Jules Deelder, Wanda Reisel, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Thomas Kohnstamm, Hans Sahar

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

 

Der Untergang des Abendlandes

gezeten in het hemelsblauwe bad
neemt hij nadenkend de grote
zilveren zonnebril af en staart
door de kleine gouden zonnebril
die hij daaronder blijkt te dragen
naar de prehistoriese loopvogel
die aan het voeteneind
verschenen is

en terwijl hij stilaan vervliegt
tot een gas van onbekende
samenstelling
welt uit z’n kristallen keel
nog koel
de Waanzinsaria

– kijk eens in
m’n reet of
het theewater
kookt

een veelkleurige hagedis
verlaat vervolgens geruisloos
z’n navel

 

Enquête

opengereten in de Final Blast
gekookte hersens op je wangen?
verkoold verkruimeld weggesmolten
In Verzengende Winden?
of
langzaam leeggezogen
met een gebarsten leesbril
achter een krant van jaren her
rottend in een ziekenhuis
de bleke middagzon in je verschoten ogen
kraaiend boven een prentbriefkaartenverzameling
een zakje onder het hart voor de ontlasting
pratend over de paardetrem tegen een opgezette parkiet
bloedend op de overloop
na een week pas ontdekt
omdat de melk alsmaar blijft staan?

is dat dan de ideale staat to meet Thy Maker?!
is dit dan de Doem van Doodskoppenland?!

 

Kunst

‘Wie van de aanwezigen
houdt er van kunst?’

‘Ikke.’

‘Prachtig! Dan kunt u
mij vast wel even helpen
met het ophangen van de
schilderijen.’

 

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

De Nederlandse schrijfster Wanda Reisel werd geboren in Willemstad (Curaçao) op 24 november 1955. Zie ook alle tags voor Wanda Reisel op dit blog.

Uit: Plattegrond van een jeugd

“Hier begint het: Amsterdam, Van Eeghenstraat 100, vijf verdiepingen, zestien kamers, zesentwintig vaste kasten. Kolenhok en prieel in de tuin, grenzend aan het Vondelpark.
Maar wat begint er eigenlijk? Wat er om je heen en met je gebeurt, wat er over je en aan je verteld wordt, alles wat je van horen zeggen hebt, dat alles zijn draden familiegeschiedenis, vergeelde fotoboeken, dozen vol dia’s en 8 mm-films, een web van vroegere anekdotes en die welke nog wekelijks opduiken uit het brein van een bejaarde tante of oom, de verbindingen daartussen en het beeld dat jij ervan maakt… Dat gebruik je om het verhaal van je eigen leven op te tuigen. Ja, jij ook. Want zeg nu eerlijk: jou is het toch ook maar verteld?
Het leven van horen zeggen, dat kennelijk het mijne is, begint eerst ver weg met mijn geboorte in de West. Ik heb liefhebbende, fotograferende en filmende ouders. Mijn moeder, die graag met schaar en Lerolijm in de weer is en toegewijd baby’s en babyboeken produceert, schrijft bij de foto’s uitgebreide onderschriften: ‘Kralen rijgen met grote houten kralen vind je leuk, maar niet te lang. Dan ga je ermee gooien. Net zo is het met tekenen. Je krabbelt wat op een papiertje, maar als ik niet oplet, zit even later alle ballpoint of potlood op deuren en muren. De meeste mensen zeg je uit jezelf goedendag. Speciaal de gekleurde bevolking bejegen je erg vriendelijk.’
Maar hier, in deze straat met bomen, begint het voor mij pas echt. Het is zomer en ik ben vijf jaar. Voor het huis staan de twee kratten zo groot als een kamer, waaruit een berg verse houtwol komt met daarachter verstopt meubels, schilderijen, lampen, beelden (waarvan één gebroken). Wij, mijn vriendje Mario en andere kinderen uit de buurt, staan er met onze fietsjes bij. Ik ben opgewonden want die grote kisten, die zo’n bekijks trekken, zijn van ons en wat erin verstopt zit, zijn onze spullen, die nu onbeschut op straat staan. Ik ben dus een van de hoofdpersonen van deze gebeurtenis, maar in wezen ben ik net zo benieuwd als de buurtkinderen, want ook ik weet niet wat er tevoorschijn zal komen. De spullen zijn misschien wel een jaar of langer geleden ingepakt en nu pas afgeleverd. Hoe die kratten hier zijn neer geplant, vraag ik me niet af. De dingen zijn er, dat is genoeg. Ik weet niet of ik ze nog herken, maar ze horen bij ons. En straks, als ze een plek hebben, bij het huis.
Kom maar wat dichterbij, dan hoef ik niet zo hard te praten. Gek dat ik niet weet wat dit voor bomen zijn. Ik heb geen verstand van de natuur. Ik woon hier vanaf mijn kleutertijd tot en met mijn achttiende jaar.”

 

 
Wanda Reisel (Willemstad, 24 november 1955)

 

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

Uit: A Brief History of Seven Killings

“Listen.
Living people wait and see because they fool themselves that they have time. Dead people see and wait. I once asked my Sunday school teacher, if heaven is the place of eternal life, and hell is the opposite of heaven, what does that make hell? A place for dirty little red boys like you, she said. She’s still alive. I see her, at the Eventide Old Folks Home getting too old and too stupid, not knowing her name and talking in so soft a rasp that nobody can hear that she’s scared of nightfall because that’s when the rats come for her good toes. I see more than that. Look hard enough or maybe just to the left and you see a country that was the same as I left it. It never changes, whenever I’m around people they are exactly as I had left them, aging making no difference.
The man who was father of a nation, father to me more than my own, cried like a sudden widow when he heard I had died. You never know when people’s dreams are connected to you before you’re gone and then there’s nothing to do, but watch them die in a different way, slow, limb by limb, system by system. Heart condition, diabetes, slow-killing diseases with slow-sounding names. This is the body going over to death with impatience, one part at a time. He will live to see them make him a national hero and he will die the only person thinking he had failed. That’s what happens when you personify hopes and dreams in one person. He becomes nothing more than a literary device.
This is a story of several killings, of boys who meant nothing to a world still spinning, but each of them as they pass me carry the sweet-stink scent of the man that killed me.
The first, he screams his tonsils out but the scream stops right at the gate of his teeth because they have gagged him and it tastes like vomit and stone. And someone has tied his hands tight behind his back but they feel loose because all the skin has rubbed off and blood is greasing the rope. He’s kicking with both legs because right is tied to left, kicking the dirt rising five feet, then six, and he cannot stand because it’s raining mud and dirt and dust to dust and rocks. One rock claps his nose and another bullets his eye and it’s erupting and he’s screaming but the scream runs right to the tip of his mouth then back down like reflux and the dirt is a flood that’s rising and rising and he cannot see his toes. Then he’ll wake up and he’s still dead and he won’t tell me his name.”

 

 
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

 

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit: Feindesland (Vertaald door Helmut Lugmayr)

„Ich hatte bei ihm zu Hause in Reykholt viele Kostbarkeiten gesehen, die er aus den Händen des Königs oder von Fürsten empfangen hatte: Gold und wertvolle Kleinodien als Lohn für seine Dichtung und die Treue zu seinen Verwandten unter den norwegischen Herrscherfamilien. Und so glaubte ich, als ich vor einigen Wintern hierher kam, es würde reichen, Snorris Namen zu nennen und zu sagen, dass ich sein Neffe sei, um sogleich mit offenen Armen aufgenommen zu werden.
Ich hatte mir als Kind immer ausgemalt, wie Snorri an den Königshof kam und ihm eine Schar fürstlich gekleideter Männer entgegenging, die ihn vor den König geleiteten, während das ganze Volk in Respekt und Bewunderung das Haupt vor diesem großartigen Mann neigte.
Aber das waren natürlich nichts als Hirngespinste und lächerliche Kindereien. Denn in Norwegen betrachtet man Snorri Sturluson auch nur als gewöhnlichen isländischen Bauernlümmel. Als einen dieser sonderbaren, vom Wind zerzausten Isländer, über die man sich vielleicht noch lustig machen kann und die man bei Geschäften gerne über den Tisch zieht. Die Leute hier wissen nämlich, dass die Isländer am liebsten mit Geld um sich werfen und weder handeln noch feilschen – denn das ist nur die Sitte von Habenichtsen.
Man lässt sie deshalb für alles den doppelten Preis bezahlen, was sie auch freudig und mit stolzgeschwellter Brust tun. Hinterher lachen sich die Einheimischen ins Fäustchen, wenn sie ihr Geld zählen.
Ich habe meinen Onkel Snorri einmal getroffen, seit ich hierher nach Norwegen kam. Man hatte mich mit ein paar anderen im Auftrag des Königs nach Bergen gesandt – es war eine belanglose Mission und das Anliegen völlig unbedeutend. Dort angekommen begann ich, unter den Leuten am Hof von Skúli Jarl nach Snorri zu fragen. Immerhin, die meisten kannten ihn – lächelten bei dem Gedanken an ihn. »Ja, der Dichter!«, sagten sie. Nein, sie wüssten nicht, wo er sich aufhielte. »Sieh aber heute Abend in der Schenke nach!« Ich kenne solche Orte, man kann dort Bier und Met kaufen, und dahin ging ich am Abend – wäre ohnedies hingegangen …“

 


Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

De Ivoriaanse schrijver Ahmadou Kourouma werd geboren op 24 november 1927 in Togobala. Zie ook alle tags voor Ahmadou Kourouma op dit blog.

Uit: Allah Is Not Obliged (Vertaald door Frank Wynne)

“I was running around on all fours and maman was chasing me. I was going faster than she was. She was chasing after me, her right leg stuck up in the air, moving on her arse in fits and starts, leaning on her arms. I went too far, too fast, ‘cos I was trying not to get caught. I made a dash and fell on to the glowing embers.The fire did its job and grilled my arm. It grilled the arm of a poor little kid because Allah doesn’t have to be fair about everything he does here on earth. I still have the scar, on my arm, in my head, in my belly like the Black Africans say, and in my heart. It’s still there in my heart, in my whole being, like the smell of my mother. My body is saturated with maman’s nauseating smell. (According to the Larousse,’nauseating’ means ‘capable of arousing aversion or disgust’ and ‘saturated’ means ‘drenched or soaked with liquid’.)Gnamokode!Anyway, even back when I was a cute kid, back in my childhood, there was this ulcer eating into maman’s right leg and rotting it. An ulcer that steered my mother (to ‘steer’ is ’to guide someone somewhere’).An ulcer that steered my mother and the rest of the family. And, around my mother and her ulcer was the hearth. The hearth that grilled my arm. The hearth always belching smoke or sparks; it spits sparks when you poke the fire to get it going. All round the hearth there were kanaris (according to the Glossary,a kanaris is a handcrafted earthenware jar). There were kanaris and more kanaris, and every one of them filled with decoctions (that means liquid obtained from the action of boiling plants).The decoctions were used for flushing maman’s ulcer.There were more kanaris lined up along the wall at the back of the hut. Between the kanaris and the hearth, there was my mother and her ulcer wrapped up in a pagne. There was me, and there was the marabout, hunter and healer, Balla. Balla was maman’s healer.Balla was a great guy and totally extraordinary. He knew all these countries and other stuff. Allah had given him hundreds of incredible destinies, and talents and opportunities. He was a freedman – according to Larousse, that’s what they called someone who used to be a slave but is now free. And he was a donson ba, that’s the name we give to a master huntsman who has killed black game and at least one malevolent djinn, according to the Glossary. Balla was a kaffir – that’s what you call someone who refuses to believe in Islam and keeps his grigris. (According to the Glossary, a ‘grigri’ is ‘a protective amulet, often a piece of paper inscribed with magical incantation kept in a small leather purse which is tied above the elbow or around the neck’.) Balla refused to burn his false idols, so he wasn’t a Muslim, he didn’t perform the five daily prayers, or fast for one month every year.”

 

 
Ahmadou Kourouma (24 november 1927 – 11 december 2003)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Kohnstamm werd geboren in Seattle, Washington op 24 november 1975. Zie ook alle tags voor Thomas Kohnstamm op dit blog.

Uit: Do Travel Writers Go to Hell?

“I mistakenly thought that having an MA would open some doors, but I couldn’t even get a callback from office temp agencies. In early 2002, I washed up as a retail employee at Club Monaco—a slightly fancier version of the Gap—up on 5th Av-enue and 55th Street in the middle of Manhattan. Even better, I was assigned to the women’s dressing room. A key part of my job was to ask female customers if they needed a smaller size. If they came back to the dressing room with a size 6, I’d ask “Are you sure that I can’t grab you a 4?” If they came back with a 4, I’d ask about a 2. It was just that simple. One day, while I was expertly folding jeans and fitted T-shirts, the assistant store manager, a Jersey boy with LA hair and a fake tan, asked me, “Do you think that you’ll ever get your act together and go to college?” “I have a master’s from Stanford and started a DPhil at the London School of Economics,” I answered and went on folding. “Yeah right, man. There isn’t even such a thing as a dee fill.
You should really try a jay cee instead. It helped me to get this job,” he stated with the resolute authority of a Club Monaco assistant manager. I told him that I would consider it.
Every boom is followed by a bust and, in America, someone will always find a way to make money off of the bust—most likely lawyers. When I heard that a Wall Street firm was hiring re-searchers to work on high-profile, undisclosed cases, I was so eager to get out of retail that I didn’t slow down enough to really understand what the job entailed. I was told only that they represented, among other concerns, a little-known firm called Cerberus Capital Management that was buying up dis-tressed debt. The fact that the company was named after the three-headed guardian clog of I-lades and that the papers re-ferred to distressed debt as “vulture investing” did not raise any red flags. I was racing toward thirty and most of the once-wide-open doors of opportunity had already slammed in my face. Maybe it was time to take the LSAT or the GMAT and get on with forg-ing a dependable career. These were the new realities. Law seemed respectable enough: something to use your brain, make a solid income; something that I could be proud of at col-lege reunions. Once hired, I worked with Cerberus on a couple of cases, but I specialized in the assorted legal problems of a once-prominent research analyst who had been the foremost opin-ion on telecommunications companies, most notably World-Corn. Research analysts are supposed to give unbiased opinion to the public on which stocks were worth buying. But during the telecom bubble, some analysts just worked hand in hand with the bankers and the telecom CEOs to promote the companies.”

 

 
Thomas Kohnstamm (Seattle, 24 november 1975)

 

De Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst Hans Sahar (pseudoniem van Farid Boukakar) werd geboren in Al Hoceima, Marokko, op 24 november 1974. Zie ook alle tags voor Hans Sahar op dit blog.

Uit: Zoveel liefde

‘Hou je van gabberhouse? Dan zit je hier goed.’ Dat was het enige wat de jongen had gezegd van wie Rash de kamer had overgenomen, de huisbaas had niks verteld over de andere huurders, alleen dat het er vijf waren en dat ze de keuken en de douche deelden. Het kon Rash niet veel schelen dat er naast hem een gabber zat, want zijn eigen rap en trance draaide hij ook niet echt zachtjes.
Hij was benieuwd hoe het zou gaan, voor het eerst van zijn leven was hij op kamers. Op kamers! Deze ene kale ruimte met een bed, een tafel en twee stoelen. Hij had een paar posters op de muur geprikt van Public Enemy en om zich heen staan kijken van: dit is dan het nieuwe begin, eindelijk vrij, zelfstandig, niet meer dat eeuwige gezeik thuis van pa, van de kinderen met al hun problemen waar hij altijd voor op moest draaien, vrij!
Maar hij voelde ook dat andere, waar hij de laatste nachten thuis wakker van had gelegen: alleen, alleen, zonder iemand, terwijl hij altijd in een huis vol drukte en mensen had gezeten, waar je alles met iedereen deelde.
Het waren bloedhete en benauwde dagen in september. Het raam van de kamer moest je met veel gekraak en gepiep omhoogtrekken en dan bleef het hangen aan halfvergane touwen. De eerste keer dat hij het deed, zag hij beneden op de hoek van de Ruysdaelstraat een jongetje, dat schrok van die herrie en omhoog keek maar toch zijn werk afmaakte: het slot forceren van de fiets die aan de lantaarnpaal vastzat. Rash kende de Schilderswijk goed genoeg om te weten dat het niks bijzonders was. Maar toch bleef het een tijdje door zijn kop spelen, niet dat het hier een crimineel zootje was – wat maakte dat hem uit – maar dat iedereen alleen met zichzelf bezig is.
Hij had de jongen even nagekeken toen hij op de fiets sprong en om de hoek verdween. Weg. Zo flits je hierheen en daarheen en je bent bezig met je eigen dingen. Zo’n fiets. Verkopen. Een paar tientjes. Geld opmaken. Verder maar weer. Maar zo’n leventje was niks voor Rash. Kleine criminaliteit is té klein. De rotmoeite niet. Hij zat lekker hier, dicht bij zijn school en zijn stageplaats – nee, hij zou echt geen fatsoenlijk mannetje worden – , en dan maar kijken wat het wordt.
Door het dunne, houten wandje hoorde hij de gabbersound van zijn buurman. Of was het happy hardcore? Het bleek dj Paul te zijn: ‘Don’t leave me alone.’ Het volume ging steeds harder. Het eentonige ritme stampte. Rash stond midden in zijn kamer en liet het maar eens lekker door zijn oren bonken. Best wel relaxed. Hij had zin om te gaan dansen, maar om zo op je eentje een nieuwe kamer in te wijden, nee. Er werd geklopt en een schorre stem riep op de gang: ‘Hé vriend, hoe is het?’

 

 
Hans Sahar (Al Hoceima, 24 november 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Jules Deelder, Wanda Reisel, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Thomas Kohnstamm, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

 

Eden

Het leven in de Hof van Eden
was te mooi om waar te wezen

De zon kwam op de zon ging onder
De tijd was nog niet uitgevonden

Er was hemel er was aarde
Er was lucht en er was water

In het bos de wilde beesten
Er was Adam er was Eva

Ze leefden met elkaar in vrede
Zonder doel en zonder reden

Ze kenden oorzaak noch gevolg
Er was toekomst noch verleden

Ze waren en dat was genoeg
Te zijn zonder het te weten

 

Jazzverleden

De jazz stamt van de negers
De negers in Amerika

De negers in Amerika
stammen van huisuit uit Afrika

Ze werden door ons Hollanders
met schepen naar de States gebracht

En bepaalde niet eerste klas
maar als beesten vastgeketend in

stinkende ruimen opeengepakt
om aan de overkant – zo

ze nog leefden – als slaven
te worden verpatst

Een zwarte smet op ons verleden
maar hadden we ze niet gebracht

hadden we nou geen jazz gehad
en dat zou nog erger geweest wezen

 

Vogelperspectief

Ik droomde dat het oorlog was
Ik doolde door verkoolde straten
in een regen van granaten

Rook verduisterde de dag
In de Maas kookte het water
Ik beklom de Euromast

Rondom stond de stad in brand
Godallemachtig! Vanuit de lucht
gezien was zo’n oorlog prachtig!

 

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Lees verder “Jules Deelder, Wanda Reisel, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Thomas Kohnstamm, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt”

Jules Deelder, Wanda Reisel, Thomas Kohnstamm, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

Het graf van Descartes

2
Sinds Descartes
wordt het denken
zwaar overschat

Denken is een ver
tra-gings-pro-ces
Het leggen van

noodverband na
bliksem- of bom-
inslag. Eerst

zie je een flits
Dan hoor je een
klap en dán be-

gint het denken
pas

 

Bij de dood van ome Cor

Ze zijn nu weer samen
de jongens van Deelder
Na Arie en Jaap
kwam Corrie het laatst

Ze hebben op elkaar gewacht
Arie en Jaap en die samen
weer op Corrie
die de jongste was

Nu lopen ze rond door
het Hiernamaals
en drinken een borreltje
op onze gezondheid

Ze lachen en praten en
hebben geen pijn en ze
laten ons weten: Het is
niet erg om dood te zijn

 

Zelfportret

Soms zie je je zitten.
Bleek en sereen.
Hier en/of ginder.
Alleen of alleen.

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Lees verder “Jules Deelder, Wanda Reisel, Thomas Kohnstamm, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt”

Jules Deelder, Wanda Reisel, Thomas Kohnstamm, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

Ogenschijnlijk

Ogenschijnlijk heeft het ene
niets te maken met het ander.

Ogenschijnlijk schuilt er
voordeel in een vaste baan.

Ogenschijnlijk zal er nog
een heleboel verand’ren.

Ogenschijnlijk staan de sterren
hier niet zo ver vandaan.

 

Repeteergedicht

Sommige gedichten dienen
elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Andere gedichten niet.

Wéér andere bleven beter
ongeschreven.
Dat zijn verreweg de meeste.

Maar sommige gedichten
dienen elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Tot het onlosmakelijk

met ons is verweven
en met de werkelijkheid
tot waarheid is verdicht.

 

Gefeliciteerd

‘Herinner jij je dat prachtige
horloge nog dat ik een jaar of
vijf geleden verloren heb?”
‘Jazeker.’
‘Weet je nog hoe ik werkelijk
overal heb gezocht maar het ner-
gens kon vinden?’
‘Reken maar.’
‘Trek ik gisteravond een oud vest
aan dat ik in jaren niet meer
heb gedragen en nou geef ik jou
te raden wat ik in het linker
zakje vond?’
‘Gefeliciteerd! Je horloge!’
‘Nee. Het gat waardoor ik het
verloren moet hebben.’

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Lees verder “Jules Deelder, Wanda Reisel, Thomas Kohnstamm, Marlon James, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo”

Jules Deelder 70 jaar, Thomas Kohnstamm, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne

70 Jaar Jules Deelder

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Jules Deelder viert vandaag zijn 70e verjaardag. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

Stadsgezicht

Tegenwoordigheid van geest
en realisme in ’t kwadraat
vieren onverstoorbaar feest
in een opgebroken straat

Hoog en spijkerhard de hemel
met een blikkerende zon of
zwart en laag in wilde wemel
langs skeletten van beton

Doorheen geloken luxaflexen
tórenhoog de wooncomplexen
stapelen den einder dicht

Posthistorisch vergezicht-
Rotterdam gehakt uit marmer
kant’lend in het tegenlicht

 

Wonderland

Bij het pompstation
bleken acht van de negen
pompen super te leveren
en maar één normaal

Op m’n vraag of het geen
tijd werd de bordjes te ver-
hangen keek de pompbediende
mij niet begrijpend aan

Toen ik later in een
etalage op een bord las
dat men bij aanschaf van
vijf batterijen één

staaflantaarn cadeau gaf
begreep ik dat ik
in de omgekeerde wereld
was beland.

 

Quo Vadis?

Op de A20 staat
een man met baard

Ik stop en vraag
waarheen hij vaart?

Ten hemel luidt
daarop zijn antwoord

Ik ga niet verder
dan Rotterdam

O prima dan pak ik
daar de metro…

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Lees verder “Jules Deelder 70 jaar, Thomas Kohnstamm, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne”

Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Jules Deelder, Laurence Sterne

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit: Devil’s Island (Vertaald door David MacDuff en Magnus Magnusson)

“Tommi had come to the view that it was merely from envy that grown-ups always got so scandalised about young people who were able to take life lightly. Tommi himself – well, half a century earlier he had been just like Baddi, that was how history repeated itself. People often said that they were very alike, the grandfather and son, and Tommi would be touched but somewhat embarrassed and would change the subject. Although it was hard to understand, Tommi himself knew there was a grain of truth in it, for he could often see himself in Baddi: both of them were inordinately sensitive to cold, for instance, and before Baddi went abroad he always went around in long johns under his trousers and woollen stockings which came far up his legs – that fifteen-year-old ladies’ darling. And if there was no tobacco, the boys would just take a pinch of snuff like any other healthy young Icelanders.
Then again, Tommi did not forget how good the boy had become at football. It was too bad he had given up training. It happened just after the trip to the Faroes and Norway – that was when Grjóni and Lúddi and most of the old hard-core players had also dropped it, and a new generation had taken over, led by Danni and other young brats. It was an unforgettable day when Baddi came to training for the last time and said he couldn’t be bothered with all that kids’ stuff. Then off he stalked in his rubber shoes, lighting a cigarette stub with practised hands as he went and throwing the matchstick up in the air and back-heeling it as it fell.
That was the end of his football training.
Baddi was nearly sixteen when he set off into the world in the big aeroplane – the dear granny’s boy, she remembered it so well, the day he said goodbye to them at the airport, quiet but determined.”


Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

Lees verder “Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Jules Deelder, Laurence Sterne”

Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Jules Deelder, Laurence Sterne

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

 

Uit: Devil’s Island (Vertaald door David MacDuff en Magnus Magnusson)

As for Baddi, he gave meaning to all the struggles of this world: that clever and handsome lad of promise, that blessed scion of the family, the granny’s boy of the prayers which the queen of the Old House repeated to herself aloud as she did the dishes at the sink or in silence as she brooded over the cards and the future of strangers – the boy with the bright eyes and the smile, always helpful and generous to everything which drew breath.
Now he was expected home.
The Americans were lucky to have enjoyed his presence all these years, thought Karolína, that steely woman who had not allowed her feelings free rein for decades. Nowadays she talked of her Baddi with such tearful longing that even Tommi was moved and began to imagine that everything would be bright and beautiful when the angel came home. But Tommi had always been much more attached to Danni; they had so much in common, he and the younger brother whom few missed and whose memory meant no more to the family than a raven landing on a gable-head and cawing.
Tommi came to think, when he looked back, that Baddi had not been such a bad lot after all – that was just exaggeration and a lack of understanding of young people. Boys would be boys, wouldn’t they? Before Baddi left he had become a bit of a burden to Tommi to be sure, because of the fines and damages he had had to pa; for all kinds of minor mischief Baddi had got involved in, but youngsters grew out of that sort of thing. Tommi was far more worried about the boys when they began to tinker with brennivín and steal bottles and get drunk and go into sheds and shacks with girls who screamed and bawled and came rushing out with fire and frenzy in their eyes, but who always allowed themselves to be lured into the sheds again. But why should Tommi worry about that? They were young and enjoying themselves.”

 

Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

Lees verder “Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Jules Deelder, Laurence Sterne”

Jules Deelder, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

In het licht van het huidige tijdgewricht

Te leven in een tijd
Waar niets meer waarde
Heeft dan geld is als
Boksen in de hel zonder
Helpers en zonder bel

Je stoot je leeg en in-
Casseert zonder één se-
Conde rust want voor je
Het weet is het gebeurd
En zit je op je reet

De strijd is zwaar en
Zonder zin want uitein-
Delijk is er maar één
Die gaat strijken met
De winst en dat is Hein

Dus boks gerust maar
Vergeet nooit dat wie
Het ook is je altijd met
Je tegenstander in het-
Zelfde schuitje zit

 

De onafhankelijke geest

De onafhankelijke geest
gelauwerd en geprezen
wordt in stilte gevreesd
als gevaar voor de vrede
Nagel aan de doodkist die
geweten heet

 

Made in Lapland

Als in Lapland
de lupine
weer gaat bloeien

en de scheepvaart
rond Gibraltar
ligt gestremd

zal in Lapland
de lupine
weer gaan bloeien

en de scheepvaart
rond Gibraltar
zijn gestremd


Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Lees verder “Jules Deelder, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo”

Jules Deelder, Einar Kárason, Thomas Kohnstamm, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook mijn blog van 24 november 2006 en ook mijn blog van 24 november 2007  en ook mijn blog van 24 november 2008. en ook mijn blog van 24 november 2009.

 

Mariniersbrug

De Maasbrug
symbool van on-
verzett’lijkheid
leed aan metaal-
moeiheid en was
gedoemd – Geen

mariníer die ‘t
stage knagen van
den tijd een halt
toeriep – integen-
deel! Reeds rees
uit Rotown’s harte-

bloed een nieuw
symbool ons tege-
moet – scharlaken
in de neongloed –
De Mariniersbrug
Poort die naar
Heden voert! 

 

Beknopte topografie van de Rijnmond

Rotterdam
Schiedam
Vlaardingen
Maassluis

hoekie om
trappie af

gekkenhuis

 

Warm vlees

Warm vlees
in koelen bloede

zoekt kennis met
broodje tartaar

om samen oud mee
te worden

Uitjes geen
bezwaar


Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

Lees verder “Jules Deelder, Einar Kárason, Thomas Kohnstamm, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo”

Jules Deelder, Einar Kárason, Thomas Kohnstamm, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt, Arundhati Roy, Carlo Collodi, Ludwig Bechstein, Gerhard Bengsch

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder is vandaag 65 jaar geworden. Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook mijn blog van 24 november 2006 en ook mijn blog van 24 november 2007 en ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

 

Zelfportret

 

Soms zie je je zitten.

Bleek en sereen.

Hier en/of ginder.

Alleen of alleen.

 

 

 

Rotown magic

 

Rotterdam is niet te filmen

De beelden wisselen te snel

Rotterdam heeft geen verleden

en geen enkele trapgevèl

 

Rotterdam is niet romantisch

heeft geen tijd voor flauwekul

is niet vatbaar voor suggesties

luistert niet naar slap gelul

 

’t Is niet camera-gevoelig

lijkt niet mooier dan het is

Het ligt vierkant hoog en hoekig

gekanteld in het tegenlicht

 

Rotterdam is geen illusie

door de camera gewekt

Rotterdam is niet te filmen

Rotterdam is vééls te ècht

 

 

 

Er lijkt

 

Er lijkt geen

vuiltje aan

 

de lucht maar

schijn bedriegt

 

Een flits in

de leegte

 

en je weet:

weer een be-

 

keuring aan

m’n reet!

 

 

JulesDeelder

Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)
Deelder als nachtburgemeester van Rotterdam (Portet door Jolanda van der Elst)

 

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Die isländische Mafia (Vertaald door Maria-Claudia Tormany)

 

“Es war Pfarrer Sigvaldi, der den Kiosk bekam. Pfarrer Sigvaldi: das war schon ein besonderer Mann. Irgendwie hatte er sich bei den Männern der Kirche so verabschiedet, daß es keine Möglichkeit mehr für ihn gab, dort noch zu Arbeit oder Ehre zu kommen. Er bewarb sich zwar zwei- oder dreimal auf Stellenausschreibungen als Pfarrer in diesen Jahren, aber gewöhnliche Gemeindemitglieder wollten ihn lieber nicht bei sich sehen, er erlitt demütigende Niederlagen, so daß Lára ihm verbot, es noch weiter zu versuchen. Schon zuvor hatte sie ihm völlig die Kontrolle über die Finanzen entzogen und ihn von allen weltlichen Angelegenheiten ausgeschlossen, weil ihm alles immer schrecklich mißglückt war, so daß Pfarrer Sigvaldi keinen anderen Lebensinhalt hatte, als zu Hause herumzuhängen oder die Straßen der Innenstadt abzulaufen, mit schmeichlerischem und wichtigtuerischem Gesicht, und in verschwörerischer Art große Neuigkeiten zu verraten, in irgendwelchen Klatschclubs in einem der Cafés unten in der Stadt. Eine Zeitlang stürzte er sich auch in die Politik, schaffte es, sich in die Leitung eines Ortsvereins jener Partei wählen zu lassen, die die Stadt regierte. Aber schlußendlich erwies sich auch das nicht als dem Ansehen der Familie förderlich, und er wurde hübsch dort hinausmanövriert. Er hatte keinerlei Einkommen. In der Familie Killian machte man sich darüber lustig, daß die Aktentasche, mit der er immer in der Stadt herumlief, voller alter Tageszeitungen sei. Aber dann wurde ihm der Kiosk zum Kauf angeboten, der kleine Süßigkeitenladen mit Eis und Würstchen, den sein Schwager BárDur einige Zeit betrieben hatte, aber jetzt gern loswerden wollte, und das Ergebnis war, daß Lára ihrem Ehemann erlaubte, seine Kräfte an diesem Geschäft zu versuchen. Von irgend etwas mußte die Familie ja leben, denn Lára arbeitete zwar selbst halbtags im Schulamt der Stadt Reykjavík, aber das reichte nicht aus. Pfarrer Sigvaldi hatte sich bereits früher einmal an einer kaufmännischen Tätigkeit versucht, aber mit beschämendem Mißerfolg, und man kann auch nicht sagen, daß der Kiosk unter seiner Obhut florierte. Er stand selbst von morgens bis abends hinter dem Tresen, in Anzug und Weste und manchmal sogar mit einem Hut auf dem Kopf.“

Karason

Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Kohnstamm werd geboren in Seattle, Washington op 24 november 1975. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Do Travel Writers Go to Hell?

 

My name is Thomas. For as long as I can remember, travel has been a part of my life.
Over the years, I’ve tried to fight it and to break the hold that it has over me. I have made numerous attempts to return to civilian life: to get a job, a home, open a savings account, invest time or emotion or money in something stable — but the road has always pulled me back in. I have never owned a car or a television, or purchased a signicant piece of furniture. At a certain point, I recognized that I was powerless in the face of my travel addiction and did the best thing that I could do under the circumstances: I went pro.

This book is about that conversion. It chronicles the events that took me from bourgeois working stiff with a repressed travel habit to a full-time mercenary travel hack, with all of the good, bad, and surreal that it entails. This is not a sunny look at some dream job, but an unvarnished examination of what it really means to be a professional travel writer scratching out an income in the beginning of the twenty-first century. It is the true story of the life as I have experienced it and the effect that it has on the travel information that makes it into the readers’ hands.
Let’s get one thing straight from the beginning: I am not some resentful burnout who is trying to settle scores or slight those who would not hire him. I have (almost) made ends meet as a professional travel writer and have enjoyed positive working relationships with numerous editors and publishers. I’ve written country guidebooks, regional guidebooks, city guidebooks, phrasebooks, Internet travel content, travel essays, and both magazine and newspaper pieces. I
ve also done publicity work, interviews, and speaking engagements for travel publishers. Regardless, this book is not a polite evaluation of the job or the lifestyle and probably won’t do me any favors in the industry.”

 

ThomasKohnstamm

Thomas Kohnstamm (Seattle, 24 november 1975)

 

 

De Ivoriaanse schrijver Ahmadou Kourouma werd geboren op 24 november 1927 in Togobala. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit:  Waiting for the Wild Beasts to Vote

 

At the entrance to a far-off village, the hunters take the initiative of offering you — since you are a sinbo, a donsoba (a master hunter) —  the shoulder of a slaughtered bubale. At the next village there are shoulders, haunches, heads. At the village after that, there is a stinking mound of animal carcasses of every species: deer, monkeys, even elephants. Above the pile, the canopy of trees is black with vultures. In the sky, carrion birds attack each other with terrifying cries. Packs of hyenas, lycaons, lions follow and threaten.

The order is given that hunters should no longer offer you the shoulders of game killed by the hunters that week, need not gratify the master hunter who is their guest as their code of brotherhood demands.

In another village, to set itself apart, the sacrificial  priest does not stop at two chickens and a goat, he offers four chickens, two goats and an ox to the manes of the ancestors. The sacrificial priests in neighbouring villages follow suit, they outdo him, they go too far. Soon there are twenty oxen and as many goats and forty chickens. The sacrifice becomes interminable, it is a veritable hecatomb. A call goes out for a limit to be set on the number of sacrificial victims.“

 

Kourouma

Ahmadou Kourouma (24 november 1927 – 11 december 2003)

 

 

De Chinese dichter en schrijver Wen Yiduo werd geboren op 24 november 1899 in Xishui, Hubei. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Tiananmen

 

Today sure got me scared, oh, wow!
My legs are still shaking even now.
See, see, if they’d caught me I’d be done,
Or why else you’d think I’d have to run?
Hey, mister, let me get my wind back.
You didn’t see that thing, it was black as black,
No head, limping, real damn scary,
Shaking white flags, saying something.
This year there’s just no way, ask anyone,
Nothing anybody can do, devil or man.
Just more meetings, without sincerity!
But see, they’re all kids in some family,
Just in their teens, right? What for?
Get their heads bashed in by guns some more?
Mister, yesterday I heard even more got killed.
Must have been more of them dumb kids,
These days lots of strange things are happening,
And those students, they got plenty to eat and drink—
But last year our uncle was killed at Willow ’s Curve,
So hungry he couldn’t even serve—
Who’d give his life for no reason to old Mr. Death!
I’ve never told a lie my whole life long, I bet
My lamp is full of enough jugfuls of gas,
Could I keep going like this and not see the path?
No wonder that old bald guy got so uptight
About telling us not to go to Tiananmen at night.
See! It’s rotten luck, pulling this rickshaw thing.
Wait till tomorrow, when ghosts fill up all Beijing .

 

 

Vertaald door Lucas Klein

 

Wen

Wen Yiduo (24 november 1899 – 15 juli 1946)

 

De Engels-Ierse schrijver Laurence Sterne werd geboren op 24 november 1713 in Clonmel, Tipperary, Ierland. Zie ook mijn blog van 24 november 2006 en ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman

 

–Then, positively, there is nothing in the question, that I can see, either good or bad.–Then let me tell you, Sir, it was a very unseasonable question at least,-because it scattered and dispersed the animal spirits, whose business it was to have escorted and gone hand-in-hand with the HOMUNCULUS, and conducted him safe to the place destined for his reception.
The Homunculus, Sir, in how-ever low and ludicrous a light he may appear, in this age of levity, to the eye of folly or prejudice;-to the eye of reason in scientifick research, he stands confess’d-a Being guarded and circumscribed with rights:–The minutest philosophers, who, by the bye, have the most enlarged understandings, (their souls being inversely as their enquiries) shew us incontestably, That the Homunculus is created by the same hand,-engender’d in the same course of nature,-endowed with the same loco-motive powers and faculties with us:–That he consists, as we do, of skin, hair, fat, flesh, veins, arteries, ligaments, nerves, cartileges, bones, marrow, brains, glands, genitals, humours, and articulations;–is a Being of as much activity,–and, in all senses of the word, as much and as truly our fellow-creature as my Lord Chancellor of England.-He may be benefited, he may be injured,-he may obtain redress;-in a word, he has all the claims and rights of humanity, which Tully, Puffendorff, or the best ethick writers allow to arise out of that state and relation.
Now, dear Sir, what if any accident had befallen him in his way alone?–or that, thro’ terror of it, natural to so young a traveller, my little gentleman had got to his journey’s end miserably spent;–his muscular strength and virility worn down to a thread;-his own animal spirits ruffled beyond description,-and that in this sad disorder’d state of nerves, he had laid down a prey to sudden starts, or a series of melancholy dreams and fancies for nine long, long months together.–I tremble to think what a foundation had been laid for a thousand weaknesses both of body and mind, which no skill of the physician or the philosopher could ever afterwards have set thoroughly to rights”.

 

Sterne

Laurence Sterne (24 november 1713 – 18 maart 1768)
Portret door Joshua Reynolds, 1760

 

De Nederlandse schrijfster Cissy van Marxveldt werd geboren in Oranjewoud op 24 november 1889. Zie ook mijn blog van 24 november 2006 en ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Joop en haar jongen

Toen ik me om zes uur voor het dinertje gekleed had, in een goudbruin zijden japonnetje, dat Leo het liefst van me zag – in mijn haar tussen de goudfluwelen band had ik een van de prachtige rozen gestoken, die Schoonpapa me gestuurd had, de engel – liep ik nog even door de kamers. In Leo’s kamer stonden de sigaren en sigaretten klaar. Ik str
eelde even het leer van zijn stoel. En ik gooide de kussens wat nonchalanter op de divan.
Nog vijf dagen….. Ik nam zijn pijp op, die in de asbak lag op het lage Moorse tafeltje naast zijn stoel. Ik legde even de pijp tegen mijn wang. Ik dacht: “Ik zal zijn oude jasje over zijn stoel hangen.” Ik stond te dromen in Leo’s kamer. Toen hoorde ik in de verte reeds het getoeter van de feestauto’s. Ze kwamen allen per auto, eigen of geleend. Ja, daar waren de gasten, en nog vijf dagen, dan was Leo weer bij me.
In de hall bleef ik onwillekeurig op de trap staan, terwijl Grietje opendeed. Natuurlijk dolde Kit’s luidruchtige stem: “O Joost, wat plechtig, moeten we naar boven lopen om jou te begroeten?”
Toen sprong ik de trappen af met beide armen uitgestrekt: “Dag jongens!”
Noortje, slank en deftig, stelde me voor aan haar Jonkheer, die bleek en enigszins verpieterd leek, maar wel verliefd. Kaki en Loutje stonden gearmd. “Ze hebben aldoor gearmd gezeten, die tortelduiven,” bromde de Bobbel. “Net als trouwens die broer van jou, Jodocus. Ik weet wel, dat ik in een andere auto terugga. Ben jij ook van dat soort, Katharina?”
“Natuurlijk niet,” riep Kit. “Nietwaar Frits? Wij kussen niet in het openbaar.”
“Dat doen wij ook niet,” zei Kaki verontwaardigd.
“Al dat handjesdrukken is even erg,” vond de Bobbel.
“Kom kinderen laten we dit dispuut binnen voortzetten.” “Maar eerst het clubkind,” verzocht Kit.
“Het clubkind wordt straks vertoond,” beloofde ik.”

 

terheul

Cissy van Marxveldt (24 november 1889 – 31 oktober 1948)
Boekomslag

 

De Indiase schrijfster Arundhati Roy werd geboren op 24 november 1961 in Shillong. Zie ook mijn blog van 24 november 2006 en ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Der Gott der kleinen Dinge

 

Das Meer war schwarz, die Gischt grün wie Erbrochenes.

Fische fraßen das zerbrochene Glas.

Die Nacht stützte die Ellbogen auf das Wasser, und herabstürzende Sterne warfen funkelnde Splitter ab.

Falter erhellten den mondlosen Himmel.

Er konnte mit seinem einen Arm schwimmen. Sie mit zwei Armen.

Seine Haut war salzig. Ihre auch.

Er hinterließ keine Spuren im Sand, keine Wellen im Wasser, kein Abbild in Spiegeln.

Sie hätte ihn mit den Fingern berühren können, aber sie tat es nicht. Sie standen nur beieinander.

Still.

Haut an Haut.

Eine pudrige farbige Brise hob ihr Haar an und wehte es wie einen welligen Schal um seine armlose Schulter. Die abrupt endete, wie eine Klippe.

Eine magere rote Kuh mit hervorstehenden Beckenknochen tauchte auf und schwamm hinaus aufs Meer, ohne ihre Hörner nass zu machen, ohne zurückzublicken…“

 

ARUNDHATI_ROY

Arundhati Roy (Shillong, 24 november 1961)

 

De Italiaanse schrijver Carlo Collodi werd als Carlo Lorenzi op 24 november 1826 in Florence geboren. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Pinocchios Abenteuer (Vertaald door Heinz Riedt)

 

Geppettos Heim war nur ein kleines Zimmer zu ebener Erde, dessen einziges Fenster unter einem Treppenaufgang lag. Die Einrichtung konnte nicht bescheidener sein: ein wackliger Stuhl, ein schlechtes Bett und ein alter, beschädigter Tisch. An der hinteren Zimmerwand konnte man einen kleinen Kamin erkennen, in dem Feuer brannte; aber es war nur gemaltes Feuer und über ihm hing ein gemalter Kessel, der lustig kochte und eine Wolke von Dampf ausstieß, die ganz wie echter Dampf aussah.
Kaum war Geppetto zu Hause angekommen, da nahm er gleich sein Werkzeug zur Hand und fing an, den Hampelmann zu schnitzen.
»Welchen Namen soll ich ihm nur geben?« überlegte er sich. »Ich will ihn Pinocchio heißen. Dieser Name wird ihm Glück bringen. Ich kannte einmal eine ganze Familie von Pinocchi: Pinocchio hieß der Vater; Pinocchia hieß die Mutter und Pinocchi hießen die Kinder, und alle haben sich gut gehalten. Der reichste lebte von Almosen.«
Als er so den Namen für seinen Hampelmann gefunden hatte, ging er mit großem Eifer an die Arbeit, machte ihm zuerst die Haare, dann die Stirn und dann die Augen.
Und als die Augen fertig waren, merkte er – stellt euch sein Erstaunen vor -, daß sie sich bewegen konnten und ihn unentwegt anstarrten. Wie sich Geppetto von diesen Holzaugen so angestarrt sah, nahm er es beinahe krumm und sagte voller Verdruß:
»Ihr blöden Holzaugen, was glotzt ihr mich so an?« Doch niemand antwortete.
Nach den Augen machte er die Nase. Kaum war die fertig, fing sie auch schon an zu wachsen – und wuchs und wuchs, bis sie in wenigen Minuten zu einer Riesennase geworden war, die gar kein Ende nehmen wollte.
Der arme Geppetto gab sich alle Mühe, sie zu stutzen; aber je mehr er an ihr herumschnitt und abschnitt, desto länger wurde diese freche Nase.
Nach der Nase machte er ihm den Mund.“

 

Carlo_Collodi_and_Pinochio

Carlo Collodi (24 november 1826 – 26 oktober 1890)

 

De Duitse dichter, schrijver, bibliothecaris en archibaris Ludwig Bechstein werd geboren op 24 november 1801 in Weimar. Zie ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

Uit: Werwölfe und Vampire

 

„Viel weiß des Volkes Glaube und Aberglaube an den Ostseeküsten und dann weit hinab und hinauf in West- und Ostpreußen, in Litauen und bis nach Polen hinein, ja bis Serbien, Bosnien und in die Türkei von dämonischen Wesen zu erzählen, und ließen sich davon allein Bücher füllen.

Der Werwolf oder Wärwolf ist gedacht als ein Mensch, der durch Zaubermittel sich zur Nachtzeit in ein reißendes Tier, meist in einen Wolf, verwandelt und Menschen und Vieh anfällt, um ihnen das Blut warm aus dem Herzen zu saugen. Was der Werwolf so im Freien und an Wachenden übt, das tut der Vampir in den Gemächern an den Schlafenden. Der Werwolf wandelt noch unter den Lebenden, der Vampir ist ein Abgeschiedener, der seinem Grabe entsteigt und die Menschen würgt. Das ist beider Gemeinsames und Besonderes, aber die Verwandtschaft ist noch enger begründet. Stirbt der Werwolf und wird begraben, dann wird auch er Vampir und kehrt mordend aus dem Grabe wieder mit nie gestilltem Durst nach dem Blute der Lebendigen. Vampire werden aber auch solche Tote, welche von ihrem Grabeskleid irgendeinen Zipfel oder das Endchen eines Schleiers oder Bandes mit dem Munde erlangen; daran schmatzen sie, und solange sie schmatzen, so lange haben und üben sie des Grabentsteigens und des Blutsaugens dämonische Gewalt. Dabei machen sie den Anfang mit den nächsten Verwandten. Dadurch sind schon ganze Familien und Dörfer ausgestorben.

Ein Jäger aus Danzig beging abends sein Revier und sah sich plötzlich von einem ungewöhnlich großen Wolf angefallen, da er aber nicht unvorbereitet war, so schoss er, und seine Kugel zerschlug dem Wolf den rechten Vorderfuß. Mit lautem Geheul ergriff der Wolf hinkend die Flucht. Der Jäger folgte der Spur des Blutes, nachdem er von neuem seine Büchse geladen, denn er wollte sich in Besitz des schönen Wolfspelzes setzen.“

 

bech-bromb-kl

Ludwig Bechstein (24 november 1801 – 14 mei 1860)

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 24 november 2008. 

 

De Duitse schrijver Gerhard Bengsch werd geboren op 24 november 1928 in Berlijn.