Moeder (Martinus Nijhoff), Hagar Peeters, Cecilia Quílez

 

 

Mijn moeder door Helene Schjerfbeck, 1909

 

Moeder

We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als ’t avond werd. Dan zong ze naast de zee –
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.

Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen
En steeds bewegend, steeds bewegend hart –
Wij wisten dat in haar geleden werd,
Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden.

Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven.
Donkere moeder, wieg haar lichaam warm,
Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot –

Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood,
Die menschen eenzaam maakt en stil en arm –
Maar die het witte zonlicht niet kan dooven.

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
De Grote of Sint-Jacobskerk in Den Haag, de geboorteplaats van Martinus Nijhoff

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Je bewoont al jaren

Je bewoont al jaren
alle kamers in mijn hoofd.
Het lukt maar niet
je te verdrijven.

Ik heb er andere namen
in gestopt, maar geen
wil zo beklijven
als die van jou.

Ik vind hem terug in het
merk kleren dat ik koop,
je speelt mee in alle
films die ik zie

en zo vaak roept iemand je
op straat dat ik
me afvraag hoe het kan
dat je uniek bent
en toch zo gangbaar.

Je speelt denk ik niet
in films, en mijn hoofd
bewonen doe je zeker niet.
Was het maar waar. Je woont

ergens in een huisje aan zee
en tuurt daar uit het raam.
Je wacht. Op mij. Maar
je vergat mijn naam.

 

Verklaring

Het is hier buitenwereld wit.
Zo licht en ondoordringbaar niks is dit,
als dichte mist.
Als wat ik dagelijks begaan moet
aan dichte onbegaanbaarheid.
Het is mijn ingedikte ik.
Het is de wereld die ik openrijt met woorden.
Ziet u hoe het zwart sneeuwt voor uw ogen,
hoe ik verbeten letters zet.
Ik doe op het papier
wat ik vergeefs steeds in het echte leven deed;
het witte lichte niks verstoren.
Ik schrijf mijn geboortekreet.

 

Zelfportret aan tafel

In de rook van je sigaret kringelen alle gestalten
die je niet geworden bent maar wel bent
naar het plafond en op muren
werpen zij schaduwen, multipel,
de talenten waarmee
je nooit naar buiten trad.

Die sluier van rook, dat is ook
de aaneenschakeling van schouders
van alle voorouders die zichzelf
aan je doorgaven. Je ging gebukt onder hun donatie.

Wij brengen een toast uit aan tafel
op alles dat ons ontglipt. Rook omsluit ons
volledig. Nu is de wereld verstikt.

De rook, dat zijn de handen
die je naar hoogten dragen vanwaar
bijna alles verdraaglijk is.
Kijk maar naar me:
er zijn vele schakeringen Hagar.

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Spaanse dichteres Cecilia Quílez Lucas werd geboren in Algeciras in 1965. Zie ook alle tags voor Cecilia Quílez op dit blog.

 

HET WONDER VAN DE VISSEN

Je komt in de slaapkamer binnen, niet in de schaduw.
De schaduw ben jij.
Ik projecteer je in mijn vlees zoals toen,
in die schelp die een andere omhelzing leek.
Je naderde mij met op je tong een testament
en een harpoen in je borst.

Onder de opgebrande kaarsen hebben we gebeden
bij de ochtendklaarte waar je de wonderen waarneemt
en alles uit de som van het niets ontstaat.
Wij waren, jij en ik, delirium van de onbetwistbare dagdroom
in een andere wereld met twee woeste meren
en twee vissen klaar om elkaar te vernietigen.

Ik denk nu aan die nachten
waarin de uilen op de vensterbank
van deze schaduwen in zwijm vallen.
Schreeuw en herhaal voor mij gelijk een litanie
dat je je dit alles naar waarheid
herinnert.

 

Vertaald door Fa Claes

 

Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)

 

Zie ook alle tags voor Moederdag op dit blog.

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

‘Krijg de Overmaasse hazewindhondenkorenmolenpestpokken!’

Een Rotterdamse tongval is het mooiste als hij scheldt,
als hij de Erasmusbrug doet deinen onder zijn verbaal geweld,
als Bep van Klaveren de bokser zijn spierballen rollen laat
op de maat van Deelders verzen, krijg ik het echt te kwaad.

Zijn klagen klinkt niet als gejammer als een wanklank hem ontvalt
want een echte Rotterdammer houdt zijn tong altijd gebald.

Al die schepen in Delfshaven die zich aan de Noordzee laven
varen op de adem van dokwerkers naar de wijde horizon.
Is die stad wat recht en hoekig en die taal een beetje vloekig,
als een Rotterdammer kankert klinkt het vloeiend en bon ton.

De Rotterdamse tongen zijn de snelste van het land.
Zij praten als hun vuisten van het bed tot ledikant.
Zij weten zich te weren tegen Overmaasse heren,
lullen wars van redeneren het gelijk steeds aan hún kant.

Helaas, ik ben geen Rotterdammer want ik scheld niet maar ik jammer.
Mijn verwensing doe ‘k mijn ergste vijand nog niet aan.

Ik neem de wijk naar kroostrijk Crooswijk
waar ik dat prachtig schelden afkijk
en daarna ga ik weer gewoon mijn eigen baan.

De roep die ik in mijzelf hoorde

Ik geef gevolg aan de niet geuite lokroep
die geheel en al buiten hen omgaat

die hun aanwezigheid slaakt zonder hen daarin te kennen
die aantrekking die ondanks hunzelf van hen uitgaat

kom ik tegemoet met beide armen uitgestrekt als een slaapwandelaarster
zo meander ik langs meubels, de afgronden van de kamer

en nader waar mijn radars mij brengen
daar waar mijn uitgestrekte armen in die van de ander

zich in de armen van de ander bergen. We doen ons tegoed.
Hier lopen we te hoop op botten en spieren en bloed

stuiten tegen muren ketsen af op gepantserde harten
want niemand riep mij op hem toe, niets verzocht mij te komen

dan de roep die ik in mijzelf hoorde.

 

Vlakte

Het vredig afgeduwde als een bootje
aan de oever van het water dat zo stil is
dat het amper vooruitkomt
ligt in het donker de maan een wonder
de zwarte hemel een mantel
ligt het daaronder

ik heb het water gewenkt
het water wenkte terug: de golven
mijn handen kommen mijn vingers kromden
de schuimkoppen rolden

en ik duw en ik duw
tot de arm van het water het van mij overneemt,
kom maar fluistert naar het bootje

dat alleen nog de omtrek van een bootje is
waarbinnen een zwartere vlakte
opgaat in een grotere vlakte

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

téchnē (“tijdens” / “en”)

dagelijks, en volledig onopgemerkt,
maakt de ziel haar back-ups –
en vertel het aan niemand
het gaat om een

transparante techniek; lang
heeft men aangenomen
dat het om een simpele droomroutine zou gaan
die wordt gevolgd, intussen

is het vrij zeker dat
het laat in de avond gebeurt,
terwijl je in slaap valt, en
vijf, hooguit tien seconden

duurt; terwijl de maan
in de ramen staat
ja, de maan, in de ramen,
sinds honderd jaar zijn ze

onderling verbonden; alles
heb je geprobeerd om er een break in
te lassen, maar het contact is gelegd,
om de chip te killen, maar

het contact is gelegd, zelfs om de hele
zaak in afzonderlijke delen op te split-
sen, maar het contact…
zoals je dromen trouwens

die doen alsof ze in de ochtend
het lichaam verlaten, terwijl
echter de glazen buis van de dag
stuk breekt, en de dromen hun

kwikzilverkogels in je spier-
weefsel schieten en de systemen
verlammen, terwijl je
lichaam totaal niet onder de indruk

zijn geheime kalender open-
vouwt en de programmagegevens
vergelijkt, en het contact echter,
monsterlijk en precies, gelegd is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Als alle vogels

Mijn armen zijn de wanden
van je enkelvoud
waaraan bodem en plafond ontbreken
zodat je kunt ontsnappen
door de wijdste kier, de hemel,
onder de dikste plint, de aarde
maar laat ons eerst een nestje vlechten
van onze ledematen.

 

Mag ik naar je toe?

Mag ik naar je toe?
Samen zitten op de bank
waar jij me aait totdat ik slaap
en verder niets?

Alle winst wordt weer verlies.
Ieder woord doet afbreuk aan
het strelen van je hand,
je kussen op mijn haar.

Troost mij niet.
Je lieflijkheid draagt kilte aan.
Ons opgaan in elkaar
komt van één kant.

 

Debuut II

Licht spiraalde op de muur
van zijn studentenkamer,
gaf flakkerend de schaduw aan
van twee figuren, lichtgebogen.

Heel traag sloeg zij haar kleren af
en ook haar schaamte dwarrelde neer
temidden van ontkurkte flessen,
de asbak en leergangen fysica

kwam hij haar nader dan de dag erna
waar op de tafel in het schelle morgenlicht
de glazen schaamrood kleurden van de wijn

die op de bodem hard geworden
met de afdruk op het matras
getuigde dat niets meer hetzelfde was.

Daarvan waren alle ramen,
de studenten op college
die er samenzweerderig over zwegen,
de stoeptegels die haar zagen lopen
al op de hoogte.

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

de dochters zijn ramen

de dochters zijn ramen
…………………………..in de huizen van de moeders, daar

kijken ze door naar buiten; de
…………………………..zonen zijn snaren, gestemd als

de vaders. – nu zien ze er allemaal
…………………………een beetje gespannen uit.

op zichzelf zijn de viooltjes
…………………………lelijk, in de balkonbakken

buiten (zelfs nog als allegorie); “dit
………………………zou iemand opnieuw moeten omscheppen.”

de bloemkelken citeren engelen
……………………….en bijen. – op zaterdag wanneer

de kevers poetsen, ruikt het
………………………door het hele huis naar chitine

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

 Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Kanttekeningen van de muze

I
Er schemert een zweempje gelukzaligheid
door het omslaan van de bladzijden, het uitschoppen van een schoentje,
het omhoogduwen van een plooi in een japon
wanneer je in gedachten staat te zoenen met die witte monden van papier.

Hoeveel avonden waren er niet op te sieren met het magnum opus
van één man. Iets apocriefs voor bij het aperitief
waarna hij nog één bundel schreef
voor bij de kreeft en één voor bij het diner,
tot slot wat scherts aan het dessert.

Mijn handen zouden zachter zijn, zijn lippen troostender,
zijn mond liefkozender,
de kaarsen schitterden als sterren op tafel.

O, wat zou ik graag de geliefde in de gedichten van de dichters zijn
aan wie zij hun ziel opdragen, voor wie zijn hun gemoedsrust
weg laten gutsen in een onthutsend slapeloze nacht
en zoveel bladzijden met bloed geschreven om bij te zetten
aan mijn graf.
Hier staat het: zo zijn alle vrouwen.
Luister naar de dichters want zij kunnen het weten.
Hier staat zoals zij was en u staat paf

II
Maar de dichters maakten mij broos.
Ik mocht het lieve lenige woordje liefde
aflikken als een lolly en daarbij het stokje
kokette rondjes laten draaien tussen
mijn steelse vingertoppen en schuchter
lonkend lichaam zijn
als ik maar mysterieus was en steeds van
hetzelfde type oermysterie.

Met mijn naakte ongrijpbare lipjeslichaamaanschijn
werd ik ertoe gedwongen mij verborgen te houden in hun woorden
en altijd wuifden mijn haren als bij de meisjes
van de karaokebanden.
Altijd werd ik gezocht in zielen, in dromen, in herinneringen,
in tempels, in doorrookte avonden vol stilte en wijn.
Ik mocht er steeds niet zijn.

Ik sloop op mijn tenen door hun werkvertrekken
om de dichters niet te storen
bij hun zoeken naar mij
maar zij merkten mij toch op en fluisterden
bits tussen hun vingers:
‘sstt, aardse koe, je jaagt haar weg.’

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

iets voor de geesten
(david constantine)

vandaag hebben de geesten
lang geslapen en uitgebreid ont-
beten
voordat ze op weg zijn
gegaan door ons lichaam

papa, mama, jullie hadden je,
slim als je bent, in twee pannenkoeken
verstopt;
hoewel ik jullie
net pas had gekocht
smaakten jullie taai en droog;
(Ik kon jullie
amper door de keel wringen, eerlijk gezegd)

maar toen kwam toch het punt
met de jam waarop we ons
met elkaar hebben verzoend …

het is eigenlijk iets heel simpels
wat ik wil zeggen;
clara denkt nu bijvoorbeeld
aan haar nieuwe leraar Duits, die zij
niet kan uitstaan
en die zij niet meer uit haar
hoofd krijgt

soms verdwijnen ze
gewoon in de koffie, of ik weet ook
niet, hoe ze het doen
of ze
ritselen nog even met
de krant, alsof ze ons willen afleiden,

voordat de geesten weer hun
weg door ons lichaam
vervolgen,
en we ze dan de hele dag
niet meer zien

en ook opstaan van de tafel,
onze schoenen aantrekken, onze jassen
pakken en het huis
uitgaan

wij en de kinderen,
ieder zijns weegs

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Van heldinnen en hun daden die voorbijgaan

De batjesvedette is oud.
Haar handen trillen van de Parkinson
maar zij weet niet van ophouden.

Vibrerend vliegt de pingpong door de lucht,
raakt spiegels, vazen en violen
die op de vloer aan stukken slaan
maar zij wint als altijd.

Eén misslag van haar hand
brengt zoveel turbulentie in de lucht teweeg
dat de bal de juiste hoek maakt.

Wanneer de bal bijna het net raakt,
maakt dit een diepe buiging.
Als ze hem naast de tafel slaat,
springt deze razendsnel opzij en salueert.

Dreigt ze ondanks dit alles te verliezen
dan zet ze zo’n enorme keel op
dat langs haar stembanden de bal
alsnog naar zijn bestemming rolt.

Dingen weten dat je oude winnaars
nooit teleur moet stellen.

 

Krantenbericht

Er was vervallen. Er was verslagen.
Er waren woorden van de levenden later.
Er was onbegrip, weemoed,
een lege auto langs de weg.
Er was een coupé gevallen in de vallei.
Er waren ramptoeristen, verslaggevers,
cameramensen en mensen zonder camera’s,
zonder menselijks en zonder mens te zijn.
Er waren artikelen in de krant
en foto’s van de fotografen. Er was zand.
Er was geen afscheid, daar was geen tijd voor
en er was spijt, al wist niemand om wat.
Er was een weg en er was een bestemming
en er was iets dat daar tussen kwam.
Zo ben ik verleden week nog overleden.
Ik ben door iets onnoembaars overreden
toen ik onoplettend overstak van mij naar jou.

 

Zelfportret aan tafel

In de rook van je sigaret kringelen alle gestalten
die je niet geworden bent maar wel bent
naar het plafond en op muren
werpen zij schaduwen, multipel,
de talenten waarmee
je nooit naar buiten trad.

Die sluier van rook, dat is ook
de aaneenschakeling van schouders
van alle voorouders die zichzelf
aan je doorgaven. Je ging gebukt onder hun donatie.

Wij brengen een toast uit aan tafel
op alles dat ons ontglipt. Rook omsluit ons
volledig. Nu is de wereld verstikt.

De rook, dat zijn de handen
die je naar hoogten dragen vanwaar
bijna alles verdraaglijk is.
Kijk maar naar me:
er zijn vele schakeringen Hagar.

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

na jaren van loonarbeid aan de vlinderzaag

begonnen we eindelijk de nadelige
effecten van goudstof te voelen,
diens elektrische geknetter, in de koortsige lucht,
die ons altijd omringt. de glansloosheid van onze acties
viel op de heldere spiegels van onze ogen,
een pijnlijke, constante hoest maakte
duidelijk: onze longen verzanden;
maar onze tongen slibben dicht
(dit veroorzaakte overigens die zeldzame
armoede van onze taal, in de sombere
jaren van loonarbeid)

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2019.

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Eva Demski, Willem A. Hecker, Jesse Laport

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Hiernamaals

1
Het hiernamaals is een veel te lang woord
voor wie al dood zijn en doof
voor al te lange woorden.

Daar is slechts het hier en het na wordt
het nu en het maal is wel duizendmaal
ontelbaar levenslang met alle sterren
vermenigvuldigd zoals er een toekomst is
om van te dromen en een die de droom is.

Onder het uitspreken van hiernamaals
kan vele malen worden gestorven,
het klinkt dan ook zacht als het zwijgen
na de laatste ademhaling, zoals welterusten
wanneer je ging uit logeren maar
zonder terug te komen naar huis.

2
Zal het hiernamaals onveranderlijk zijn
of verschuiven met de lichtval van één dag,
de invalshoeken prismadiep, telescopisch ver
wanneer er lenzen op versteld worden,
diafragma’s aangedraaid
als duimschroeven van het moment?

Het moment ontglipt de kijker, is dunner
dan een duim en sneller dan kleinduimpje
maar op het hemelsbreed hiernamaals hoe in godsnaam
het vooruitzicht zo te verstellen dat het past?

3
Ik stel ons voor
als kronkelende zaadjes
in een behaaglijk natte ruimte
als spermatozoïden onder de microscoop
rondzwemmend

slingerend ons staartje, vinnetje, tentakeltje
rond in dik water,
we zijn de schrijvertjes van Gezelle
maar dan onderwater,

vermaken ons door schuldeloos
om elkaar heen te draaien
bij tijd en wijle glijden we
eventjes tezamen

het is zo nat
zo ontrammelanterig
hierna en zo behaaglijk.

4
Van iemand die ik niet kende
heb ik gehoord dat zijn zoon zelfmoord pleegde,
medelijden met vader en zoon gekregen,
naar woorden gezocht om onbestemd
naar hen te verzenden.

Ik hoorde dat de woorden zijn teruggekomen
als holle echo’s die de vader slaakt
in zijn slaap die hij ’s nachts vermijdt
in de gesmoorde klank van het kussen

en zag dat de woorden holle ogen werden
in de zwarte muur van zijn kleine slaapkamer
die tegen me aan bleven hameren:
wat is leven?

De man die ik niet kende van wie de zoon
die ik evenmin kende zelfmoord pleegde
ben ik nooit helemaal uit het oog verloren.
Soms als er ergens iets ergs gebeurt
huilen we even

 


Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Calliope, van heldenzangen
de gebiedster, doe uw poëet
naar iets edels en groots verlangen
in ’t relaas van zijn lief en leed.
En Urania, van de sterren
de gebiedster, daar steil omhoog,
overkoepel mijn vers van verre
met uw duizendvoudige oog.
Helpt mij deze regels te dichten ;
gunt mij iets van uw heerlijkheid,
mij, de dichter meest van het lichte
genre aan Cupido gewijd,
en van rozen, altijd weer rozen,
en van de dood, die desolaat
door de triestige bladerloze
najaarsplantsoenen zijns weegs gaat.

Want ik wens een lang vers te schrijven,
dat men leest in het avonduur,
om ergens mee bezig te blijven
bij het warm knapperende vuur.
Buiten gaat de herfst al beginnen,
en de regen stort op het groen ;
men neemt dan een boek op daarbinnen,
om maar iets te hebben te doen ;
en men breekt een oud wijnmerk open,
voor de kille dagen bewaard ;
langzaam laat men het glas vollopen ;
dan opent men het boek bedaard.
Voor dat uur heb ik dit geschreven ;
vul het glas, smoor de bruine pijp ;
laat de regen zijn sluiers weven,
want de vrucht van de geest wordt rijp.

 


Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels… het huis!
Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, – een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid.
– Jongen, jongen, zegt zemaar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!…’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’
Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd.
Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen.
Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden… Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten…”

 


August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)
Twee pagina’s uit Vermeylens verzameld werk

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

Gogol, that mystical uneasy soul,
Intuitively sensed their role.

My good friend Buggins got drunk: in his dream
It seemed that, like a church spire
Breaking through washbowls and chandeliers,
Piercing and waking startled ceilings,
Impaling each floor like,
Receipts on a spike,

Higher and higher
rose
his nose.

“What could that mean?” he wondered next morning.
“A warning,” I said, “of doomsday: it looks
As if they were going to check your books.”
On the 30th poor Buggins was haled off to jail.

Why, O Prime Mover of Noses, why
Do our noses grow longer, our lives shorter,
why during the night should these fleshly lumps,
like vampires or suction pumps,
Drain us dry?

They report that Eskimos,
Kiss with their nose.

Among us this has not caught on.

 

 
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)
In 2008

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

Uit: Eingebettet

„Hotel Seventeen. Und die Blümchentapete passt nicht. Ich bemerke, dass ich nicht mag, wie du sprichst. Eigentlich. Wie du das Satzende immer verschluckst. Du liegst mit offener Hose da. Atmest tief und ruhig, wie es nur jemand kann, an dem Dinge abprallen oder dem Dinge gar nicht erst passieren. Ich wende mich ab und dir den Rücken zu, zähle die Gegenstände auf dem Nachttisch. Eine kleine Schüssel, sechs aufgeweichte Cornflakes, die darin kleben. Ein Löffel. Fünf Postkarten mit fünf Briefmarken, unbeschrieben.
“Fass mich an”, sagst du.
“Fass mich an. Hier”, und zeigst dabei wohl irgendwohin, ich zähle nochmals die Dinge auf dem Tischchen, weil ich den Faden verloren habe.
“Das ist doch…normal, weisst du.”
Ich nicke in mein Kissen, du siehst es nicht. Ich denke darüber nach, wo in dieser Stadt nun Osten ist und wo Westen, und daran, dass ich gerne hier leben möchte. Und dass ich alleine hierher wollte. Aber du bist plötzlich im Flugzeug neben mir gesessen. Und wolltest schmusen; ein junges Paar auf Reisen. Ich wollte dem hübschen Amerikaner links von mir beim Essen zusehen, seinen Händen, wie sie Gabel und Messer hielten. Ich wollte ihn so lange anschauen, bis er mich bemerkt. Du hast meine Schulter in Besitz genommen, mit offenem Mund darauf gedöst, danach war mein Pullover nass. Was träumen Menschen wie du? Menschen, die bestimmt nie einen Herzinfarkt bekommen und mindestens achtzig Jahre alt werden. Das hätte ich gerne gewusst, obwohl es mich nicht wirklich interessierte.
“Fass mich an”, hauchst du und fasst mich am Handgelenk. Ich rutsche weiter weg von dir, bin nun bei der Bettkante angelangt, mein Arm reicht aber immer noch bis an deine Haut.“

 


Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 
Brig

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Sonnet VII: Supreme Surrender

To all the spirits of Love that wander by
Along his love-sown harvest-field of sleep
My lady lies apparent; and the deep
Calls to the deep; and no man sees but I.
The bliss so long afar, at length so nigh,
Rests there attained. Methinks proud Love must weep
When Fate’s control doth from his harvest reap
The sacred hour for which the years did sigh.
First touched, the hand now warm around my neck
Taught memory long to mock desire: and lo!
Across my breast the abandoned hair doth flow,
Where one shorn tress long stirred the longing ache:
And next the heart that trembled for its sake
Lies the queen-heart in sovereign overthrow.

 

Vox Ecclesiae, Vox Christi

Not ‘neath the altar only,—yet, in sooth,
There more than elsewhere,—is the cry, “How long?”
The right sown there hath still borne fruit in wrong—
The wrong waxed fourfold. Thence, (in hate of truth)
O’er weapons blessed for carnage, to fierce youth
From evil age, the word hath hissed along:—
“Ye are the Lord’s: go forth, destroy, be strong:
Christ’s Church absolves ye from Christ’s law of ruth.”
Therefore the wine-cup at the altar is
As Christ’s own blood indeed, and as the blood
Of Christ’s elect, at divers seasons spilt
On the altar-stone, that to man’s church, for this,
Shall prove a stone of stumbling,—whence it stood
To be rent up ere the true Church be built.

 

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
Roman Widow door Dante Gabriel Rossetti, 1874

 

De Duitse schrijfster Eva Demski werd geboren op 12 mei 1944 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Eva Demski op dit blog.

Uit: Gartengeschichten

„Sie war eine jener Pessimistinnen, die grade deshalb die schönsten Gärten zustande bringen. Sie zeigen nämlich der verrotteten, dreckigen und kranken Gegenwart, wie sie aussehen könnte, wenn gärtnerische Vernunft regierte. Plato wollte Philosophen als Könige haben, meine Mutter Gärtner. Natürlich keine professionellen, die waren Teil des weltweiten Mörder­ und Vergifterkartells. Es gelangen ihr geniale Kombinationen von Farben und Pflanzen, ich beneidete sie um vieles und konkurrierte niemals – ich mit meinem »Handtuch«. Zu Lebzeiten meines Vaters durfte sie keinen Kitsch aufstellen und hielt sich mit Geschenken an mich schadlos, Steinamphoren und allerlei Terrakotta. Ein abstraktes eisernes Gebilde, das er als Kunstwerk ernster Art in Sichtweite des Hauses auf den Rasen betoniert hatte, bepflanzte sie mit Clematis der Sorte Montana Rubens, ein wunderbares und temperamentvolles Gewächs, unter dem man auch das Frankfurter Polizeipräsi­ dium schnell unsichtbar werden lassen könnte, wenn man nur wollte. In kurzer Zeit war aus dem Kunstwerk eine duftige, aber kompakte Wolke geworden, im April mit Hunderten von vierblättrigen rosa Blüten bedeckt, die sich in kleine gelbe Knöpfe und dann in sehr dekorative weiße Spiralnebelchen verwandelten. Wenn man etwas zu einem schönen Verschwinden bringen will, ist die Montana Rubens allererste Wahl.
Mein Vater hängte trotzig eine verdrehte, bearbeitete und etwa mannshohe Wurzel so hoch an die Hauswand, wie es ging, und sagte, die sei schließlich Natur, irgendwie. Die Favoriten meiner Mutter wechselten. Sie ging mit Pflanzen um wie ein Intendant mit seinen Schauspielern. Wer in einer Spielzeit zu viele Hauptrollen hatte, mußte sich in der nächsten mit Nebenrollen begnügen. Und wie ein Intendant konnte sie sich manchmal nicht entscheiden, wen sie nun mehr liebte: die fulminant auftretenden Feuerwerkstypen, prachtvoll, aber schnell schlapp – zum Beispiel Schwertli­ lien –, oder die verläßlichen Darsteller, von sanfterer, aber haltbarer Schönheit wie manche Polyantharosen, die den ganzen Sommer unermüdlich Blüten nachschieben. Das ist ein verbreitetes gärtnerisches Dilemma. Ich habe eine Freundin, die sich in einer bestimmten Zeitspanne im Monat Mai weder von lukrativen Jobs noch von verheißungsvollen privaten Terminen aus dem Garten lokken läßt, weil sie darauf wartet, daß ihre chinesischen Päonien aufblühen, riesige, zarte Blütenschüsseln, die schon ein Windhauch oder ein kleiner Regenguß zur Strecke bringt. Ihre volle Schönheit haben sie nur für Stunden. Das ganze übrige Jahr machen sie sich mit furchtbar viel Grünzeug wichtig, nehmen eine Menge Platz weg und leben von der Erinnerung. Meine Freundin pflegt einen Regenschirm über sie zu halten, wenn es nötig ist.“

 

 
Eva Demski (Regensburg, 12 mei 1944)

 

De Nederlandse dichter Willem Augustus Hecker werd geboren op 12 mei 1817 in Groningen. Zie ook alle tag voor Willem A. Hecker op dit blog.

Uit: HIPPOKREEN-ONTZWAVELING

Zo ontwikkelt in ’tgemoed des dichters, wat er diep
Verholen, onbewust van zijn ontvlamming, sliep;
Zy doet de volle borst tm ’t glorierijk ontwaken,
Daar ze als een Etna kookt, een lavagloedstroom braken
Van poëzy, die de aard (een zondvloed) overstroomt !
De roem is ’t eelst kleinood, waar elk zich ziek van droomt,
En onvermoeid om draaft en eindloos woelt en wemelt;
Maar ’t is de bronwel , die aan ’t uitgedroogd verhemelt
Ontsnapt, dat reikhalst naar den laafnisvollen dronk;
Een star is ’t. die verschoot, als ze overheerlijk blonk.
Ik moet beroemd zijn!” – waarom niet ? – “ ‘k bezit talenten !”
Althands om knollen voor citroenen uit te venten,
»Een ieder koopt mijn waar en ‘k ben by elk bekend.”
Dat pleit voor ’t onverstand van wie die koopt en vent ! –
– Zoo schijnen veel met haar of zy met veel te spelen:
En hoed de Hemel elk in tolk een vloek te deelen,
Die meest (rampzalig!) op ’t Poëtenvolkjen drukt,
En vaak ’t verbijsterd brein zijn denkenskracht ontrukt;
Die eigen prulwerk, waar de autheur voor diende te ijzen,
Schoon duizendwerf gelaakt, hem eindloos dwingt te prijzen,
En de altoos veile stem eens Letteroefenaars
Of Gids te huren die ’t gebrekkig kreupelvaars
Door valsche orakeltaal van windrige Sofisten
De onsterflijkheid (die ze aan klienten slechts verkwisten!)
Verzeekren : — dichter, ras den hemel ingerukt !
Met lijf en ziel ! — maar ach ! door d’overlast gedrukt
Van bondels verzen, moet ge op de aarde kruipen blijven,
Om eindlijk op den stroom der Lethe weg te drijven !
‘t Belachlijk kind des roems kwam in zijn roemzucht om:
Wie versjes rijmel, wees (hy kleer u !) niet zo dom.

 

 
Willem A. Hecker (12 mei 1817 – 15 januari 1909)
Postuum portret in de senaatskamer van de Universiteit van Groningen

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Zie ook alle tags voor Jesse Laport op dit blog.

 

Wintertijd

als de dagen korter lijken
houd dan in je achterhoofd
dat de afwezigheid van licht
niet de gids is van je tijd

in de avond
heb je evenveel adem
als toen – wat je gisteren
nog middag hebt genoemd

 

Kind

Hoe lang ben je verliefd?
Hoe lang ben je boos?
In hoeveel staten tegelijk kun je zijn?
En hoe lang duurt de dood?
Hoeveel kun je van iemand houden?
Hoe lang heb je geluk?
Kun je iemands hart doen smelten?
En kan het dan nog stuk?
Hoeveel liefde kun je iemand geven?
En raakt het ook eens op?
En kan het ook gebeuren
dat gevoelens zijn verstopt?

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn twee blogs van 12 mei 2018.

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

De slaapwandelaar

’s Nachts werd hij wakker
midden op een ophaalbrug
die bezig was omhoog te gaan.
Dan rolde hij vanzelf zijn bed weer in.

Of hij bevond zich op zijn kop
in een karretje op de achtbaan
waaruit hij zich liet vallen
om tussen de veren te balanden.

Eén keer viel hij
in een roeibootje in slaap
dat losraakte van de wal.
Het bleek zijn eigen bed
dat terugdreef naar zijn kamer.

Eenmaal in het graf
wentelde hij zich tevreden om:
’s morgens zou alles toch weer
bij het oude zijn.

 

Ik weet, je bent er nog

Je paraplu kromt zich
rond de kapstok
tot hij weer uitgelaten wordt,
het huis ruikt naar koffie
van gister. De spiegel
in de badkamer
waar je morgenochtend
weer zult zingen
heeft zich niet losgemaakt
van je gezicht, de muur niet
van je foto, de vloer niet
van je voetstap, het bed niet
van je geur. Ik weet, je bent
er nog. Je staat aan het raam,
ziet de school aan de overkant,
de oude mannetjes op straat.
Ze groeten je. Ze herkennen je.
Ze lachen naar je.
En ik zwaai maar naar ze.
En ik zwaai.

 

Het is al bijna zomer

Het is al bijna zomer.
De mensen gaan steeds bloter
dus de mooie zie je beter
wat weinig uitmaakt
voor een allesvreter.
De omnivoor
krabt zich ongeduldig
achter zijn oor.
Hij heeft te lang op steeds
hetzelfde hout gebeten.
Rekent op de vingers van één hand.
Gooit keien aan de waterkant.
Een koor opspattend water houdt hem voor:
als het straks winter is en koud
gaat alles beter.

 


Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Muzen, nu ik mij ga vermeten
mijn reis te voet, heen en terug,
naar bij uitstek ’t land der poëten
te herhale’ op Pegasus’ rug,
strevend langs het pad der gedichten
naar een blad uit de lauwerkrans,
wilt mij met uw lampen bijlichten,
dan benut ik deez’ gouden kans.

Clio, gij Muze van de feiten
en het dik geschiedenisboek,
ach, mijn herinneringen slijten
door de jaren en raken zoek;
mijn geheugen wil mij verlaten,
het is als een vergiet of zeef
– maar dan een met dubbele gaten –
Clio, brengt gij mij weer op dreef.
En Euterpe, gij met uw mooie
zangstem en uw heldere fluit,
wil iets in dit gedicht voltooien
van uw melodieus geluid.
Hij die herderszangen wil schrijven,
wordt door u, Thalia, verwend:
laat iets in dit gedicht beklijven
van een landelijk element.
Gij, Melpomene, meer genegen
naar ’t treurspel in de poëzie,
schenk gij, daar waar het komt gelegen,
mij een druppel melancholie.
En Terpsichore, uitgelaten
heerseres in het rijk der dans,
geef gij aan mijn rijmen en maten
een lichtvoetige, vlotte kans.
Erato, gij de hooggestemde
liefhebster der pure lyriek,
hecht aan mijn nu nog wat beklemde
hart een opwaarts stijgende wiek.
En gij, welsprekendste van allen,
Polyhymnia, wees zo goed
een hartig woord te laten vallen,
waar het in het vers vallen moet.

 

 
Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)
Hier met zijn kinderen in de kruidentuin achter het kasteel Hoensbroek, begin jaren vijftig

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“De trein staat nog niet stil, dat ze elkaar al tegenlachen, en bij hun omhelzing op het perron zijn ze beiden zoo ontroerd, dat ze niet anders dan wat heel banale woorden zeggen. Mark wil de zware valies helpen dragen, maar Frans laat die niet los, en ze gaan dadelijk op het stationsplein in een bodega zitten. waar ze vroeger nu en dan bijeenkwamen. Daar drukken ze elkaar nog eens de hand over het tonnetje, kijken elkaar met stille blijdschap aan : het duumviraat, zooals hun makkers het noemen, is eindelijk weer aaneengeklonken.
Ze stellen vast dat ze dezelfden zijn gebleven : Frans ziet er fleurig uit, met zijn open, guile uitdrukking, en hij zelf leest weer, op het mat-bleeke gezicht van Mark, het beeld van zijn liefde: dat gezicht dat de meesten leelijk achten, — met het bultig Beethoven-voorhoofd, die scherpe trekken, dien breeden, bitteren mond en die invallende kin, — maar dat Frans voorkomt als het echte wezen van het genie; die oogen vooral, zacht befloerst en plots vurig doordringend, hij begrijpt wel dat die de stommelingen moeten verontrusten; en ook die stem, wat dof en moe, en dan weer vreemd snijdend.
« lets toch is veranderd : waar is uw lang haar in den nek en uw wapperend dasje?”
Ja, hij heeft slechts den donkeren haarbos behouden, die zijn voorhoofd bekranst, met een weerbarstige lok die telkens, als hij wat opgewonden is, naar het oog glijdt en die hij dan met een zenuwachtigen snok verwijdert.
« Och, glimlacht Mark, ik begon het kinderachtig te vinden, me op die manier van den bourgeois te onderscheiden : ge bewijst alleen dat ge naar hem nog omkijkt; en ten slotte zag ik er zoo artistiek uit, dat ik voor een fotograafje kon doorgaan. »
Ze zinspelen maar even op hun grootsche plannen en de waarschijnlijke tegenkanting van vader Balders.
Verder hebben ze niet veel te vertellen, ze hebben toch voortdurend hun intiemste gedachten elkaar overgebriefd. Nu is het alleen de werkelijke aanwezigheid die hen zoo gelukkig maakt, inniger daar ze dadelijk van elkaar weer wegmoeten. Er wordt nog eens afgesproken, dat Frans een paar weken bij Mark in De Panne zal komen doorbrengen, zoodra de zaak met vader Balders geregeld is. Mark vertrekt al in den namiddag.”

 

 
August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

The nose grows
during the whole of one’s life.
(from scientific sources)
Yesterday my doctor told me:
“Clever you may be, however
Your snout is frozen.”
So don’t go out in the cold,
Nose!

On me, on you, on Capuchine monks,
According to well-known medical laws,
Relentless as clocks, without pause
Nose-trunks triumphantly grow.

During the night they grow
On every citizen, high or low,
On janitors, ministers, rich and poor,
Hooting endlessly like owls,
Chilly and out of kilter,
Brutally bashed by a boxer
Or foully crushed by a door,
And those of our feminine neighbors
Are foxily screwed like drills
Into many a key-hole.

 

Vertaald door W.H. Auden

 

 
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

 

Die leeren Flächen

Hinter allen Türen wird gestorben
an kürzlich geretteten Zähnen
der Zirkus mit dem dicken Fell
blieb nur eine einzige Nacht
in diesem Ort zwischen den Orten
wohne ich als Handschuh
neben dem normalen Mann
der sogar das Wetter bewacht
beleidigt wie ein satter Riese
beim schönsten Regen des Jahres

wie hundert Stiefel auf meinem Kopf
in bester Verfassung
ist Licht nur noch ein paar betrunkene Insekten
und kaum tröstliche Physik.

 

 
Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Thomas Chatterton

With Shakspeare’s manhood at a boy’s wild heart,—
Through Hamlet’s doubt to Shakspeare near allied,
And kin to Milton through his Satan’s pride,—
At Death’s sole door he stooped, and craved a dart;
And to the dear new bower of England’s art,—
Even to that shrine Time else had deified,
The unuttered heart that soared against his side,—
Drove the fell point, and smote life’s seals apart.

Thy nested home-loves, noble Chatterton;
The angel-trodden stair thy soul could trace
Up Redcliffe’s spire; and in the world’s armed space
Thy gallant sword-play:—these to many an one
Are sweet for ever; as thy grave unknown
And love-dream of thine unrecorded face.

 

The Day-Dream

The thronged boughs of the shadowy sycamore
Still bear young leaflets half the summer through;
From when the robin ‘gainst the unhidden blue
Perched dark, till now, deep in the leafy core,
The embowered throstle’s urgent wood-notes soar
Through summer silence. Still the leaves come new;
Yet never rosy-sheathed as those which drew
Their spiral tongues from spring-buds heretofore.

Within the branching shade of Reverie
Dreams even may spring till autumn; yet none be
Like woman’s budding day-dream spirit-fann’d.
Lo! tow’rd deep skies, not deeper than her look,
She dreams; till now on her forgotten book
Drops the forgotten blossom from her hand.

 

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
The Day Dream door Dante Gabriel Rossetti, 1880

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Nicolaas Anslijn, Eva Demski, Farley Mowat

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

Uit: Malva

“Halverwege zijn langdurige reis naar het dodenrijk besloot ik mijn stroefstramme vader te begeleiden. Ik pakte de hand waarmee hij al zowat zijn hele leven had geschreven, en zo zweefden wij een eindje samen op boven de daken van een smeulend Santiago. Het presidentiële paleis, het park, het stadion, de krottenwijken met de arbeiders en de rivier de Mapocho waren alle ver beneden ons. Mijn vader zag niet alleen hoe zijn vrienden werden doodgemarteld maar ook hoe in de diepte beneden hem de begrafenisstoet voortging die hem naar zijn stenen rustplaats begeleidde en die nu als een levende menselijke aftakking van de Mapocho door de straten vloeide terwijl in de rivier zelf talloze lijken dreven.
Van heel ver hoorden we vanuit die richting strijdkreten, de Internationale, de yell van de communistische jeugd en half verwaaid maar nog net te onderscheiden: ‘¡Camarada Pablo Neruda! ¡Presente! ¡Ahora y siempre!’
En overal zagen we schimmen uit de gebouwen en het stadion en vanaf de velden en de haven opstijgen, die zoals wij het lege luchtruim kozen.
Ik geloof trouwens niet dat mijn vader mij aan zijn zijde heeft opgemerkt, hoewel ik al die tijd zijn hand vasthield.
Hij bleef strak omlaag kijken als probeerde hij zich de menselijke tragedie in te prenten die daar in al haar bedrijven werd opgevoerd. Nu en altijd. De wind, gesteldheid van zijn koortsdroom, leek hem meer in zijn greep te hebben dan mij; hij bewoog zich sneller omhoog. Toen heb ik hem maar losgelaten, hem nog een tijdje nastarend tot hij uit mijn blikveld was verdwenen.
Nergens zag ik Federico, noch Salvador, Miguel of Víctor.
Niemand van de uitbundige, almaar aanzwellende, nooit uitdunnende, allengs hele werelddelen omvattende, ja, ten slotte zelfs de hele aarde omspannende coterie die hem altijd en overal had omgeven, zelfs niet één van zijn meest toegedane lezers was postuum komen opdagen om mijn vaders overgang tot het hiernamaals bij te wonen. Ik vroeg mij aldoor af waarom juist ik van alle doden die hem hadden gekend, hem uitgeleide mocht doen.”

 
Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

Lees verder “Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Nicolaas Anslijn, Eva Demski, Farley Mowat”

Fintro Literatuurprijs 2016 voor Hagar Peeters

Fintro Literatuurprijs voor Hagar Peeters

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters heeft de eerste Fintro Literatuurprijs gewonnen met haar debuutroman “Malva”. De prijs is de opvolger van de Gouden Boekenuil en wordt nu voor het eerst gewonnen door een vrouw. De lezersjury koos voor “De onderwaterzwemmer” van P.F. Thomése. Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

Uit: Malva

“Mijn naam is Malva Marina Trinidad del Carmen Reyes, voor mijn vrienden hier Malfje; Malva voor alle anderen. Ik kan ter zelfrechtvaardiging melden dat ik die naam natuurlijk niet zelf heb bedacht. Dat is gedaan door mijn vader. Je kent hem wel, de grote dichter. Zoals hij zijn gedichten en zijn dichtbundels titels gaf, zo gaf hij mij een naam. Maar nooit noemde hij die in het openbaar. Mijn eeuwige leven begon na mijn dood in 1943 in Gouda. Mijn begrafenis telde een handjevol mensen. Heel anders dan de begrafenis van mijn vader, dertig jaar later in Santiago de Chile.
Op een manier waaraan Sokrates nog een puntje had kunnen zuigen, ontsliep mijn vader in het Santa Mariaziekenhuis in Santiago nadat bij hem de hysterie was gesmoord die hem had bevangen na het aanhoren van zo veel mensonterend onrecht dat hij, die altijd vriendelijk en kalm was geweest, en zelfs onder de meest bloedstollende omstandigheden het hoofd koel had gehouden, ontstak in tirades en wanhopig geschreeuw, kortom: tekeerging als een bezetene, maar daar was al de dokter in witte jas geweest die hem met een kalmeringsinjectie tot rust had gebracht, en de zoete slaap waarin hij vervolgens was gegleden, maakte een ellenlange uitglijder en werd een glijbaan waaraan maar geen einde kwam, zo voelde mijn vader onder in zijn buik hoe hij de heerlijke afdaling inzette terwijl hij in werkelijkheid aan het opstijgen was tot de regionen van het hiernamaals, waarin ik hem nog lang niet zal aantreffen maar waar hij zich wel degelijk moet bevinden want het hiernamaals is groot en bovendien was hij zo dood als een pier, wat de artsen de volgende dag eensluidend vaststelden aan de hand van zijn gestaakte polsslag en gegeven het onmiskenbare feit dat ook zijn ogen gesloten bleven en er niets maar dan ook niets meer aan hem bewoog; nog geen zuchtje wind ging er door die ledematen, die stokstijf bleven alsof zonsverduistering en hartje winter in één klap en op hetzelfde moment waren ingevallen.
Ik rekte deze zin opzettelijk om gedurende het verstrijken ervan mijn vader de tijd te geven op zijn gemak het leven te verlaten en de dood binnen te treden.
Ik rekte deze zin opzettelijk om gedurende het verstrijken ervan mijn vader de tijd te geven op zijn gemak het leven te verlaten en de dood binnen te treden.
Het verlies was aan zijn weduwe Matilde Urrutia. Zij boog voor de dode, kuste zijn handen, tastte op de grond naast het bed naar de uit zijn hand gegleden vulpen, vond die uiteindelijk toen ze al op haar knieën zat en haar armen uitstrekte tot onder het bed, waarna zij de verpleegster mopperend om een bezem verzocht om het ding naar zich toe te bewegen, ze stak hem achter haar rechteroor onder een nonchalant vallende haarlok, olijke, onverbeterlijke Patoja, en nam zich voor er later zijn eigen herinneringen mee af te schrijven, en daarna ook die van haarzelf aan hun leven samen.”

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

Lees verder “Fintro Literatuurprijs 2016 voor Hagar Peeters”

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Nicolaas Anslijn

De Nederlandse dichteres Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

Beste,

Beste mijn dit, beste mijn dat,
waarom schrijf ik je
het best-zijn toe?
Misschien ben je wel goed
maar niet goed genoeg,
en beter dan wie ben je dan?

Maar goed, lieve…
want lief ben je vast
nu je de moeite neemt
mijn brief te lezen.
Je weet bij voorbaat
tenslotte niet
wat er in staat.

Beantwoord mijn aanhef.
Maak hem waar op zijn minst.

Een kort ‘gegroet’ voldoet

 

Gedenksteen

Konden de doden
zich herdenken
welke woorden
zouden zij vinden
voor welke namen
aan wie vragen
wiens adem
te doen stokken,
van wie het leven
af te breken?
Als de doden zichzelf
konden herdenken,
hoeveel minuten
zouden zij zich gunnen,
is om de doden
te herdenken
de duur van de dood
toereikend?

 
Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

Lees verder “Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Nicolaas Anslijn”