Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz, Florian Havemann, Fatos Kongoli, William Nicholson, Ferenc Molnár, Jack London, Charles Perrault

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007 en ook mijn blog van 12 januari 2008.

Uit: Sonsbeeksonnetten

HET PAVILJOEN

Een warme zomeravond, als het meezit
Hoort wie goed luistert verre echo’s klinken:
Beschaafde zang, orkestmuziek, gerinkel
Van glazen, fluisterstemmen in de nacht

Geen schlagers of de laatste Doris-Day-hit
Maar wel weemoedig koper; kijk: ze drinken
Champagnewijn waarin het speels getwinkel
Van maan en kaarslicht dreigend leed verzacht

Geen tekens van geweld nog, slechts geruis
Van zomerjurken, schuldeloos vermaak

Maar dan: je knippert en het is voorbij

Wat rest: het hedendaags verkeersgesuis
Een populaire wok- en afhaalzaak

Geen schim meer van de oude schenkerij

 

Uit: Portretsonnetten

1

Van borst tot buik een strakke rechte lijn
Slechts rib of tepel bieden wat reliëf
Een lichaam zonder angst of schuldbesef

Ik ben hem zelf, ik ben hem eens geweest
Hij is nu zoals ik misschien wel was
Beloftevol, maar verder groen als gras
Een beetje engel en een beetje beest

Blondborstig zit hij in dezelfde trein
Een tors, met haartjes haast onzichtbaar nog
Een aaibaar en toch onaanraakbaar joch

Ik kijk naar buiten, quasi onbespied
Hij ziet mij aan, hij kijkt, verraadt zich niet
Lijkt opgelucht en blij, maar blij het meest:
Zo blij dat hij nog mij niet hoeft te zijn

 

12

Haast niemand die van meer belang voor mij is
Die machtiger en krachtiger dan hij is
Zo prachtig met zijn lange blonde haren
Zijn geest die ongebonden, sterk en vrij is

Ik kan soms uren naar zijn aanblik staren
Dan voel ik dat hij meer dan zeer nabij is
En zo passeren dagen, maanden, jaren
Van hartstocht, passie, niet te evenaren

Ik heb hem vaak naast mij in bed gelegd
Hoewel dat volgens velen slecht en fout is

Hoe fel brandt onze liefde, hoe oprecht
Terwijl het in de wereld om ons koud is

En hoe betreur ik dat zijn kruis van hout is
Maar ja, hij is er nogal aan gehecht

cees_van_der_pluijm

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, bij Terneuzen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Betrekkende mens

Langzaam neemt de mens
de schutkleur aan
van de aarde
die hem in steeds trager
welsprekende velden
en wegen van wolken betrekt
en ook de blaasbalg lucht
zijn piepend draaiorgel geworden

dan alom bekroond
met koude honger
met poriën voor regen en slaap
zijn ereteken zijn schamperste vuurslag
voldoende om de sterren ruwweg te ontbinden

verbergt hij taal en teken
in landschappen
die savonds dichtklappen
als een deur.

 

Werkelijk

Werkelijk,
men moest de steen
met menselijke waardigheid
bekleden, zijn woord
voor menswaardig
aannemen.

Men moest, om nog
in de mens
te kunnen geloven, zijn oor
te luister leggen
bij de steen of met de stem
spreken
van een steen.

Men moest,
om de eerste de beste
steen te citeren,
uit de steenrots een geheel
nieuwe mens
slaan.

JacquesHamelink

Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

De Japanse schrijver en vertaler Haruki Murakami werd geboren op 12 januari 1949 in Kioto. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008.

Uit: After Dark Vertaald door Jay Rubin)

 

Eyes mark the shape of the city.
Through the eyes of a high-flying night bird, we take in the scene from midair. In our broad sweep, the city looks like a single gigantic creature—or more like a single collective entity created by many intertwining organisms. Countless arteries stretch to the ends of its elusive body, circulating a continuous supply of fresh blood cells, sending out new data and collecting the old, sending out new consumables and collecting the old, sending out new contradictions and collecting the old. To the rhythm of its pulsing, all parts of the body flicker and flare up and squirm. Midnight is approaching, and while the peak of activity has passed, the basal metabolism that maintains life continues undiminished, producing the basso continuo of the city’s moan, a monotonous sound that neither rises nor falls but is pregnant with foreboding.
Our line of sight chooses an area of concentrated brightness and, focusing there, silently descends to it—a sea of neon colors. They call this place an “amusement district.” The giant digital screens fastened to the sides of buildings fall silent as midnight approaches, but loudspeakers on storefronts keep pumping out exaggerated hip-hop bass lines. A large game center crammed with young people; wild electronic sounds; a group of college students spilling out from a bar; teenage girls with brilliant bleached hair, healthy legs thrusting out from micromini skirts; dark-suited men racing across diagonal crosswalks for the last trains to the suburbs. Even at this hour, the karaoke club pitchmen keep shouting for customers. A flashy black station wagon drifts down the street as if taking stock of the district through its black-tinted windows. The car looks like a deep-sea creature with specialized skin and organs. Two young policemen patrol the street with tense expressions, but no one seems to notice them. The district plays by its own rules at a time like this. The season is late autumn. No wind is blowing, but the air carries a chill. The date is just about to change.“

 

Haruki_Murakami

Haruki Murakami (Kioto, 12 januari 1949)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Alain Teister (eig. Jacob Martinus Boersma werd geboren in Amsterdam op 12 januari 1932. Teister debuteerde in 1964 met de poëziebundel De huisgod spreekt. Daarna volgden nog diverse romans en poëziebundels. Zijn ‘Zevenluik met bed en bezoekers’, een installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf’ (1973-1974) werd aangekocht door het Centraal Museum Utrecht en de Rijksdienst voor Beeldende Kunsten. Hij was voorts de drijvende kracht achter de oprichting in 1975 van Theater de Engelenbak, een professioneel theater uitsluitend gericht op amateurvoorstellingen.

 

Toekomst

Als die mij nogal lief zijn
– vrouw, bomen, vrienden – van mij heen zijn
wil ik een snaterende grijsaard worden,
wonend op het Maliebaan-station
en in de zon.
Gekleed in conducteurscostuum
van Engels laken
een goede indruk voor de spiegel maken,
en zachtjes krijsen op het zoveelste perron:
‘honnepon,
honnepon …’

 

Teister_Boekomslag

Alain Teister (12 januari 1932 – 6 februari 1979)
Boekomslag (Geen portret beschikbaar)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Urania

Du kennst mich nicht,
Wirst nie mich kennen
Wirst nie mich nennen
Mit Flammen im Gesicht.

Ich kenne dich
Und kann dich missen –
Ach mein Gewissen
Was peinigest du mich?

Dich missen? Nein,
Für mich geboren –
Für mich verloren?
Bei Gott es kann nicht sein.

Sei hoch dein Freund
Und groß und teuer –
Doch ist er treuer
Als dieser, der hier weint?

Und dir mißfällt – –
O Nachtgedanken!!
Kenn ihn, den Kranken,
Sein Herz ist eine Welt.

lenz

Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792)

 

De Duitse schrijver, schilder en componist Florian Havemann werd geboren op 12 januari 1952 in Oost-Berlijn. Hij is een zoon van de bekende DDR-criticus Robert Havemann. In 1971 vluchtte hij naar het westen. Wolf Biermann, die zelf toen nog zijn uitburgering probeerde te voorkomen,  schreef naar aanleiding daarvan het lied Enfant perdu, waarin hij de vlucht bekritiseert. Havemann studeerde in West-Berlijn vervolgens Scenografie aan de Hochschule der Künste. Hij schreef diverse stukken voor het toneel, o.a. over Albert Speer en Rosa Luxemburg en componeerde ook muziek voor het theater.  Sinds 2005 publiceert hij op het internet de Zeitschrift für unfertige Gedanken. Onder de titel Havemann schreef hij een 1100 pagina’s tekllende, zogenaamde „Tatsachenroman“ over zijn grootvader, zijn vader en zichzelf. Al voor het verschijnen leidde het werk tot controverses, o.a. omdat hij erin suggereerde dat Wolf Biermann sexuele contacten had met Margot Honecker, de vrouw van partijleider Erich Honecker. Het boek werd door de uitgeverij later uit de handel genomen en in een verkorte vorm vorig jaar opnieuw uitgebracht.

 

Uit: Havemann

 

Havemann, das beginnt mit einem Saathändler. Für mich beginnt Havemann mit einem Saathändler, aber natürlich weiß ich, daß es vor diesem Saathändler andere Havemänner gegeben haben muß, Havemänner, von denen dieser Saathändler abstammt und mit ihm dann wir, mein Großvater,

mein Vater und ich, und natürlich auch noch die vielen anderen, die zur Sippschaft gehören. Vielleicht waren das Bauern, Saatgüterproduzenten, die sich eines Tages auf den Handel mit Saatgut allein verlegt haben, vielleicht aber waren das lange und immer schon Havemänner, to have Männer, Männer und ihre Familien, die was hatten, Besitz, vielleicht aber auch waren das Hafenmänner, diese Havemänner, und damit schon Händler von alters her, Leute, die im Hafen ankommende Ware kauft en und dann weiterverkauft en, in andere Städte, ins Hinterland.

Hamburger Hafenmänner zum Beispiel, denn die habe ich mir immer als unsere Vorfahren vorgestellt, von denen dann einer auf der halben Strekke zwischen Hamburg und Berlin hängengeblieben ist, in Grabow, der kleinen Stadt Grabow. Besser ein großer Händler sein in Grabow als ein kleiner Hafenmann in Hamburg. Besser ein to-have-Mann in einem kleinen Nest wie Grabow sein, ein Habenmann, ein Habemann dort als von der Hamburger Hafenkonkurrenz erdrückt werden – an irgendwelche Bauern, die Saatgut produzierten und dann zu Saatguthändlern wurden, habe ich nie geglaubt, denn das ist für mich nicht Havemann. Havemann, das ist für mich: eine Gelegenheit ergreifen, die sich einem bietet. Den Saatguthandel in einer kleinen Provinzstadt wie Grabow zum Beispiel.

Havemann, das ist: lieber in einem kleinen Nest ein König zu sein als sich in einer Weltstadt, in einer Hafenstadt mit Verbindung in die ganze Welt, der Konkurrenz der ganzen Welt ausgesetzt, abmühen zu müssen.

Havemann, das ist: DDR und im doofen Rest der Klügste sein zu wollen.”

 

Havemann

Florian Havemann (Oost-Berlijn,12 januari 1952)

 

De Albanese schrijver Fatos Kongoli werd geboren op 12 januari 1944 in Elbasan. In zijn kinderjaren verhuisde zijn familie naar Tirana. Hij studeerde wiskunde in Tirana, maar ook in China. Vanaf 1970 werkte hij als cultuurredacteur bij uitgeverijen, tijdschriften en kranten.

 

Uit: Die albanische Braut (Vertaald door Joachim Roehm)

 

„Natürlich wußte ich, daß Vilma im Labor arbeitete. Ich hatte sie n weißen Leinenhosen und im weißen Arbeitsmantel hinten aus er Fabrik kommen sehen, auf dem Kopf die unvermeidliche nd gleichfalls weiße Haube. Allerdings immer nur von weitem.

In der Hölle, in der ich mich bewegte, bewies mir ihre Erscheinung, aß es irgendwo noch ein anderes Leben gab als das, das ir alltäglich in Gestalt sündiger Teufel entgegentrat. Jemand, er von solch unglückseligen Bevölkerern der Hölle umgeben ar, konnte nicht anders, als ein paradiesisches Wesen in ihr u sehen. Darauf war es wahrscheinlich auch zurückzuführen, aß ich meinte, das Reich der Schatten in Richtung Garten den zu verlassen, als Dori einen ehemaligen Studenten der industriellen

Chemie im dritten Semester für geeignet hielt, den latz der jählings entführten Laborantin zu besetzen. In Wahrheit andelte es sich dabei um einen absolut gewöhnlichen aum mit absolut gewöhnlichen Geräten, in dem Tag und Nacht in ohrenbetäubender Lärm herrschte. Von einem Paradies war

wirklich nichts zu spüren. Die einzige Veränderung in meinem eben war die, daß ich auf meinem Weg ins Labor keine in Zeitungspapier ingewickelte Pausenzehrung bei mir führte. Und aß ich nicht mehr mit Teufeln zu tun hatte, sondern den Tag n Gesellschaft zweier von Kopf bis Fuß in Weiß gehüllter Wesen erbrachte. Eines davon war Vilma.

Das gütige Geschick führte mich in Vilmas Labor auf dem mweg über ein Büro, in dem es weder Staub noch Lärm gab.

Es war darin weder besonders hell noch besonders dunkel, und as einzige Fenster war vergittert. Wollte man hineingelangen, ußte man erst an einer mit emailliertem Blech beschlagenen

Tür anklopfen. Wenn man sie dann öffnete, stand man verdutzt or einem Käfig: von einer Wand zur anderen erstreckte sich in deckenhohes Eisengitter. Es war, als würde man eine Gefängniszelle

betreten. Doch es handelte sich um kein Verlies, ondern um das Kaderbüro. In dem eisernen Käfig saß zwischen egalen und Tresoren ein Mensch.“

 

Fatos_kongoli

Fatos Kongoli (Elbasan, 12 januari 1944)

 

De Britse schrijver William Nicholson werd geboren op 12 januari 1948 in Tunbridge Wells, Kent. Hij bezocht de Downside School, Somerset, en  Christ’s College, Cambridge. Zijn vrouw Virginia is eveneens schrijfster en kan beroemde voorgangsters als Vanessa Bell en Virginia Woolf tot haar familie rekenen. Nicholson werkte jarenlang voor de BBC en maakte documentaire films. Hij werd bekend als schrijver toen het eerste deel van zijn Wind On Fire trilogie hem de Blue Peter best book award opleverde in 2000.

 

Uit: The Society of Others

 

„On this random day from all that time ago, longer ago than yesterday, I’msitting alone in my room, the blind down over the window and the door locked.There’s music playing to which I am not listening. The television is on, with nosound. I’m not watching. It’s just there like the crack of light on thewindowsill and the pressure in my bladder that tells me I need to piss. MaybeI’ll go soon. I’m doing nothing in particular. I do nothing most days. You couldsay it’s what I do, like it’s my occupation. This is not a problem. I don’t wantanything. I have the animal needs like you do, to eat and excrete, to mate andto sleep, but as soon as the needs are met they go away, and everything’s theway it was before. That stuff is necessary. We’re not talking desire.
I don’t even want money. What’s the point? You see something you want to buy,you get excited about having it, you buy it, the excitement fades. Everything’sthe way it was before. I’ve seen through that game. They make you want things sothey get your money. Then they take your money and then they’ve got it, and whatdo they do? They use it to buy things someone else has made them want. For a fewmoments they think they’re happy, and then it all fades and everything’s the wayit was before. How stupid can you get? It’s like fish. Fish swim about all dayfinding food to give them energy to swim about all day. It makes me laugh. Thesepeople who hurry about all day making money to sell each other things. Anyonewith eyes to see could tell them their lives are meaningless and they aren’tgetting any happier.“

 

William_Nicholson

William Nicholson (Tunbridge Wells,12 januari 1948)

 

De Hongaarse schrijver Ferenc Molnár werd op 12 januari 1878 in een burgerlijk-joods gezin van Duitse afkomst geboren. Tussen 1887 en 1895 bezocht hij het Gereformeerde Gymnasium in Boedapest. In 1895 studeerde hij rechten in Boedapest en Genf en daarna ging hij naar Parijs. In 1896 kwam hij terug naar Boedapest, maar voltooide zijn studie niet. Zijn eerste verhaalbundel is in 1898 verschenen. Zijn eerste roman kwam in 1901 uit en zijn eerste drama werd in 1902 opgevoerd. Zijn hele leven leefde Molnar onder bijzonder goede omstandigheden. Hij werd heel snel de meest populaire Hongaarse (toneel)schrijver. Zijn werken werden in veel talen vertaald en in de hele wereld opgevoerd. Zijn artistieke en persoonlijke beoordeling zijn echter tegenstrijdig, zelfs extreem verschillend. In 1906 werd hij tot mederedacteur van de krant Budapesti Napló gekozen. Zijn snelle succes bracht de klassieke jeugdroman A Pál utcai fiúk (De jongens van de Paulstraat) (1907) die in veertien talen vertaald en in meerdere landen verfilmd werd. Dit boek is ook tegenwoordig bijzonder populair. Het succes werd bekroond door de toneelstukken Liliom en A testõr (1910).

 

Uit: A Matter Of Husbands (Vertaald door Benjamin Glazer)

 

„ FAMOUS ACTRESS: You wished to see me?

EARNEST YOUNG WOMAN: [She gulps emotionally] Yes.

FAMOUS ACTRESS: What can I do for you?

EARNEST YOUNG WOMAN: [Extends her arms in a beseeching gesture] Give me back my husband!

FAMOUS ACTRESS: Give you back your husband!

EARNEST YOUNG WOMAN: Yes. [The FAMOUS ACTRESS only stares at her in speechless bewilderment.] You are wondering which one he is…. He is a blond man, not very tall, wears spectacles. He is a lawyer, your manager’s lawyer. Alfred is his first name.

FAMOUS ACTRESS: Oh! I have met him–yes.

EARNEST YOUNG WOMAN: I know you have. I implore you, give him back to me.

[There is a long pause.]

FAMOUS ACTRESS: You mustn’t mistake my silence for embarrassment. I am at a loss because–I don’t quite see how I can give you back your husband when I haven’t got him to give.

EARNEST YOUNG WOMAN: You just admitted that you knew him.

FAMOUS ACTRESS: That scarcely implies that I have taken him from you. Of course I know him. He drew u
p my last contract. And it seems to me I have seen him once or twice since then–backstage. A rather nice-spoken, fair-haired man. Did you say he wore spectacles?

EARNEST YOUNG WOMAN: Yes.

FAMOUS ACTRESS: I don’t remember him with spectacles.

EARNEST YOUNG WOMAN: He probably took them off. He wanted to look his best to you. He is in love with you. He never takes them off when I’m around. He doesn’t care how he looks when I’m around. He doesn’t love me. I implore you, give him back to me!“

 

Molnar

Ferenc Molnár (12 januari 1878 – 1 april 1952)

 

De Amerikaanse schrijver Jack London (eig. John Griffith Chaney) werd geboren op 12 januari 1876 in San Francisco, Californië. Al vanaf zijn jonge jaren had hij het moeilijk om rond te komen. Hij nam allerlei baantjes aan. In 1893 kreeg hij  een gevangenisstraf voor landloperij. Daarna – hij was toen 17 – besloot hij alsnog een opleiding te volgen. Met succes, in een jaar, rondde hij een programma af dat normaal 6 jaar duurde. Een universiteitsopleiding maakte hij niet af omdat hij deelnam aan de Alaska goldrush. In Alaska begon hij met schrijven. Boeken als ‘The Call of the Wild’ (Roep van de Wildernis), ‘White Fang’ (Witte Hoektand) en ‘Martin Eden’ maaktem hem wereldberoemd.

 

Uit: The Call of the Wild

 

But his strength ebbed, his eyes glazed, and he knew nothing when the train was flagged and the two men threw him into the baggage car.

The next he knew, he was dimly aware that his tongue was hurting and that he was being jolted along in some kind of a conveyance. The hoarse shriek of a locomotive whistling a crossing told him where he was. He had travelled too often with the Judge not to know the sensation of riding in a baggage car. He opened his eyes, and into them came the unbridled anger of a kidnapped king. The man sprang for his throat, but Buck was too quick for him. His jaws closed on the hand, nor did they relax till his senses were choked out of him once more.

“Yep, has fits,” the man said, hiding his mangled hand from the baggageman, who had been attracted by the sounds of struggle. “I’m takin’ ‘m up for the boss to ‘Frisco. A crack dog-doctor there thinks that he can cure ‘m.”

 

London

Jack London (12 januari 1876 – 22 november 1916)

 

De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs uit een rijke familie. Zie ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Uit: Le chat botté (De gelaarsde kat)

 

Un meunier ne laissa pour tous biens à trois enfants qu’il avait, que son moulin, son âne et son chat. Les partages furent bientôt faits, ni le notaire, ni le procureur n’y furent point appelés. Ils auraient eu bientôt mangé tout le pauvre patrimoine. L’aîné eut le moulin, le second eut l’âne, et le plus jeune n’eut que le chat. Ce dernier ne pouvait se consoler d’avoir un si pauvre lot :
-“Mes frères, disait-il, pourront gagner leur vie honnêtement en se mettant ensemble; quant à moi, lorsque j’aurai mangé mon chat, et que je me serai fait un manchon de sa peau, il faudra que je meure de faim.”

Le chat qui entendait ce discours, mais qui n’en fit pas semblant, lui dit d’un air posé et sérieux :
-“Ne vous affligez point, mon maître, vous n’avez qu’à me donner un sac, et me faire faire une paire de bottes pour aller dans les broussailles, et vous verrez que vous n’êtes pas si mal partagé que vous croyez.”

Quoique le maître du chat n’y croyait guère, il lui avait vu faire tant de tours de souplesse, pour prendre des rats et des souris, comme quand il se pendait par les pieds, ou qu’il se cachait dans la farine pour faire le mort, qu’il ne désespéra pas d’en être secouru dans sa misère.”

 

Charles_Perrault

Charles Perrault (12 januari 1628 – 16 mei 1703)

Jacques Hamelink, Cees van der Pluijm, Haruki Murakami, Jakob M. R. Lenz, Charles Perrault

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, bij Terneuzen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2007.

Grijsaard

Een koel masker van water
heeft hij opgezet en hij schaterlacht als dorre blaren
in november

heuvels zijn heksachtige schaduw
legenden zijn meest barse reservebronnen

zijn onontgonnen
gevoelens doen hem huiveren

zelfs als hij zich voor zijn kinderen vermomt
hoort hij hun beenetende bekken
het vlees wegrukken dat rest van zijn lachwekkende valleien

alleen als beneveling opkomt uit de diepte des avonds
en zijn struisvogelzonen weeklagend hun kop in het zand verstoppen
trekt hij oudere registers open

bast hij boosaardig en slapeloos
van gedwongen onthouding
naar de blote kikvorskwakende maan

die hem onder reusachtig gegrinnik van aardgeesten en eliksers
tenslotte haar aars toedraait waarop hij als de bliksem
zijn dorre winderig geworden voetstappen in de struiken wegbergt.

 

De bomen werden sinds eeuwen

De bomen werden sinds eeuwen terneergedrukt.
De lucht is te dun voor vuur. Geen stad
Tornt als onweer tegen de hellingen op.
Geen vleugel, geen vin verroert zich hier. Niemand
Graaft zich in, niets vermenigvuldigt.

Zilverkoud spat soms schitterende regen uiteen.
Kontinenten schaven onafgebroken aan de schaal van het water
Dat inscheurt als bij het baren.
In de holle stapelplaatsen van kelp en witkalk
Vreten dodende planten elkaar aan.

Het enige dier is de mens, in zijn teken –
Een breekbare regenboog – bedrijft hij vogelvlug liefde
En huist in zichzelf verdeeld in vliesdun geworden kathedralen en schelpen.
De stilte hangt ademloos in ontbinding.
De aarde klinkt steeds verder in.

hamelink

Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007.

II  Saudade

Er loopt hier elke dag een jongen door mijn uitzicht
Hij wandelt door het klare noorderlicht, rechtop
Het kerkhof over naar het bos toe, zijn gezicht
Staat ernstig, bijna streng, hij heeft een haakse kop

Met stugge Beekse, bijna boerse stoere trekken
Ik zie hem ook wanneer ik in de Plusmarkt ben
Dan duwt hij winkelwagens weg of vult hij rekken
Hij wandelt in zijn pauze
– ’t is of ik hem ken

Soms knikt hij als ik schielijk langs hem heen loop
Met een pak melk of een fles wijn of een stuk kaas
Hij heeft het altijd zichtbaar druk, rent als een haas

Zichzelf en mij voorbij, een stormwolk aan de lucht…
Hij is mijn jeugd: niet meer te leen, te huur, te koop
Maar uitzichtloos voorbij, voorbij en op de vlucht

 

Uit: BEEK-UBBERGSE TANGO’S


O taaie januaridagen
Die traag in duisternis vergaan
Terwijl de bomen roerloos staan
En kaal geen blad of vrucht meer dragen

Je paden zijn zo vet als traan:
Door zware mist, die neergeslagen
Weer water wordt, en regenvlagen
Tot modderpoelen aangedaan

Je bos een boek – ik lees erin
Met tegenzin. Steeds stokt mijn hand
Zodat ik nog maar eens begin

Die bladzij die niet om wil slaan
Zij wijst het allerlaatste land
Vol taaie januaridagen

 

Uit: WINTER & HET WYLERBERGMEER

DE WATERVAL

Zo eindeloos als schaterlachend water
Is weinig in dit brekelijke leven:
Ononderbroken stroom, alleen gestold
Op foto’s van toeristen die voor later

Dit ene ogenblik gestalte geven
Waarin de tijd niet haastig verder holt
Maar stremt in dit voorgoed gekiekt geklater
Voor eeuwig stil, maar eeuwig duurt slechts even

Zo lang als de beschouwer is vergund
De eeuwigheid in water te ervaren
En kinderstemmen in de val te horen

Niets kan dit ruisend glaswerk evenaren:
Attractie door de jaren heen gemunt
Die iedere seconde wordt herboren

Cees_vd_Pluijm

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

De Japanse schrijver en vertaler Haruki Murakami werd geboren op 12 januari 1949 in Kioto en groeide op in Kobe. Zijn vader was de zoon van een Boeddhistische priester. Zijn moeder was de dochter van een koopman uit Osaka. Beiden gaven les in Japanse literatuur. Murakami was echter altijd meer geïnteresseerd in de Amerikaanse literatuur, waardoor hij zich een westerse schrijfstijl eigen maakte, waarmee hij zich onderscheidde van zijn Japanse tijdgenoten. Murakami schreef geen fictie tot na zijn dertigste. In 1987 kwam zijn echte doorbraak bij de publicatie van Norwegian Wood, een nostalgisch verhaal over verlies en seksueel opgroeien. Van dit boek werden miljoenen exemplaren gekocht door Japanse jongeren, waarmee hij een nationale beroemdheid werd. In 1986 verliet hij Japan en reisde door Europa, waarna hij zich vestigde in de Verenigde Staten. Hij gaf daar onderwijs aan de universiteit van Princeton (New Jersey) en daarna aan de William Howard Taft University in Santa Ana, Cal. In deze periode schreef hij Dance, Dance, Dance en South of the Border, West of the Sun. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007. 

Uit: Norwegian Wood

“Folding her arms and closing her eyes, Hatsumi sank back into the corner of the seat. Her small gold earrings caught the light as the taxi swayed. Her midnight blue dress seemed to have been made to match the darkness of the cab. Every now and then her thinly daubed, beautifully formed lips would quiver slightly as if she had caught herself on the verge of talking to herself. Watching her, I could see why Nagasawa had chosen her as his special companion. There were any number of women more beautiful than Hatsumi, and Nagasawa could have made any of them his. But Hatsumi had some quality that could send a tremor through your heart. It was nothing forceful. The power she exerted was a subtle thing, but it called forth deep resonances. I watched her all the way to Shibuya, and wondered, without ever finding an answer, what this emotional reverberation that I was feeling could be.
It finally hit me some dozen or so years later. I had come to Santa Fe to interview a painter and was sitting in a local pizza parlor, drinking beer and eating pizza and watching a miraculously beautiful sunset. Everything was soaked in brilliant red—my hand, the plate, the table, the world—as if some special kind of fruit juice had splashed down on everything. In the midst of this overwhelming sunset, the image of Hatsumi flashed into my mind, and in that moment I understood what that tremor of the heart had been. It was a kind of childhood longing that had always remained—and would forever remain—unfulfilled. I had forgotten the existence of such innocent, all-but-seared-in longing: forgotten for years to remember what such feelings had ever existed inside of me. What Hatsumi had stirred in me was a part of my very self that had long lain dormant. And when the realization struck me, it aroused such sorrow I almost burst into tears. She had been an absolutely special woman. Someone should have done something—anything—to save her.”

Murakami

Haruki Murakami (Kioto, 12 januari 1949)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 12 januari 2007.

 

De Duitse schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen.

 
De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs.

 

Jacques Hamelink, Cees van der Pluijm, Jakob Michael Reinhold Lenz, Charles Perrault

Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, Terneuzen. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde te Tilburg en gaf les, maar leeft sinds 1963 van zijn pen. Trok met zijn poëzie en proza de aandacht van de groep rond Merlijn, waarin hij regelmatig publiceerde. Voor de verhalenbundel Het plantaardig bewind (1964) onving hij zowel de Vijverbergprijs als de Van der Hoogtprijs. Hamelinks verhalen spelen beschaving en techniek uit tegen de primitieve natuur. In Ranonkel of de geschiedenis van een verzelving (1969) maakt hij gebruik van bijbelse en marxistische thema’s om een apocalyptische sfeer op te roepen van een naar de ondergang neigende beschaving, waarin slechts door de jeugd nog plaats is voor hoop. Hamelinks gedichten vertonen dezelfde thematiek als zijn proza: de mens als vluchtig verschijnsel tegenover een geologisch tijdsbesef dat de eeuwigheid en de natuur omvat (bijv. De eeuwige dag, 1964; Een koude onrust, 1967). Oudere gronden (1969) en Geest van spraak en tegenspraak (1971) voegen daar de thema’s van lediggang en onthechting aan toe.

Equilibrium

Nacht roert geheimtaal aan.

Mijn slijmmond heeft de smaak van pepermunt.

Hees bloedgroepgevoel: ik ben mijn eigen kind.

 

De huid sluit nauw om het vlees.

Ononderbroken klokken uren met droge keel.

In holten van kalmoes tovert de wind.

 

Ik ben geheel één met mijn lichaam,

Een koortsvrome gezindte. Ergens in huis is schik

Omdat de kerkdienst nog niet begint.

 

Bivak

Herfst. Wij huizen in schuilkelders.

Egelstellingen werden betrokken. Wij zijn

Roestende legers, nevelbruiden.

 

Middeleeuws liggen de akkers bekleed

Met bossen en steden. Onze lichamen

Raken verkleefd aan meeldraden, dicht.

 

Ontheemd zijn wij weerom,

Aangewezen op droogkruiden,

Duizelingen, wervelgaten, lichtekooien.

 

Mompelen in onze keel, mompelen

Beweert veel meer dan wij weten

Aan warme kleinsteedse geheimenissen,

Mompelen en zich vergissen in wegen.

 

Wij zitten stil, witbezweet opeens,

Onbekend in slaapwandelende winterkwartieren:

 

Kilte en vroege koningsveren van kinderen.

 

Hamelink

Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Hij studeerde Nederlands, Algemene Literatuurwetenschap en Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde. Hij publiceert sinds 1980 poëzie, proza, essays, drama, liedteksten en light verse. Daarnaast presenteert hij theatertalkshows, is hij dagvoorzitter bij conferenties, treedt hij op als trainer en acteur in communicatietrainingen, is hij uitgever en doceert hij aan de Schrijfopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht o.a. poëzieschrijven, beschouwend schrijven en literatuurbeschouwing. Cees van der Pluijm werkte samen en publiceerde met Robert Long, Drs. P en Jules de Corte, voor wie hij ook als tekstbezorger optrad. Tot 1990 publiceerde hij ook onder de namen Peter Coret en Paul Lemmens. Werk van hem werd opgenomen in meer dan vijftig bloemlezingen en essaybundels en in tientallen dag- en weekbladen

 

Oude liefde hoeft niet

Weet nu je weggaat dat veel ongezegd blijft
Weet dat er veel is, dat met je vertrekt
Dat je herinnering zuiver en echt blijft
En dat die toch nog vertedering wekt

Liefde kan overgaan, maar niet volledig
Want de geschiedenis kan niet gestopt
Maar het verschil was te onevenredig
Wat moet je doen, als het hart niet meer klopt?

Zie deze ingreep als levenverlengend
Niet voor ons samen – voor ieder apart
Liefde moet nieuw blijven, fel en verzengend
Zonder dat vuur wordt het kil en benard

Tracht wat gebeurd is te relativeren
En houd in ere wat jou en mij bond
Al zal ik straks weer een ander begeren
Nooit zoek ik meer wat ik ooit in jou vond

 

Roemeense reisbrief

Een restaurant in zomers Boekarest
We zitten in de zwoele open lucht
Er is geen zuchtje wind. Dan, plotseling
Weerklinkt het spelen van een klein orkest

De muzikanten weren zich geducht
De violisten, in een halve kring,
Zijn in de snelle stukken op hun best
Ze lijken voor hun weemoed op de vlucht

Maar ’t is niet hun muziek die ik bezing
Het is het beeld dat niet meer van mij wijkt
Van ’t jongste violistje van de acht:

Terwijl hij in vervoering verderstrijkt
Wendt hij zijn blik naar mij. En zie: hij lacht!
Hij kijkt en lacht en kijkt en lacht en kijkt

 

2004 – 3

Je weet dat alles kan nu niets meer hoeft
Je hebt geen woorden nodig om te zeggen
Dat je aan niemand iets hoeft uit te leggen
De stilte is vooroorlogs en beproefd

Soms dringt er iets van vroeger tot je door
Een voetstap die nabijkomt en verdwijnt
Een flits van hoe de zon een huis beschijnt
Een flard van een gezicht, een mond, een oor

Dan zak je weg, een zinken zonder water
Waarin het licht almaar diffuser wordt
Je zweeft een zachte bodem tegemoet

En landt wanneer je zelfs niet meer vermoedt
Dat dit de aankomst is die lang of kort
De route vormt naar tussen nu en later

cees2004

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

De Duitse schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen. Lenz was de zoon van een dominee. Op zijn achtste verhuisde hij met het gezin naar Dorpat in Estland. In 1768 ging hij in Königsberg, het huidige Kaliningrad, theologie studeren (deze studie zou hij echter nooit voltooien); hij kreeg tevens les van Immanuel Kant, en schreef zijn eerste gedichten, waaronder Die Landplagen, dat hij aan Tsarin Katharina II opdroeg. Zijn literaire activiteiten kwamen volop op gang nadat hij in 1771 in Straatsburg, waar hij verder studeerde, Goethe had ontmoet. Lenz was er werkzaam als een soort kamergeleerde of mentor voor twee adellijke broers die in het Franse leger werkzaam waren; nadat hij in 1774 door hen verlaten was en als freelancer aan de bak poogde te komen, publiceerde hij zijn beroemde komedie Der Hofmeister, over zijn ervaringen als privéleraar in 1769. Lenz las vele werken van andere schrijvers en hield zich met vertalingen van toneelwerk bezig. Lenz’ verering voor Goethe nam welhaast obsessieve proporties aan: Friederike Brion, die door Goethe was verlaten, werd zijn volgende ongelukkige liefde, gevolgd door Goethes zuster Cornelia en de schrijfster Sophie La Roche, die eveneens een vriendin van Goethe was. Ten langen leste bezocht hij Goethe onaangekondigd in Weimar. In Tantalus. Ein Dramolet, auf dem Olymp stelt hij, weliswaar ironisch, Weimar als de Olympus voor, het hof van oppergod Goethe. Het duurde niet lang meer vooraleer Goethe, die zich langzaam aan van de Sturm und Drang aan het afkeren was, genoeg kreeg van Lenz — het kwam tot een definitieve breuk, en Lenz werd het land uitgezet. Vanaf die tijd begonnen zijn wispelturige gedragingen problematisch te worden. In 1777 verbleef hij eerst een tijdje bij Goethes zwager in Emmendingen, om vervolgens door Zwitserland rond te trekken, steeds vaker last krijgend van waanzinsaanvallen.

 

Uit: Der Hofmeister

Zu Insterburg in Preussen.

Läuffer.
Mein Vater sagt: ich sey nicht tauglich zum Adjunkt. Ich glaube, der Fehler liegt in seinem Beutel; er will keinen bezahlen. Zum Pfaffen bin ich auch zu jung, zu gut gewachsen, habe zu viel Welt gesehn und bey der Stadtschule hat mich der geheime Rath nicht annehmen wollen. Mag’s! er ist ein Pedant und dem ist freylich der Teufel selber nicht gelehrt genug. Im halben Jahr hätt’ ich doch wieder eingeholt, was ich von der Schule mitgebracht, und dann wär’ ich für einen Klassenpräceptor noch immer viel zu gelehrt gewesen, aber der Herr geheime Rath muß das Ding besser verstehen. Er nennt mich immer nur Monsieur Läuffer, und wenn wir von Leipzig sprechen, fragt er nach Händels Kuchengarten und Richters Kaffehaus, ich weiß nicht: soll das Satyre seyn, oder – Ich hab’ ihn doch mit unserm Konrektor bisweilen tiefsinnig genug diskuriren hören; er sieht mich vermuthlich nicht für voll an. – Da kommt er eben mit dem Major; ich weiß nicht, ich scheu ihn ärger als den Teufel. Der Kerl hat etwas in seinem Gesicht, das mir unerträglich ist. (geht dem geheimen Rath und dem Major mit viel freundlichen Scharrfüssen vorbey.)”

Lenz_298

Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792)

 

De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs uit een rijke familie. Hij studeerde rechten, en begon een carrière als ambtenaar. Hij was lid van de Académie française, en een belangrijk intellectueel. In 1683 publiceerde hij zijn bekendste werk, Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye. Het is een verzameling volksverhalen en sprookjes. Het werd een internationaal beroemd boek onder zijn ondertitel, en de verhalen zijn bekend als De sprookjes van Moeder de Gans. Meteen was een nieuw literair genre geboren: het sprookje. Bekende sprookjes uit de verzameling van Perrault: Assepoester, Roodkapje, Kleinduimpje, De gelaarsde kat, De schone slaapster in het bos.

 

Uit: Cendrillon (Assepoester)

 

« Il était une fois un gentilhomme qui épousa en secondes noces une femme, la plus hautaine et la plus fière qu’on eût jamais vue. Elle avait deux filles de son humeur, et qui lui ressemblaient en toutes choses. Le mari avait de son côté une jeune fille, mais d’une douceur et d’une bonté sans exemple; elle tenait cela de sa mère, qui était la meilleure femme du monde. Les noces ne furent pas plus tôt faites, que la belle-mère fit éclater sa mauvaise humeur; elle ne put souffrir les bonnes qualités de cette jeune enfant, qui rendaient ses filles encore plus haïssables. Elle la chargea des plus viles occupations de la maison : c’était elle qui nettoyait la vaisselle et les montées, qui frottait la chambre de madame, et celles de mesdemoiselles ses filles. Elle couchait tout en haut de la maison, dans un grenier, sur une méchante paillasse, pendant que ses sœ urs étaient dans des chambres parquetées, où elles avaient des lits des plus à la mode, et des miroirs où elles se voyaient depuis les pieds jusqu’à la tête. La pauvre fille souffrait tout avec patience, et n’osait s’en plaindre à son père qui l’aurait grondée, parce que sa femme le gouvernait entièrement. Lorsqu’elle avait fait son ouvrage, elle s’en allait au coin de la cheminée, et s’asseoir dans les cendres, ce qui faisait qu’on l’appelait communément dans le logis Cucendron. La cadette, qui n’était pas si malhonnête que son aînée, l’appelait Cendrillon; cependant Cendrillon, avec ses méchants habits, ne laissait pas d’être cent fois plus belle que ses sœ urs, quoique vêtues très magnifiquement. »

 

Perrault

Charles Perrault (12 januari 1628 – 16 mei 1703)