Robert Gray, César Aira

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Byron Bay: Winter

Barely contained by the eyesight,
the beach makes one great arc –
blue ranges overlapped behind it;
each of them a tide-mark.

About me, swamp-oaks’ foliage
streams, hatching by Cézanne.
Off in the heath, a guard’s carriage
follows the vats of a train.

A creek spoils the hem of the sea;
spread on the beach in flutes
it has the redness of black tea,
from the swamp’s sodden roots.

Behind, cloudy afternoon swells,
the colour of claret stain.
The sunlit town is strewn like shells.
Its lighthouse, a tiny pawn.

I’m walking on the beach alone;
the sea’s grey feathers flurry,
showing emerald. Sandpipers blown
seem mice, in their scurry.

And the sun on my shoulders brings,
because it’s perfect warmth,
the feeling that I wear great wings
while stepping along the earth.

 

Flames and Dangling Wire

On a highway over the marshland.
Off to one side, the smoke of different fires in a row,
like fingers spread and dragged to smudge.
It is the always-burning dump.

Behind us, the city
driven like stakes into the earth.
A waterbird lifts above this swamp
as a turtle moves on the Galapagos shore.

We turn off down a gravel road,
approaching the dump. All the air wobbles
in some cheap mirror.
There is a fog over the hot sun.

Now the distant buildings are stencilled in the smoke.
And we come to a landscape of tin cans,
of cars like skulls,
that is rolling in its sand dune shapes.

Amongst these vast grey plastic sheets of heat,
shadowy figures
who seem engaged in identifying the dead –
they are the attendants, in overalls and goggles,

forking over rubbish on the dampened fires.
A sour smoke
is hauled out everywhere,
thin, like rope. And there are others moving – scavengers.

As in hell the devils
might poke about through our souls, after scraps
of appetite
with which to stimulate themselves,

so these figures
seem to be wandering despondently, with an eternity
where they could find
some peculiar sensation.

We get out and move about also.
The smell is huge,
blasting the mouth dry:
the tons of rotten newspaper, and great cuds or cloth….

And standing where I see the mirage of the city
I realize I am in the future.
This is how it shall be after men have gone.
It will be made of things that worked.

A labourer hoists an unidentifiable mulch
on his fork, throws it in the flame:
something flaps
like the rag held up in ‘The Raft of the Medusa’.

We approach another, through the smoke
and for a moment he seems that demon with the long barge pole.
It is a man, wiping his eyes.
Someone who worked here would have to weep,

and so we speak. The rims beneath his eyes are wet
as an oyster, and red.
Knowing all that he does about us,
how can he avoid a hatred of men?

Going on, I notice an old radio, that spills
its dangling wire –
and I realize that somewhere the voices it received
are still travelling,

skidding away, riddled, around the arc of the universe;
and with them, the horse-laughs, and the Chopin
which was the sound or the curtains lifting,
one time, to a coast of light.

 

HAVENSCHEMER

Zij en ik kwamen daar dwalend door een leeg park
en legden onze handen op het wegvloeiende leven
van een stenen balustrade. Voor ons, over het olieachtig aubergine duister
van de haven, konden we de zeiljachten nog onderscheiden

tegen een betrokken lucht die van onderen mauve belicht was
en een verre oever van donker, afbrokkelend geboomte.
Een deel van de stad, links van ons, lichtte op als een fruitkraam.
Na de zomerdag, een enorm, vochtig verstommen.

De jachten waren een heel eind weg, in hun lege velden van water.
Soms werd er een zachtjes neergelegd, als een ganzeveer.
Ze leken te fluisteren, door elkander glijdend,
steeds in weifelend evenwicht, als was beslistheid kwalijk.

in de verte, door de gespannen Brug, een hemel van moerbei
en oranje chiffon. Mauve-grijs, elk gekliefd zeil –
als verpleegsters, in een diepe gang: lichte melancholie;
of als nonnen die ’s avonds te biecht gaan.

 

Vertaald door Maarten Elzinga

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Het literatuurcongres (Vertaald door Adri Boon)

“Tijdens een trip naar Venezuela die ik onlangs maakte, had ik de gelegenheid om een kijkje te nemen bij de beroemde Draad van Macuto, een van de wonderen van de Nieuwe Wereld, een erfenis nagelaten door anonieme piraten — toeristische attractie en onopgelost raadsel ineen. Een vreemd monument van menselijk vernuft dat eeuwenlang een enigma bleef en op den duur deel ging uitmaken van een Natuur die op die breedtegraad net zo rijk is als alle vernieuwingen waartoe zij aanleiding geeft. Macuto is een van de kustplaatsen die aan de voet van Caracas liggen, niet ver van Maiquetfa, waar het vliegveld waar ik landde zich bevindt. Ik werd voor die nacht ondergebracht in Las Quince Letras, een modem hotel opgetrokken langs het strand, tegenover het gelijknamige pension annex restaurant. Mijn kamer zag uit op zee, de weidse en tegelijk zo intieme Caribische Zee, blauw en schitterend. De Draad bevond zich op honderd meter van het hotel; ik kon hem vanuit mijn raam zien, maar ik ging naar buiten om er van dichterbij een blik op te kunnen werpen. Net als elk kind van het Amerikaanse continent had ook ik me overgegeven aan even wilde als ijdele speculaties over de Draad van Macuto, een tastbaar overblijfsel van de tot de verbeelding sprekende piratenwereld, die daardoor tot leven kwam en werkelijkheid werd. In encyclopedieën «n mijn geval El Tesoro de la Juventud, die nooit meer dan onder het betreffende lemma zijn naam eer aandeed) stonden schema’s en foto’s, die ik in mijn schriften kopieerde. Al spelend ontwarde ik de knoop, kwam ik achter het geheim… Later zag ik op tv documentaires over de Draad, kocht ik nu en dan een boek dat erover was verschenen, en tijdens mijn studie Venezolaanse en Caribische literatuur dook de Draad vaak op als leidmotief. En net als iedereen volgde ook ik (hoewel zonder speciale interesse) de berichten in kranten over nieuwe theorieën, over nieuwe pogingen om het raadsel te doorgronden… Het feit dat het steeds weer nieuwe pogingen betrof, gaf duidelijk aan dat de vorige tot niets hadden geleid. Volgens een oeroude legende diende de Draad om er een schat mee omhoog te takelen, een buit van onschatbare waarde die piraten naar de zeebodem hadden laten afzinken. Een van de piraten (alle naspeuringen in kronieken en archieven ten spijt was men er nog steeds niet achter om wie het ging) moest wel een wetenschappelijk-artistiek genie van de eerste orde zijn geweest, een Leonardo aan boord, om zo’n wonderlijk mechaniek te kunnen bedenken waarmee je de buit zowel kon verbergen als ophalen. Het ding was van een geniale eenvoud.”

 

César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2022 en ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

César Aira, Robert Gray

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Een episode uit het leven van een landschapsschilder (Vertaald door Adri Boon en Luc de Rooy)

“Johanns overgrootvader, Georg Philipp Rugendas (1666-1742), was de grondlegger van het schildersgeslacht. Dat had ermee van doen dat hij in zijn jeugd zijn rechterhand was kwijtgeraakt; die verminking maakte hem namelijk ongeschikt voor het klokkenmakersvak, waar zijn familie zich van oudsher aan wijdde en waarop ook hij zich van kindsbeen of aan had voorbereid. Nu moest hij, oefenend met potlood en penseel, leren zijn linkerhand to gebruiken. Hij specialiseerde zich in veldslagen, en oogstte groot succes door een verbluffende precisie, die hij dankte aan zijn vorming als klokkenmaker en aan het werken met zijn linkerhand: omdat hij die hand normaal gesproken niet zou hebben gebruikt, dwong dat hem nu tot een zeer methodische disciplinering. Wat hem uniek maakte was het sublieme contrast tussen de verfijning van de weergave en het gewelddadige aspect van het onderwerp. Zijn beschermheer en belangrijkste afnemer was Karel XII van Zweden, de soldatenkoning wiens veldslagen hij vereeuwigde door mee te trekken met de legers, van het besneeuwde noorden tot het zinderende Turkije. Op latere leeftijd was hij een welvarende drukker en handelaar in prenten, ten natuurlijk uitvloeisel van zijn bekwaamheid om de krijg vast te leggen. Zijn drie zonen, Georg Philipp, Christian en Jeremias Gottlob, liet hij zijn negotie en techniek na. Zoon van eerstgenoemde was Johann Lorenz (1775-1826), de vader van onze Rugendas, die als schilder van de veldslagen van Napoleon, nog zo’n soldatenkoning, de rij sloot. Welnu, na Napoleon brak in Europa de 4e eeuw van de vrede’ aan met als logisch gevolg dat er voor de specialisatie van de familie steeds minder aftrek was. De jonge Johann Moritz, nog een adolescent in de dagen van Waterloo, moest dus ten andere richting inslaan. Zijn leerschool in het atelier van Adam, schilder van veldslagen, ruilde hij in voor lessen in her schilderen naar de natuur aan de kunstacademie van München. De `natuur’, die afgebeeld op doek en in prent misschien wel een interessante markt kon betekenen, was de exotische natuur in verre oorden, wat het kunstenaarschap koppelde aan zijn reislust; waar die hem heen voerde wad al snel duidelijk toen hij de kans kreeg zich aan te sluiten bij bovengenoemde expeditie. Amper twintig jaar en voor hem opende zich een wereld die hij al wel kende maar tegelijk ook nog helemaal moest verkennen, ongeveer zoals, in diezelfde tijd, het geval was met de jonge Darwin. De Fitzroy van Rugendas was baron Georg Heinrich von Langsdorff, die zich tijdens de oversteek van de Atlantische Oceaan zo ‘onhandelbaar en krankzinnig’ gedroeg dat de kunstenaar bij aankomst in Brazilië de expeditie verliet en zijn plaats afstond aan een andere getalenteerde schilder en documentalist, Taunay. Met die beslissing bespaarde hij zich heel wat problemen want er leek een vloek to rusten op de expeditie: Taunay verdronk in de rivier de Guaporé en midden in he oerwoud verloor Langsdorff ook het laatste beetje verstand dat hem nog restte.”

 

César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Annotatie

Het leek me altijd dat neutrale dingen ons zouden helpen
als we maar de welsprekendheid
konden horen
van hun stomme dienstbaarheid.

Wat doen deze dingen van de wereld?
Zij onderwerpen zich
en ze volharden.
Ze bloeien. Ze vragen nergens om.

Ze nemen gewoon wat wordt gegeven.
Ze bloeien,
ineens, waar het leek alsof ze alleen maar volhardden.
Alles kan hen raken.

We zijn op zoek naar de wereld, tussen deze diversiteit
van het bestaan,
dat zich zo losjes heeft gevormd
in een chaotisch systeem.

Terwijl onze levens, zoals men kan zien, slechts een routineoffer zijn,
geconsumeerd en vergeten,
ergens in een hoek
in de hoven van de zon.

Wat kan duren? Alleen wat we hebben gemaakt
en onder ons
doorgeven, dat verdort in onze handen,
maar nooit gekend wordt zonder ons.

Dus nemen we de donkere wegen
in mooie kleding, elkaar groetend;
sorry voor de leegte
die niet kan zien wat we zijn geworden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

César Aira, Robert Gray

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Een episode uit het leven van een landschapsschilder (Vertaald door Adri Boon)

“In het Westen zijn er maar weinig echt goede landschapsschilders geweest. De beste die we kennen, en over wie veel documentatie bestaat, was de onvolprezen Rugendas, die twee keer in Argentinië is geweest; de tweede keer, in 1847, kreeg hij de gelegenheid in het Río de la Plata-gebied landschappen en de bewoners ervan op het doek vast te leggen – en dat deed hij zo geestdriftig dat het aantal schilderijen dat op deze plek van de wereld in handen van particulieren is gekomen op wel tweehonderd stuks wordt geschat. Daarmee verloochende hij zijn vriend en bewonderaar Humboldt, of liever gezegd leende hij zich voor een simplistische interpretatie van de theorie van Humboldt, die het talent van deze schilder had willen reserveren voor de orografische en botanische weelde van de Nieuwe Wereld. Maar de kiem van die verloochening was in feite al tien jaar eerder gelegd, tijdens het eerste korte en dramatische bezoek, onderbroken door een opmerkelijke episode die een blijvende stempel op zijn leven zou drukken.
Johann Moritz Rugendas werd geboren op 29 maart 1802 in de keizerstad Augsburg als zoon, kleinzoon en achterkleinzoon van prestigieuze genreschilders; een voorzaat, Georg Philipp Rugendas, was befaamd om zijn doeken van veldslagen. Op zoek naar een vriendelijker klimaat voor hun protestantse geloofsovertuiging was het gezin Rugendas in 1608 weggetrokken uit Catalonië (hoewel de familie een Vlaamse afkomst had) om neer te strijken in Augsburg. De eerste Duitse Rugendas was een artistieke klokkenmaker; diens nakomelingen waren stuk voor stuk schilder. Al op vierjarige leeftijd gaf Johann Moritz blijk van zijn roeping. Begaafd tekenaar als hij was viel hij eerst op in het atelier van Albrecht Adam en vervolgens op de kunstacademie van München. Op zijn negentiende kreeg hij de kans om een reis te maken naar Amerika als lid van een expeditie onder leiding van baron Langsdorff en gefinancierd door de tsaar van Rusland. Zijn taak was iets waarvoor honderd jaar later een fotograaf zou worden meegevraagd: de vondsten die ze deden en de landschappen die ze doorkruisten in beeld vastleggen.
Om een duidelijker idee te krijgen van datgene waaraan de jonge kunstenaar begon moeten we eerst een stukje teruggaan in de tijd. De familiegeschiedenis was minder lang dan uit het bovenstaande wellicht lijkt. Johanns overgrootvader, Georg Philipp Rugendas (1666-1742), was de grondlegger van het schildersgeslacht.”

 

César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Vleugelslag

Als er een laatste balans wordt opgemaakt
zal ik een seizoen zijn kwijtgeraakt,
de zomer
die een andere hemisfeer me heeft ontnomen.
Voor wie daarheen de evenaar
oversteekt, treft in het jaar
een tweede winter. Bladen van ijs in hun folianten
staan er op planken van lucht, en kantelen
een voor een als scherp papier in de wind – ik zal gaan
naar de kreupele sneeuw die langzaam
over de kruispunten dwalend
hinkt in de koplampen van een vroege avond.
Hoe heerlijk is niet de zomer voor iemand
die maar een glimp van de zoom ervan opvangt.
‘Een kleine ruimte, vijftig lentes’, zo is het misschien
voor een kenner van verliezen, maar statistisch gezien
mag ik nog een tiental zomers begroeten
voordat de blauwe hoogten sluiten.
Al ben ik noordwaarts gegaan,
wanneer de tuin en de bomen in bloei staan,
zal ik het grasveld thuis, op mijn gemak,
oversteken, in de spiegel in een leeg vertrek.

 

Vertaald door Maarten Elzinga

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Lavinia Braniște, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Ghosts (Vertaald door Chris Andrews)

“On the morning of the 31st of December, the Pagaldays visited the apartment they already owned in the building under construction at 2161 Calle Jose Bonifacio, along with Bartolo Sacristan Olmedo, the landscape gardener they had hired to arrange plants on the two broad balconies, front and rear. They climbed the stairs littered with rubble to the middle level of the edifice: like the other apartments, the one they had acquired occupied a whole floor, the fourth. Apart from the Pagaldays there were only six other owners, all of whom made an appearance on that last morning of the year to see how the work was coming along. The builders were conspicuously busy. By eleven, there were people everywhere. It was in fact the day on which, according to the contracts, the apartments should have been ready to move into; but, as usual, there had been a delay. Felix Tello, the construction company’s architect, must have gone up and down fifty times, allaying the owners’ concerns. Most had come with a tradesman of some kind: a carpet layer to measure the floors, a carpenter, a tiler, or an interior decorator. Sacristan Olmedo was talking about the dwarf palms that would be arranged in rows on the balconies, while the Pagalday children went running through rooms, which still had no flooring, doors or windows. The air conditioning units were being installed, ahead of the elevators, which would have to wait until after the holiday. Meanwhile materials were being hoisted up through the shafts. Perched on their high heels, the ladies were climbing the dusty stairs scattered with pieces of rubble; since the banisters had not yet been fitted, they had to be especially careful. The first basement level was to be used for garages, with ramps up to the street, which had not yet been covered with their special anti-slip surface. The second level was for box rooms and storage space. On top of the seventh floor, a heated swimming pool and a games room, with a panoramic view over rooftops and streets. And the caretaker’s apartment, which was no more finished than the rest of the building, but had been inhabited for some months by Raul Virias, the night watchman, and his family. virias was a reliable Chilean builder, although he had turned out to be a prodigious drinker. The heat was supernatural. Looking down from the top was dangerous. The glass panels that would enclose the whole terrace were not yet in place. The visitors kept their children well away from the edges. It’s true that buildings under construction seem smaller before the windows, doors and flooring have been put in. Everyone knows that; and yet somehow the opposite also seemed to be true. Domingo Fresno, the architect in charge of the interiors on the second floor, was walking anxiously through that capacious labyrinth, as if across the sands of a desert. Tello had done his job well enough. At least the building was standing firm on its foundations; it could have melted like an ice cream in the sun. No one had come to see the first floor. The Kahns, an older couple with two young daughters, were on the fifth floor with their decorator, the extraordinary Elida Gramajo, who was calculating aloud, working out the quantities of fabric required for drapes. Every detail had to be taken into account. And no detail could be specified without measuring both the space it would occupy and the surrounding space.”

 


César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

In Departing Light (Fragment)

My mother will get lost on the roads after death.
Too lonely a figure
to bear thinking of. As she did once,
one time at least, in the new department store
in our town; discovered
hesitant among the aisles; turning around and around, becoming
a still place.
Looking too kind
to reject even a wrong direction,
outrightly. And she caught my eye, watching her,
and knew I’d laugh
and grinned. Or else, since many another spirit will be arriving over there, whatever
those are – and all of them clamorous
as seabirds, along the walls of death – she will be pushed aside
easily, again. There are hierarchies in Heaven, we remember; and we know
of its bungled schemes.
Even if the last shall be first’, as we have been told, she
could not be first. It would not be her.
But why become so fearful?
This is all
of your mother, in your arms. She who now, a moment after your game, has gone;
who is confused
and would like to ask
why she is hanging here. No – she will be safe. She will be safe
in the dry mouth
of this red earth, in the place
she has always been. She
who hasn’t survived living, how can we dream that she will survive her death?

 


Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)
Cover

 

De Vlaamse schrijver Jef Geeraerts werd geboren op 23 februari 1930 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jef Geeraerts op dit blog.

Uit: Gangreen 1 / Black Venus

…”de Lybische slavin van de Romeinse veldheer en als het – soms na een uur genot-en-pijn – kwam, had ze het ook, met schokken en daarna had ze meestal dorst en ik voerde haar witte wijn en ze liet me meedrinken en vroeg week, bijna beschaamd, hetzelfde bij haar te doen en op een nacht zat ik geknield, mijn handen op haar billen, kussend, rauwe mosselen etend en opeens voelde ik al haar spieren verstijven, ze ademde niet meer en ik hield op en in het gele schijnsel van de lantaren zag ik steil boven mij een Egyptisch beeld van donkerrood basalt oprijzen, koud, gepolijst (en ademloos keek ik toe, de oerbronnen van Griekenland liggen hier, de Nijl is de ader, dacht ik en met sacrale, duizenden jaren oude gebaren begon ik mijn oorsprong te aanbidden) en later, als ze, dicht tegen me aangewurmd, ademend als een lichtgeolied dier, een hand vast om mijn penis, haar wapen, insliep, lag ik ontspannen, soms gelukkig naar haar te kijken, haar huid te strelen die fijn was als geboende notelaar, haar te besnuffelen als een jachthond met soms opeens de allesoverheersende gedachte dat ze eenmaal oud en rimpelig zou zijn als de vele uitgezakte, snuivende, dikke vrouwen van de wereld en dan was het alsof de hand van een geraamte mijn penis omvatte en ‘m niet meer los kon laten en dan kreeg ik het koud en moest whisky drinken om weer normaal onverschillig, oppervlakkig te kunnen denken (als altijd, buiten in de zon, voortdurend op overwinningen uit) en om te kunnen slapen, beven of snikken in vreemde dromen en smorgens, even voor vijf uur, de zon was net op, wekte ze me door mijn neus dicht te knijpen en Mohongu hoorde dan aan ons gepraat dat we wakker waren en hij bracht met neergeslagen ogen een ketel heet water en daarna een kop sterke koffie om de dag niet reeds slecht te beginnen, wenste me ritueel goedemorgen en verdween en dan werd ik door mijn slavin van kop tot teen ingezeept, zorgvuldig afgespoeld, afgedroogd en gepoederd, en zonder een woord ging ze daarna weg,…”

 


Jef Geeraerts (23 februari 1930 – 11 mei 2015)

 

De Roemeense schrijfster en vertaalster Lavinia Braniște werd geboren op 23 februari 1983 in Brăila. Zie ook alle tags voor Lavinia Braniște op dit blog.

Uit: Interior Zero (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“I don’t know exactly.”
“They can hardly come with a cistern to empty a cesspit for an entire block.”
“Hardly.”
We come to a muddy street. A little way ahead, right in the middle of the road, there’s a huge puddle.
“Where did that water come from ? It hasn’t been raining,” I say.
“Must be a burst pipe,” says Mother.
We walk the streets at random, until we’ve wandered far from any landmark. Some streets are asphalted, others are not. There are no pavements. The buildings are crowded together. From one balcony you could jump across to the balcony opposite. When you walk between the blocks, you’re in a dark labyrinth. There are no green areas. You can’t breathe. Even so, they’re inhabited. There are lots of curtains at the windows, lots of cars parked everywhere.
After a while, we reach the edge and find ourselves facing an empty field.
We see a pack of dogs.
“Do we still know the way back ?” asks Mother.
“I think we came from that direction,” I say, pointing back the way we came. “What do you think ?”
“I’ve no idea. Let’s go this way.”
“Are you tired ? Can you walk further ?” I ask.
“Yes, I can.”
We walk back between the blocks. The streets aren’t laid out in straight lines, but at random, and I get the feeling we’re going astray again.
Mother lags a little way behind.
“Are we walking too fast ?”
“Nobody is going to come and visit you here,” she says. “It’s the back of beyond.”
We stop.
“Better we ask somebody, so that we’ll know we’re going in the right direction,” I say.
“What’s the deposit on a loan of twenty thousand ?”
Before I can answer, she goes on : “I reckon the ones that cost twenty thousand are in the semi basement.”

 

 
Lavinia Braniște (Brăila, 23 februari 1983)

 

De Britse schrijver Bernard Cornwell werd geboren op 23 februari 1944 in Londen. Zie ook alle tags voor Bernard Cornwell op dit blog.

Uit: Death of Kings

‘Sigurd isn’t.’
‘He’s still sick.’
‘Pray God he dies,’ Weohstan said savagely.
I learned more news in the city’s taverns. There were shipmasters from the whole coast of Britain who, for the price of an ale, offered rumours, some of them true. And not one rumour spoke of war. Æthelwold was still sheltered in Eoferwic, and still claimed to be King of Wessex, but he had no power until the Danes gave him an army. Why were they so quiet? It puzzled me. I had been so confident they would attack at the news of Alfred’s death, but instead they did nothing. Bishop Erkenwald knew the answer. ‘It’s God’s will,’ he told me. We had met by chance in a street. ‘God commanded us to love our enemies,’ he explained, ‘and by love we shall make them Christian and peaceable.’
I remember staring at him. ‘Do you really believe that?’ I asked.
‘We must have faith,’ he said fiercely. He made the sign of the cross towards a woman who had curtseyed to him. ‘So,’ he asked me, ‘what brings you to Lundene?’
‘We’re looking for whores,’ I said. He blinked. ‘Do you know any good ones, Bishop?’ I asked.
‘Oh, dear God,’ he hissed, and went on his way.
In truth I had decided against finding whores in Lundene’s taverns because there was always a chance that the girls might be recognized and so I led Finan, Ludda and Father Cuthbert down to the slave dock which lay upriver of the old Roman bridge. Lundene had never possessed a thriving slave market, but there was always some small trade in young folk captured from Ireland or Wales or Scotland. The Danes kept more slaves than the Saxons, and those that we did possess were usually farm labourers. A man who cannot afford an ox could harness a pair of slaves to a plough, though the furrow would never be as deep as that made by an ox-drawn blade.”

 

 
Bernard Cornwell (Londen, 23 februari 1944)
Alexander Dreymon als Uhtred in de tv-serie “The Last Kingdom”

 

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit: Een russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)

“Ook zijn kleine postuur droeg aan de vertedering bij: op zijn achtste dacht men dat hij nog op de kleuterschool zat, op zijn twaalfde zag hij eruit als acht. Om deze reden werd Sanja op de gewone school dan ook Gnoom genoemd. Niks vertedering, louter bijtende spot. Sanja ging Ilja bewust uit de weg: niet zozeer vanwege diens werktuiglijke, niet speciaal tegen Sanja gerichte, maar hem wel van tijd tot tijd treffende venijnigheid, als wel vanwege het vernederende verschil in lengte. Het was Micha die Ilja en Sanja met elkaar verenigde, toen hij in de vijfde klas zijn opwachting maakte en ieders verrukking opriep; hij was het klassieke mikpunt voor iedereen die daar niet te beroerd voor was —zo rood als een kroot. Gemillimeterd haar, een scheef kuifje met een roodgouden weerschijn, doorschijnende frambozenrode zeiloren, die verkeerd aan zijn hoofd stonden, net iets te dicht bij zijn wangen, zijn witheid en zijn sproeten, zelfs zijn ogen met een oranje gloed. En dan ook nog eens een brillejood. Het eerste pak slaag kreeg Micha meteen op r september, niet te hard, maar wel leerzaam, tijdens de grote pauze in de wc’s. Niet eens van Moerygin en Moetjoekin zelf, die verlaagden zich daar niet toe, maar van ja-knikkers en meelopers. Micha nam zijn portie stoïcijns in ontvangst, maakte zijn schooltas open, haalde een zakdoek tevoorschijn om zijn snottebellen af te vegen, en toen stak het katje zijn kopje uit de schooltas op. Het katje werd eruit gehaald en over en weer gegooid. Op dat moment stapte Ilja — de langste van de klas! — binnen en ving het katje boven de hoofden van de volleyballers weg en was het de bel die een eind aan deze onderhoudende bezigheid maakte. Toen hij de klas binnenstapte, gaf Ilja het katje aan Sanja, die in de buurt stond, en deze stopte het beestje in zijn schooltas. In de daaropvolgende grote pauze gingen de grootste vijanden van de menselijke soort, wier namen, Moerygin en Moetjoekin, als basis voor een toekomstig taalspelletje zouden dienen en die om meerdere redenen het vermelden waard zijn, wel even op zoek naar het katje, maar vergaten het algauw weer. Na het vierde uur mocht iedereen weg, stormden de jongetjes joelend en schreeuwend de school uit en lieten deze drie in het lege lokaal, dat vol met bontgekleurde asters stond, aan hun lot over. Sanja haalde het halfgesmoorde katje tevoorschijn en gaf het aan Ilja. Die gaf het weer aan Micha. Sanja glimlachte naar Ilja, Ilja naar Micha, Micha naar Sanja. `Ik heb een gedicht geschreven. Over het katje’, zei Micha verlegen.”

 


Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

 

De Nederlandse schrijver Toon Kortooms werd op 23 februari 1916 in Deurne geboren. Zie ook alle tags voor Toon Kortooms op dit blog.

Uit: Help! De dokter verzuipt…

“Kareltje Schutte, zoon van de Rechtvaardige, zag het gebeuren. Hij was druk doende de zegswijze in praktijk te brengen dat men in het veen op geen turfje ziet. Zijn vader, om nog nimmer achterhaalde redenen Herman de Rechtvaardige genaamd, had Kareltje erop uitgezonden. Hij diende wat brandstof te vergaren voor het kacheltje in de woonwagen van de familie Schutte.
‘Trek iets verder de Peel in, jongen,’ had hij gezegd. ‘Ze hoeven het nou ook weer niet te zien. Dat wekt maar ergernis.’
Trouwens Kareltje móést wel verder van huis opereren. De turfhopen in de onmiddellijke omgeving van het woonwagenkamp begonnen een aanfluiting te vormen van de eerder aangehaalde spreuk – er was nauwelijks nog een turfje te bespeuren. Die er gelegen hadden, volop, waren door de zwarte kachelpijpjes van de woonwagens vervlogen tot lichtblauwe rook. De gemeente, eigenaresse en exploitante van het veen, kon tegen dit brandoffer niets ondernemen. Het gappen geschiedde ongezien en op onmogelijke tijdstippen. De politiemacht van de Peel was er nooit bij. Patrouilles, hinderlagen en bliksemcontroles haalden weinig uit. Niemand van het woonwagenvolk werd ooit op heterdaad betrapt. Men keek wel uit.
Kareltje Schutte zag het gebeuren. Hij had net zijn hondekarretje beladen met eerste soort huisbrandturf en zijn zonde tegen het zevende gebod onder todden bedekt, toen de auto over de smalle grindweg naderde. Het voertuig kwam in volle vaart uit de verte en stoof, een langgerekte wervelende stofwolk achter zich latend, in de richting van het dorp.
‘Snetverderrie,’ mompelde Kareltje, ‘die heeft haast!’
De open wagen stoof voorbij, bestuurd door een vervaarlijk uitziend man, gehuld in leren kledij, een coureurskap op het hoofd en voor de ogen een indrukwekkende motorbril die de overmatig voorwaarts huivende witte wenkbrauwen verborg. Forse, in leder gestoken handen, machtig als plavuizen, omknelden het stuurwiel.”

 

 
Toon Kortooms (23 februari 1916 – 5 februari 1999)
Cover

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Johanna Margaretha Wela (Jo) Ypma werd geboren in Haastrecht op 23 februari 1908. Zie ook alle tags voor Jo Ypma op dit blog.

 

Balans

Gij weet wie mij het felste wondden.
Gij weet wie met hun oordeel over mij
Mij dreven in mijn hoogmoeds zonden
En deden wanen: ’t recht is aan mijn zij.

Ik heb gehoond, gespot en uitgezegend
Ik heb verkracht het eerst en groot gebod.
Uw schepsel heb ik met mijn spot bejegend
En in dat schepsel U gehoond, mijn God.

Ik dacht dat ik U helpen moest en strijden.
Voor alles wat ik meende waar te zijn.
Ik hief het mes, om ’t valse uit te snijden.
Ik korf in liefde en ik won de schijn.

Zie nu naar mijn gewonde handen.
Ik heb gekorven en ik sta alleen.
Ik meende ‘k breng de goede offerande,
Ik bracht U niets, dan ’t hart van steen.

 

Rondeel van het geloof

Het wordt je niet van mensen aangedaan……,
maar God, dat zò uw hand het licht verduistert,
ons leven van z’n laatste glans ontluistert,
dat wij in donker moeten verder gaan,

het turend oog geen enkle ster ziet staan,
de voeten door het duister zijn gekluisterd,
’t vertwijflend hart het honen bang beluistert:
het wordt je niet van mensen aangedaan!

Totdat wij stil, hoewel geheel omduisterd,
weer blindelings uw wegen kunnen gaan,
een kind gelijk, dat zacht vertrouwend fluistert:
– zijn handje in Vaders hand bij ’t verder gaan –
het wordt je niet van mensen aangedaan.

 


Jo Ypma (23 februari 1908 – 19 februari 1986)

 

De Australische schrijfster Sonya Hartnett werd geboren op 23 februari 1968 in Box Hill, Melbourne. Zie ook alle tags voor Sonya Hartnett op dit blog.

Uit: Golden Boys

“With their father, there’s always a catch: the truth is enough to make Colt take a step back. There’s always some small cruelty, an unpleasant little hoop to be crawled through before what’s good may begin: here is a gift, but first you must guess its colour. Colt’s instinct is to warn his brother —Bastian,don’t— as if away from a cliff ’s edge or some quaggy sinkhole, but doing so risks leaving him stranded, alone like someone fallen overboard in the night, watching a boat full of revellers sail on. Bastian will want to play. Their mother will say, in her voice of reined-in dismay, “It’s just a bit of fun.”As the eldest he gets to guess first, so he guesses, “Blue.”Their father shakes his head happily. “Nope! Bas?”Bastian is prone to birdiness, his whole world one of those plastic kitchens in which girls make tea from petals and water. He guesses, “Yellow?” as though it’s perfectly possible their father would bring home for his two boys a bicycle coloured yellow.“Nope again!” Their father is cheered, rather than nonplussed, by the attempt. “Colt?”
Already Colt feels they’ve run out of colours. “Green?”“Not green. Your guess, Bas.”Colt lets his shoulders fall. He looks at his mother, who is lin-gering by the leather recliner where their father would be sitting if he wasn’t standing by the mantelpiece conducting this game. She wears an apron, like a mother on a television show, and doesn’t look at him, although she surely feels it, his stare that is leaden even to him. And it happens again, like the clear tinging of a bell, the eerie moment when a truth breaks from the green depths into sunlight: she’ll ignore Colt for the rest of his life, if the choice is between her husband and her son. His mother will cling tight to the rail of the boat.”

 

 
Sonya Hartnett (Box Hill, 23 februari 1968)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit:An Episode in the Life of a Landscape Painter (Vertaald door Chris Andrews)

“The horse did indeed rise to its feet, bristling and monu-mental, obscuring halfthe mesh oflightning, his giraffe-like legs contorted by wayward steps; he turned his head, hear-ing the call of madness … and took off … But Rugendas went with him! He could not understand, nor did he want to—it was too monstrous. He could feel himself being pulled, stretching (the electricity had made him elastic), almost levitating, like a satellite in thrall to a dangerous star.The pace quickened, and off he went in tow, bouncing, bewildered … What he did not realize was that his foot was caught in the stirrup, a classic riding accident, which still occurs now and then, even afterso many repetitions.The generation of electricity ceased as suddenly as it had begun, which was a pity, because a well-aimed lightning bolt, stopping the creature in its flight, might have spared the painter no end of trouble. But the current withdrew into the clouds, the wind began to blow, rain fell … It was never known how farthe horse galloped, nor did it really matter.Whateverthe distance,shortorlong,thedisas-ter had occurred. Itwas not until the morning ofthe follow-ing day that Krause and the old guide discovered them.The horse had found his clover, and was grazing sleepily, with a bloody bundle trailing from one stirrup. After a whole night spent looking for his friend, poor Krause, at his wits’ end, had more or less given him up for dead. Finding him was not entirely a relief: there he was, at last, but prone and motionless.They hurried on and, as they approached, saw him move yet remain face down, as if kissing the earth; the flicker of hope this aroused was quenched when they real-ized that he was not moving himself, but being dragged by the horse’s blithe little browsing steps. They dismounted, took his foot from the stirrup and turned him over …The horror struck them dumb. Rugendas’s face was a swollen, bloodymass;theboneofhisforehead wasexposed and strips of skin hung over his eyes. The distinctive aquiline form of hisAugsburg nosewas unrecognizable,and his lips,splitand spread apart, revealed his teeth, all miraculously intact. The first thing was to see if he was breathing. He was. This gave an edge of urgency to what followed. They put him on the horse’s back and set off. The guide, who had re-covered hisguiding skills,rememberedsomeranchesnearby and pointed the way. They arrived half way through the morning, bearing a gift that could not have been more dis-concerting for the poor, isolated farmers who lived there. It was, at least, an opportunity to give Rugendas some simple treatment and take stock of the situation.They washed his face and tried to put it back together, manipulating the pieces with their fingertips; they applied witch hazel dress-ings to speed the healing and checked that there were no broken bones.“

 

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Lees verder “César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari”

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn vader had zich er zo op verheugd me blij te kunnen maken, en dat was zo ongewoon voor hem, een afstandelijke, driftige man zonder merkbare zachtaardige kanten, dat het niet aangrijpen van zo’n gelegenheid me misdadig leek. Even overwoog ik zelfs, hoe vreselijk de gedachte ook, het hele ijsje op te eten, alleen om hem een plezier te doen. Het was een kuipje, het kleinste, voor kleine kinderen, maar het kwam me voor als een ton.
Ik weet niet of mijn heldhaftigheid zoiets zou kunnen opbrengen maar ik kon die niet eens op de proef stellen. De eerste hap had mijn gezicht onwillekeurig van walging doen vertrekken, en dat kon hem onmogelijk zijn ontgaan. Het was haast een overdreven grimas, de fysiologische reactie gepaard gaande met een psychische component van teleurstelling, angst en de tragische droefenis zelfs wat dit soort genoegens betreft mijn vader niet te kunnen volgen. Pogen dat te verbergen zou dwaas zijn geweest; zelfs op dit moment zou het onmogelijk zijn, want die grimas is niet meer van mijn gezicht verdwenen.
‘Wat is er?’
In zijn toon school meteen al alles wat erna kwam.
In normale omstandigheden zouden tranen me hebben verhinderd hem antwoord te geven. Ik huilde altijd heel snel, zoals veel hypergevoelige kinderen. Maar een oprisping van die vreselijke smaak, die was weggegleden naar mijn keel en nu als een zweepslag terugkwam, bezorgde me een schok.
‘Gggh…’
‘Wat is er?’
‘Het is… vies.’
‘Het is wat?’
‘Vies!’ gilde ik wanhopig.
‘Vind je het ijsje niet lekker?’
Ik herinnerde me dat hij onderweg, naast andere dingen die aangename verwachtingen schiepen, had gezegd: ‘Ik ben benieuwd of je ijs lekker vindt.’ Uiteraard in de veronderstelling dat ik het lekker zou vinden. Welk kind vindt ijs nou niet lekker?”

 

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Lees verder “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari”

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn verhaal, het verhaal ‘hoe ik non werd’ begon al heel vroeg in mijn leven; ik was net zes geworden. Het begin is getekend door een levendige herinnering die ik tot in het kleinste detail kan reconstrueren. Daarvoor is er niets: daarna bleef alles zich aaneenrijgen in één enkele, lange ononderbroken herinnering, de onderbrekingen dat ik sliep inbegrepen, tot ik het klooster in ging.
We waren verhuisd naar Rosario. Mijn eerste zes jaar hadden wij – vader, moeder en ik – doorgebracht in een plaats in de provincie Buenos Aires, waarvan ik me niets herinner en waar ik nooit meer naar ben teruggekeerd: Coronel Pringles. De grote stad (want dat leek Rosario vergeleken met waar we vandaan kwamen) maakte diepe indruk op ons. Al na een paar dagen loste mijn vader een belofte in: met mij een ijsje gaan halen. Het zou voor mij het eerste ijsje zijn, want in Pringles bestonden ze niet. Hij, die in zijn jeugd steden had gekend, had meerdere malen de loftrompet gestoken over die traktatie, waaraan hij terugdacht als iets verrukkelijks en feestelijks, al kon hij de bekoring ervan niet onder woorden brengen. Hij had me er een heel accurate beschrijving van gegeven, als iets onvoorstelbaars voor een niet-ingewijde, en dat was voldoende volstond om ijs in mijn kinderlijke geest wortel te laten schieten, zo te laten groeien dat het een mythische omvang kreeg.
We liepen naar een ijssalon die we de vorige dag hadden gezien en gingen naar binnen. Hij bestelde een ijsje van vijftig centavo, met pistache, toffee en kumquat whisky, en voor mij een van tien centavo, met aardbeiensmaak. De roze kleur vond ik prachtig. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik aanbad mijn vader, vereerde alles wat hij deed. We gingen op een bank zitten onder de bomen die destijds in het centrum van Rosario stonden: platanen. Ik keek toe hoe mijn vader het deed in een mum van tijd het groene bolletje had verorberd, nam toen uiterst voorzichtig een lepeltje ijs en stak het in mijn mond.
Zodra het eerste laagje op mijn tong smolt, begon ik me al ziek van ellende te voelen. Zoiets smerigs had ik nog nooit geproefd. Ik was nogal een moeilijke eter en de komedie van walging kende geen geheimen voor mij, maar dit overtrof alles wat ik ooit had meegemaakt; mijn grootste overdrijvingen, inclusief die welke ik mezelf nog nooit had toegestaan, waren ineens meer dan gerechtvaardigd. Heel even overwoog ik te doen alsof ik het lekker vond.”

 

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Lees verder “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit: Een Russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)

“Tamara zat voor een bord met een spiegelei en at terwijl ze haar droom nog afkeek.
Haar moeder Raïsa Iljinitsjna haalde zo teder ze kon de kam met de spaarzame tanden door haar haar en deed haar best het levende vilt zo veel mogelijk te ontzien.
De radio braakte plechtige muziek uit, maar niet te hard: oma lag te slapen achter het scherm. Toen zweeg de muziek. De pauze was te lang en niet zomaar, zo leek. Daarna weerklonk de stem die iedereen kende: ‘Attentie! Dit is Radio Moskou. Alle radiostations van de Sovjet-Unie zijn in de lucht. Dit is een mededeling van de overheid …’
De kam verstarde in Tamara’s haar, zelf was ze mete en klaarwakker, schrokte haar gebakken ei op en zei met hese ochtendstem: ‘Mam, vast een of andere stomme verkoudheid en dan meteen het hele land …’
Ze kreeg geen tijd haar zin af te maken, omdat Raïsa Iljinitsjna opeens met alle kracht een ruk aan de kam  gaf, Tamara’s hoofd abrupt achteroversloeg en haar tanden op elkaar klapten.
‘Hou je mond’, siste Raïsa met verstikte stem.
In de deuropening stond oma in haar kamerjas, zo oud als de Chinese Muur. Ze hoorde het radiobericht stralend aan en zei: ‘Rajetsjka, koop jij iets lekkers bij Jelesejev. Het is vandaag trouwens Poerim. Ik geloof echt dat Samech de pijp uit is.’
Tamara wist toen niet wat Poerim was, waarom er iets lekkers gekocht moest worden, laat staan wie Samech was, die de pijp uit was. Hoe had ze ook moeten weten dat Stalin en Lenin uit veiligheidsoverwegingen in hun familie sinds jaar en dag bij de eerste letter van hun partijnaam werden genoemd, de s en de l, en dan in een geheimzinnige oeroude taal: ‘samech’ en ‘labed’.”

 

 
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

Lees verder “Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

funeral in early spring

as the grave preacher recites
tired disingenuous clichés
on the glories of eternal life
a little girl wanders off
during her grandmother’s funeral
a girl of three or four
in her brand-new easter bonnet
bought three days earlier
with easter still weeks away

her mother had seemed horrified
at the girl’s fashion faux pas
but harried after weeks in the hospital
watching her own mother fade
she had reluctantly given in
to her daughter’s begs and cries
to wear the dress before its time

and now beneath the preacher’s words
the whispers grow among the spinsters
as they scowl at the impropriety
the very audacity of this splash of pink
gliding over the land of the dead

but the girl continues her dance
over the nearby graves
still far too young to pretend to understand
what it means to die

she dances along
her dress catching the breeze
floating upward as if buoyed by the souls
the memories
the empty silences
of the dead
flowing softly
into the promise of her silent womb

 

Twilight

These long stars
on

stalks
that have grown up

early
and are like

water
plants and that stand

in all
the pools and the lake

even
at the brim

of
the dark cup

before
your mouth these are

the one
slit star

 

 
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

Lees verder “Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms”

Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

The Meatworks

Most of them worked around the slaughtering
out the back, where concrete gutters
crawled off
heavily, and the hot, fertilizer-thick,
sticky stench of blood
sent flies mad,
but I settled for one of the lowest-paid jobs, making mince
right the furthest end from those bellowing,
sloppy yards. Outside, the pigs’ fear
made them mount one another
at the last minute. I stood all day
by a shaking metal box
that had a chute in, and a spout,
snatching steaks from a bin they kept refilling
pushing them through
arm-thick corkscrews, grinding around inside it, meat or not –
chomping, bloody mouth –
using a greasy stick
shaped into a penis.
When I grabbed it the first time
it slipped, slippery as soap, out of my hand,
in the machine
that gnawed it hysterically a few moments
louder and louder, then, shuddering, stopped;
fused every light in the shop.
Too soon to sack me –
it was the first thing I’d done.
For a while, I had to lug gutted pigs
white as swedes
and with straight stick tails
to the ice rooms, hang them by the hooves
on hooks – their dripping
solidified like candle-wax – or pack a long intestine
with sausage meat.
We got to take meat home –
bags of blood;
red plastic with the fat showing through.
We’d wash, then
out on the blue metal
towards town; but after sticking your hands all day
in snail-sheened flesh,
you found, around the nails, there was still blood.
I usually didn’t take the meat.
I’d walk home on
the shiny, white-bruising beach, in mauve light,
past the town.
The beach, and those startling, storm-cloud mountains, high
beyond the furthest fibro houses, I’d come
to be with. (The only work
was at this Works.) – My wife
carried her sandals, in the sand and beach grass,
to meet me. I’d scoop up shell-grit
and scrub my hands,
treading about
through the icy ledges of the surf
as she came along. We said that working with meat was like
burning-off the live bush
and fertilizing with rottenness,
for this frail green money.
There was a flaw to the analogy
you felt, but one
I didn’t look at, then –
the way those pigs stuck there, clinging onto each other.

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

Lees verder “Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms”