klok met verdwenen slinger,
En een porseleinen crucifix met het glazuur gekerfd waar de linker elleboog van Jezus wordt afgebeeld.
Ik liep er vandaag langs en ze waren er allemaal, liggend in trotse afzondering,
de klok en het crucifix zeiden niet meer en niet minder dan voorheen,
en een gele kat lag in een streepje zon te slapen naast de familiebijbel met het slot eraf.
Alleen de regen wast de stoffige drie ballen voor Jabowsky’s huis in een zijstraat.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Carl Sandburg. Borstbeeld door Avard T. Fairbanks, 1958

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.  

Umberto Eco, David Berman

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Confessions of a Young Novelist

“In 1860, on the verge of sailing through the Mediterranean to follow Garibaldi’s expedition to Sicily, Alexandre Dumas père stopped in Marseille and visited the Château d’If, where his hero, Edmond Dantès, before becoming the Count of Monte Cristo, was imprisoned for fourteen years and was tutored in his cell by a fellow inmate, the abbé Faria. While Dumas was there, he discovered that visitors were regularly shown what was called the “real” cell of Monte Cristo, and that the guides constantly spoke of Dantès, Faria, and the other characters of the novel as if they had really existed. In contrast, the same guides never mentioned that the Château d’If had held as prisoners some important historical figures, such as Honoré Mirabeau.
Thus, Dumas comments in his memoirs: “It is the privilege of novelists to create characters who kill those of the historians. The reason is that historians evoke mere ghosts, while novelists create flesh-and-blood people.”
Once a friend of mine urged me to organize a symposium on the following subject: If we know that Anna Karenina is a fictional character who does not exist in the real world, why do we weep over her plight, or at any rate why are we deeply moved by her misfortunes?
There are probably many highly educated readers who do not shed tears over the fate of Scarlett O’Hara but are nevertheless shocked by the fate of Anna Karenina. Moreover, I have seen sophisticated intellectuals openly weep at the end of Cyrano de Bergerac—a fact that should not astonish anybody, because when a dramatic strategy aims at inducing the audience to shed tears, it makes them weep regardless of their cultural level. This is not an aesthetic problem: great works of art may not evoke an emotional response, whereas many bad films and dime novels succeed in doing so. And let’s remember that Madame Bovary, a character for whom many readers have wept, used to cry over the love stories she was reading.
I told my friend firmly that this phenomenon had neither ontological nor logical relevance, and could be of interest only to psychologists. We can identify with fictional characters and with their deeds because, according to a narrative agreement, we start living in the possible world of their story as if it were our own real world. But this does not occur only when we read fiction.
Many of us have sometimes thought of the possible death of a loved one and have been deeply affected, if not moved to tears, even though we knew that the event was imagined and not real. Such phenomena of identification and projection are absolutely normal and (I repeat) are a matter for psychologists. If there are optical illusions, in which we see a given form as bigger than another even though we know they are exactly the same size, why shouldn’t there be emotional illusions as well?”

 

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

 

De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.

 

Sneeuw

Met mijn broertje Seth liep ik door een weiland

en wees naar een plek waar kinderen engelen in de sneeuw hadden gemaakt.
Om de een of andere reden vertelde ik hem dat er een groep engelen was
neergeschoten en opgelost toen ze de grond raakten.

Hij vroeg wie ze had neergeschoten en ik zei een boer.
Toen waren we op het dak van het meer.
Het ijs zag eruit als een foto van water.

Waarom vroeg hij. Waarom heeft hij ze neergeschoten?

Ik wist niet waar ik hiermee naartoe wilde.

Ze waren op zijn terrein, zei ik.
Als het sneeuwt, lijkt het buitenleven een kamer.

Vandaag heb ik hallo’s gewisseld met mijn buurman.
Onze stemmen bleven dicht bij de nieuwe akoestiek.
Een kamer met aan flarden geslagen muren die omvielen.

We gingen verder met spitten en werkten in stilte zij aan zij.

Maar waarom waren ze op zijn terrein, vroeg hij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Hellmuth Karasek, David Berman

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Auf Reisen. Wie ich mir Deutschland erlesen habe

„Man sieht sie sitzen, voller Erwartung. Jetzt muss man sie nur noch gewinnen, sodass man sie nachher wie ein eitler Liebhaber fragen kann: War ich gut? Bin ich gut? Hab ich dir Spaß gemacht? Habe ich dich unterhalten und gewonnen?
Das ist eine typische und eitel-blöde Macho-Frage: Wie war ich? Es gibt den Witz, in dem der Schizophrene danach fragt. Er fragt nicht: »Wie war ich?« Er fragt: »Wer war ich?« Der Autor, der als Erzählender, als Erzähler, »Ich« heißt, sich »Ich« nennt, kann sich hinter einem »Er« verstecken. Kann meinen, ehrlich glauben, dass er ein »Er« ist und kein »Ich«. Und so gaukelt er dem Publikum, das ihm zuhört – hoffentlich gebannt und gut unterhalten, gerührt, bewegt, zum Lachen gebracht –, vor, dass er bei seinen Kapriolen nichts mehr will als den vor ihm Sitzenden gewinnen. Als »Ich« und als »Er«. Entweder oder? Oder als beide. Hier liest sozusagen ein Schizophrener. Er liest, als wäre er mit dem Publikum allein. Mit jedem Einzelnen. Deshalb bestehe ich darauf, so gut ich kann und mich durchsetze, dass ich, selbst wenn ich auf einer Bühne sitze, nicht wie auf einer Bühne sitze, sondern mit jedem Zuhörer Aug in Auge, in ständig möglichem Blickkontakt. Ich will auch beim intimsten Miteinander alles sehenden Auges erleben. Gleichheit der Waffen. Keine Scheinwerfer, die mich blenden und mir die Zuhörer wegnehmen, sie ausblenden. Ich will auch nicht in eine schummrige Dunkelheit hineinlesen. Ich suche Wohlwollen, Bereitschaft, Entgegenkommen. Meist bleibe ich an einer Frau hängen, an ihrem wohlwollenden, erwartungsvollen Lächeln. Werde ich das aufrechterhalten können, werde ich mir das verdienen? Drohe ich in dem Blick zu ertrinken, suche ich erschrocken das Weite, zumindest die Distanz, und finde doch immer wieder zurück.
Manchmal habe ich mit meiner Blickkontaktsuche Pech. Da war doch so ein freundlicher Herr neben seiner Frau – wahrscheinlich war es seine Frau – in der dritten Reihe rechts, und er hatte, als ich zu lesen anfing, den Kopf zur Seite geneigt, sodass er mir wie ein »geneigter Leser« vorkam, der als geneigter Zuhörer hierhergekommen war. Und so las ich eine Zeitlang für ihn, schweifte dann mit dem Blick zur anderen Seite, und als ich mich wieder auf ihn einstellen wollte, da war er eingeschlafen. Er war leicht nach vorn gesunken, der Mund hatte sich geöffnet und gab dem Mann einen irgendwie leidenden Gesichtsausdruck, so als wäre er unter meinem Lesen erschlafft, und ich war erschrocken und hatte Mitleid mit ihm. Und dann sah ich neben ihm seine Frau, die mir mit wach funkelnden Augen zuhörte – war es überhaupt seine Frau? Und so erfasste mich eine schier sadistische Schadenfreude: Du verschläfst jetzt den Augenblick, in dem sich deine Frau völlig von dir abgewandt hat und mir bedingungslos zugewandt ist, und ich las nur noch für sie, jedenfalls eine Weile.“

 

Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)

 

De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.

 

De maan

Een web van riool, pijpen en draden verbindt elk huis met de anderen.

In 206 slaapt een hond bij de kachel waar een klein gaslek hem
visioenen bezorgt; visioenen die zijn geworteld in niets dan gas.

Hiernaast pakt een man, die heeft besloten onderdeel voor onderdeel
een auto te kopen opgewonden een wiel en een asbak uit.

Hij rangschikt ze op alle mogelijke manieren. Hij begint echt
vorm te krijgen.

Uit het garageraam ziet hij een groep lelijke kinderen
het bos in gaan. Hun monden zien eruit als muntsleuven.

Een buurman speelt keyboards in een lokale coverband.
Als voorbereiding op een optreden op het schoolbal,

pakken ze hun instrumenten in stilte in.

Gisteravond speelden ze op het bal van de Politieacademie en
alle officieren dansten langzaam met silhouetten van schietschijven.

Dit jaar is het thema voor het schoolfeest het tetragrammaton.

Een gele piraat vaart door de disco-parkeerplaats
en wuivende handpalmen voorspellen het lot van jonge libertijnen.

In de auto draagt een jonge dame een corsage van knaagdieren in kogelformaat.
Haar date, de knappe cornerback, strekt zijn klauwen uit over het
versierde stuur.

Ze parkeren en lopen de weelderige, met sterren verlichte tuinen achter de disco in
net als de band inzet.

Hun verlekkerde ogen en oren trillen. De andere koppels
ziet er mooi uit vanavond. Ze slenteren rond en luisteren
naar de briljante conversatie. De gepassioneerde toespraken.

Wolken drijven over het zilverwerk. Er is rode ridderspoor,
blauwe gom en klimop. Een jongen knielt voor zijn date.

En de maan, ik vergat de maan te noemen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e januari ook mijn blog van 4 januari 2019 en ook mijn blog van 4 januari 2017 en mijn blog van 4 januari 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Peter Ghyssaert, Jimmy Santiago Baca

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

 

Stilleven met gothische elementen

De harnassen met tocht gevuld
wachten in de kelders op een
goddelijk omhelzen dat weer vlees
moet aanmaken, en ogen, en vooral:
inzicht, breed maar nauwkeurig uitgemeten
als een rechthoek in de hersenen.

De zielen van de opgezette uilen
slapen in het opklapbedje
van hun eigen schaduw; op het kerkhof
rust de ijzeren chrysant,
het bastaardgras, een toegesneeuwde
krentebol, de scherven van
een witte muis.

 

In het atelier van de vioolbouwer

Gezocht, om te begraven voor altijd:
de bijl die bossen blust tot brandhout.
Oorlog aan het werktuig dat vernielt,
alleen wat liefdevol kerft mag bestaan:
mes, beitel gemeten naar
de handen van een ambachtsman.

Zijn atelier ligt vol met verse houtkrullen
en spaanders heldergeel als boter;
zijn kind schrijft namen in het houtstof
hij er werkt en tussen onder-,
bovenblad ruimte verzegelt waar
de klank vermenigvuldigd wordt,

ver van dit atelier. Ver van
het krachteloze residu van hout.

 

Het skelet

Hier zijn de duigen van een leven,
aangetast door vuil en kou;
een roes van bloed en spieren,
vliezen die als schalen
hersens droegen en
hun idealen, zijn verdwenen
in de grond.

Tuig waarin de tocht een liedje fluit;
koets van been onder de zoden
vastgereden, ooit geledigd
en vernietigd door de nacht;
ribben klemmen als een deur.
Daar zat misschien een ziel
die niet meer wist waarheen.

 

Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

Ik bied je dit gedicht aan

Ik bied je dit gedicht aan,
aangezien ik niets anders te geven heb.
Bewaar het als een warme jas
die je aandoet als de winter komt,
of als een paar dikke sokken
waar de kou niet doorheen kan bijten,

………………………….ik hou van je,

Ik heb niets anders om je te geven
het is dus een pot vol gele maïs
om je buik te verwarmen in de winter,
het is een sjaal voor je hoofd om over je haar
te dragen, om rond gezicht te binden,

…………………………….ik hou van je,

Bewaar het, koester dit zoals je zou doen
als je verdwaald was, zoals leven in de wildernis
richting nodig heeft, als het gerijpt is;
en in de hoek van je la,
weggestopt als een hut of woning
in dichte bomen, kom aankloppen,
en ik zal antwoorden, je aanwijzingen geven,
en je jezelf laten verwarmen bij dit vuur,
rusten bij dit vuur en maken dat je je veilig voelt,

…………………………….ik hou van je,

Het is alles wat ik te geven heb
en alles wat iemand nodig heeft om te leven,
en om binnen te blijven leven,
wanneer het de wereld buiten
niet meer uitmaakt of je leeft of sterft;
onthoud,

…………………………….ik hou van je,

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e januari ook mijn blog van 3 januari 2019 en ook mijn blog van 3 januari 2017 en eveneens mijn blog van 3 januari 2016 deel 1, deel 2 en deel 3.

Nyk de Vries, Jimmy Santiago Baca

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook alle tags voor Nyk de Vries op dit blog.

Groentekar

Het was vroeg in de ochtend. In de verte zag ik een groot zwart kruis, maar toen ik er min of meer met mijn fiets tegenaan knalde, bleek het een verkoolde boom te zijn. Ik ging zitten, pakte een flesje Fanta, mijn favoriete drank, en na ongeveer een kwartier zag ik hoe een kleine wagen aan kwam rijden. Het was een groentekar. De bestuurder stopte, stapte uit en gooide de hele inhoud, al de bloemkolen, wortels, paprika’s en kroppen sla in de sloot. Versuft keek ik toe, hoewel ik begreep wat er gebeurde. Ik kende het van een vriend van me uit de showbizz. Alles wat je verkoopt dat ga je haten.

Kiosk

Het was tien jaar geleden, maar nog steeds kwam het ongeloof terug. We hoorden het laat in de avond, in het restaurant op weg naar Rostock, dat hij zijn leven had genomen. Ik liep naar buiten, de nacht in, maar vond daar hetzelfde als binnen. Hij had het anders kunnen doen. Hij had die lange waslijst aan actiepunten opzij kunnen schuiven, om er één of twee goeie uit te pikken. Neem het plan van die kiosk op een van de Caribische eilanden. Het was een goed idee – overzichtelijk. Ik zou hem daar zijn komen opzoeken. Op het strand hadden we onze levens opnieuw kunnen uittekenen. Ook dat van mij.

 

Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

Tel-tijd

Iedereen in zijn slaap symboliseert de bewaker
die ’s avonds laat zijn ronde langs de graven maakt.
Als hij vertrekt, terwijl hij nog steeds lichamen telt,
gewikkeld in witte lakens, als hij gaat,

bewegen de lichamen langzaam, in een eenzaam ritueel,
verloren dagen tellend, herinneringen vormend,
talrijk als zandkorrels,
die de wind over hoge bergen sleept
naar hun eenzame dood; zoals olifanten
gaan ze zichzelf begraven
onder dromerige watervallen,
in de stilte.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e januari ook mijn blog van 2 januari 2019 en ook mijn blog van 2 januari 2016 deel 2.

Pavane For The New Year (Elder Olson), W. S. Merwin, Ernest van der Kwast

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

Een dorpsstraat in de winter door Alfred Sisley, 1893

 

Pavane For The New Year

Soul, plucking the many strings
Of my limbs like puppet’s, make them dance,
Dance, dance, in sombre joy,
That after all the sullen play
The old world falls, the new world forms.

A thought like music takes us now,
So like, that every soul must move,
Move in a most stately measure,
And souls and bodies tread in time
Till all the trembling towers fall down.

And now the stones arise again
Till all the world is built anew
And now in one accord like rhyme,
And we who wound the midnight clock
Hear the clock of morning chime.

 

Elder Olson (9 maart 1909 – 25 juli 1992)
Chicago in eindejaarssfeer. Elder Olson werd geboren in Chicago.

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927. Zie ook alle tags voor W. S. Merwin op dit blog.

 

Aan het nieuwe jaar

Met wat voor stilte je tenslotte
verschijnt in de vallei
en je eerste zonlicht naar beneden valt
om de toppen van een paar hoge bladeren
aan te raken die zich niet verroeren
alsof ze het niet hadden gemerkt
en je helemaal niet kenden
dan roept de stem van een duif
van ver weg op zichzelf
tot de stilte van de ochtend

dus dit is het geluid van jou
hier en nu of al dan niet
iedereen het hoort, dit is
waar we zijn gekomen met onze leeftijd
onze kennis zoals die is
en onze verwachtingen zoals die zijn
onzichtbaar voor ons
onaangeroerd en nog steeds mogelijk

 

Vertaald door Frans Roumen

 

W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019)

 

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Zie ook alle tags voor Ernest van der Kwast op dit blog.

Uit: Het wonder dat niet omvalt

“Met een fiets word je actieradius groter,’ vertelt Tatjana, ‘en daarmee ook de kans op een baan, bijvoorbeeld in de thuiszorg.’ De lessen worden daarom betaald door de sociale dienst. Mensen zonder uitkering zijn tien euro per maand kwijt, ‘maar daar krijg je wel acht lessen voor,’ zegt de fietsjuf.
Ze werft haar cursisten in de hele stad en gaat met flyers rond, die ze in winkels, moskeeën en slagerijen neerlegt. Zelfs het centrum voor besnijdenis gaat ze langs. Overal wordt de blonde fietsjuf met enthousiasme verwelkomd. ‘Op de Zwart Janstraat kent ieder- een mij,’ zegt ze. Het is de drukke winkelstraat waar de vrouwen aan het einde van de cursus doorheen moeten fietsen. De ultieme test. Daarna zijn ze klaar voor het examen, waarvoor sommige cursisten slapeloze nachten hebben. ‘Maar iedereen haalt het,’ zegt Tatjana trots.
Het diploma geeft de vrouwen vertrouwen, en zet aan tot meer. ‘Je ziet dat ze ook andere cursussen gaan doen, om een taal te leren of om met een computer te kunnen werken.’
Ik vraag of er nooit iets misgaat. ‘O, jawel hoor,’ antwoordt Tatjana. ‘Ze botsen geregeld op elkaar, of er valt weer een vrouw van haar fiets.’ Ze kijkt even naar haar kuikens die tegen de wind in trappen, wapperende haren en hoofddoekjes. ‘Het is eigenlijk een metafoor voor het leven,’ zegt ze. ‘Vallen, opstaan en weer doorgaan.’ De vreselijkste verhalen komen haar ter ore, van vrouwen uit oorlogsgebieden die al- les hebben moeten achterlaten. ‘Ze zijn ontzettend sterk en hebben soms zeven kindjes,’ zegt Tatjana. ‘Ze moesten trouwen met een of ander fossiel uit de familie, maar ze hebben de kracht om van hem te scheiden en langzaamaan te emanciperen, om te leren fietsen.’
Er wordt gelukkig ook veel gelachen. Voor de mees- te vrouwen is de fietsles een uitje. Ze brengen cakejes mee en laten elkaar zien hoe er in hun land wordt ge- danst. ‘Sommige vrouwen balen zelfs als ze geslaagd zijn.’ Niet voor niets wordt de fietsjuf met enige regel- maat bijna doodgeknuffeld op straat. Het zijn vrouwen die nu hun kinderen op de fiets naar school bren- gen of met hun man langs de Rotte kunnen fietsen.
‘Iedereen kan het leren,’ zegt Tatjana. ‘Dik, dun, Turks, Ghanees, jong en oud.’ Zo had ze vorig jaar een Nederlandse vrouw van 64 in haar groep en geeft ze sinds kort fietsles aan een jongetje met het syndroom van Down. Ook heeft inmiddels de eerste man bij Tatjana een diploma behaald.
Fietsen zijn duur en niet iedereen heeft geld om er een aan te schaffen en dus helpt ze soms ook met het zoeken naar een tweewieler. Maar daarna moeten ze zelf de wijde wereld in, de kuikens van Tatjana Wechgelaar.”

 

Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e januari ook mijn vier blogberichten van 1 januari 2019.

De hand leggend, zich voorbereiden… (Hans van de Waarsenburg), Naomi Shihab Nye, Anne Vegter

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

De oude haven in Waalwijk. Wintergezicht door Wim Suermondt, 1954

 

De hand leggend, zich voorbereiden…

De hand leggend, zich voorbereiden
op weer een ander jaar, terwijl
het licht zich schuilhoudt,
ieder woord bedriegt

Geruchten in vreemde taal de ronde doen,
rituelen van vreemde snit worden uitgevoerd

Voorbijgangers dreigend hun voeten neerzetten
huizen woedend met deuren klapperen
de straten hun rug krommen of kreunen

In deze tijd dus, waar het licht dagelijks
wordt besneden en gekortwiekt,
vult anarchie de luchtpijp.

 

Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)
Helmond in eindejaarssfeer. Hans van de Waarsenburg werd geboren in Helmond

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Het oude jaar verbranden

Brieven verslinden zichzelf in seconden.
Berichtjes die vrienden aan de klink vastmaakten,
transparant scharlaken papier,
sissen als mottenvleugels,
trouwen met de lucht.

Zoveel van elk jaar is ontvlambaar,
lijsten met groenten, gedichtfragmenten.
Oranje wervelende vlam van dagen,
zo klein is een steen.

Waar er iets was en ineens niet meer is,
roept een afwezigheid, viert feest, laat een ruimte na.
Ik begin opnieuw met de kleinste getallen.

Snelle dans, mix van verliezen en blaadjes,
alleen de dingen die ik niet deed
knetteren nadat het vuur is gestorven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

De bloemkool

Hersens, dacht ik bij de bloemkool.
Doormidden? vroeg de groenteboer.

En met het in mijn ogen wonder in een zak wist ik
buiten niet precies meer wie ik was en waar ik woonde.

Ik keek goed uit mijn ogen hoe ik
verdraaid goed uit mijn ogen keek

en liep op het geluk af naar een straatnaam die
in spiegelbeeld geschreven was? en die ik niet ontcijferde.

Mijn halve bloemkool, Lucky Strike, haarspelden
en tomatenketchup zakten door de bodem der te oude zak

maar rolden gelukkig niet weg.
Ik bleef herhaaldelijk vergeten waar ik was.

De groentebediende werd erop afgestuurd.
Wat een vriendelijk gebeuren!

Juffrouw Vegter? Van de Voorschoterlaan?

Ik had wat hoofdpijn en wilde liever even liggen als dat kon.
Zij raapte allerlei op, wat ik weer heel vriendelijk vond.

En zij kende mij dus al.
Nogmaals:

het was of zij mijn hersens droeg, maar het scheen
ondankbaar dit aan haar te zeggen.

 

Moratorium

Toen we van John’s begrafenis thuiskwamen
was er niemand die vroeg:
wilde John eigenlijk wel leven?

(Was gek op begrafenissen geweest, ging altijd.
Had er misschien ineens genoeg van gekregen).
Hij kwam nog een keer op bezoek, twee jaar later.

Zei: ‘Mijn moeder zeurt lang door over die kachel,
neem haar niet kwalijk, ze mist me.
Ze denkt dat afbetalingen helpen tegen pijn.’

Toen we naar de uitgang kropen
hoorde je niemand zeggen
dat John er een puinhoop van gemaakt had.

Net voorbij het hek
hielden we elkaar scherp in het oog maar
iedereen zweeg, zoals vaker bij doden.

Ik richtte me op, niet ver van zijn moeder.
Het was me nog niet opgevallen
dat ze tussen de cipressen stond,

sprekend een aapje van rubber
dat met koude vingers een stok omknelt.
Ik heb me later wel eens afgevraagd

of ik de enige was die het zag.
Ze staarde stomverbaasd naar boven
alsof ze niet verwachtte

dat de hemel openspleet,
er een hand uitstak
die haar lichtte
.

 

Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn blog van 31 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Peter Buwalda, Paul Bowles

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit: Otmars zonen

“Wat psychiaters tegen fikse tarieven een Vatersuche noemen, is niet aan de orde; Dolf zoekt niks en hij is ook niks kwijt wanneer in hun flat aan de Geresstraat een man verschijnt tegen wie hij binnen een jaar ‘papa’ zegt, ook al is hij al een jongen van tien. De man, die Otmar Smit heet, dirigeert op het muziekschooltje in de dorpskern van Blerick het koor waarin Dolfs moeder zingt. Hij is klein en gedrongen, rookt Belinda’s door een ivoren mondstukje en heeft zulke brede voeten dat je onder zijn nootbruine gaatjesschoenen hoefijzers zou kunnen spijkeren.
‘U hebt ronde voeten,’ flapt Dolf eruit als de man hun haastig gestofzuigde woonkamer weer eens bezoekt. Hij antwoordt dat Dolf beter ‘je’ tegen hem kan zeggen, en of hij weet dat Ronald Koeman en Luciano Pavarotti ook ronde voeten hebben. Dan grijpt hij in een flits Dolfs hand, kijkt hem vanonder zijn woekerende wenkbrauwen aan als de god van het onweer en zegt ‘kníjp, knijp dan – hárd’, waarop Dolf zo hard als hij kan in de droge palm begint te knijpen, eerst met één, en daarna met twee handen. Otmar geeft Dolfs mooi aangeklede moeder een knipoog en informeert met zijn vrije hand losjes in zijn broekzak of hij, als haar zoontje uitgeknepen is, kan meehelpen in de keuken, iets schillen, een pan aardappelen afgieten, zoiets.
Waarschijnlijk voelt Dolf voor het eerst wat vaderlijkheid is, al gebruikt hij dat soort woorden niet. Uitdijende en krimpende maanden zijn het, waarin hij bedwelmd raakt door deze vriendelijke, belangstellende man in zijn rode of groene broeken en deftige visgraatjasjes met suède mouwstukken; Otmars joviale vitaliteit, zijn potige optimisme, er gaat een kracht vanuit die hij niet heeft aan zien komen. Tot dan toe was hij alleen met zijn moeder, een wat sombere, eenzame start voor een jongen, begrijpt hij berustend. Ook zonder vader, zonder geld voor een sportclub, zonder kampeervakanties in Frankrijk, is hij tevreden. Zijn moeder en hij vormen een twee-eenheid alsof ergens in de beslotenheid van hun flat, onder de stukgelopen vloermatten, of achter het behang waarop de viltstiftrunen uit zijn peutertijd zichtbaar zijn, nog steeds een navelstreng loopt.
Op De Klimop werkt zijn vaderloosheid niet per se in zijn nadeel. Bij de vechtersbazen en zittenblijvers in zijn klas dwingt hij er beduchtheid mee af, ze denken dat de leemte in zijn leven hem harder heeft gemaakt, en taaier. Sommige meisjes willen hem troosten wanneer ze achter zijn rug om horen dat zijn vader vertrokken is, ertussenuit geknepen nog voor hij geboren werd. Ze vragen hem als enige jongen op hun verjaardagsfeestjes, waar hun moeders week worden van een onuitgesproken medelijden dat hij heus wel opmerkt en zich zwijgend laat aanleunen.”

 

Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971)

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en componist Paul Bowles werd geboren in New York op 30 december 1910. Zie ook alle tags voor Paul Bowles op dit blog.

 

Hier ben ik

Als ik hier ben, zal ik het niet erg vinden
Ik zal alleen maar mompelen:
Als niemand me hier bezoekt, komt alles goed

Hier is het moeilijk te geloven dat iets vrij is
Kom, laten we vervallen in vrijheid
Laat al deze dingen minder worden dan stof
Laat me nooit meer nadenken
Laat deze dingen dicht bij elkaar komen
Laat alles langzaam en zacht zijn
Laat ’s middags de wind over het dak waaien
Laat de grote stad ’s middags loom onder de zon liggen
Laat alles hier zacht zijn want er is geen stof
Laat alles behalve wat komt komen
Dat is hoe ik me altijd heb gevoeld

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Bowles (30 december 1910 – 18 november 1999)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e december ook mijn blog van 30 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.