Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Eva Demski, Willem A. Hecker, Jesse Laport

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Hiernamaals

1
Het hiernamaals is een veel te lang woord
voor wie al dood zijn en doof
voor al te lange woorden.

Daar is slechts het hier en het na wordt
het nu en het maal is wel duizendmaal
ontelbaar levenslang met alle sterren
vermenigvuldigd zoals er een toekomst is
om van te dromen en een die de droom is.

Onder het uitspreken van hiernamaals
kan vele malen worden gestorven,
het klinkt dan ook zacht als het zwijgen
na de laatste ademhaling, zoals welterusten
wanneer je ging uit logeren maar
zonder terug te komen naar huis.

2
Zal het hiernamaals onveranderlijk zijn
of verschuiven met de lichtval van één dag,
de invalshoeken prismadiep, telescopisch ver
wanneer er lenzen op versteld worden,
diafragma’s aangedraaid
als duimschroeven van het moment?

Het moment ontglipt de kijker, is dunner
dan een duim en sneller dan kleinduimpje
maar op het hemelsbreed hiernamaals hoe in godsnaam
het vooruitzicht zo te verstellen dat het past?

3
Ik stel ons voor
als kronkelende zaadjes
in een behaaglijk natte ruimte
als spermatozoïden onder de microscoop
rondzwemmend

slingerend ons staartje, vinnetje, tentakeltje
rond in dik water,
we zijn de schrijvertjes van Gezelle
maar dan onderwater,

vermaken ons door schuldeloos
om elkaar heen te draaien
bij tijd en wijle glijden we
eventjes tezamen

het is zo nat
zo ontrammelanterig
hierna en zo behaaglijk.

4
Van iemand die ik niet kende
heb ik gehoord dat zijn zoon zelfmoord pleegde,
medelijden met vader en zoon gekregen,
naar woorden gezocht om onbestemd
naar hen te verzenden.

Ik hoorde dat de woorden zijn teruggekomen
als holle echo’s die de vader slaakt
in zijn slaap die hij ’s nachts vermijdt
in de gesmoorde klank van het kussen

en zag dat de woorden holle ogen werden
in de zwarte muur van zijn kleine slaapkamer
die tegen me aan bleven hameren:
wat is leven?

De man die ik niet kende van wie de zoon
die ik evenmin kende zelfmoord pleegde
ben ik nooit helemaal uit het oog verloren.
Soms als er ergens iets ergs gebeurt
huilen we even

 


Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Calliope, van heldenzangen
de gebiedster, doe uw poëet
naar iets edels en groots verlangen
in ’t relaas van zijn lief en leed.
En Urania, van de sterren
de gebiedster, daar steil omhoog,
overkoepel mijn vers van verre
met uw duizendvoudige oog.
Helpt mij deze regels te dichten ;
gunt mij iets van uw heerlijkheid,
mij, de dichter meest van het lichte
genre aan Cupido gewijd,
en van rozen, altijd weer rozen,
en van de dood, die desolaat
door de triestige bladerloze
najaarsplantsoenen zijns weegs gaat.

Want ik wens een lang vers te schrijven,
dat men leest in het avonduur,
om ergens mee bezig te blijven
bij het warm knapperende vuur.
Buiten gaat de herfst al beginnen,
en de regen stort op het groen ;
men neemt dan een boek op daarbinnen,
om maar iets te hebben te doen ;
en men breekt een oud wijnmerk open,
voor de kille dagen bewaard ;
langzaam laat men het glas vollopen ;
dan opent men het boek bedaard.
Voor dat uur heb ik dit geschreven ;
vul het glas, smoor de bruine pijp ;
laat de regen zijn sluiers weven,
want de vrucht van de geest wordt rijp.

 


Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels… het huis!
Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, – een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid.
– Jongen, jongen, zegt zemaar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!…’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’
Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd.
Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen.
Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden… Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten…”

 


August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)
Twee pagina’s uit Vermeylens verzameld werk

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

Gogol, that mystical uneasy soul,
Intuitively sensed their role.

My good friend Buggins got drunk: in his dream
It seemed that, like a church spire
Breaking through washbowls and chandeliers,
Piercing and waking startled ceilings,
Impaling each floor like,
Receipts on a spike,

Higher and higher
rose
his nose.

“What could that mean?” he wondered next morning.
“A warning,” I said, “of doomsday: it looks
As if they were going to check your books.”
On the 30th poor Buggins was haled off to jail.

Why, O Prime Mover of Noses, why
Do our noses grow longer, our lives shorter,
why during the night should these fleshly lumps,
like vampires or suction pumps,
Drain us dry?

They report that Eskimos,
Kiss with their nose.

Among us this has not caught on.

 

 
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)
In 2008

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

Uit: Eingebettet

„Hotel Seventeen. Und die Blümchentapete passt nicht. Ich bemerke, dass ich nicht mag, wie du sprichst. Eigentlich. Wie du das Satzende immer verschluckst. Du liegst mit offener Hose da. Atmest tief und ruhig, wie es nur jemand kann, an dem Dinge abprallen oder dem Dinge gar nicht erst passieren. Ich wende mich ab und dir den Rücken zu, zähle die Gegenstände auf dem Nachttisch. Eine kleine Schüssel, sechs aufgeweichte Cornflakes, die darin kleben. Ein Löffel. Fünf Postkarten mit fünf Briefmarken, unbeschrieben.
“Fass mich an”, sagst du.
“Fass mich an. Hier”, und zeigst dabei wohl irgendwohin, ich zähle nochmals die Dinge auf dem Tischchen, weil ich den Faden verloren habe.
“Das ist doch…normal, weisst du.”
Ich nicke in mein Kissen, du siehst es nicht. Ich denke darüber nach, wo in dieser Stadt nun Osten ist und wo Westen, und daran, dass ich gerne hier leben möchte. Und dass ich alleine hierher wollte. Aber du bist plötzlich im Flugzeug neben mir gesessen. Und wolltest schmusen; ein junges Paar auf Reisen. Ich wollte dem hübschen Amerikaner links von mir beim Essen zusehen, seinen Händen, wie sie Gabel und Messer hielten. Ich wollte ihn so lange anschauen, bis er mich bemerkt. Du hast meine Schulter in Besitz genommen, mit offenem Mund darauf gedöst, danach war mein Pullover nass. Was träumen Menschen wie du? Menschen, die bestimmt nie einen Herzinfarkt bekommen und mindestens achtzig Jahre alt werden. Das hätte ich gerne gewusst, obwohl es mich nicht wirklich interessierte.
“Fass mich an”, hauchst du und fasst mich am Handgelenk. Ich rutsche weiter weg von dir, bin nun bei der Bettkante angelangt, mein Arm reicht aber immer noch bis an deine Haut.“

 


Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 
Brig

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Sonnet VII: Supreme Surrender

To all the spirits of Love that wander by
Along his love-sown harvest-field of sleep
My lady lies apparent; and the deep
Calls to the deep; and no man sees but I.
The bliss so long afar, at length so nigh,
Rests there attained. Methinks proud Love must weep
When Fate’s control doth from his harvest reap
The sacred hour for which the years did sigh.
First touched, the hand now warm around my neck
Taught memory long to mock desire: and lo!
Across my breast the abandoned hair doth flow,
Where one shorn tress long stirred the longing ache:
And next the heart that trembled for its sake
Lies the queen-heart in sovereign overthrow.

 

Vox Ecclesiae, Vox Christi

Not ‘neath the altar only,—yet, in sooth,
There more than elsewhere,—is the cry, “How long?”
The right sown there hath still borne fruit in wrong—
The wrong waxed fourfold. Thence, (in hate of truth)
O’er weapons blessed for carnage, to fierce youth
From evil age, the word hath hissed along:—
“Ye are the Lord’s: go forth, destroy, be strong:
Christ’s Church absolves ye from Christ’s law of ruth.”
Therefore the wine-cup at the altar is
As Christ’s own blood indeed, and as the blood
Of Christ’s elect, at divers seasons spilt
On the altar-stone, that to man’s church, for this,
Shall prove a stone of stumbling,—whence it stood
To be rent up ere the true Church be built.

 

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
Roman Widow door Dante Gabriel Rossetti, 1874

 

De Duitse schrijfster Eva Demski werd geboren op 12 mei 1944 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Eva Demski op dit blog.

Uit: Gartengeschichten

„Sie war eine jener Pessimistinnen, die grade deshalb die schönsten Gärten zustande bringen. Sie zeigen nämlich der verrotteten, dreckigen und kranken Gegenwart, wie sie aussehen könnte, wenn gärtnerische Vernunft regierte. Plato wollte Philosophen als Könige haben, meine Mutter Gärtner. Natürlich keine professionellen, die waren Teil des weltweiten Mörder­ und Vergifterkartells. Es gelangen ihr geniale Kombinationen von Farben und Pflanzen, ich beneidete sie um vieles und konkurrierte niemals – ich mit meinem »Handtuch«. Zu Lebzeiten meines Vaters durfte sie keinen Kitsch aufstellen und hielt sich mit Geschenken an mich schadlos, Steinamphoren und allerlei Terrakotta. Ein abstraktes eisernes Gebilde, das er als Kunstwerk ernster Art in Sichtweite des Hauses auf den Rasen betoniert hatte, bepflanzte sie mit Clematis der Sorte Montana Rubens, ein wunderbares und temperamentvolles Gewächs, unter dem man auch das Frankfurter Polizeipräsi­ dium schnell unsichtbar werden lassen könnte, wenn man nur wollte. In kurzer Zeit war aus dem Kunstwerk eine duftige, aber kompakte Wolke geworden, im April mit Hunderten von vierblättrigen rosa Blüten bedeckt, die sich in kleine gelbe Knöpfe und dann in sehr dekorative weiße Spiralnebelchen verwandelten. Wenn man etwas zu einem schönen Verschwinden bringen will, ist die Montana Rubens allererste Wahl.
Mein Vater hängte trotzig eine verdrehte, bearbeitete und etwa mannshohe Wurzel so hoch an die Hauswand, wie es ging, und sagte, die sei schließlich Natur, irgendwie. Die Favoriten meiner Mutter wechselten. Sie ging mit Pflanzen um wie ein Intendant mit seinen Schauspielern. Wer in einer Spielzeit zu viele Hauptrollen hatte, mußte sich in der nächsten mit Nebenrollen begnügen. Und wie ein Intendant konnte sie sich manchmal nicht entscheiden, wen sie nun mehr liebte: die fulminant auftretenden Feuerwerkstypen, prachtvoll, aber schnell schlapp – zum Beispiel Schwertli­ lien –, oder die verläßlichen Darsteller, von sanfterer, aber haltbarer Schönheit wie manche Polyantharosen, die den ganzen Sommer unermüdlich Blüten nachschieben. Das ist ein verbreitetes gärtnerisches Dilemma. Ich habe eine Freundin, die sich in einer bestimmten Zeitspanne im Monat Mai weder von lukrativen Jobs noch von verheißungsvollen privaten Terminen aus dem Garten lokken läßt, weil sie darauf wartet, daß ihre chinesischen Päonien aufblühen, riesige, zarte Blütenschüsseln, die schon ein Windhauch oder ein kleiner Regenguß zur Strecke bringt. Ihre volle Schönheit haben sie nur für Stunden. Das ganze übrige Jahr machen sie sich mit furchtbar viel Grünzeug wichtig, nehmen eine Menge Platz weg und leben von der Erinnerung. Meine Freundin pflegt einen Regenschirm über sie zu halten, wenn es nötig ist.“

 

 
Eva Demski (Regensburg, 12 mei 1944)

 

De Nederlandse dichter Willem Augustus Hecker werd geboren op 12 mei 1817 in Groningen. Zie ook alle tag voor Willem A. Hecker op dit blog.

Uit: HIPPOKREEN-ONTZWAVELING

Zo ontwikkelt in ’tgemoed des dichters, wat er diep
Verholen, onbewust van zijn ontvlamming, sliep;
Zy doet de volle borst tm ’t glorierijk ontwaken,
Daar ze als een Etna kookt, een lavagloedstroom braken
Van poëzy, die de aard (een zondvloed) overstroomt !
De roem is ’t eelst kleinood, waar elk zich ziek van droomt,
En onvermoeid om draaft en eindloos woelt en wemelt;
Maar ’t is de bronwel , die aan ’t uitgedroogd verhemelt
Ontsnapt, dat reikhalst naar den laafnisvollen dronk;
Een star is ’t. die verschoot, als ze overheerlijk blonk.
Ik moet beroemd zijn!” – waarom niet ? – “ ‘k bezit talenten !”
Althands om knollen voor citroenen uit te venten,
»Een ieder koopt mijn waar en ‘k ben by elk bekend.”
Dat pleit voor ’t onverstand van wie die koopt en vent ! –
– Zoo schijnen veel met haar of zy met veel te spelen:
En hoed de Hemel elk in tolk een vloek te deelen,
Die meest (rampzalig!) op ’t Poëtenvolkjen drukt,
En vaak ’t verbijsterd brein zijn denkenskracht ontrukt;
Die eigen prulwerk, waar de autheur voor diende te ijzen,
Schoon duizendwerf gelaakt, hem eindloos dwingt te prijzen,
En de altoos veile stem eens Letteroefenaars
Of Gids te huren die ’t gebrekkig kreupelvaars
Door valsche orakeltaal van windrige Sofisten
De onsterflijkheid (die ze aan klienten slechts verkwisten!)
Verzeekren : — dichter, ras den hemel ingerukt !
Met lijf en ziel ! — maar ach ! door d’overlast gedrukt
Van bondels verzen, moet ge op de aarde kruipen blijven,
Om eindlijk op den stroom der Lethe weg te drijven !
‘t Belachlijk kind des roems kwam in zijn roemzucht om:
Wie versjes rijmel, wees (hy kleer u !) niet zo dom.

 

 
Willem A. Hecker (12 mei 1817 – 15 januari 1909)
Postuum portret in de senaatskamer van de Universiteit van Groningen

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Zie ook alle tags voor Jesse Laport op dit blog.

 

Wintertijd

als de dagen korter lijken
houd dan in je achterhoofd
dat de afwezigheid van licht
niet de gids is van je tijd

in de avond
heb je evenveel adem
als toen – wat je gisteren
nog middag hebt genoemd

 

Kind

Hoe lang ben je verliefd?
Hoe lang ben je boos?
In hoeveel staten tegelijk kun je zijn?
En hoe lang duurt de dood?
Hoeveel kun je van iemand houden?
Hoe lang heb je geluk?
Kun je iemands hart doen smelten?
En kan het dan nog stuk?
Hoeveel liefde kun je iemand geven?
En raakt het ook eens op?
En kan het ook gebeuren
dat gevoelens zijn verstopt?

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn twee blogs van 12 mei 2018.

Dolce far niente, Groen-grijs gebied (Jesse Laport)

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het Kerkplein en de Sint-Eusebiuskerk te Arnhem, z.j.
door Jurriaan Marinus Beek (5 april 1879 – 15 oktober 1965)

 

Groen-grijs gebied

Geen heuvels; bulten
geen monumenten; panden
geen gesprekken; praatjes
geen gedoe; gedonder;

aan de Rijn maakt niemand alles mooier
maar doet niet van iets of het niets is
aan de Rijn pas je in geen enkel hokje
dan het hokje dat je bouwt

ze kunnen gedichten schrijven
verhalen verzinnen
liederen zingen
video’s maken

maar plaatsen kunnen ze ons niet

wie hier woont
pást niet in je plaatje
wie hier wonen
voldoen niet aan stigmata

dit is geen Randstad
geen periferie
dit is de Rijnstad

we zijn een groen, we zijn een grijs gebied

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)
Arnhem gezien vanaf de Rijn door Abraham van der Zee (1882-1958)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Jesse Laport

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Laport studeerde Theater en Creative Writing, en verschijnt vandaag de dag ten tonele als Stadsdichter van Arnhem. Hij staat al jaren op het podium als muzikant, acteur, gastheer en dichter. Dit combineert hij met het organiseren van evenementen voor muzikanten en dichters, werk als online redacteur, toertochten door de ‘Benelux’ als gesproken woordkunstenaar en het geven van workshops. In 2016 bracht Laport zijn eerste poëziecollectie ‘Niet te sappel’ uit. Laport houdt ervan om meerdere disciplines met elkaar te verbinden en hen een plek op het podium te bieden.

 

Net geen ode II

Dag Arnhem
Je mensen zijn leuk genoeg
je stad komt er net mee door
je valt niemand lastig
en je treft niemand blaam
je kunt precies genoeg naam maken
en het gat in je hand
valt in de rest van het land
niet zo op

Je redt het wel Arnhem
je kunt het best
klaag niet stad
net niet als de rest

 

Het licht brandt

Het licht brandt
maar mijn schaduw zalft

de vogels lopen op het dak

en als de brommer van de
bezorger klinkt
en mijn brievenbus kleppert

denk ik aan mijn vader

hoe ik hem veel had willen
kunnen
zeggen
hoe mijn broers
geen broers waren

de worst ligt in dunne
plakjes op het bord

mijn keuzen zijn voor altijd

alles had altijd niets kunnen zijn

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)