Matthias Zschokke, Harald Hartung, Michel van Stratum

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook alle tags voor Matthias Zschokke op dit blog.

Uit: Max

„Bestimmt ist das nicht das Wesentliche, aber vielleicht für den Moment – es geht ja ganz schnell
denn er trinkt dann übereilt einige Asbach Uralt. Ich muß das so genau schreiben, weil es sich gleichförmig abspielt. Also: Da er etwas Mühe hat, sich auszudrücken – nein, kein Mitgefühl! bitte! wir haben heute alle Mühe, uns auszudrücken. Er ist überhaupt beängstigend gewöhnlich, auch wenn es sein Lebenslauf nicht verrät. Man schaue nur einmal in sein Appartement, denn ein solches bewohnt er, nicht etwa ein Logis oder eine Bude oder eine Wohnung oder ein Haus, nein, ein Appartement mit Fernseher und Katze und Poltrone (das heißt Sessel) und einer schönen Matratze am Boden, nicht etwa irgendeine Matratze auf den Boden »geknallt«, wie das die Pioniere der Bodenmatratze taten, sondern eine teure Federkernmatratze, aber eben auf den Boden gelegt, in Anlehnung an die von ihm bewunderten Revolutionäre mit Politik im Kopf und Wissen, ja, und natürlich Plattenspieler, Tonbandgerät und was unsere Zeit an schwer herumzutragenden Vereinsamern mehr hervorvorbringt. Einfach alles. Auch einen Wagen hat er, wie jeder wie jeder
23 Jahre alt ist er, der Max
und noch das mexikanische Sticktüchlein auf dem linken Lautsprecher, ein Geschenk seiner Schwester, und das indische Intarsienholzkästlein aus dem Warenhaus in der Schweiz, von seiner Schwägerin, mit dem schwarzen Garn und den Nähnadeln, dem weißen Kissenknopf
Entschuldigung, auf all das kann ich später zurückkommen
Jetzt zu Bea
also: Schnell ein paar Asbach Uralt um seine Sprach- und anderen Hemmungen zu überwin¬den. Denn das hat er, Hemmungen vor Frauen. Aller Art. Zum Beispiel glaubt er, ich sage das nicht gern, weil es leicht geschehen könnte, daß man ihn deswegen auslacht, er glaubt ein bißchen, er sei gut aussehend, und die Frauen seien vorerst immer nur an seinem Aussehen interessiert, und sein wahres Ich (das hat Horvath geschrieben: Der junge deutsche Student sagt zur alternden Valerie: »Wissen Sie, die jungen Frauen bringen meinem wahren Ich nicht genug Verständnis entgegen.« Wahrscheinlich, nein, gewiß hat er etwas anderes geschrieben, aber so ist es mir geblieben),
eben, sein wahres Ich interessiere vorrangig niemanden. Und da er sich praktisch nur mit seinem Ich beschäftigt, wohl ein Egoist ist, kränkt ihn das ungemein, und er verachtet alle Frauen von vornherein. Von Männern glaubt er, sie seien eher an ihm interessiert, da er wenig von gleichgeschlechtlicher Liebe weiß.
Übrigens hat sich das geändert, so einfach ist es heute nicht mehr. Alles geriet ihm durcheinander
Entschuldigung, ich verliere mich
also: Bea ist unheimlich schön. Was ja nicht eine Gabe ist, sondern sie hat sich in einem mühevollen, endlosen Bewußtseinsprozeß zu einer auffallenden Schönheit heraufgearbeitet.“

 

Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

 

De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook alle tags voor Harald Hartung op dit blog.

 

Zoals Zacheüs

Langs de weg groeit de sycomore sneller
dan je naar boven klimt op deze boom
om je aan te bevelen bij de milde man die
door de mensenmenigte wordt verwacht

Ze zullen op de verkeerde gokken op
de tiara of de gele trui
Maar stel dat je op de goede gokt…
er is nog steeds die handicap met de boom

Ook is de koelkast leeg en er is geen vuur
in de haard

 

Vertaald door Frans Roumen

 

  Harald Hartung (Herne, 29 oktober 1932)

 

De Nederlandse dichter en schilder Michel van Stratum werd geboren in Goirle op 29 oktober 1970. Zie ook alle tags voor Michel van Stratum op dit blog.

 

Zwanenhals

Ik voel me
geducht
als een sluimerend
gerucht

Ik ben dichter
bij de plus
dan
de minus

 

Michel van Stratum (Goirle, 29 oktober 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e oktober ook mijn blog van 29 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 29 oktober 2018 en ook mijn blog van 29 oktober 2017 deel 2 en eveneens deel 3

Jan Wolkers, Andrew Motion

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

Uit: Dagboek 1970

“DONDERDAG 15 JANUARI 1970
Eén celestone. Eibergen Hotel De Klok Grotestraat 84. Acht uur. Autobaan tot Beek. Ruimen ’s ochtends alle kattenstront op. Vloer schoongewreven met natte doeken. Jeroen blijft tussen de middag op school. Na de douche haal ik een lekker maaltje voor hem. Ham en asperges en tonijn. Dan gaan we weg naar Eibergen. Eerst nog even tanken. Bij de benzinepomp zegt de bediende stom: ‘Ik wist niet dat je geld te veel had.’ Er schijnt iets in Het Vrije Volk te staan over de duizend gulden die ik aan de academie heb gegeven voor het fonds ter ondersteuning van de onkosten door processen-verbaal en ontslag leraar. We rijden eerst naar Arnhem om Jans jak terug te brengen en de vier kisten sigaartjes voor Anna af te leveren. We zijn er om half zeven. Blijven maar een half uur. Jan zegt dat het op zijn academie ook roerig is en dat er wat adhesiebetuigingen zijn. Als we van Arnhem naar Eibergen rijden zijn er veel mistbanken, zodat je van honderd kilometer ineens af moet remmen tot twintig omdat het zicht niet meer dan vijf meter is. We komen vijf minuten te laat. Naar mannetje, cultureel ambtenaar. Verwijt ons bijna dat we vijf minuten te laat zijn. Staat ons op te wachten maar herkent me niet. Zeker door kleren. ‘Komt u voor de lezing?’ Ja.’ Hoe is uw naam?’ Jan Wolkers. ‘Komt u dan maar mee’. Dat was al een afgang. In zaal applaus. Hij zegt dat we geen koffie meer kunnen drinken omdat het al te laat is. Lees Tifienbeese, ‘Ezau’s handen’, laatste stuk Horrible Tango en ‘De vleugels van Hermes’ voor. Bij de discussie veel politieke vragen. Ik: ‘Als we zwart of bruin waren en nog niet zo lang een nationale eenheid, waren de Groningers die op de gasbel wonen de Biafranen van Nederland.’ De voorzitter lullig verweer. Gaat steeds af. Zegt later: ‘Ik ben als de conservatief afgegaan.’ (Als hij het niet meer wist zei hij: ‘Dat zegt u nu wel, maar kunt u dat staven?’) Toen ik gezegd had dat alle kranten op De Waarheid na verkocht zijn aan grote concerns. Dat geen krant met grote kop had geschreven: ‘Shell vermoordt twee miljoen Biafranen’: enorm applaus. Er is ook iemand van de geestelijke verzorging van Rekken. Zegt tegen mij over ‘Kunstfruit’: Die hond is er nog steeds’ (die de stroop van de kutjes van de meisjes likte).”

 

Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)   

 

De Engelse dichter, schrijver en biograaf Andrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Zie ook alle tags voor Andrew Motion op dit blog.

 

Heilig Eiland

Ik sta achter je op het vasteland, leunend
op je schouder en wijs met één arm
voor je gezicht naar gewichtloze sintels,
wat raven zijn die bulderen boven het eiland.

Keileem op de aardlagen en stranden
bespat en bezaaid met kolengruis. Zeekoeten
die de rotswand wit kleuren. Kleine orchideeën ontwikkelen
zich stellig nog in een stortbui van Arctisch zonlicht.

Hoeveel jaar zijn er nog om over te steken?
en je de dingen zelf laten zien, niet mijn idee
van de dingen? Dertig, als ik de leeftijd van mijn vader haal.
Ik kan niet verklaren waarom ik er zo laat mee ben.

Je zwarte haar waait in mijn ogen, maar ik kan zien
hoe snel alles nu gaat. Het weer polijst
de zilveren velden verderop; de raven duiken naar beneden
en strijken neer tussen de prachtige pagina’s van de evangeliën.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andrew Motion (Braintree, 26 oktober 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e oktober ook mijn blog van 26 oktober 2018 en ook mijn blog van 26 oktober 2014 deel 2.

Michel van der Plas, Masiela Lusha

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

Uit: Uit het rijke Roomsche leven

“Waar trof men een dergelijk missionair élan aan, een zo schitterende beoefening der weldadigheid? (Iedere katholiek kent, vanaf zijn vroegste jeugd, de truc van iedere liefdadigheidspredikant, de liefdadigheid te verheerlijken van de parochie waarin hij bedelt.) Waar kon men zulk een sterke katholieke partij laten zien, een zo hecht georganiseerde jeugdbeweging? Waar een zo schitterende katholieke pers, een eigen katholieke radio-omroep? Voortdurend werd de Nederlandse katholiek als het ware met zijn ‘rechtvaardigheid’, zijn ‘stipte navolging’ der voorschriften en zijn ‘hechte organisaties’ om de oren geslagen. De paus, zo meldden de kranten dan ook te pas en te onpas, prijst katholiek Nederland voortdurend.
De organisatie in het ‘eigen huis’ scheen voortreffelijk. Er heerste een strenge discipline. In het kerkelijk en wereldlijk leven deed zich een sterk hiërarchisch gezag gelden, dat geen twijfel duldde. Men krijgt de indruk dat er aan het bouwwerk niets mis kon zijn. Openbare katholieke personen of lichamen konden het niet mis hebben. De kerk had altijd gelijk, de clerus had altijd gelijk, de zuster op school had gelijk, vader en moeder hadden gelijk, maar ook de R.K. Staatspartij, De Maasbode en pater Borromaeus hadden gelijk. Betwijfelde iemand dat gelijk, dan was de verontwaardiging over zijn optreden algemeen, dan wilde hij kennelijk ‘onze prachtige eenheid’ verstoren. De volgzaamheid der Nederlandse katholieken moest welhaast dat slaafse karakter krijgen waar een Rogier ver na de tweede wereldoorlog eerst de staf over kon breken. Interessant en tekenend zijn de rubrieken Ingezonden en Brieven van Lezers in de katholieke dagbladen van deze periode, in vergelijking met diezelfde rubrieken van onze dagen. Om te beginnen waren zij veel kleiner van omvang. Dan was het woord er op de eerste plaats aan H.H. Geestelijken. De leken die er aan het woord kwamen bevestigden het officiële gelijk; een woord van kritiek of protest was een hoge zeldzaamheid. Men krijgt de indruk dat de ‘katholieke jongeren’, die hun onbehagen over de heersende levensstijl in eigen organen onder woorden brachten, daar min of meer ‘onschadelijk’, want ‘onder elkaar’ werden geacht; in de rubrieken Ingezonden vindt men praktisch geen weerspiegeling van hun denkbeelden. De hiërarchische verhoudingen, niet slechts van leken ten opzichte van clerus (een dialoog op basis van wederzijdse achting en vertrouwen werd niet of nauwelijks gevoerd), maar evenzeer van ‘gewone man’ ten opzichte van politieke leiders of hoofdredacties werden nauwgezet geëerbiedigd.
Maar het opvallendste aspect van deze zelfverheerlijking in de gevestigde en onaantastbaar geachte orde is dat zij ging ten koste van ‘de wereld’. In de begrijpelijke verdediging van het grote gezin tegen Neo-Malthusiaanse tendensen, worden ‘de twee kinderen’ die ‘de anderen’ wensen, in de ogen van een predikant als H. de Greeve dan ook meteen ‘verwende dwingelanden’, ‘lastige karakters’ en ‘verwende naturen’, ja, ‘vroeg rijp, dikwijls ook vroeg rot’. Hoe hij zich het karakter voorstelde van het enig gebleven katholieke kind, wiens ouders tegen het eigen verlangen in niet méér kinderen hadden mogen krijgen, liet de gewijde spreker voor het gemak buiten beschouwing.”

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook alle tags voor Masiela Lusha op dit blog.

 

Kameleon

Patronen van overeenkomst,
Goud. Amber. Ivoor. Inkt.
Optreden. Meegaand.
De donkerste waarheid in omber,
Dan briljant turkoois,
Oud wit. De kameleon,
Een sociaal dier, aangenaam.
Verdwenen onder de bordeauxrode kleur van
Meningen, beleefde politici,
Lachende ego’s. Hoogheid.
De lachende kameleon,
De zuster van de vrede. Tussen de glinsterende
Beleefdheid van natuurlijke juweeltjes
Uitgedost voor haar sprekers,
Rust zij op hun kunst, glimlachend,
Onzichtbaar, onoverwinnelijk. imiteert
De wisselende opalen van hun conversatie.
Imiteert een weerschijn van hun respect.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e oktober ook mijn blog van 23 oktober 2018 en ook mijn blog van 23 oktober 2017.

Hans Warren, Monika Rinck

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“7 september 1950
19 uur, in ’t hotel. Wat me overkwam toen ik een paar dagen geleden op een regenachtige avond door de Rue de Bièvre liep, heb ik nog niet genoteerd. Dat is een wat lugubere straat op de linkeroever, in een wijk die met zijn zwarte muren en in natte keien weerspiegelende schaarse gaslantarens zó dienen kan als décor voor een griezelfilm.
Het was een uur of tien. Opeens hoorde ik een meeslepend rythme, oosterse muziek. Ik zag een klein café, zinken toogje, wat zitplaatsen random. De smalle deur stond open, er waren enkel Noordafrikanen, tot op de stoep. ‘Cela vous plaît, la musique orientale?’ vraagt er een met blinkende ogen. Ik knik. ‘Ga dan toch naar binnen!’ Wat aarzelend ga ik aan het toogje staan. De patron is een Algerijn, in kennelijke staat. Er zijn drie muzikanten, een met een ‘oud’, een soort luit, een met een trom die half uit een hoes je steekt, en een jongen met een tamboerijn. Een paar dozijn fonkelende ogen kijken me aan, sommige fluwelig, vriendelijk, andere lachend, weer andere verwonderd of wat achterdochtig. Ik ben de enige Europeaan in het gezelschap. Ik kan mijn ogen niet van de luitspeler afhouden. Hij heeft een expressieve bruine kop met vlammende, blikkerende ogen, en sterk gebogen neus, en onder de donkere snor lacht zijn mond met te grote, flitsende tanden. Hij buigt zijn zwarte krullebol verliefd over zijn instrument, en hij voert het rythme op, woest, hartstochtelijk. Trom en tamboerijn moeten mee. Hij lacht me met zijn ogen toe, met die diepe glimlach die een noorderling niet ‘zomaar’ geven kan, en dan knapt de muziek abrupt af.
De patron schenkt zich voor mijn rekening een ‘fine’ in, en ik loop naar de muzikanten. ‘Had ik maar beter materiaal’ zegt de speler, wijzend op de drie of vier gesprongen snaren van zijn luit. Het is een instrument met een mooie warme klank, en hij is er een virtuoos op, maar er is met het ding geleefd. Het hout is bekrast en uitgebeten door drankvlekken. De man moet achter in de twintig zijn, de tromspeler, die een mager, benig gezicht heeft waarin veruiteenstaande reeënogen, schat ik op dertig, en de jongen met de tamboerijn op zestien. De luitist draagt een donkerrood jasje boven een khakibroek. ‘U zult nu iets moois horen’, hij begint te preludiëren.
‘Maar ga toch zitten’. De tamboerijnjongen haalt een stoel voor me, schuift die aan hun tafeltje. Ik haal m’n glas van de toog. ‘Mon ami hollandais, hóllandais!’ wordt er al geroepen, alsof ik er van door wou gaan. Daar zit ik dan.
De luitist gaat zingen, zijn stem domineert het instrument. En als bij de meeste oosterse liederen zoekt de zangstem andere wegen in een rythme dat toch ook weer past bij het strakkere rythme van de begeleiding. Zijn mond lacht als hij zingt, en zijn rose tong klapt telkens omhoog tussen die flikkerende tanden. Zijn ogen sproeien vuur, hij wiegt, buigt over zijn instrument, hij geeft de trommelspeler, wiens vingers en hand nu zó vlug gaan dat ik ze als schimmen zie waaieren, kopjes als een poes, liefkozingen, en hij plukt met meesterlijke zekerheid de fantastische melodie uit de snaren.”

 

Milieuvervuiling

Gore plastic zakken, fladderend, vastgehaakt
aan stokken in een tochtsloot ergens op Schouwen
zo’n lichtloze middag tussen Sint en Kerst:
Chileense flamingo’s.

Ooit fantaseerde ik een zwoel moeraswoud
vol orchideeën, roepen, slingers baardmos
en spiegelend onder smaragden waaierkruinen
Chileense flamingo’s.

 

De zwartkoptuinfluiter

Eigenlijk al van mijn kindertijd af
denk ik al aan mijn uitvaart.
Ik zou willen dat iedereen dan
gelukkig was, dat vreemde geluk
om iets wat te mooi is, wat pijn doet.
Ik heb mij daarbij muziek voorgesteld,
een klagende hobo van Albinoni,
of dat ik op een bandje voor jullie
een stoïsch, dankbaar gedicht voorlas;
maar eigenlijk hoop ik dat het mei zal zijn
onder hoge beuken, en heel stil,
en dat dan opeens twee zwartkopjes gaan zingen
tegen elkaar in. Laat dan niemand spreken,
want iets mooiers, iets ontroerenders
bestaat er niet op aarde.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

HEMELSE HARDHEID

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Een halve wereld uit blauw licht.
Is dat lucht of wand? Stomme vogels, mereldummy’s, ja mussen,
In kunsthars en verharder geband, in doorzichtige kubussen gegoten.
Je zou bijna huilen. Of in plaats van vogels tjilpen en springen.
Maar nog ligt er een zware slaap op jou en alleen je droom
weet van de anderen. Hij denkt voor je, bv.: Wat is een schap?
Er doelgericht iets inleggen, met één hand die zeker is en vakkundig.
Omdat het daar thuishoort, een inbreuk, zo precies passend, je huivert.
Nu lig je wakker in je tent uit geld en wil je alles betalen.
Blijf hier, wacht op het einde van de wand. Versier de randen van de dag
met sluimer, nee, erger nog, vlecht de kitsch in je haar.
Maar kijk, het kwetsbare leven ‘s morgens is niet niks!
Geen verkeerd woord, sta op, kijk uit het raam, hoe een halve wereld
uit blauw licht ontluikt, daar! Een oranjetipje landt, beeft, explodeert.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Simon Vestdijk, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Stad aan de Wadden

Drie eilanden staan aan de horizon,
Als ’t niet zeer nevelt. Jongens komen kijken,
Wanneer de postboot keert, die langs de dijk een
Rookpluim doet strijken, licht-bruin voor de zon.

De winter duurt hier lang; het spaarzaam groen
Bevat een stillen winter in zijn takken.
En in de binnentuintjes, kalme vlakken,
Zou zelfs geen moordenaar een moord gaan doen.

Het drievuldig plaveisel, gele klinkers,
Gekleurde keien, blauwe, bolle stenen:
Zij dragen jaren reeds dezelfde benen,

Want ’s avonds, in hun pas van stille drinkers,
Slenteren mannen rokend naar het dok –
De haven langs – en weer terug naar ’t dok.

 

September


O koel getij, de maagd is u gewijd,
Maar gij zijt maagd’lijk als een lappendeken:
Verschoten, opgesierd en nooit gevrijd;
Want nu is wel de laatste kans verkeken

Voor oude vrijsters, die in de avondtijd
Voor buurbezoek de dorpsweg oversteken,
De opgenomen rok om ’t been gevlijd
En om de maag’re heupen gladgestreken.

Een moede maand, een wachtend land; de koeien
Staan ’s avonds in het zilv’ren nevellicht,
En al het werk op de akker is verricht.

Men ziet geen boom in bloei, geen vlinder stoeien,
En waar de oogst tot schoven is gestoeld
Is alles zwijgzaam en reeds afgekoeld.

 

April

De eerste knoppen zijn al voorbereid:
Zij zwellen zoals ook de meisjes zwellen
Van weelde na die lange wintertijd
Dat ’t hart zich nog niet open wilde stellen

Straks zal hen wel een jonkman vergezellen;
En ’t groeit heel snel, om ’t even of men vrijt
Of dat men niet vrijt, – niets is te voorspellen,
Geen knop die ooit zijn zondeval belijdt!

Liefde doet wat zij wil: de smalle dijken,
De wegen en het eenzaam heidepad,
Zij staan vol knop tegen de avondval.

En zelfs de stad – die men vaak onderschat –
Zoemt van het vrijend volk, dat neer gaat strijken
En zwelt en breekt dat het hen heugen zal!

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

botanische tuin

bezig, de woorden tot jou te wegen-
de paren zwijgend op aangeharkte paden,
de bedden met loof bedekt, de bomen kaal,
de bloemen aan de hekken smeedijzer koel,
het licht aristocratisch bleek als was –
zag ik op de heuvel van glas de broei-
kas, zijn witte ribben, fin de siècle,
en dacht meteen aan die walvisskeletten
waarvoor je als kind je nek verrekte
in de musea, aan onzichtbare draden,
dat ze leken te zweven, opgehangen,
aan die monsters, toe gezwommen
uit oertijddiepten naar een strook kust,
gestikt door hun eigen gewicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Günter Grass

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

BOHNEN UND BIRNEN

Bevor die grünen Dotter welken –
die Hennen brüten einen frühen Herbst -,
jetzt gleich, bevor die Scherenschleifer
den Mond mit hartem Daumen prüfen,
der Sommer hängt noch an drei Fäden,
den Frost verschließt ein Medaillon,
noch eh der Schmuck, verwandt dem Regen, wandert,
noch eh die Hälse nackt, vom Nebel halb begriffen,
bevor die Feuerwehr die Astern löscht
und Spinnen in die Gläser fallen,
um so der Zugluft zu entgehen,
vorher, bevor wir uns verkleiden,
in ärmliche Romane wickeln,
laßt uns noch grüne Bohnen brechen.
Mit gelben Birnen, einer Nelke,
mit Hammelfleisch laßt uns die grünen Bohnen,
mit schwarzer Nelke und mit gelben Birnen,
so wollen wir die grünen Bohnen essen,
mit Hammelfleisch, mit Nelke und mit Birnen.

 

KINDERLIED

Wer lacht hier, hat gelacht?
Hier hat sich’s ausgelacht.
Wer hier lacht, macht Verdacht,
daß er aus Gründen lacht.

Wer weint hier, hat geweint?
Hier wird nicht mehr geweint.
Wer hier weint, der auch meint,
daß er aus Gründen weint.

Wer spricht hier, spricht und schweigt?
Wer schweigt, wird angezeigt.
Wer hier spricht, hat verschwiegen,
wo seine Gründe liegen.

Wer spielt hier, spielt im Sand?
Wer spielt, muß an die Wand,
hat sich beim Spiel die Hand
gründlich verspielt, verbrannt.

Wer stirbt hier, ist gestorben?
Wer stirbt, ist abgeworben.
Wer hier stirbt, unverdorben,
ist ohne Grund verstorben.

 

MEINE ALTE OLIVETTI

ist Zeuge, wie fleißig ich lüge
und von Fassung zu Fassung
der Wahrheit
um einen Tippfehler näher bin.

 

BONEN EN PEREN

Voordat de groene dooiers verwelken
broeden de kippen op een vroege herfst
-,
nu meteen, voordat de scharenslijpers
de maan met een harde duim controleren,
de zomer hangt nog aan drie draden,
een medaillon schroeit de vorst dicht,
nog voordat de sieraden, familie van de regen, zich verplaatsen,
nog voordat de halzen bloot, half gegrepen door de mist,
voordat de brandweer de asters blust
en spinnen in de glazen vallen,
om aan de tocht te ontsnappen,
daarvoor, voordat we ons verkleden,
in armmoedige romans wikkelen,
laten we sperziebonen breken.
Met gele peren, een kruidnagel,
met schapenvlees laten we de sperziebonen,
met zwarte kruidnagel en met gele peren,
zo willen we de sperziebonen eten,
met schapenvlees, met kruidnagel en met peren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e oktober ook mijn blog van 16 oktober 2018 en ook mijn blog van 16 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 16 oktober 2016 deel 2.

A. F.Th. van der Heijden, Katha Pollitt

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

Uit: Stemvorken

“Achter in de schemerige gang lag een dode man, bewaakt door een naakte vrouw, die op knieën en ellebogen razendsnel heen en weer kroop. Grommend met ontblote tanden – alsof ze het lijk wilde beschermen tegen onverwachte indringers. Haar rechtmatige prooi. De voordeur was tegen de muur geslagen, en voor mijn voeten lag nu een rechthoek van zonlicht waarbinnen zich mijn schaduw aftekende. De vrouw knipperde met haar ogen, wat in tegenspraak leek met haar verder zo vervaarlijke aanblik. Ze deed met geheven hand een uitval in mijn richting tot ongeveer halverwege de gangloper, en maakte toen, misschien verdreven door het felle licht, rechtsomkeert – op het lijk af, nog steeds kruipend, waarbij ze over haar schouder naar me bleef kijken. Slijmdraden lekten uit haar mondhoeken en trilden aan haar kin.
‘Rustig maar,’ riep ik. ‘We zijn hier om je te helpen.’
Ik zette een stap over de drempel en de kokosmat, waarna de vrouw een soort luchtsprongetje van schrik maakte en een golf urine verloor, die half tegen de muur en voor de andere helft in het stof naast de loper terechtkwam. Ze nam haar positie pal voor de dode weer in, gezicht naar mij toe, halsspieren gespannen, zwaaiend met haar bovenlijf. De handen maakten pas op de plaats, bonzend op de planken vloer. Ik deed een paar stappen dieper de gang in.
‘Voorzichtig aan, Zwanet,’ klonk achter me de stem van mijn collega, die op het trottoir stond. ‘Laat mij anders even.’
‘Ze is banger voor mij dan ik voor haar, Ron.’
‘Maar toch,’ zei Ron. Hij stapte het granieten stoepje op, waarvan de plaat los lag, zodat het dreunende geluid de vrouw nog meer deed terugdeinzen. Achterwaarts kruipend stootte ze tegen het lichaam. Het lag op z’n rug, geheel gekleed, behalve dat de pantalon samen met de onderbroek tot halverwege de bovenbenen omlaag was geschoven. Ook toen mijn ogen nog aan het halfduister moesten wennen, had ik meteen al gezien dat de man was overleden. Mijn collega’s van de GG&GD hadden het altijd over ‘een bepaalde grijsheid van het gezicht’ waaruit ze de dood afleidden. Deze gestorvene had eerder een stoffige beige teint. En trouwens, al bedroog mijn zicht me misschien in het halfdonker, mijn reuk was er ook nog. Niet voor niets hadden de buren in de Retiefstraat geklaagd over ‘lijkenlucht’. ‘Op z’n minst een kapotte rioolpijp.’
‘Vertel me dan in ieder geval,’ zei Ron, ‘wat je daar aantreft. Ik kan niks zien… je staat als een blok voor me.’

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

EEN DICHTER VAN ONS KLIMAAT

De vergulde en grandioze weelde van de geschiedenis
minachtte hij vanaf het begin, die met roze en goud verlichte wolk
die zichzelf voortdurend boven het hoofd beukte
tot nieuwe namaak-knikkers, onechte monumenten –
en de geur van geschiedenis: pioenen en loopgraven.

Waarheid had geen verleden. Zij was woordeloos als water, een vallen
van schaduw op steen. Hoe hij ernaar verlangde de stilte te benaderen,
om zichzelf te zien verdwijnen in de kalme uitgestrektheid
van sneeuw in Ohio. Op een dag zou hij dat doen. Intussen
hield hij zijn regels kort en zijn vocabulaire klein.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katha Pollitt (New York, 14 oktober 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e oktober ook mijn blog van 15 oktober 2018 en ook mijn blog van 15 oktober 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten van der Graaff, Katha Pollitt

De Nederlandse dichter en schrijver Maarten van der Graaff werd geboren op 14 oktober 1987 in Dirksland. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaff op dit blog.

 

LIJST MET MENSEN OP DE KOUDE STEEN

Ik wil geen cultureel ondernemer zijn
en roep vanaf de koude steen dat ik liefde wil.
Ik ben zzp’er. Ik wil liefde en een vrije kunst.
Er zit geld in gedichten
en ik wil geld om halve liters te kopen,
want ik ben saai en verslaafd aan bier.
Dat is een saaie verslaving.
In een tunnel stel ik me voor
dat alle wegen ondergronds zijn.
Geen masochisme in romans meer
of tv-series over zwijgzame, beschadigde mannen.
Ik praat tegen je.
Vanaf de koude steen praat ik tegen je.
Ergens wordt een wil gebroken.
Çağlar Köseoğlu op de koude steen.
Ik hou van Çağlar
en ik hou van Léjon Saarloos.
Léjon Saarloos op de koude steen.
Hannah van Binsbergen en Matthijs Ponte op de koude steen.
Op de koude steen zitten is strafwerk.
Je kunt een doodsmak maken op de koude steen.
Ik zou een illegale poëziebijeenkomst willen organiseren,
maar omdat het opstandige en geheime
gefetisjeerd worden door cultuurproducenten,
heb ik er geen zin in.
Ik ben niet gekomen om een warme steen te brengen.
Het licht wordt smeriger, het handschrift obsessiever.
Arno Van Vlierberghe en Mathijs Tratsaert op de koude steen.
Bert van der Beek op de koude steen.
Op de koude steen zitten is liefdewerk.
Op de koude steen zitten is een dom kunstwerk.
Ik geloof in herhaling
en ruik de stille adem van de catastrofe.
Max Czollek danste op techno, maakte techno
en dacht iets te zien. Een andere samenleving
(nu bouwt hij drukkamers).
Mina Pam Dick op de koude steen.
Vanaf de koude steen praat ik tegen jullie.
Alle poëzie is burgerlijk,
alle gemeenplaatsen zijn van ons.
Kom naar me toe!
Mijn huisdieren zullen sterven
en ik zal bij ze liggen in de grond.
Alle cultuur zal verdwijnen
en ik leef in Utrecht, zoek naar werk
en eet dingen op.

 

Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

Vijf november, Riverside Drive

De lucht een schok, de ginkgo’s gele koorts,
Ik breng de dag door met wandelen. November, en nog steeds
verblindt licht de grote erkers op West End
Avenue, het park bruist van licht als een kom
en op de rivier
trilt een zeilboot als een wit blad in de wind.

Wat een achttiende-eeuws schilderij, dit
keurig verstrijken van het jaar: de zon
verwarmt nog steeds de versleten marmeren portieken
en met krullen verfraaide paviljoens waar een oude man,
zwart gejaste verschijning van Voltaire,
klapwiekt op zijn aangeboren. ‘Heldere lucht,
heldere geest’ -alsof hij de duisternis kon overtreffen
door als een zwerm kraaien naar huis te zwieren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katha Pollitt (New York, 14 oktober 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e oktober ook mijn blog van 14 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Colin Channer, Jeet Thayil

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: Passing Through

“In white, at dusk, on the final day of all that he had known to be his life, Eddie Blackwell left Eugenia sleeping in a ball of naked flesh and made two strides across the planking to the open door.
He was broad-shouldered and compact with wavy, center-parted hair, and there was something in the way he slightly hunched and kept his pelvis taut that marked him as the kind of man who’d taken drinks in places where the patrons settled arguments by dropping in a crouch.
He was long-faced, with tight skin, and if you saw him in a quarter pose, even if your view was just a glance, you’d note the angle of his cheeks, the way they jutted then descended in a scoop along his jaw, how they tapered thinly from his eyes toward his ears as if they were designed to swim.
Eddie Blackwell’s hut was built on stilts on marshy ground with pilings driven deeply in a natural bank of mud and sand along the sloping crescent where the River Janga made its final curve before it poured into the belly of a dark lagoon—a mangled mass of mangrove roots and hidden channels with a secret opening to the minty waters of the Caribbean Sea.
In the shadow of the mangroves, Eddie, an American who’d lived in the West Indies for the most fulfilling years of his chaotic life, could see a buzz of trembling lights.
An armada of canoes had come together overnight, and he could see now in the water right below him pink and yellow petals from the flowers that the people of New Lagos had released into the stream. On the other bank, a little string of boats constructed from banana leaves were tangled in the reeds.
A light emerged out of the pulsing mass of brightness and began to shimmer up the stream toward him. And, living as he did before the camera was a common object, he built a book of memories in his mind.
In deep focus, he looked east across the marsh toward the hills, which in the lifting darkness had begun to show their edges in the bluish-gray collage of earth and sky. Dark and undulating, they approached from either side, a gentle rise and fall that gathered force, congealing in the cratered cone of Mt. Diablo, the volcano that had caused implosions in his life.
Eugenia wasn’t sleeping. This he knew. And as he thought again about the multistranded knotting of her complicated love, he panned now to the north. From his elevation he could see the marshland merging with repeated frames of cattle farms and cane.”

 

Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.

 

Aan Baudelaire

Ik ben eindelijk over je heen, in Mexico-Stad,
in een witte ruimte hoog boven de straat,
mijn handen stil, de muren onbeweeglijk.
Het is hier warm, veilig en zelfs in de winter
is de regen goedaardig. Op sommige morgens zet ik
de geluiden van het plein – een fruitverkoper,
een jongensacrobaat, een vrouw die onmogelijke
ficties verkoopt – op een hoop in een hoek
van de kamer. Ik zeg niet dat ik gelukkig ben,
maar ik ben gezond en mijn geld is van mij.
Soms als ik op de markt loop,
langs de kippen en de varkensrook,
denk ik aan jou – je opschepperij en wolvenhart,
je haar van Bonaparte en ogen van Poe.
ik mis je niet. Ik mis je niet wanneer
ik een raam open en licht de kamer vult
als water dat in een papieren beker stroomt,
of als ik de witte jurk van een vrouw zie glanzen
als nieuwe munten en ik weet dat ik mijn voeten
zou kunnen volgen naar de rivier en mijn leven weg
laten gaan van mij. Op momenten als deze,
als ik mezelf betrap terwijl ik tegen je praat,
ben ik altijd verbaasd over de woorden die ik hoor
van spijt en stomme jongensachtige toewijding.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e oktober ook mijn blog van 13 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Stefaan van den Bremt, Robert Fitzgerald

De Vlaamse dichter en essayist Stefaan van den Bremt werd geboren in Aalst op 12 oktober 1941. Zie ook alle tags voor Stefaan van den Bremt op dit blog.

 

Signalement

Dit is mijn enige volstrekte daad:
dat ik geboren ben.
Waarbij ik ongetwijfeld
schreeuwde als vermoord;
zoals het hoort.
Nadien gaf men mij namen.
Of ik alsnog dingen deed sindsdien
door eigen toedoen, is mij niet duidelijk.
Ik weet: ik leef: dit is van mij.
Zodoende heb ik leren zwijgen.
Ik kan zelfs zwijgen als ik spreek.
Ik ben niet eens meer in mijn eigen
woorden als ze je bereiken.

Het is geen gein:
Ik ben niet hier. Er is
van bij ’t begin
dit grandioos misverstand.
Zeg mij zijn zin.
Ik wacht nog steeds op het appèl
waarop ik mij aanwezig meld.
En schrijf, in afwachting,
wijl ik verblijf
ondergetekende, met alle achting.

 

Ars Poetica

Zo lokt een zoemtoon ook de dar.
En raakt de radar in de war,
ik weet op verre lippen woorden
besterven terwijl ik verstar.

1
Noem mijn muze koel. Zij denkt
haar schone voorhoofd in één

rimpel. Hoe nadrukkelijk grift
het denken in dat gladde vel!

Zij lijkt soms geheel afwezig.
Geen steek te zien. Geen woord

te horen. O mijn muze, blinde,
dove gedachte die zingen wil!

2
Warm en koud speelt ze, spelt
een alweer wijkende zin, brandt

haar vingers aan betekenis, klinkt
ze eraan vast – zo hecht als

wijze bijen aan hun koningin.
Mede klink ik, in haar zwerm-

cel gevangen, en dan komt het
loze lezertje dat honing wil.

 

Stefaan van den Bremt (Aalst, 12 oktober 1941)

 

De Amerikaanse dichter, criticus en vertaler Robert Stuart Fitzgerald werd geboren op 12 oktober 1910 in Springfield, Illinois. Zie ook alle tags voor Robert Fitzgerald op dit blog.

 

Midzomer

De adolescente nacht, het zuchtje wind van de stad,
Verandaschommels en gefluister, esdoornbladeren die onzichtbaar
Maanlicht stiller verspreiden dan een dode man
Na het lied van de sprinkhaan. Deze huizen waren van mij
En zijn het nu voor altijd niet, deze op de trappen
Kinderen, denk ik, zijn naar veel plaatsen verhuisd,
Verloren tussen stille jaren, en zo vreemd bekend.

Deze zaak is goed beëindigd. Als in het donker
De vuurvlieg oplichtte en daarin weer wegzonk,
Hoewel iemands hand hem opving, het natte gras
Bood geen rustplaats meer. Vanuit hoeken van het gazon
Wapperen de schemer-witte jurken en zijn verleden tijd.
Voordat we naar bed gingen, waren er dingen te zeggen,
Herinneringen aan boomschors, krekels en de eerste ster…

Daarna, en toen de somberheid van de tijd
Van de zomer af verstreek,
Hier in een vreemd land,
Schiep ik mijn perfecte angsten en bloem van gedachten:
Omdat de slaap niet langer snel komt in de armen van smart,
Zijn herhalingsbezoeken handig bij een hoest,
En er is iets dat ik nog een keer zou zeggen-
Als ik het niet voor altijd had gezegd, als er tijd was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Fitzgerald (12 oktober 1910 – 16 januari 1985) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e oktober ook mijn blog van 12 oktober 2018 en ook mijn blog van 12 oktober 2017.