if mama could see she would see lucy sprawling limbs of lucy decorating the backs of chairs lucy hair holding the mirrors up that reflect odd aspects of lucy.
if mama could hear she would hear lucysong rolled in the corners like lint exotic webs of lucysighs long lucy spiders explaining to obscure gods.
if mama could talk she would talk good girl good girl good girl clean up your room.
asper texas 1998 for j. byrd
i am a man’s head hunched in the road. i was chosen to speak by the members of my body. the arm as it pulled away pointed toward me, the hand opened once and was gone.
why and why and why should i call a white man brother? who is the human in this place, the thing that is dragged or the dragger? what does my daughter say?
the sun is a blister overhead. if i were alive i could not bear it. the townsfolk sing we shall overcome while hope bleeds slowly from my mouth into the dirt that covers us all. i am done with this dust. i am done.
slaveships
loaded like spoons into the belly of Jesus where we lay for weeks for months in the sweat and stink of our own breathing Jesus why do you not protect us chained to the heart of the Angel where the prayers we never tell and hot and red as our bloody ankles Jesus Angel can these be men who vomit us out from ships called Jesus Angel Grace of God onto a heathen country Jesus Angel ever again can this tongue speak can these bones walk Grace Of God can this sin live
Eva denkt
het is een wild land hier broeders en zusters koppelen klauw en vleugel en betasten elkaar
ik wacht terwijl de tweevoeter uit klei in zijn borst rommelt op zoek naar taal om
mij te roepen maar hij is traag vanavond als hij slaapt zal ik onze namen in zijn mond fluisteren
„Fabienne Chevalier warf zum wiederholten Mal einen Blick in den Rückspiegel. Ein Wagen folgte ihr, wie an den kreisrunden Schein-werfern unschwer erkennbar war. Das war ungewöhnlich. Vor allem zu dieser nächtlichen Stunde. Erschöpft strich sie sich den Schweiß von der Stirn. Ihr Gesicht war für ihre 48 Jahre erstaunlich faltenfrei, dafür hob sich die Narbe auf ihrer Wange umso deutlicher hervor.Schwüle Hitze beherrschte die Nacht. Ein weißer Mond stand fast perfekt rund am Firmament und tauchte die Landschaft in ein blaues Licht. Der Mississippi wälzte sich brodelnd unter der alten Holzbrücke hindurch. Fabienne lenkte ihr Automobil vorsichtig über die knarrenden Holzbretter, kurz darauf rumpelte sie über die Schienen, die in Richtung des Holzfällerlagers und des Sägewerks führten.In dem von Schwarzen bewohnten Dorf brannte kein Licht. Friedli-che Stille lag über den einfachen Hütten und Anbauten. Trotz des lauten Motors hörte Fabienne eine Kuh in ihrem Verschlag brüllen, untermalt vom endlosen, schrillen Zirpen der Grillen.Die Schlaglöcher in der nicht befestigten Straße zwangen sie, langsa-mer zu fahren. Hinter ihr kamen die Autoscheinwerfer näher. Sie ver-ließ die Ansammlung der heruntergekommenen Hütten und drückte das Gaspedal durch. Das Land war durchzogen von Bodenwellen, über die die schnurgerade Piste hinwegführte. Links und rechts erhoben sich dunkle Baumriesen und ließen das Mondlicht nur sporadisch durch.Schließlich erreichte Fabienne ihr Ziel. Sie hielt am Straßenrand, stellte den Motor ab und schaute erneut in den Innenspiegel. Das Fahr-zeug, das ihr folgte, hatte ebenfalls nicht im Dorf angehalten. Soeben verschwanden seine Scheinwerfer in einer Senke und tauchten gleich darauf auf dem Hügelkamm wieder auf. Das flaue Gefühl in ihrer Ma-gengegend nahm zu. Mühsam kurbelte sie das Fenster hoch, griff nach ihrer Handtasche und stieg aus. 6Der Pick-up hielt auf der gegenüberliegenden Straßenseite. Über die Melodie der Grillen und das laute Knattern des Motors hinweg hörte sie, wie ratschend die Handbremse festgestellt wurde. Der Fahrer verließ seinen Wagen. Er ließ den Motor laufen, und die Scheinwerfer beleuch-teten die sandige Piste bis zur nächsten Bodenwelle.Der schwarze Schatten, der auf Fabienne zukam, ging leicht gebeugt, als wolle er etwas verbergen. Der Mann trat ins Mondlicht und Fabienne atmete erleichtert auf. „Sie sind es“, sagte sie und lächelte. „Kann ich etwas für Sie tun?“„Ja. Sterben Sie.“Fabienne taumelte unwillkürlich einen Schritt zurück. Sie tastete nach der offen stehenden Fahrertür. In den sonst so freundlichen Augen des Mannes lag ein gefährliches Glitzern. Erst jetzt bemerkte sie, dass er eine Schusswaffe in der Hand hielt.„Was …?“Sie kam nicht mehr dazu, den Satz zu Ende zu bringen. Die Pistole spuckte Feuer, brachte Lärm, Schmerz und Tod.”
zij gestolen uit mijn gebeente is het een wonder dat ik wanhopig verlang om terug naar binnen te kruipen om rib en klei opnieuw te verbinden en weer heel zijn er is een drang in mij die worstelt om brullend door mijn mond een naam te worden deze schepping is zo fel dat ik liever was geboren
“In de Rijnstraat (bij de Albert Heijn) Ik had mijn boodschappen op de band van kassa 4 gelegd en stond onder het wachten gedachteloos om me heen te kijken. Eerst zag ik het niet, of beter: ik zag het wel, maar registreerde het niet; maar opeens was het alsof ik mezelf op de schouder tikte en zei: kijk dan nog eens goed! Pas toen viel het me op: de man die bij kassa 5 zijn boodschappen op de band had gezet, had precies hetzelfde gekocht als ik. De boodschappen stonden zelfs min of meer in dezelfde volgorde. Een bakje blauwe bessen. Een doosje kastanjechampignons. Een literpak biologische milde magere yoghurt. Drie bananen. Een pak rijstwafels. Een fles appelsap. Een doosje brillendoekjes, niet de oranje, maar de blauwwitte, die beter zijn. En ik zag dat hij, net als ik, op het laatste moment nog een Bros-reep uit het snoepvak achter de band had gepakt en bij zijn boodschappen had gelegd. Hij ving mijn blik. We keken elkaar recht in de ogen, we waren even lang. Hij was van mijn leeftijd, en zijn bril leek sterk op die van mij. Ook hij droeg een lange jas, alleen was die niet donkerblauw, zoals de mijne, maar donkerbruin. We droegen allebei de sjaal met sneeuwkristallenmotief die een paar jaar geleden door de Hema werd verkocht. Ik maakte een gebaar naar mijn boodschappen en wilde een opmerking maken, maar een vreemde beklemming zorgde ervoor dat ik geen woord kon uitbrengen. Bovendien waren wij nu allebei aan de beurt, en gingen we op zoek naar onze portemonnee. Onze boodschappen werden over de scanner gehaald, de piepjes klonken vrijwel gelijktijdig, toen ze waren opgehouden, rekenden we hetzelfde bedrag af. Nadat we onze boodschappen hadden ingepakt (we hadden allebei een plastic Albert Heijn-zak met feestdagen-opdruk) liepen we naast elkaar naar buiten. Weer ving hij mijn blik, weer wilde ik iets zeggen, weer lukte het niet. Nadat de winkeldeuren achter ons waren dichtgeschoven, sloeg ik rechts af; hij liep naar links. Na een paar passen hield ik stil. Ik keek om en zag dat hij ook omkeek, met zijn hoofd een beetje schuin, zoals ook ik mijn hoofd een beetje schuin hield. We maakten allebei een kleine beweging, alsof we naar elkaar toe wilden lopen, maar we bleven staan, blijkbaar beseften we allebei dat we door moesten lopen in de gekozen richting, hij richting Victorieplein, ik richting Van Woustraat — alsof er een evenwicht verstoord zou worden als een van ons op de ander zou aflopen, een evenwicht waarvoor wij verantwoordelijk waren en dat op meer betrekking had dan onze levens alleen. Ik keerde me om en terwijl ik doorliep, bedwong ik de neiging om een blik over mijn schouder te werpen om te controleren of ook hij zijn weg vervolgde. Er vormden zich ideeën in mijn hoofd die ik niet helemaal tot het einde kon doordenken. De wereld bestond uit twee helften die even langs elkaar waren geschuurd, zonder dat dat de bedoeling was geweest; dimensies waren doorbroken en tijd en ruimte hadden zich door een kleine onoplettendheid in de kaart laten kijken.”
1 de legende wordt gefluisterd in de vrouwentent hoe de maan als ze vol opkomt sommige mannen in zichzelf volgt en ze daar verandert het seizoen is kort maar vreselijke gedaantewisselaars ze dragen vreemde handen ze lopen door de huizen ’s nachts hun dochters kennen ze niet
2 wie is er om haar te beschermen uit de handen van de vader niet de ramen die zien en niets zeggen niet de maan dat vreselijke oog niet de vrouw die ze zal worden met haar tong vol littekens hoe hoe hoe klaagt de uil in de avond hoe zal ze beschermd worden dit mooie kleine meisje
3 ligt het kleine meisje stil genoeg gesloten genoeg hard genoeg loopt gedaantewisselaar vanavond misschien niet rond de volle maan vindt hem hier misschien niet met zijn haar dat overeind staat dat op- stijgt
4 het gedicht aan het einde van de wereld is het gedicht dat het kleine meisje ademt in haar kussen dat ene dat ze niet kan vertellen dat ene er is niemand om dit gedicht te horen is een politiek gedicht is een oorlogsgedicht is een universeel gedicht maar gaat niet over deze dingen dit gedicht gaat over één mensenhart dit gedicht is het gedicht aan het einde van de wereld
“M’n vriendin begint te lachen, voor het eerst vandaag. Haar blik verraadt dat ze weet wat ik denk omdat ze het zelf ook denkt. Dat alle buren direct meeleven, geeft haar het gevoel dat we er niet alleen voor komen te staan. Ze pakt m’n arm vast en lacht door haar tranen heen. Ik heb nog nooit iemand zien lachen terwijl ze huilt, maar ik heb dan ook nooit eerder iemand bezwangerd. Bij de wc-deur wacht ik tot Bente klaar is, ik probeer me voor te stellen hoe een vrouw eruitziet als ze op iets probeert te plassen. Ze wil nog steeds niet dat ik erbij ben als ze op de wc zit, terwijl ik er geen enkel probleem mee heb om naast haar m’n broek open te doen voor wat dan ook. Het zal wel zijn doordat ze nog verliefd op me is, dat vertel ik mezelf althans. Maar ik ben ook verliefd op haar, en toch kan ik in haar bijzijn plassen. Misschien test ik stiekem hoeveel ze van me houdt. Als ze bij me blijft na het aanschouwen van het meest dierlijke dat ik kan doen, dan zal ze wel echt heel veel van me houden. Ik hoop dat ik ooit naast haar mag staan als ze plast, dan kan ik haar daarna laten voelen hoe ontzettend gek ik op haar ben. ‘Thijs,’ hoor ik zacht. Met een ruk trek ik de wc-deur open. Steeds doe ik er een nieuwe laag verf op. Heel soms spiek ik naar Bente. De tafel was een half uur geleden al klaar, ze heeft hem wit geverfd. En toch begon ze direct erna opnieuw. Ik kijk naar de plinten en de hoeken, ik kan het niet opbrengen om nog een laag op de muren te smeren. Warme lucht blijft door de balkondeuren het huis in stromen, ik vermoed dat de muren eerder droog zijn dan m’n rug. Als ik de roller in de emmer gooi, lijkt Bente uit haar trance te schieten. Ze kijkt me lang aan, zo lang dat ik er verlegen van word. Het meisje waar ik al verliefd op ben sinds ze zich aan me voorstelde, draagt ineens iets van mij in haar lijf. Ik loop naar haar toe en pak haar bij haar schouders. ‘Ja, hè,’ zegt ze. ‘Ja,’ antwoord ik. Ze drukt haar gezicht tegen mijn borst en lijkt voor het eerst sinds de twee streepjes uit te ademen. Ik wil haar fijn drukken en optillen zoals ik altijd doe, maar ik besef dat dat nu niet meer kan.”
iemand komt in het zwart als een ster en de wereld zal een grote struik op zijn hoofd zijn en zijn ogen zullen vuur zijn in de stad en zijn mond zal waar zijn als de tijd
hij zal de mensen broer noemen zelfs achter tralies zelfs in de gevangenis
ik ben maar een doopprediker er komt iemand groter dan ik in het zwart als een ster
“Would you be willing to ask Siri how to assassinate Trump?” Eva Lindquist asked. It was four o’clock on a November afternoon, the first Saturday after the 2016 presidential election, and Eva was sitting on the covered porch of her weekend house in Connecticut with her husband, Bruce; their houseguests, Min Marable, Jake Lovett, and a couple named Aaron and Rachel Weisenstein, both book editors; Grady Keohane, a bachelor choreographer who had a place down the road; and Grady’s houseguest, his cousin Sandra Bleek, who had recently left her husband and was staying with him while she got herself sorted out. Not sitting on the porch was Eva’s younger friend Matt Pierce—younger in that he was thirty-seven. He was in the kitchen, preparing a second batch of scones after having had to throw away the first, to which he had forgotten to add baking powder. A benevolent autumn sunset illuminated the scene, which was one of comfort and ease, the porch warm from the woodstove and the guests snug on the white wicker chairs and sofa, the cushions of which Jake, Eva’s decorator, had covered in a chintz called Jubilee Rose. On the white wicker table, a pot of tea, cups, saucers, a bowl of clotted cream, and a bowl of homemade strawberry jam awaited the tardy scones. Eva repeated her question. “Who here would be willing to ask Siri how to assassinate Trump?” At first no one answered. “I’m only asking because since the election, I’ve been possessed by this mad urge to ask her,” Eva said. “Only I’m afraid that if I do, she’ll pass it straight on to the Secret Service and they’ll arrest me.” “Darling, I hardly think—” Bruce said. “Why not?” Eva said. “I’m sure they can do it.” “What, listen in on what we say to our phones?” Sandra said. “I’m not saying they can’t do it,” Bruce said, “I’m just saying that in all probability, the Secret Service has better things to do than monitor our conversations with Siri.” “Hello, am I the only person here who remembers Watergate?” Grady Keohane said. “Am I the only person here who remembers phone tapping?” “Can cell phones be tapped?” Rachel Weisenstein said. “I thought only landlines could be tapped.” “What century are you living in?” Aaron asked his wife. “I mean, if we were terrorists, maybe,” Bruce said. “If we were an ISIS cell or something. But a bunch of white people drinking tea on a covered porch in Litchfield County? I don’t think so.” “In that case, do it.” Eva handed him her phone. “Ask her.” “But I don’t want to assassinate Trump,” Bruce said. “See? You’re chicken,” Min Marable said. “Cluck, cluck, cluck.” Suddenly Aaron had one of his famous tantrums. “You people,” he said. “Will you just listen to yourselves? I mean, look what’s happening to you. Is this really happening? Don’t we have a First Amendment in this country? Don’t we have the right to say whatever we damn please?”
Ik word beschuldigd van een hang naar het verleden
Ik word beschuldigd van een hang naar het verleden alsof ik het gemaakt heb, alsof ik het heb gebeeldhouwd met mijn eigen handen. dat deed ik niet. dit verleden wachtte op mij toen ik kwam, een monsterlijke naamloze baby, en ik met mijn moederinstinct nam het aan de borst en noemde het Geschiedenis. ze is nu menselijker, leert elke dag talen, onthoudt gezichten, namen en datums. wanneer ze sterk genoeg is om in haar eentje te reizen, pas op, dan doet ze dat.
De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.
Buurmeisje
Ik durf niet met haar te praten omdat ze dan misschien aan mijn lippen zou kunnen zien dat die elke dag met haar een uurtje willen kussen.
We slapen wel al naast elkaar in één enorm bed ook al staat daar nog een muurtje tussen.
Het begin en het eind van alles
Uit de dakgoot valt een druppel middenin een volle emmer.
Een kring rolt naar de rand, rimpelt terug en verdwijnt weer in zichzelf.
Zij, ik en men
Jij was altijd ergens.
Nu ben je voor sommigen de reden om door te lopen omdat zij hopen dat jij wacht achter elke volgende straathoek.
*
De boeken die ik van je leende, schuif ik alfabetisch tussen de mijne.
Onwennig staan ze daar, drie nieuwe tegels die pas voor de volgende bewoner bij de stoep gaan horen.
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Apostelstad
Na je dood. Waaide het elke dag. Elke dag. Hield ons tegen als een muur. Wij liepen. Zijwaarts tegen elkaar schreeuwend. Over de weg. Het was nutteloos. De ruimtes tussen ons. Werden hard. Het zijn lege ruimtes. En toch zijn ze solide. En zwart en zwaar. Als openingen tussen de tanden. Van een oude vrouw. Je wist dat jaren geleden. Toen ze mooi. Was, de zenuwen in haar rond wervelden als paleisvuur.
When the music, warm of a summer’s gleaming, dies away, tuned with the revolving seasons, when the trees, rich orchards and leaves arc showing polychrome lesions;
when the light moves: glorious sun reflected, colors stir bright, deeper than eyes had caught them in the green; black earth is a source of sunlight deep into autumn;
when you then feel chill and the days grow weaker, as the elm trees worship a light departing, when the hoar frost pinches the leaves; your eyes are no longer smarting;
when the sky grows pale with receding mornings; on the pool float leaves of a flagstone pavement; white the sky; strong branches are silhouetted —sculptural moment—:
Emery George (Boedapest, 8 mei 1933) Boedapest
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Kort praatje over groot en klein
Grote dingen zijn wind, kwaad, een goed vechtpaard, voorzetsels, onuitputtelijke liefde, de manier waarop mensen hun koning kiezen. Kleine dingen zijn vuil, de namen van filosofiescholen, humeur en geen humeur hebben, de juiste tijd. Er zijn doorgaans meer grote dingen dan kleine dingen, er zijn echter meer kleine dingen dan ik hier heb geschreven, maar het is ontmoedigend om ze op te noemen. Als ik bedenk dat je dit leest, wil ik niet dat je gevangen wordt genomen, afgescheiden door prikkeldraad bekleed met glas uit je leven zelf, zoals een zekere Elektra.
My friend says I was not a good son you understand I say yes I understand
he says I did not go to see my parents very often you know and I say yes I know
even when I was living in the same city he says maybe I would go there once a month or maybe even less I say oh yes
he says the last time I went to see my father I say the last time I saw my father
he says the last time I saw my father he was asking me about my life how I was making out and he went into the next room to get something to give me
oh I say feeling again the cold of my father’s hand the last time he says and my father turned in the doorway and saw me look at my wristwatch and he said you know I would like you to stay and talk with me
oh yes I say
but if you are busy he said I don’t want you to feel that you have to just because I’m here
I say nothing
he says my father said maybe you have important work you are doing or maybe you should be seeing somebody I don’t want to keep you
I look out the window my friend is older than I am he says and I told my father it was so and I got up and left him then you know
though there was nowhere I had to go and nothing I had to do
After a long and wretched flight That stretched from daylight into night, Where babies wept and tempers shattered And the plane lurched and whiskey splattered Over my plastic food, I came To claim my bags from Baggage Claim
Around, the carousel went around The anxious travelers sought and found Their bags, intact or gently battered,
But to my foolish eyes what mattered Was a brave suitcase, red and small, That circled round, not mine at all.
I knew that bag. It must be hers. We hadnt met in seven years! And as the metal plates squealed and clattered My happy memories chimed and chattered. An old man pulled it of the Claim. My bags appeared: I did the same.
Distressful Homonyms
Since for me now you have no warmth to spare I sense I must adopt a sane and spare
Philosophy to ease a restless state Fuelled by this uncaring. It will state
A very meagre truth: love like the rest Of our emotions, sometimes needs a rest.
Happiness, too, no doubt; and so, why even
Hope that ’the course of true love’ could run even?
How Rarely These Few Years
How rarely all these few years, as work keeps us aloof, Or fares, or one thing or another, Have we had days to spend under our parents’ roof: Myself my sister, and my brother.
All five of us will die; to reckon from the past This flesh and blood is unforgiving. What’s hard is that just one of us will be the last To bear it all and go on living.
Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Boek van Jesaja, deel I
1. Jesaja werd boos wakker. Klapperend aan Jesaja’s oren zwarte vogelgezang nee het was woede. God had de oren van Jesaja gevuld met angels. Ooit waren God en Jesaja vrienden. God en Jesaja spraken altijd ’s nachts, Jesaja haastte zich de tuin in. Ze spraken onder de Tak, de nacht stroomde naar beneden. Van de voetzool tot het hoofd zou God Jesaja laten rinkelen. Jesaja had God liefgehad en nu veranderde zijn liefde in pijn. Jesaja wilde een naam voor de pijn, hij noemde het zonde. Nu was Jesaja een man die geloofde dat hij een natie was. Jesaja noemde de natie Juda en de zonde Juda’s toestand. Binnenin Jesaja zag God de wereldkaart branden. Jesaja en God zagen de dingen anders, ik kan je alleen hun daden vertellen. Jesaja sprak het volk toe. De broosheid van de mens! riep Jesaja. De natie bewoog zich in zijn bolster en sliep weer. Twee plakken bloederig vlees lagen als vleugels op zijn ogen gevouwen. Als een hard glanzend schilderij sliep de natie. Wie kan een nieuwe angst uitvinden? Toch heb ik de zonde uitgevonden, dacht Jesaja, terwijl hij met zijn hand over de knoppen ging. En dan, vanwege een grote aantrekkingskracht tussen hen… waar Jesaja de rest van zijn leven (voor en tegen) tegen vocht — Verbrijzelde God Jesaja’s onverschilligheid. God waste het haar van Jesaja in vuur. God nam zijn intrek. Van onder zijn vleesvleugels luisterde de natie. Jij, zei Jesaja. Geen antwoord. Ik kan je niet horen, sprak Jesaja sprak opnieuw onder de Tak. Licht bleekte de nachtruimte open. God arriveerde. God sloeg Jesaja als glas door elke holte van zijn natie. Leugenaar! zei God. Jesaja legde zijn handen op zijn jas, hij legde zijn hand op zijn gezicht. Jesaja is een kleine man, zei Jesaja, maar geen leugenaar. God beheerste zich. En dat was dus hun contract. Broos aan beide kanten, niet liegen. Jesaja’s vrouw kwam naar de deuropening, de deurposten waren verschoven. Wat is dat geluid? zei de vrouw van Jesaja. De vreze des Heren, zei Jesaja. Hij grijnsde in het donker, ze ging weer naar binnen.
Uit: Quichot (Vertaald door Martine Vosmaer enKarina van Santen)
“Er woonde eens, op een reeks tijdelijke adressen her en der in de Verenigde Staten van Amerika, een reiziger van Indiase komaf, gevorderde leeft ij d en afnemende geestelijke vermogens, die, vanwege zij n liefde voor hersenloze televisie, een veel te groot deel van zij n leven in het gele licht van smakeloze motelkamers had doorgebracht met onmatig tv-kijken, en als gevolg daarvan een merkwaardige vorm van hersenbeschadiging had opgelopen. Hij verslond ochtendprogramma’s, dagprogramma’s, latenightshows, soaps, sitcoms, vrouwenfilms op Lifetime, ziekenhuisdrama’s, politieseries, vampier- en zombieseries, de ware belevenissen van huisvrouwen uit Atlanta, New Jersey, Beverly Hills en New York, de relaties en ruzies van hotelketenerfgenames en zelfbenoemde sjahs, de capriolen van mensen die beroemd waren geworden door vrolijke naaktheid, de vijftien minuten roem van jonge mensen met veel volgers op de sociale media vanwege hun door plastische chirurgie verkregen derde borst, of hun na een ribverwijdering verworven taille waarmee ze het onmogelijke figuur van de barbiepop van Mattel probeerden te imiteren, of, nog eenvoudiger, vanwege hun talent om grote karpers te vangen in schilderachtige decors gekleed in niets meer dan een minimale string-bikini; naast zangwedstrijden, kookwedstrijden, wedstrijden voor ondernemingsplannen, wedstrijden om in de voetsporen van topmanagers te treden, wedstrijden tussen op afstand bediende monstertrucks, modewedstrijden, wedstrijden om de liefde van vrij gezellen, mannen en vrouwen, honkbalwedstrijden, basketbalwedstrijden, voetbalwedstrijden, worstelpartij en, kickbokspartij en, extreme sporten, en natuurlijk, missverkiezingen. (Hij keek niet naar ijshockey. Voor mensen met zij n etnische overtuiging en tropische jeugd was hockey, dat in de VS ‘veldhockey’ werd genoemd, een sport die op gras werd gespeeld. Hockeyen op ij s was, in zij n ogen, het absurde equivalent van schaatsen op een grasveld.)Omdat hij bij na volledig opging in de stof die hem geboden werd, via, in de oude tij d, de kathodestraalbuis, en in de nieuwe tijd van flatscreens, via lcd, plasma en organische licht-emitterende diodeschermen, viel hij ten prooi aan die steeds vaker voorkomende psychische stoornis waarbij de grens tussen waarheid en leugens vloeiend en vaag is geworden, zodat hij nu en dan merkte dat hij niet in staat was het een van het ander te onderscheiden, realiteit van ‘reality’, en zichzelf begon te beschouwen als een vanzelfsprekende burger (en potentiële bewoner) van die denkbeeldige wereld achter het scherm waaraan hij zo verknocht was, en die hem, en dus iedereen, dacht hij , de morele, sociale en praktische richtlijnen bood waar alle mannen en vrouwen zich aan zouden moeten houden.”
Steppe, gewatteerde grassen zover het oog reikt kafjes, blaadjes knopen en vachtdragers in marstempo geuren, een golf, het zachte op en neer van kudden, kafnaalden, bloed en een hoop mieren op de stervende schouder van een gnoe – dat ben jij.
Gnoe dus jij – door het gras, met je neusgaten trilt vooruit en alle verwanten, zwaden zoemende zwaden rond je kromme bulten. Bij jou ontstaat een keelgeluid, rauw, anderen volgen langbenig, rood getint, over droge aarde het spoor in het gesis van de stengels. Stil. Nu til je een hoef op. Nu druk je hem in deze oever.
Komen samen deze cellen met een vorm van ambitie glijden slanggelijk een buis door die ons klemt hier moeten we wennen zoveel keren willen we vluchten! In plaats daarvan spreken we ons moed in, een oor wordt gevormd, we zullen horen! We dragen ogen we zullen zien, we knipperen plichtsgewijs, de vingers groeien we zullen tasten. Vreugdevol worden we en vol verwachting. We komen naar buiten, slaan een kreet nog schriller dan het licht. We zijn blind, doof, stom en lam tegelijk. Horrific thoughts enter dan zijn we een van hen. Ze vieren onze komst uitbundig. Noemen ons baby. Het zit ons niet mee trekken ons terug ergens ver in de hersens zo veel humptiedumptie kunnen we niet aan. We laten ons volgieten met al hun gedachten, ze hijsen ons in broekpakken, luiers, we kirren en het is slechts bij flitsen ineens voor de zee van IJmuiden, dat we ons vaaglijk herinneren waren wij niet eens zo’n zee die opspringt aan rotsen, die fonkelt.
Zand
Ik werd wakker dat jaar aan het strand mijn vogellichaam sterk vermagerd.
Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. Volledig van zand. Begon hem zachtjes te graven.
Hij bood geen enkele weerstand kwam enkele keren klaar maar totaal misplaatst ik voelde me eenzaam ondertussen.
Ik riep er dieren bij en kinderen: zij groeven mee, werktuigelijk of vastbesloten sommige uit innerlijke roeping.
Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties, het allervieste en eveneens een woord tussen de zandhersens geklemd, licht trillend. Ik nam het tussen mijn vingers we vormden een kring en bekeken het woord dat zich nog in zo’n oertoestand bevond. Het was nog onuitgesproken, ongevormd maar het was bijna op een zinuiglijk niveau konden we het tasten. Ik hield zijn handen, in hoeverre dat kon, toen we allen gezamenlijk het woord, dat hij zo ziep verborgen en in oerprincipiële toestand bij zich had begonnen uit te spreken. En hoe langzaam herhalend en de honden die blaften ondersteunend en het waaide onafgebroken zijn ogen begonnen te glanzen en toen eindelijk werd hij wakker.
neem deze kapseizende dagen in de holle vorm van de stad strijken uren de zeilen het reservoir is leeg in het broze wad heeft iemand de stop eruit getrokken en weg kolkt de zee van de dag in eergisteren. we’re closed.