Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Housekeeping

Teruggekeerd van een wandeling langs de vreemde markten
van de stad, waar ze onder de geurvlag van honing en kaneel
levende aapjes en geplukte eenden verkochten,
trof ik mijn hotelkamer als volgt aan:

De zandkleurige kussens waren geschud, het bed was opgemaakt,
de handdoeken waren vervangen, de vloer was gezogen,
de ramen gelapt, het plafond was gewit, de rozen
op het behang (grote koppen, korte stelen) hadden water gekregen,
mijn man was gebeld om het woord sorry te horen, sorry, sorry, sorry

mijn jurken waren eleganter, mijn laarzen oogden slanker, het gedicht
waar ik die nacht aan begonnen was lag afgemaakt
op de glazen tafel naast het bed

en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden
voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,
waaromheen ik grappend had bewogen, als iemand
die zijn eigen rustplaats meent te zien.

Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, het brak
met iedere herinnering. Toen ik vertrok gaf ik een fooi van
(omgerekend) één volwassen mensenleven
en twee dagen van vertwijfeling.

 

Gesprek

Op straat zegt een man in zijn telefoon nee zegt niet schreeuwt
wie denk je eigenlijk, haalt adem, ziet mij staan,
wie denk je dat je bent

met je goede manieren zogenaamd die rijke vrienden van je
met je vol geplande week je goede baan
zijn stem breekt het toestel open

die vrouw rolt ineens half over straat, half aangekleed, mascara
uitgelopen, krabbelt overeind, staat verbaasd
en hij begint weer opnieuw

wie denk je dat je bent en kijkt naar mij terwijl hij slaat,
blijft kijken tot ik roep dat is genoeg stop ze ligt
al opgerold ze doet je niks man stop

maar hij is nog niet uitgepraat en kijkt naar mij en vraagt
wie denk je blijft maar doorgaan in zijn handpalm
woorden maken, dat je bent
houdt niet meer op

 

Winter

Laat het na deze winter nog eens winter zijn.
Geen statig broeden meer. Geen kievitsei.
Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest.
Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest
met alles dat nog kiemen zou daarbij.

Laat straten grauw zoals ze ’s winters zijn.
De moddersneeuw van uitgebeende dagen,
twee blauwe kinderwanten naast een wak.
Ik kan geen lammetjes verdragen.

Niets erger dan dat woekerend gemak
waarmee de lente aan het groeien slaat.
Daaronder houdt het ijs een zoontje stil.

Voor al dat leven maakt hij geen verschil.
Er is geen zonlicht dat hem bovenbrengt.

Geen vooijaar dat hem kennen wil.

 


Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Birdwatchers Of America

It’s all very well to dream of a dove that saves,
Picasso’s or the Pope’s,
The one that annually coos in Our Lady’s ear
Half the world’s hopes,
And the other one that shall cunningly engineer
The retirement of all businessmen to their graves,
And when this is brought about
Make us the loving brothers of every lout—

But in our part of the country a false dusk
Lingers for hours; it steams
From the soaked hay, wades in the cloudy woods,
Engendering other dreams.
Formless and soft beyond the fence it broods
Or rises as a faint and rotten musk
Out of a broken stalk.
There are some things of which we seldom talk;

For instance, the woman next door, whom we hear at night,
Claims that when she was small
She found a man stone dead near the cedar trees
After the first snowfall.
The air was clear. He seemed in ultimate peace
Except that he had no eyes. Rigid and bright
Upon the forehead, furred
With a light frost, crouched an outrageous bird.

 

Lot’s Wife

How simple the pleasures of those childhood days,
Simple but filled with exquisite satisfactions.
The iridescent labyrinth of the spider,
Its tethered tensor nest of polygons
Puffed by the breeze to a little bellying sail —
Merely observing this gave infinite pleasure.
The sound of rain. The gentle graphite veil
Of rain that makes of the world a steel engraving,
Full of soft fadings and faint distances.
The self-congratulations of a fly,
Rubbing its hands. The brown bicameral brain
Of a walnut. The smell of wax. The feel
Of sugar to the tongue: a delicious sand.
One understands immediately how Proust
Might cherish all such postage-stamp details.
Who can resist the charms of retrospection?

 

 
Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

De Duitse schrijver Reinhard Jirgl werd op 16 januari 1953 in Oost-Berlijn geboren. Zie ook alle tags voor Reinhard Jirgl op dit blog.

Uit: Mutter Vater

“Eine Wachstube voll Blut. Eine Mauer voll Blut wie seine Haut, die Poren von einem rotschimmligen Schwamm. Seither roch ich diesen kalten dumpfen Geruch, meinte schorfige Haut und dünne Blutfäden zu sehn, wenn er sich die Kleider vom Körper zog. Wären Mörder immer so leicht zu erkennen! Seife und Parfüm sind Erfindungen der Henker aus Gestern für Morgen. Die Welt ohne Parfümerie stinkt nach Abdeckerei. Ich hab ihn nicht mehr an mich gelassen seitdem. Einmal hab ich ihn bedroht mit der Schere, sein Geschlecht, diesen Stachel des Mörders, als er eines Abends mit seinem Geruch zu mir kam. Ein Bild zum Lachen: Mit heruntergelassener Hose er, das Hemd schlotternd um die mageren Knie, starrte er mit schielendem Blick auf die Waffen einer Frau. Er kam selten heim danach und zumeist besoffen. Gewiß hielt er mich für verrückt und sich gesund von Staats wegen. Und wie alle Gesunden hatte er einen Heidenrespekt und eine animalische Furcht vorm Abnormen. Einmal betrank ich mich und legte mich zu Bett, als ich ihn kommen hörte. Wenn dus willst, dann tus jetzt. Sagte ich und drehte das Gesicht beiseite. Er stand in der Tür mit glasigem Blick auf meine gespreizten Schenkel. Dann begann er zu lachen. Und lachte noch, als er mich aus dem Bett zerrte und mit dem Stiefel trat. Ich ahnte, daß diese Fraun im Lager, von denen ich keine rechte Vorstellung hatte, von nun an schwerer unter diesem Mann leiden müßten. Ich weiß nichts von Solidarität mit meinem Geschlecht Frau. Der Teil meiner Rache ist meine Kälte. Die heimlichen Morde im Ehebett. Ich habe ihn gewürgt, daß ich seinen Kehlkopf zerbrechen hörte. Und er ist auferstanden mit dem wurmbleichen Morgenlicht. Ich habe ihm Kinnlade, Zunge und Geschlecht ausgerissen. Ich habe meine Finger wie Dolche in seine Augen und seinen Schädel gebohrt, als seine Hände meine Brüste schändeten. Ich habe seine Haut mit siedendem Öl übergossen, der Mord in der Küche, das ist Humor von einer Frau. Sein Samen für den Ausguß, ein Mal zu wenig, mein Kind!, in jede Pore seiner Haut drang eine Nadelspitze meines Hasses. Und sein Fleisch ist auferstanden unverletzlich aus dem Gestein des Ehebettes. Jeder neue Morgen ein Ostersonntag für den Herrn. Dem Weib bleibt die Tortur ihrer Nächte. Du bist hundertmal in hundert Nächten schon gestorben durch mich, was macht noch das eine Mal. Trauer. Der Brunnen ist versiegt. Was mir geblieben ist von dir sind deine Bücher, Bibliothekar. Das warst du, bevor deine Haut Farbe bekam von der Sonnen-Rune.“

 


Reinhard Jirgl (Oost-Berlijn, 16 januari 1953)

 

De Deense dichteres, schrijfster en essayiste Inger Christensen werd geboren op 16 januari 1935 in de stad Vejle aan de oostkust van Jutland. Zie ook alle tags voor Inger Christensen op dit blog.

 

Blue Poles

Tonight, away begins to go
farther away, and the dream
what do we know of the dream
metallic leaps Jackson Pollock
silvery streams Jackson Pollock
I gaze across the sea

see in the distance your walk and you
pass the Pacific, distant and blue
phallus and Moloch pace my view
on into otherness

on into otherness?
are we in the world after or before
are we or are we not magnetic force
it is apparently me you inform:

genesis woman dream that begins
tonight to go farther away
tonight to reach farther away
metallic leaps Jackson Pollock
silvery streams Jackson Pollock
on across the blue sea

 

Letter in April IV

Already on the street
with our money clutched
in our hands,
and the world is a white laundry,
where we are boiled and wrung
and dried and ironed,
and smoothed down
and forsaken
we sweep
back
in children’s dreams
of chains and jail
and the heartfelt sigh
of liberation
and in the spark trails
of feelings
the fire eater
the cigarette swallower
come
to light
and we pay
and distance ourselves
with laughter.

 

Vertaald door Susanna Nied

 


Inger Christensen (16 januari 1935 – 2 januari 2009)

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag werd geboren op 16 januari 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Susan Sontag op dit blog.

Uit: Reborn: Journals and Notebooks, 1947-1963

“7/29/48
… And what is it to be young in years and suddenly wakened to the anguish, the urgency of life?
It is to be reached one day by the reverberations of those who do not follow, to stumble out of the jungle and fall into an abyss:
It is then to be blind to the faults of the rebellious, to yearn painfully, wholly, after all opposites of childhood’s existence. It is impetuousness, wild enthusiasm, immediately submerged in a flood of self-deprecation. It is the cruel awareness of one’s own presumption …
It is humiliation with every slip-of-the-tongue, sleepless nights spent rehearsing tomorrow’s conversation, and torturing oneself for yesterday’s … a bowed head held between one’s hands … it is “my god, my god” … (in lower case, of course, because there is no god).
It is withdrawal of feeling toward one’s family and all childhood idols … It is lying … and resentment, and then hate …
It is the emergence of cynicism, a probing of every thought and word and action. (“Ah, to be perfectly, utterly sincere!”) It is a bitter and relentless questioning of motives …
It is to discover that the catalyst, the [Entry trails off at this point.]

8/19/48
What seemed once to be a crushing weight has sharply shifted position, in a surprising tactic, swung beneath my fleeing feet, become a sucking force that drags and tires me. How I long to surrender! How easy it would be to convince myself of the plausibility of my parents’ life! If I saw only them and their friends for a year, would resign myself—surrender? Does my “intelligence” need frequent rejuvenation at the springs of other’s dissatisfaction and die without it? If I can hold myself to these vows! For I can feel myself slipping, wavering—at certain times, even accepting the idea of staying home for college.
All I can think of is Mother, how pretty she is, what smooth skin she has, how she loves me. How she shook when she cried the other night—she didn’t want Dad, in the other room, to hear her, and the noise of each choked wave of tears was like a giant hiccup—what cowards people are to involve themselves, rather, to passively let themselves be involved, by convention, in sterile relationships—what rotten, dreary, miserable lives they lead—
How can I hurt her more, beaten as she is, never resisting?
How can I help me, make me cruel?”

 


Susan Sontag (16 januari 1933 – 28 december 2004)
Portret door Juan Fernando Bastos, 1994

 

De Australische schrijver en essayist Brian Castro werd geboren op 16 januari 1950 in Hongkong. Zie ook alle tags voor Brian Castro op dit blog.

Uit: Blindness and Rage (Fragment)

Canto 1

But how to write now in such gloom
in the face of real impending doom?
Should the work be given every attention
to become the focus of constriction?
His heart’s regret
was his life’s invention: to beget
lying and exaggeration
in exchange for deep imagination
when it was a sign of the times
to pretend to the truth,
even if it smacks of youth
to force some easy ABBA rhymes,
without relying on Pushkin’s Onegin
for good taste
after pulp fiction had laid waste
to innocence in the nursery,
pushpins inserted into favourite Teddy
and every friend a Fagin.

Divorce again, says Gracq each morning
while scooping out his avocado,
not meaning to indicate a new world dawning
but the cheery chime of boot-up time
rings well with his bravado.
Today I’m free once more with each new laptop page
to look forward without fear
at the horizon of a limited holiday; no foe,
no rule to fight against the rhyme save
something long suppressed,
sage Oriental respect perhaps,
for time, patience and all its psycho-analytic show,
suppressing atavistic anger
and deep revenge at God knows whom.
A breath.
A death.
It brought him back.

The corner shop opens for afternoon trading.
Long past the pizza for the microwave and
its use-by-date, Gracq has no appetite and
lingers by cancer’s tropic – his fate of late –
attending neither medicine’s ball nor
fortune-cookie fêtes, believes he’s at the meridian
or the End – soon to rave and pitch
a farewell note and bill of lading for the ferryman.

 


Brian Castro (Hongkong, 16 januari 1950)

 

De Braziliaanse schrijver, theaterproducent, talk show host, acteur, schilder en musicus José Soares werd geboren op 16 januari 1938 in Rio de Janeiro. Zie ook alle tags voor José Soares op dit blog.

Uit: Twelve Fingers: Biography of an Anarchist

“Not all of Dragutin’s conspiracies were successful. A year earlier, he had sent an assassin to Vienna to eliminate Emperor Franz Josef and the attempt had failed.
Husky and truculent, with an upward-pointing handlebar mustache, Dragutin Dimitrijevic wore his officer’s uniform in impeccable fashion. If he were not such a powerful man, he would have been simply an object of ridicule. As an adolescent at the Belgrade Lycée, he had been a brilliant student. Indefatigable, possessed of limitless energy, popular with his peers, he acquired the nickname of Apis, the sacred bull of the ancient Egyptians. The sobriquet would accompany him for the rest of his life.
Ivan Korozec decides to enter this new sect. Dimitri’s zeal and the almost fanatical admiration he feels for his father continue to grow. The latter reciprocates, fascinated by the intelligence and intellectual abilities of his son. Dimo appears older than his fifteen years. He stands almost six feet tall, and when he strolls through the streets of Sarajevo women turn their heads to watch him with hungry eyes.
On Friday, December 20, a snowstorm falls on the city. Yielding to his son’s repeated entreaties, Ivan takes the youth to a secret meeting of Union or Death. The Bull is present, in violation of his own rules. He is looking for new talent for the ranks of the sect. Dimitri longs for this encounter. The atmosphere is one of excitement and civic fervor. Very near the end of the meeting, around 2 a.m., without being asked, Dimitri interrupts a speaker who was discoursing on the Austro-Hungarian Empire’s dominion over Bosnia and makes an impassioned speech about the necessity for more action and less talk.
Apis is enchanted by the impetuous young man. Years before, in 1903, Dragutin had been the head of the conspiratorial officers who invaded the Royal Palace and assassinated the hated King Alexander Obrenovic and his wife, the former prostitute Draga. The colonel’s charisma also does not escape the notice of Dimitri, who is pleased that both have almost the same name.
As professor of strategy and tactics at the Military Academy, Dimitrijevic exercises enormous influence on his students, who follow him to the death. Dragutin decides to make Dimo his protégé. He does not wish to see him gravitate toward the Mlada Bosna, the “Young Bosnia” movement that so enraptured university students at the time and has already cost him Gavrilo Princip, a student with a natural propensity for terrorism and a sharpshooter who he had sworn was his work of Pygmalion. Therefore, that night he initiates the following dialogue with Dimitri and Ivan Korozec:
“Ivan, is your son as bold as he seems, or are his words merely the echo from an empty head, as my grandfather used to say?” asks Dragutin, smiling.”

 


José Soares (Rio de Janeiro, 16 januari 1938)

 

De Hongaarse schrijver en journalist Kálmán Mikszáth werd op 16 januari 1847 in Szklabonya (tegenwoordig Slowakije) geboren. Zie ook alle tags voor Kálmán Mikszáth op dit blog.

Uit: Annie Bede’s Debt (Vertaald door W. B. Worswick)

“The sternness of the judge’s face is melting. The picture of the king, and over there that of the Chief of the county, seem gently to encourage her.
In the writ everything would be stated. She had placed it thoughtlessly in the bosom of her dress; she must unfasten her brooch to get at it. How could she, and before all these prying eyes, too! Ah, poor child, even her clasp proved treacherous. It fell to the ground, and, catching the eye of the sun, seemed to laugh at her! How lovely she looked as, stooping modestly, she regained both that and the writ, which also had fallen to the floor.
The stern, hoary head of the presiding justice is turned away; only his big, fat hand reaches out for the parchment.
“It is a judgment,” he mumbles, as his piercing eyes scan its pages. “Annie Bede is cited to appear, and to begin to-day the six months’ imprisonment to which she has been sentenced.”
The girl’s eyes fill with tears, and as she raises her handkerchief to them the mourning hood which conceals her black hair slips and allows a heavy braid to unloosen and fall, covering her face, white as a lily before, but now burning with a crimson hue.
“A week ago we received this writ,” she stammered, tearfully. “The judge himself brought and explained it. I have come to fulfil the sentence. Law is law!”
The judge glances towards his colleagues, seeks the windows, the floor, the door, and then unconsciously murmurs, “Law is law!” Again he reads the judgment, this time carefully, slowly. No; there it is: “Annie Bede is to be imprisoned during six months of the year for receiving stolen goods.”
A dismal moaning is heard without; the fog deepens, and the wind, whistling through the cracks of the door, and turning furiously the leaden circle in the window-pane, shrieks, “Law is law!”
The stern head of the president is seen to nod; his big, fat hand stretches to the bell and rings it, whilst his voice says, in mournful tones, to the court attendant.
“Take Annie Bede to the warder of the prison.”
He receives the writ; the girl mutely turns round staggers, and endeavours to speak; her lips only move, but no sound comes forth.”

 

 
Kálmán Mikszáth (16 januari 1847 – 28 mei 1910)
Standbeeld in Boedapest

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijver Tino Hanekamp werd geboren in 1979 in Wippra in Saksen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Tino Hanekamp op dit blog.

Uit: So was von weg. Produktionsnotizen

„Ich stand am Sterbebett meiner Großmutter, als mein Handy klingelte. Sie war noch fast voll da, hörte zu, nickte, lächelte und sprach zuweilen ein paar verweht wirkende Worte, trotzdem wusste ich, dass ich sie nie wieder sehen würde, als ich unter den tadelnden Blicken meiner Eltern mein Handy aus dem Jackett zerrte, um den Anruf wegzudrücken. Was ich auch getan hätte, wäre der Anrufer nicht mein Lektor gewesen, bzw. der Typ, der mir ohne Vertrag oder Auftrag geholfen hatte, meinen ersten Roman zu schreiben; der mich jede Woche angefleht hatte, die neuen Seiten nicht zu löschen sondern weiterzumachen, bis zum Ende, und dann würde er den Roman den Leuten im Verlag zum Lesen geben, und dann würden wir wissen, ob Kiepenheuer & Witsch den Roman veröffentlichen würde – und das war jetzt der Anruf. Ich entschuldigte mich, ging raus und stürmte kurz darauf wieder rein. Omi, die bringen mein Buch raus! Ich bin jetzt Schriftsteller oder so was in der Art! Meine Großmutter hatte nie verstanden, was ich machte. Keine Ausbildung aber Musikjournalist, was auch immer das war, dann Clubbetreiber, und was machst du eigentlich beruflich, Junge? Und mit deinem Leben? Jetzt lächelte sie. Buch, Roman, Schriftsteller – vielleicht war das irgendwie greifbarer für diese Ostpreußin, die ihr Leben lang nur Groschenheft-Romanzen gelesen hatte. Ich hoffte es. Sehr.
Halbes Jahr später, Omi schon lange tot, in zwei Monaten erscheint der Roman, und ich hasse ihn, schäme mich für jedes Wort, habe Angst, dass Freunde und Bekannte ihn lesen und mich für den Idioten halten, der ich bin – totale Panik. In Anbetracht der Situation nicht ungewöhnlich und zudem wohl die letzten Ausläufer einer besonders narzisstischen, weil von Selbsthass geprägten Adoleszenz. Wie auch immer: Wieder ruft mein Lektor an. Es gäbe da einen Filmproduzenten, dem er vom Roman erzählt und ihm vorab das Manuskript geschickt habe, und der wolle mich jetzt treffen.“

 


Tino Hanekamp (Wippra, 1979)
Scene uit de film “So was von da“ uit 2018

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2017 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Een troost

Mocht het helpen: we bestaan massaal niet. Kijk naar zomers
die nooit overgaan, roestvrijstalen keukenmessen, daarnaast
bewegen we getalenteerd, feilloos in het niet-bestaan.

Er is geen sprake van, dat valt eenvoudig aan te tonen.
Wij hebben A) geen tijd en B) geen materiaal.
We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

De duur hiervan is puur geluk. We zijn gemaakt, we
vielen te verwachten. In deze tuin, achter de ramen,
woekert de klimplant, pikken veren driftig
beestjes van een bast, zwelt het fruit.

En wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan.
De boom, de zee, de roos – elk woord dat past
loopt uit, hervormt zich mettertijd.
Wat groeit, groeit roekeloos.

Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

 

Meisjes

Zo handig in hun alledaagse praten
rusten zij aan zij, een rij van jonge huid
en zachte haren in die al te hete zon.

Duingras kietelt hun benen en hoog
klinkt de pas bedachte lach die meeuwen
steeds verschrikt doet overkomen.

Van kop tot teen onaangeraakt
liggen zij, met allemaal dezelfde stem
dezelfde moeder te bespreken.

Wat ze zoal zijn telt alle eeuwigheden
in hen op. Dat stil en zonbeschenen delen
van leeftijd, lichaam, zonnebrand.

Maar over het zand lijkt een vreemd,
steeds lager grommen aan te zwellen
en jaagt een rilling door de rij.

Elke seconde komen de jongens
op onverbiddelijke brommers
in grote golven dichterbij.

 

Legale activiteiten 2

Op de luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid
van een geweerschot maken. Oefenen tot je
vlak boven hun hoofden een trage duif
in zijn vlucht kunt raken en ze
die duif laten begraven.

Of er eentje op zijn rug draaien en met viltstift
omtrekken op het matras en laten opstaan
om naar zichzelf te kijken.

Vragen of ze de omtrek niet op iemand
vinden lijken. Vragen wie dat was.

 

 
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

Lees verder “Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp”

Kálmán Mikszáth, Nel Benschop, Franz Tumler, Jules Supervielle, Saint-Simon

 De Hongaarse schrijver en journalist Kálmán Mikszáth werd op 16 januari 1847 in Szklabonya (tegenwoordig Slowakije) geboren. Zie ook alle tags voor Kálmán Mikszáth op dit blog.

Uit: St. Peter’s Umbrella (Vertaald door B. W. Worswick)

“There was not quite enough money collected to defray the expenses, so they had to sell the goat to make up the sum; but the goose was left,though there was nothing for it to feed on, so it gradually got thinner and thinner, till it was its original size again; and instead of waddling about in the awkward, ungainly way it had done on account of its enormous size, it began to move in a more stately manner; in fact, its life had been saved by the loss of another. God in His wisdom by taking one life often saves another, for, believe me, senseless beings are entered in His book as well as sensible ones, and He takes as much care of them as of kings and princes.
The wisdom of God is great, but that of the judge of Haláp was not trifling either. He ordered that after the funeral the little girl (Veronica was her name) was to spend one day at every house in the village in turns, and was to be looked after as one of the family.
“And how long is that to last?” asked one of the villagers.
“Until I deign to give orders to the contrary,” answered the judge shortly. And so things went on for ten days, until Máté Billeghi decided to take his wheat to Besztercebánya to sell, for he had heard that the
Jews down that way were not yet so sharp as in the neighborhood of Haláp. This was a good chance for the judge.
“Well,” he said, “if you take your wheat there, you may as well take the child to her brother. Glogova must be somewhere that way.”
“Not a bit of it,” was the answer, “it is in a totally different direction.”

 

 
Kálmán Mikszáth (16 januari 1847 – 28 mei 1910)
Portret door Gyula Benczúr, 1910

Lees verder “Kálmán Mikszáth, Nel Benschop, Franz Tumler, Jules Supervielle, Saint-Simon”

Jules Supervielle, Robert W. Service, Kálmán Mikszáth, Saint-Simon, Nel Benschop

De Franstalige dichter en schrijver Jules Supervielle werd geboren op 16 januari 1884 in Montevideo, Uruguay. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009 en ook mijn blog van 16 januari 2010. 

 

C’est vous quand vous êtes partie

 

C’est vous quand vous êtes partie,
L’air peu à peu qui se referme
Mais toujours prêt à se rouvrir
Dans sa tremblante cicatrice
Et c’est mon âme à contre-jour
Si profondément étourdie
De ce brusque manque d’amour
Qu’elle n’en trouve plus sa forme
Entre la douleur et l’oubli.
Et c’est mon cœur mal protégé
Par un peu de chair et tant d’ombre
Qui se fait au goût de la tombe
Dans ce rien de jour étouffé
Tombant des autres, goutte à goutte,
Miel secret de ce qui n’est plus
Qu’un peu de rêve révolu.

 

 

Jules Supervielle (16 januari 1884 – 17 mei 1960)

 

 

Lees verder “Jules Supervielle, Robert W. Service, Kálmán Mikszáth, Saint-Simon, Nel Benschop”

Franz Tumler, Jules Supervielle, Robert W. Service, Kálmán Mikszáth, Saint-Simon, Nel Benschop

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Tumler werd geboren op 16 januari 1912 in Gries bij Bozen. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Volterra

 

Die Sonne ist noch am Himmel, aber man sieht sie nicht mehr, sie geht am Himmel schon unter in der Zone aus Staub, die sich über der winterlichen Erdhälfte nicht mehr löst; – gestern noch über dem Meer: auf seinen Horizont, der als Berg aufstieg, setzte die Sonne einen weichen Fuß auf sank langsam ein; und das grüne Leuchtfeuer auf dem Vorgebirge war zu erkennen, und das rote Leuchtfeuer vor dem Hafen, das wegweisende und das hemmende Feuer, sie blitzten schon lange herüber; und jetzt male ich es dir auf die Scheibe: grün, rot, und dazwischen die Stadt, über die du gegangen bist, eine ebene Tafel: Ansedonia auf dem Hügel von Cosa; Mauerwerk, Pflaster, Rinnsal, die hochgehobene Stadt, verlassen, ausgegraben, der Stein an den Tag gelegt, von wem bewohnt –

Ansedonia: ich war zuerst allein oben. Ich ging zu Mittag in die Höhe zwischen Geröll und Gestrüpp, die Zikaden schnellten mir auf die Haut und sprangen ins Laub ab; Dornenstrauch, Heidekraut, rote Erde; Kirschenfrüchte, orangenfarben, stachlig; Paradiesesbaum; ein Dornenwall versperrte mir den Einstieg in die kyklopische Mauer. An ihrem Fuß fauliger Müll, der Meerhorizont aus Kreide, eine Rauchfahne, ein Inselrücken wie ein Schlammhaufen, die Rauchfahne rückt vor, und nun erinnere ich mich: so weit draußen gehen die Schiffe vorrüber –

Volterra: Es war Sonntagnachmittag und Herbst. Wenig Fremde im Land, da bekommt es sein eigenes Leben zurück. Erde und Himmel trocken, das Laub gelichtet, von Dürre geschrumpft, auch die Äcker abgeräumt, die Früchte geerntet. Vor dem Bauernhof liegen die Maiskolben auf den Steinen; ein Nest fauliger Feigen in dem geschlitzten Weidenkorb auf dem flachen Dach zieht die Wespen an. Die struppigen Hunde zittern an der lang gelassenen Kette. Gefaserte Rindenhaut der Zypresse über dem Grabhügel, dann kommt der Ginster und die Asche aus zwei Jahrtausenden, eingeäscherte Zeit, Mondbahn, die schräg ziehenden schwefligen Rauchfahnen aus Erdspalten, und weit draußen der rotgoldenen Glanzstrich des Meeres. Davor die Stadt Volterra auf der Erdkralle, die dunkle Halskrausse ihrer Festung, die ein Zuchthaus ist: eisern geschmiedeter Reif, gelbe Erde, blaue Straßen, ungetauft, Vorhölle, Limbo; der Ort, zu dem Christus hinabstieg. Deutlich sind in dem Land nur die Gräber: schwerer Grabdeckel mit dem weißen Engel, vor dem die rote Magdalena erschrickt – ihr Gewand in der Farbe der Liebe, dasselbe Rot wie auf den Flügeln der Engel, die als gefiederte Geschosse das Sterbelager Mariae umschwirren. Volterra – eine Stadt, die lebt: mit Häusern, Sontagsruhe, aufgehängter Wäsche zwischen den etruskischen Mauern. Das etruskische Tor, breit genug für das Postauto, das in Richtung auf das Meer zu fährt. Dort weit draußen die andere Stadt, unbewohnte Klippe, Weideplatz zwischen den Mauern. Der Unterschied ist nicht groß – „

 

tumler

Franz Tumler (16 januari 1912 – 20 oktober 1998)

 

De Franstalige dichter en schrijver Jules Supervielle werd geboren op 16 januari 1884 in Montevideo, Uruguay. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

L’orage

 

Chaque arbre est immobile, attentif à tout bruit.

Même le peuplier tremblant retient son souffle

L’air pèse sur le dos des collines, il luit

Comme un métal incandescent et l’heure essouffle.

 

Les moineaux buissonniers se sont tous dispersés

Avec le vol aigu et les cris d’hirondelles,

Et des mouettes vont, traînant leurs larges ailes,

Dans l’air lourd à gravir et lourd à traverser.

 

L’éclair qui brille au loin semble une brusque entaille

Et, tandis que hennit un cheval de labour,

Les nuages vaillants qui vont à la bataille

Escaladent l’azur âpre comme une tour.

 

Mais soudain, l’arc-en-ciel luit comme une victoire

Chaque arbre est un archer qui lance des oiseaux,

Et les nuages noirs qu’un soleil jeune moire,

Enivrés, sont partis pour des combats nouveaux.

 

supervielle_bis

Jules Supervielle (16 januari 1884 – 17 mei 1960)

 

 

De Canadese dichter en schrijver Robert William Service werd geboren op 16 januari 1874 in Preston, Engeland. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

To the Man of the High North

 

My rhymes are rough, and often in my rhyming

I’ve drifted, silver-sailed, on seas of dream,

Hearing afar the bells of Elfland chiming,

Seeing the groves of Arcadie agleam.

 

I was the thrall of Beauty that rejoices

From peak snow-diademed to regal star;

Yet to mine aerie ever pierced the voices,

The pregnant voices of the Things That Are.

 

The Here, the Now, the vast Forlorn around us;

The gold-delirium, the ferine strife;

The lusts that lure us on, the hates that hound us;

Our red rags in the patch-work quilt of Life.

 

The nameless men who nameless rivers travel,

And in strange valleys greet strange deaths alone;

The grim, intrepid ones who would unravel

The mysteries that shroud the Polar Zone.

 

These will I sing, and if one of you linger

Over my pages in the Long, Long Night,

And on some lone line lay a calloused finger,

Saying: “It’s human-true–it hits me right”;

Then will I count this loving toil well spent;

Then will I dream awhile–content, content.

 

robertservice

Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)

 

De Hongaarse schrijver en journalist Kálmán Mikszáth werd op 16 januari 1847 in Szklabonya (tegenwoordig Slowakije) geboren. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Annie Bede’s Debt (Vertaald door W. B. Worswick)

 

„It was a thick, foggy morning; the fog seemed densest in the precincts of the Court House. It had enveloped completely this gloomy building, making it look more repellent than ever. It had settled there as if with a fixed determination to remain.

The very air in the hall smelt of this damp fog, and even the whisky whose odour permeated the entire place was giving way to it. The circular ventilator in the highest window-pane was choked by it, and revolved but slowly.

The judges leaned wearily back in their comfortable chairs; one closed his eyes, and sleepily listened to the scratching of the clerk’s pen; another yawningly drummed with his pencil on the green table, whilst the president, balancing his glasses on the tip of his nose, was mopping his perspiring brow with his handkerchief. In the interval of rest this noble gentleman perspired freely he scrutinized fixedly the door, through which but a few moments previous those people interested in the case just tried had passed.

There is a silence in the court, which is broken by his harsh and bored voice demanding “If there is any one still there?”

“Only a girl,” was the reply.

“Show that girl in, then.”

The door slowly opening, she entered. It seemed as if all of a sudden the fog had partially cleared; the faces of the judges appeared to have emerged from the gloom, whilst their eyes were no longer shut. Surely a ray of sunshine had brightened up the scene. She was a pretty creature, this girl. She had an erect and well-proportioned figure, dressed simply in a flower-embroidered bodice; her eyes modestly cast down hid for the time their beauteous colour, whilst the perfect roundness of her forehead was slightly marred by the furrows which played thereon. Her appearance revealed a charm, her very movement grace, and in the rustling of her skirt lurked witchcraft.

The indifferent voice of the Chief Justice is heard saying,

“What can I do for you?” (Creatures of his like have no feeling.)

The poor child murmurs sadly,

“I have great trouble, very great sorrow, my kind sir.”

Her voice is mellow and mournful. It touches the heart like the music which, even when it dies away, seems to be still hovering in the air, changing everybody, everything!“

 

Mikszath

Kálmán Mikszáth (16 januari 1847 – 28 mei 1910)

 

 

De Franse schrijver Louis de Rouvroy, hertog van Saint-Simon werd geboren op 16 januari 1675 in Versailles. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Mémoires de Saint-Simon

 

En même temps, elle s’appliquait à m’élever le courage, et à m’exciter de me rendre tel que je pusse réparer par moi-même des vides aussi difficiles à surmonter. Elle réussit à m’en donner un grand désir. Mon goût pour l’étude et les sciences ne le seconda pas, mais celui qui est comme né avec moi pour la lecture et pour l’histoire, et conséquemment de faire et de devenir quelque chose par l’émulation et les exemples que j’y trouvais, suppléa à cette froideur pour les lettres; et j’ai toujours pensé que si on m’avait fait moins perdre de temps à celles-ci, et qu’on m’eût fait faire une étude sérieuse de celle-là, j’aurais pu y devenir quelque chose.

Cette lecture de l’histoire et surtout des Mémoires particuliers de la nôtre, des derniers temps depuis François Ier, que je faisais de moi-même, me firent naître l’envie d’écrire aussi ceux de ce que je verrais, dans le désir et dans l’espérance d’être de quelque chose et de savoir le mieux que je pourrais les affaires de mon temps. Les inconvénients ne laissèrent pas de se présenter à mon esprit; mais la résolution bien ferme d’en garder le secret à moi tout seul me lut remédier à tout. Je les commençai donc en juillet 1694, étant mestre de camp d’un régiment de cavalerie de mon nom, dans le camp de Guinsheim sur le Vieux-Rhin, en l’armée commandée par le maréchal-duc de Lorges.

En 1691, j’étais en philosophie et commençais à monter à cheval à l’académie des sieurs de Mémon et Rochefort, et je commençais aussi à m’ennuyer beaucoup des maîtres et de l’étude, et à désirer fort d’entrer dans le service. Le siège de Mons, formé par le roi en personne, à la première pointe du printemps, y avait attiré presque tous les jeunes gens de mon âge pour leur première campagne; et ce qui me piquait le plus, M. le duc de Chartres y faisait la sienne.“

 

saint-simon

Saint-Simon (16 januari 1675- 2 maart 1755)

 

De Nederlandse dichteres Nel Benschop werd geboren op 16 januari 1918 te Den Haag. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007 en mijn blog van 16 januari 2008 en ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Verlangen naar de lente

 

God, ik verlang zo naar een straaltje zon

en naar de eerste warme lentedagen,

naar witte wolken, die door ’t blauw heen jagen

op weg naar iets, dat ik niet vinden kon.

 

Ik wil de tulpen ruiken als ‘k ze pluk,

ik wil de kersenbloesem weer zien zweven,

magnolia ‘s, de kelken opgeheven

of ze een dronk uitbrengen op ’t geluk.

 

Ik wil de knoppen weer zien opengaan

van berken, mooiste onder alle bomen;

ik wil, nu ‘k aan de winter ben ontkomen,

met nieuwe ogen in Uw schepping staan.

 

benschop

Nel Benschop (16 januari 1918 – 31 januari 2005)

Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Brian Castro, José Soares, Anthony Hecht, Aleksandar Tišma, Franz Tumler, Jules Supervielle, Robert W. Service, Kálmán Mikszáth, Saint-Simon, Nel Benschop

De Deense dichteres, schrijfster en essayiste Inger Christensen werd geboren op 16 januari 1935 in de stad Vejle aan de oostkust van Jutland. Inger Christensen overleed op 2 januari jongstleden. Zie ook mijn blog van 16 januari 2008.

 

Up they soar

 

Up they soar, the planet’s butterflies,

pigments from the warm body of the earth,

cinnabar, ochre, phosphor yellow, gold

a swarm of basic elements aloft.

 

Is this flickering of wings only a shoal

of light particles, a quirk of perception?

Is it the dreamed summer hour of my childhood

shattered as by lightning lost in time?

 

No, this is the angel of light, who can paint

himself as dark mnemosyne Apollo,

as copper, hawkmoth, swallowtail.

 

I see them with my blurred understanding

as feathers in the coverlet of haze

in Brajcino Valley’s noon-hot air.

 

 

Uit: Alphabet (fragment)

 

7

given limits exist, streets, oblivion

 

and grass and gourds and goats and gorse,

eagerness exists, given limits

 

branches exist, wind lifting them exists,

and the lone drawing made by the branches

 

of the tree called an oak tree exists,

of the tree called an ash tree, a birch tree,

a cedar tree, the drawing repeated

 

in the gravel garden path; weeping

exists as well, fireweed and mugwort,

hostages, greylag geese, greylags and their young;

 

and guns exist, an enigmatic back yard;

overgrown, sere, gemmed just with red currants,

guns exist; in the midst of the lit-up

chemical ghetto guns exist

with their old-fashioned, peaceable precision

 

guns and wailing women, full as

greedy owls exist; the scene of the crime exists;

the scene of the crime, drowsy, normal, abstract,

bathed in a whitewashed, godforsaken light,

this poisonous, white, crumbling poem

 

Vertaald door Susanna Nied

 

christensen

Inger Christensen (16 januari 1935 – 2 januari 2009)

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag werd geboren op 16 januari 1933 in New York. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007  en ook mijn blog van 16 januari 2008.

 

Uit: In America

 

“ It felt like, an escapade; like leaving home; like telling lies — and she would tell many lies. She was beginning again; she was rejoining her destiny, which conferred on her the rich sensation that she had never gone astray. 

Maryna arrived in the city in late June. Her skin had forgotten San Francisco’s brisk maritime climate, she had let slip from her mind the noble bay and ocean views, fog permitting, from the top of the steep streets in the heart of the insouciantly pla
nned city, but she recalled every detail of the wide, pillared entrance to the building below Nob Hill on which all her desires were trained. 

Bogdan had arranged for Maryna to stay with old Captain Znaniecki and his wife. A respectable woman temporarily severed from her family would hardly want to live on her own. The Znanieckis had been chosen because they were kindly and protective, and because the Captain had married an American, so Maryna would not be speaking Polish all the time. Further, Znaniecki, a senior surveyor and title searcher with the Land Office, apparently knew everybody from members of the Bohemian Club to the governor of the state – and it would take concerted lobbying to secure an audition with the formidable Angus Barton, the California Theatre’s manager in charge of the stage. The morning after her arrival, Maryna had walked over to Bush Street and slipped into the theatre. Like a gladiator whom bravado and fear have lured to the last row of the empty stadium the day before the game, high above the arena’s neatly raked, un-bloodied sand, Maryna entered one of the boxes for a view of the red velvet curtain and the width of the peacefully darkened stage. But the stage was not dark: a rehearsal was under way. A tall, stooped man dressed in black had bounded from his seat in the tenth row and was rushing down the aisle: she wondered if he could be Barton. “Don’t tell me you’ll be ‘all right’ this evening,” he shouted at one of the actors. “If there’s anything I hate, it’s that. If you’re ever going to be ‘all right,’ you can be ‘all right’ now.” Yes, that must be Barton. 

 

Sontag

Susan Sontag (16 januari 1933 – 28 december 2004)

 

De Duitse schrijver Reinhard Jirgl werd op 16 januari 1953 in Oost-Berlijn geboren. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007  en ook mijn blog van 16 januari 2008.

 

Uit: Hundsnächte

 

„Als diese Dörfler nicht abließen, sondern in ihrem Gefuchtel & Gebrüll eher noch sich steigerten – wollten sie uns ?warnen -, stellte ein Fahrer nach dem andern schließlich den Motor seines Fahrzeugs ab, stieg aus & ging langsam auf den wirren Haufen Leute zu, die, schien es, nichts anderes zu tun hatten, als in dieser 1öde aufgeregt durcheinander zu laufen, die Stille mit ihrem Geschrei zu vergiften & dazu mit Armen & Händen zu fuchteln wie ein riesiges auf den Rücken gefallenes Insekt. -:?Warnung, doch Warnung ?wovor: ?Was soll denn sein mit der Hand voll Ruinen, ehemaliger Stallungen Schuppen Wohnhäuser, viele schon Damals bei der Zwangsevakuierung dieser Ortschaft bis zur Unkenntlichkeit geschliffen, 1 Ort, wie es hieß, den sowohl der Dreißigjährige, der napoleonische Krieg wie auch die Rote Armee nur aus dem 1fachen Grund verschonten, weil all=die Armeen ihn, diesen Ort, eingesunken schon damals in Buschwerk & von Wald wie von großen Armen schützend umhegt, nicht gefunden hatten – , und erst mit dem Aufrücken von Heerscharen östlicher Bürokratie, die 2 Mal ihr Grenzgebiet Deutschland gegen Deutschland neu gezogen – Aktionen von Ungeziefer bis Kornblume -, hatten schließlich auch diesen Ort & besser als in acht Jahrhunderten jeder Söldnerhaufen, innerhalb von 8 Jahren zum Verschwinden gebracht; Ruinen, zu Ruinen verfallen -, Restegemäuer von einem vor Jahrzehnten evakuierten Dorf inmitten der 1öde, von Schlingpflanzen Baumwerk Weinranken & Büschen im Griff wie unter einer unendlich langsam sich schließenden Faust, Holunderblüten im Dunkel, fahle Nägel & Krallen an den Klauen pflanzlicher Wesen, die mit der unfassbaren Geduld aller Pflanzen auf das Verschwinden von Zeit lauern, Zeit, die sie, die Pflanzen, seit Anbeginn in Bann geschlagen hält, um dann im Augenblick des Lösens von dieser Fessel in 1 Explosion von Wachstum vorschnellend über die schäbigen Gemäuerreste u die gesamte Landschaft herzufallen, der Menschen u der übrigen Albträume sich bemächtigend, dies=Alles wie Knüllpapier von-sich schleudern würden, um an anderer Stelle, wo solcherart Leben dann hingeworfen wäre, Alles schon Getilgte, Weggeworfne & Zerstörte mit der den Pflanzen eigenen, chlorophyllhaften Geduld noch 1 Mal von-vorn beginne zu lassen – :?“

 

jirgl

Reinhard Jirgl (Oost-Berlijn, 16 januari 1953)

 

De Australische schrijver en essayist Brian Castro werd geboren op 16 januari 1950 in Hongkong. Hij is van gemengde Portugese, Chinese en Engelse komaf.  Van 1968 tot 1976 studeerde hij aan de universiteit van Sydney, waar hij in 1970 een prijs won in een verhalenwedstrijd. Castro werkte in Hongkong, Australië en Frankrijk als leraar en schreef enkele jaren voor Asiaweek. Hij debuteerde in 1982 met Birds of Passage.

 

Uit: Shanghai Dancing

 

„So my father looks out across the Whangpoo and the Soochow and it is already midday, 1932. He bathes in tepid water, rinsing and wincing at a pain in his genitals and donning his cream linen suit and knitted tie, repairs for brunch in the hotel restaurant. He plans his trip next season, on the President Line, to Vancouver, maybe the Great Lakes and home via Japan. Calls for the candlestick telephone and rings his friends. Waves for a car and he’s on his way to the Cercle Sportif where he meets Joao and Meme and Carlinho da Silva and two French girls and they play tennis and swim for an hour or so. Tiffin at three at the American Club and then a few rounds of ten-pin along polished alleys tingling with wax and the layered air of ripe cigars. Then a siesta in the Reading Room with the day’s paper upon his face, stuttered breath calibrating the hard canons of perfect billiard shots until the Boy wakes him at six for a shave, massage and then back to the Cathay to change for a tea-dance the Sassoons are holding; a casual slow-waltzing affair before cocktails out on dappled verandahs marking dates for future business. By nine it’s drinks on board his launch, jokes rippling across the water while they snack on crisp Peking duck folded into crepes, Meme tossing his Moet over the transom on account of his cirrhosis. But death, too, passes by ten when the cabarets are starting to jump. So onto the Ambassador, then the Canidrome, or perhaps the Venus Cafe and then by rickshaw convoy to back-street speak-easies, the high class, low class and no class at all, each boasting of hostesses at a dollar a dance for taxi-dancing. The wheedling voice of the Maitre’D: Take your choice; that wide-eyed one, Small-bird, her name, she pines for you. So he lavished upon her ten books of tickets. Early next morning, he rolls home to the Cathay smelling of perfume and women and orders from the lingerie shop a boxed set of silken underwear and a bouquet of roses to be sent up to the Avenue Joffre. Then it all begins again. Midday; the opera glasses; all this work. Shanghai-dancing.“

 

castro

Brian Castro (Hongkong, 16 januari 1950)

 

De Braziliaanse schrijver, theaterproducent, talk show host, acteur, schilder en musicus Jô Soares werd geboren op 16 januari 1938 in Rio de Janeiro. Hij kreeg zijn opleiding in Zwitserland en in de VS en ging daarna terug naar Brazilië waar hij voor Rio TV ging werken. Van 1988 tot 1999 had hij een talkshow bij SBT. In 2000 nam hij zijn format (te vergelijken met David Letterman) mee naar Rede Globo. Zijn eerste roman O Xangô de Baker Street schreef hij in 1995. In 2000 werd hij verfilmd.

 

Uit: Twelve Fingers: Biography of an Anarchist

 

Dimitri senses that the two are nervous. Parts of the conversation among the trio were later written down by Mohammed and extracted from his Notebook of a Muslim Anarchist, discovered in a drawer upon his death, in 1940, in the house where he worked as a gardener:

“So, where’ve you been keeping yourself?” asked Cubrilovic, sitting down beside him.

I noticed immediately that the youth was bothered by our presence. He was almost a boy. He couldn’t be any older than Vaso, who was seventeen.

“Oh, around,” he answered, changing the subject.

I felt a certain apprehension in him. I pulled up a chair and sat down directly opposite him. Vaso introduced me:

“This is Mohammed Mehmedbasic. Mohammed, I’d like you to meet my friend Dimitri Borja Korozec. We’re both students at the Gymnasium, and I can guarantee you he’s the clumsiest person in the

world,” said Cubrilovic, laughing nervously, without hiding his agitation over what was about to happen.

Every few minutes he would glance at the door and check his watch. He wouldn’t be able to keep the plan secret much longer. I tried to get him away from there, but it was too late. He told everything, looking Dimitri in the eye.“

 

jo_soares

José Soares (Rio de Janeiro, 16 januari 1938)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Hecht studeerde Engels maar moest zijn studie onderbreken toen hij in 1944 werd opgeroepen om te dienen in het leger. Een van zijn opdrachten was om in 1945, bij de bevrijding van het kamp Flossenbürg, gevangenen te interviewen. Deze opdracht heeft veel invloed gehad op zijn werk, mede doordat hij zelf joods was. Dichter Hecht debuteerde in 1954 met de bundel ‘A Summoning of Stones’. In de loop van zijn leven ontving hij vele prijzen waaronder de Pulitzer Prize voor poezie in 1968 voor zijn bundel ‘The Hard Hours’.

 

Curriculum Vitae

 

  As though it were reluctant to be day,

…….Morning deploys a scale

…….Of rarities in gray,

And winter settles down in its chain-mail,

 

Victorious over legions of gold and red.

……The smokey souls of stones,

……Blunt pencillings of lead,

Pare down the world to glintless monotones

 

Of graveyard weather, vapors of a fen

…….We reckon through our pores.

…….Save for the garbage men,

Our children are the first ones out of doors.

 

Book-bagged and padded out, at mouth and nose

…….They manufacture ghosts,

…….George Washington’s and Poe’s,

Banquo’s, the Union and Confederate hosts’,

 

And are themselves the ghosts, file cabinet gray,

…….Of some departed us,

…….Signing our lives away

On ferned and parslied windows of a bus.

 

 

Saul And David

  

  It was a villainous spirit, snub-nosed, foul

Of breath, thick-taloned and malevolent,

That squatted within him wheresoever he went

…….And possessed the soul of Saul.

 

There was no peace on pillow or on throne.

In dreams the toothless, dwarfed, and squinny-eyed

Started a joyful rumor that he had died

…….Unfriended and alone.

 

The doctors were confounded. In his distress, he

Put aside arrogant ways and condescended

To seek among the flocks where they were tended

…….By the youngest son of Jesse,

 

A shepherd boy, but goodly to look upon,

Unnoticed but God-favored, sturdy of limb

As Michelangelo later imagined him,

…….Comely even in his frown.

 

Shall a mere shepherd provide the cure of kings?

Heaven itself delights in ironies such

As this, in which a boy’s fingers would touch

…….Pythagorean strings

 

And by a modal artistry assemble

The very Sons of Morning, the ranked and choired

Heavens in sweet laudation of the Lord,

…….And make Saul cease to tremble.

 

AnthonyHechtPanel

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

De Servische schrijver Aleksandar Tišma werd op 16 januari 1924 geboren in Vojvodina. Na zijn eindexamen in 1942 vestigde Aleksandar Tišma zich in Boedapest. Toen de Duitsers in 1944 Hongarije binnentrokken en begonnen met de uitroeiing van de joden werd Aleksandar Tišma opgepakt en te werk gesteld als dwangarbeider. Hij vluchtte aan het einde van de oorlog en sloot zich aan bij de verzetsbeweging van Tito. Na de Tweede Wereldoorlog studeerde Aleksandar Tišma Duits, Frans en Engels in Belgrado. Na zijn studietijd werkte hij bij een uitgever. In 1974 werd Tišma journalist. Hij woonde en werkte zijn hele verdere leven in Novi Sad. De enige uitzondering hierop was zijn verblijf in Parijs tijdens de burgeroorlog (1991-1995). Zijn eerste gedichtenbundel “De bewoonde wereld” verscheen in 1956. Vanaf de jaren zestig verschenen enkele verhalenbundels en romans. De vaste thema’s van hem waren de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging.

 

Uit: Ohne einen Schrei (Vertaald door Barbara Antkowiak)

 

„Die Wirtin erwachte von einem ungewohnten, gedehnten Ton; als sie lauschte, brach er ab, dann zerriß er wieder die schläfrige Stille des morgendlich dämmerigen Zimmers. Sie wußte, daß ihr Mann bereits zur Arbeit gegangen war – sie erinnerte sich, ihn über die Waschschüssel gebeugt und später mit der Mütze auf dem Kopf an der Tür gesehen zu haben – und daß das Kind neben ihr lag, sie spürte sein Gewicht und seinen Atem. In der Wohnung war also niemand sonst; dennoch wollte dieser gedehnte Ton, der wie ein Wimmern klang, nicht verstummen. In der Sekunde, als ihr bewußt wurde
, daß es wirklich ein Wimmern war – vermutlich von einem Menschen -, war sie wach genug, um zu begreifen, daß es aus dem Mädchenzimmer kam, wo die Untermieterin wohnte.
Sie richtete sich im Bett auf, zog vorsichtig den Arm unter dem Kopf des Kleinen hervor, setzte die Füße auf den Boden und ging im Unterkleid, wie sie immer schlief – ohne in die Schuhe zu schlüpfen, die sie im Dunkeln nicht finden konnte -, auf Zehenspitzen zwischen Bett und Tisch hindurch zur Küche, in die das Licht des kalten Wintermorgens drang. Vor der Tür des Mädchenzimmers blieb sie stehen. Es war still gewesen, als sie über den kalten glatten Betonboden tapste, und für einen Moment hatte sie gedacht, das Geräusch zuvor sei ein Irrtum gewesen; nun machte sie zögernd an der Tür halt und hörte einen Schmerzenslaut, viel deutlicher als das schwer bestimmbare Wimmern, das sie im Zimmer vernommen hatte. Ohne Bedenken öffnete sie die Tür. Das Mädchenzimmer war hell wie die Küche, denn die Gardine war nicht zugezogen; die Wirtin erblickte mitten im Raum wie auf einer Bühne ihre Untermieterin Branka. Sie stand weit vorgebeugt, die Schuhe hatte sie von den Füßen gestreift, hielt die Knie gebeugt, der Kopf mit dem langen blonden Haar war kraftlos herabgesunken. Sie klammerte sich mit den Händen ans Bettgestell, als fürchte sie, jeden Augenblick zusammenzubrechen. Als die Tür knarrte, wandte sie erschrocken den Kopf und sah die Wirtin aus großen, grünen, weitstehenden Augen an; sie erkannte sie und begann zu weinen.

 

Tisma

Aleksandar Tišma (16 januari 1924 – 16 februari 2003)

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Tumler werd geboren op 16 januari 1912 in Gries bij Bozen. Tot 1938 werkte hij als leraar. Tot 1944 was hij met zijn tradionele manier van schrijven (hij werd vergeleken met Adelbert Stifter) een van de succesvolste schrijvers van zijn generatie. Na WO II richtte hij zich meer het autobiografische en psychologische vertellen. In nog latere teksten problematiseerde hij de mogelijkheden van het vertellen (“Aufschreibung aus Trient“, 1965). Vanaf 1950 tot aan zijn dood leefde hij in Berlijn.

 

Uit: Der Mantel

 

„Die Geschichte von dem Mantel, der ihm verlorengegangen ist, habe ich Herrn Huemer in unserer Gesellschaft ein paar Mal erzählen hören, und merkwürdigerweise hat sie uns jedesmal Eindruck gemacht, darüber war er selber erstaunt. Für ihn sei die Geschichte nurärgerlich gewesen, sagte er beim ersten Mal; ein reiner Verlust,wenn er ihn auch nicht so empfunden habe,weil etwas dabei ihn sorgloser, freier, großzügiger gemacht habe,was früher nicht seine Stärke gewesen sei. Wir alle

kannten Huemer ganz gut. Eine gewisse Kleinlichkeit und Ängstlichkeit gehörte zu seinen Eigenschaften. Offenbar wollte er sagen, daß er sie damals verloren habe, ähnlich wie de nMantel. Manchmal schien er uns mit seiner Erzählung bedeuten zu wollen, der Verlust des Mantels, und was damit zusammenhing, habe in ihm noch viel mehr bewirkt; es hörte sich an, als ziele er auf die

Behauptung, er habe sich damals geändert.  Aber dann wieder, ein andermal, zog er aus der Erzählung entschieden das Gegenteil: niemand könne sich ändern, und das wisse er seither! Bei einem dritten Mal sagte er, die Sache wäre ihm als ein Zeichen begegnet. Jedesmal, wenn

er die Geschichte von dem Mantel erzählte, erwähnte er etwas dergleichen, worauf einmal einer der Zuhörer sagte: Aber Sie wollen doch nicht behaupten, daß dies einewahre Geschichte ist, das haben Sie doch nicht wirklich erlebt, so etwas erlebt man doch nicht! Huemer erwiderte: So geht es mir, ich erzähle alles getreu, aber die Leute sagen, es sei eine erfundene Geschichte. Einmal

sagte jemand: Das ist ja ein Traum, solche Dinge können einem in der Wirklichkeit nicht begegnen, die träumt man bloß!”

 

tumler

Franz Tumler (16 januari 1912 – 20 oktober 1998)

 

De Franstalige dichter en schrijver Jules Supervielle werd geboren op 16 januari 1884 in Montevideo, Uruguay, waar zijn Baskische ouders naartoe waren geëmigreerd. Zij stierven allebei door een opgelopen vergiftiging acht maanden na zijn geboorte. Een eerste bundel “Comme des voiliers” verscheen al in 1910, maar de eerste echt belangrijke bundel Débarcadères. publiceerde hij in 1922. Jules Supervielle correspondeerde o.a. met Rainer Maria Rilke en maakte ook kennis met de gebroeders Mann. Paul Celan heeft 36 van zijn gedichten vertaald. In Frankrijk werd hij goed ontvangen door schrijvers als von André Gide und Paul Valéry en Jacques Rivière.

 

Soyez bon pour le Poète

 

Soyez bon pour le Poète,
Le plus doux des animaux.
Nous prêtant son coeur, sa tête,
Incorporant tous nos maux,
Il se fait notre jumeau;
Au désert de l’épithète,
Il précède les prophètes
Sur son douloureux chameau;
Il fréquente très honnête,
La misère et ses tombeaux,
Donnant pour nous, bonne bête,
Son pauvre corps aux corbeaux;
Il traduit en langue nette
Nos infinitésimaux.
Ah! donnons-lui, pour sa fête,
La casquette d’interprète !

 

 

Nocturne en plein jour

 

Quand dorment les soleils sous nos humbles manteaux
Dans l’univers obscur qui forme notre corps,
Les nerfs qui voient en nous ce que nos yeux ignorent
Nous précèdent au fond de notre chair plus lente,
Ils peuplent nos lointains de leurs herbes luisantes
Arrachant à la chair de tremblantes aurores.

 

C’est le monde où l’espace est fait de notre sang.
Des oiseaux teints de rouge et toujours renaissants
Ont du mal à voler près du coeur qui les mène
Et ne peuvent s’en éloigner qu’en périssant
Car c’est en nous que sont les plus cruelles plaines
Où l’on périt de soif près de fausses fontaines.

 

Et nous allons ainsi, parmi les autres hommes,
Les uns parlant parfois à l’oreille des autres.

 

supervielle

Jules Supervielle (16 januari 1884 – 17 mei 1960)

 

De Canadese dichter en schrijver Robert William Service werd geboren op 16 januari 1874 in Preston, Engeland. Zijn opleiding voltooide hij aan de universiteit van Glasgow. In 1897 emigreerde hij naar Canada en leefde hij enige tijd van gelegenheidsbaantjes in Whitehorse en in het Yukon territorium. In 1907 verscheen zijn beroemde ballade The Shooting of Dan McGrew. In dat jaar verscheen ook de bundel The Spell of the Yukon and Other Verses die in Engeland verscheen als The Songs of a Sourdough. Service werd niet alleen beroemd, maar ook rijk. Hij kwam te boek te staan als de Canades Kipling en kon zijn baan bij een bank binnen twee jaar opzeggen. De rest van zijn leven bracht hij door in Parijs, Zuid-Frankrijk en Monte Carlo.

The Men that Don’t Fit In

There’s a race of men that don’t fit in,
A race that can’t stay still;
So they break the hearts of kith and kin,
And they roam the world at will.
They range the field and they rove the flood,
And they climb the mountain’s crest;
Theirs is the curse of the gypsy blood,
And they don’t know how to rest.

If they just went straight they might go far,
They are strong and brave and true;
But they’re always tired of the things that are,
And they want the strange and new.
They say: “Could I find my proper groove,
What a deep mark I would make!”
So they chop and change, and each fresh move
Is only a fresh mistake.

And each forgets, as he strips and runs
With a brilliant, fitful pace,
It’s the steady, quiet, plodding ones
Who win in the lifelong race.
And each forgets that his youth has fled,
Forgets that his prime is past,
Till he stands one day, with a hope that’s dead,
In the glare of the truth at last.

He has failed, he has failed; he has missed his chance;
He has just done things by half.
Life’s been a jolly good joke on him,
And now is the time to laugh.
Ha, ha! He is one of the Legion Lost;
He was never meant to win;
He’s a rolling stone, and it’s bred in the bone;
He’s a man who won’t fit in.

 

robert_w_service

Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)

 

De Hongaarse schrijver en journalist Kálmán Mikszáth werd op 16 januari 1847 in Szklabonya (tegenwoordig Slowakije) geboren in een familie van kleine grondbezitters. Tussen 1857 en 1863 bezocht hij het lagere gymnasium in Rimaszombat (tegenwoordig Slowakije), tussen 1863 en 1866 ging hij naar het lyceum in Selmecbánya (tegenwoordig Slowakije). Na zijn middelbare eindexamen studeerde hij een paar semesters rechten in Győr. Begin jaren 1870 legde hij zijn eed af en liep stage bij de hoofdrechter in Balassagyarmat. In 1869 begon hij te publiceren. In 1873-1874 werkte hij in Boedapest als journalist en redacteur, in 1874 verscheen zijn eerste bundel met de titel Elbeszélések. (De stoker). In 1875 en 1876 leefde hij onder zeer arme omstandigheden in Boedapest. Omdat ze zo arm waren, liet hij zich van zijn vrouw scheiden, maar na zijn eerste succes trouwden ze in 1882 weer. Vanaf augustus 1878 was hij tweeënhalf jaar lang journalist in Szeged. Deze tijd was een van de rijkste periodes van zijn leven. Hij was actief in het openbaar leven van de stad, hij verzamelde belevenissen, zijn horizon verruimde. In 1881 en 1882 verschenen twee novellenbundels van hem (A tót atyafiak, A jó palócok, Engels: The Slovak Relations, The Good People of Palóc ) en vrij snel werd zijn naam bekend in literaire kringen.

 

Uit: The most dreadful night of all


“A sea which was swelling so fast that in a split second an enormous mass of water flooded the town, arriving furtively like an assassin but so swiftly that it was there before anyone could have become aware of the danger. And it was coming from all sides at once, all of a sudden. And it was impossible to escape from it. And as one was observing the houses from above, looking out of the open window, as they were becoming smaller and smaller as if they were shrinking, there could no longer be any doubt about what was down below, it was the water. And the houses were not only shrinking, but also cricks and cracks could be heard here and there, time and again, they were not louder than a cracking sound set against a raging storm or when a nut is cracked, and after each crack a white house disappeared under the water for ever, a white house where earlier in the evening perhaps fair-haired children looked out of the windows smiling sweetly and happily… The bullying elements seemed to exchange significant glances laughing and enjoying how efficiently they can join their forces to provoke this unfortunate town. And not one of them wanted to rest idle and stay away from the work of devastation. They seemed to say defiantly: “Well, which of us is the stronger?”

 

mikszath

Kálmán Mikszáth (16 januari 1847 – 28 mei 1910)

 

De Franse schrijver Louis de Rouvroy, hertog van Saint-Simon werd geboren op 16 januari 1675 in Versailles. Hij was een Frans hoveling en auteur van een omvangrijk autobiografisch werk, genaamd de Mémoires: een onovertroffen beschrijving van gebeurtenissen en personages tijdens de laatste regeringsjaren van de Zonnekoning. Saint-Simon begon met schrijven in 1694, toen Lodewijk XIV aan de macht was, en beschreef uitvoerig de periode tot 1723, toen de enige opvolger, Lodewijk XV, op dertienjarige leeftijd tot koning werd gekroond.

 

Uit: Mémoires de Saint-Simon

 

„Je portais le nom de vidame de Chartres, et je fus élevé avec un grand soin et une grande application. Ma mère, qui avait beaucoup de vertu et infiniment d’esprit de suite et de sens, se donna des soins continuels à me former le corps et l’esprit. Elle craignit pour moi le sort des jeunes gens qui se croient leur fortune faite et qui se trouvent leurs maîtres de bonne heure. Mon père, né en 1606, ne pouvait vivre assez pour me parer ce malheur, et ma mère me répétait sans cesse la nécessité pressante où se trouverait de valoir, quelque chose un jeune homme entrant seul dans le monde, de son chef, fils d’un favori de Louis XIII, dont tous les amis étaient morts ou ho
rs d’état de l’aider, et d’une mère qui, dès sa jeunesse, élevée chez la vieille duchesse d’Angoulême, sa parente, grand’mère maternelle du duc de Guise, et mariée à un vieillard, n’avait jamais vu que leurs vieux amis et amies, et n’avait pu s’en faire de son âge. Elle ajoutait le défaut de tous proches, oncles, tantes, cousins germains, qui me laissaient comme dans l’abandon à moi-même, et augmentait le besoin de savoir en faire un bon usage, sans secours et sans appui; ses deux frères obscurs, et l’aîné ruiné et plaideur de sa famille, et le seul frère de mon père sans enfants et son aîné de huit ans.“

 

Saint-Simon

Saint-Simon (16 januari 1675- 2 maart 1755)

 

De Nederlandse dichteres Nel Benschop werd geboren op 16 januari 1918 te Den Haag. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007.

 

Pniel

Genesis 32:26

 

Er komt een tijd, dat ieder mens alleen
moet staan – en oog in oog met God;
Dan is geen enkle vriend meer om hem heen
en geen geliefde deelt zijn lot.
Er komt een tijd, dat God wat hij bezat
(gebeurt het vroeg? gebeurt het laat?)
hem afneemt als een waardeloze schat
die door de mot en roest vergaat.
Maar wie met God blijft worst’len als een man,
en Hem niet eerder heen laat gaan
dan nadat Hij hem zegent – laat hij dan
als kreup’le in het leven staan,
hij krijgt van God een nieuwe, witte naam;
zijn zwart verleden is voorbij.
Hij is nooit meer alleen, want met God saam
gaat hij zijn weg, verlost en vrij.

 

Benschop

Nel Benschop (16 januari 1918 – 31 januari 2005)