Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Vanmorgen werd ik opgebeld

Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
– kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen –
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:

Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we – helaas –
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Het feest van Stephen

II
Als het hart zijn redenen heeft, heeft het lichaam
Misschien zijn eigen logge soort vleselijke geest,
Voelbaar in de tintelende kneuzingen van een botsing,
En bij aanvoerders bekend als esprit de corps.
Wat is deze levendige broederschap van timing,
Zwenk- en lob-bogen, of indirectheid,
Mens sana in mens sauna, in de spoeling
Van gezondheid en toiletten, privé en corporale pret,
Deze vloot caramboles, plooien en kniebuigingen
Voor de zalmsprong, de springende fontein
Geheel omhuld met glinsterend licht, gebogen en levendig?
Vanuit de enorme echokamer van de sportschool,
Tussen de struikelende kreten en het gesnerp van fluitjes
Het terugkaatsende basketbalgeluid van een leren zweep.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Over het effect van poëzie

Mijn zoon leert taal voor over zee. Hij worstelt met een t die klinkt
alsof hij er niet is. ‘Ik slis,’ zegt hij, ‘maar dat is niet zo erg
in het begin.’

Omdat ik van hem hou krijg ik hem zo te zien, vers gedolven taal,
moeizaam slalommend om zijn grotemensentanden,
een jongen uit een ander land.

Als ik huil, huil ik niet om hem. Niet om zijn uitspraak, de restjes
verwarring in zijn hoofd over Engeland en engelen,
niet eens om zijn onzekerheid.

Als ik huil is het omdat hij vraagt, aan zijn volwassen, iets te dikke
en weinig elegante moeder, terwijl hij er de meest oprechte
belangstelling in legt: ‘Do you want to be a ballet dancer?

En mam? Weet je wat ik heb gezegd?’

 

Onze geschiedenis

Je kunt je de dagen niet voorstellen, in zo’n hof. De dagen.
De gang van trage kuddedieren, de leeuw altijd kalm
naast het lam. Dof getok, schor gekakel.

Geritsel dat maar voort bleef duren, als het stromen
van een volkomen droge rivier. Steeds die gapende,
eindeloze uren. Het verlangen naar elders
beving ons, nam zienderogen toe.

Latere mensen spraken graag over God, zijn hof
als snijvlak van ruimte en onbegrensde tijd.
Maar voor ons was hij vooral begrenzing,
gebodsbord, overheid.

Wij staarden almaar voor ons uit, wij hadden geen verhaal.
Voor welke zonde was dat onze straf? Wij vroegen beleefd
om verlichting, verbeelding. Gedichten desnoods;
we oogstten gelach.

Er moest een uitgang zijn. Wij lagen wakker ’s nachts en
streepten opties weg. Een gat in de grond, een muur,
een hek. Maar uit wat volkomen lijkt
kom je niet meer weg.

Uiteindelijk begrepen we het allebei: het antwoord was
ons óók door God gewezen. We klommen omhoog,
betaalden de slang. Een vooraf vastgestelde prijs.

En eenmaal boven plukten we gretig, braken de ruggen
en sloegen toen open: ieder woord dat we lazen
was valluik, uittocht, paradijs.

 

Wet

Nu men over stilte bijna niets meer heeft te zeggen, het onderzoek
is afgerond, wereldwijd filosofen, psychologen, geologen
en de gewone man twijfelen aan het bestaan ervan

nu alles klinkt en piept, raast en knaagt, men naar buitenlandse
bergen moet of nachtelijke hei, naar binnenmeren,
buitenwijken, we nooit meer raken uitgepraat,
nooit meer tot bedaren komen –

Nu wat ons rest te klein wordt om onze doden in te passen,
kan men hooguit géén antwoord geven. Komma’s sparen.
Witregels verzamelen. Stillevens. Pauzes. Hapering.

Eén wet blijft altijd ongeschonden. Ter bescherming.
Vóór de stilte valt kan men iets zeggen. Of er na.
Maar nooit er midden in.

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Het feest van Stephen

1
Het stuntelige spel van de kleedkamer,
Klam door de stoom van de betegelde douchecabines,
Met schaamteloze melanges van civet, musk en zweet,
Het lawaai van de petsende klappen met natte handdoeken
Onder de stalen kooien van kale peertjes,
In een dergelijke omgeving van dikke kelderbuizen
En schoonmaak werkelijkheden
Kijken jongens voor het eerst openlijk naar elkaar,
Inspecteren elkaars lichamen van dichtbij,
En wat ze zien is niet zozeer iemand anders
Als wel een vreemde, mogelijke versie van zichzelf,
En heel die sparringdans, dat hormoonleven,
Die gespannen, uitbundige lenigheid, is slechts een vaag,
Rusteloos, ongericht ballet van eigenliefde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Moeder

Zoals ze in je praat en dingen vindt, dwars door je eigen woorden
klinkt, vaak ongevraagd, doe je haar nou wat opzij, je hebt toch
ogen, waarom moet dat nou zo open, die mouwen staan
je raar en doe een das om als het waait.

Zoals ze in je borstkas zucht wanneer je iets onnodigs dreigt te kopen,
zegt dat suiker, vet, voor je bloed, je hart, je lever slecht, door
drank en sigaretten is gekwetst, als je slordig oversteekt
of fietst door rood – je mag van haar niet dood,
niet eens geschud, geschaafd.

Als een achtervolgingsscène die een leven lang vertraagd
wordt afgespeeld. Ze loopt je na. Dit voortbewegen,
één en twee, in hetzelfde beeld.

Zo vaak val je tegen, zo vaak val je mee. Steeds ongevraagd
gered. Bij hond, stoep, hek en noodlot weggegrist.
Je kijkt naar haar. Je weet niet wie ze is.

 

Nattigheid

(Bij de aanhoudende droogte in Nederland) (NRC Handelsblad, 19 juli 2018)

Wat moeten we nu van ons landschap maken? Een akker moet van bovenaf
toch zichtbaar zijn maar alles is al lang vergeeld, vervaagd. Het veld,
de zoom, het gras, de bomen – bij de losplaats van de supermarkt
zullen de wagens komen. Kisten vol stofvormig fruit,
verpulverde slierten, draden, knollen.

Aardappels koken in de aarde droog. Vlees blijft stollen. De tijd wordt kaal.
De zon een bloeddoorlopen, starend oog dat onkruid brandt over
de godverlaten wegen. Een hark buigt langzaam krom.
Een hondentong plakt piepend vast
aan heet metaal.

De sloot spuugt gaargekookte eenden uit. Onzichtbaar leven stinkt en
woekert aan de kant. En vannacht staan de boeren op, sjouwen
langs akkers, houden de zonsopkomst tegen – bidden
tegen statistieken in. Grote weerman, aarde die
ons kostbaar is, geef ons heden regen

 

Bloem

(Bij de opnening van de Boekenweek op het thema ‘natuur’) (NRC Handelsblad, 9 maart 2018)

Natuur is voor tevredenen of legen.
Uitzicht waarbij geen uitleg nodig is.
Een aaibaar lapje vlees noch vis
waarlangs we ons gewapend voortbewegen.

Haast alle herten zijn van pluche gemaakt,
de goudvis zwemt de kinderkamer rond
en zelfs de stijf bevroren wintergrond
blijkt roomijs, met bastognesmaak.

Zelf vielen we tevoorschijn uit een boek,
bedachten de grenzen en tekenden kaarten,
kweekten rokerslongen, paardenstaarten,
de ongeslachtelijke onderbroek.

De evolutie is ons goed gezind geweest,
God heeft ons ingeënt tegen verdwalen.
Achter de hekken van onze verhalen
zijn wij het gezegendste beest.

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Lot’s vrouw

Hoe eenvoudig de geneugten van die kindertijd,
Eenvoudig maar gevuld met exquise genoegens.
Het iriserende labyrint van de spin,
Zijn vastgebonden tensornest van polygonen
Opgezwollen door de wind tot een klein bolstaand zeil –
Dit alleen maar observeren gaf oneindig veel plezier.
Het geluid van regen. De zachte grafieten sluier
Van regen die van de wereld een staalgravure maakt,
Vol zachte vervagingen en vage afstanden.
De zelffelicitatie! van een vlieg,
Die in zijn handen wrijft. Het bruine bicamerale brein
Van een walnoot. De geur van was. Het gevoel
Van suiker op de tong: een heerlijk zand.
Men begrijpt meteen hoe Proust
Al die postzegeldetails zou kunnen koesteren.
Wie kan de charmes van retrospectie weerstaan?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Housekeeping

Teruggekeerd van een wandeling langs de vreemde markten
van de stad, waar ze onder de geurvlag van honing en kaneel
levende aapjes en geplukte eenden verkochten,
trof ik mijn hotelkamer als volgt aan:

De zandkleurige kussens waren geschud, het bed was opgemaakt,
de handdoeken waren vervangen, de vloer was gezogen,
de ramen gelapt, het plafond was gewit, de rozen
op het behang (grote koppen, korte stelen) hadden water gekregen,
mijn man was gebeld om het woord sorry te horen, sorry, sorry, sorry

mijn jurken waren eleganter, mijn laarzen oogden slanker, het gedicht
waar ik die nacht aan begonnen was lag afgemaakt
op de glazen tafel naast het bed

en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden
voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,
waaromheen ik grappend had bewogen, als iemand
die zijn eigen rustplaats meent te zien.

Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, het brak
met iedere herinnering. Toen ik vertrok gaf ik een fooi van
(omgerekend) één volwassen mensenleven
en twee dagen van vertwijfeling.

 

Gesprek

Op straat zegt een man in zijn telefoon nee zegt niet schreeuwt
wie denk je eigenlijk, haalt adem, ziet mij staan,
wie denk je dat je bent

met je goede manieren zogenaamd die rijke vrienden van je
met je vol geplande week je goede baan
zijn stem breekt het toestel open

die vrouw rolt ineens half over straat, half aangekleed, mascara
uitgelopen, krabbelt overeind, staat verbaasd
en hij begint weer opnieuw

wie denk je dat je bent en kijkt naar mij terwijl hij slaat,
blijft kijken tot ik roep dat is genoeg stop ze ligt
al opgerold ze doet je niks man stop

maar hij is nog niet uitgepraat en kijkt naar mij en vraagt
wie denk je blijft maar doorgaan in zijn handpalm
woorden maken, dat je bent
houdt niet meer op

 

Winter

Laat het na deze winter nog eens winter zijn.
Geen statig broeden meer. Geen kievitsei.
Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest.
Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest
met alles dat nog kiemen zou daarbij.

Laat straten grauw zoals ze ’s winters zijn.
De moddersneeuw van uitgebeende dagen,
twee blauwe kinderwanten naast een wak.
Ik kan geen lammetjes verdragen.

Niets erger dan dat woekerend gemak
waarmee de lente aan het groeien slaat.
Daaronder houdt het ijs een zoontje stil.

Voor al dat leven maakt hij geen verschil.
Er is geen zonlicht dat hem bovenbrengt.

Geen vooijaar dat hem kennen wil.

 


Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Birdwatchers Of America

It’s all very well to dream of a dove that saves,
Picasso’s or the Pope’s,
The one that annually coos in Our Lady’s ear
Half the world’s hopes,
And the other one that shall cunningly engineer
The retirement of all businessmen to their graves,
And when this is brought about
Make us the loving brothers of every lout—

But in our part of the country a false dusk
Lingers for hours; it steams
From the soaked hay, wades in the cloudy woods,
Engendering other dreams.
Formless and soft beyond the fence it broods
Or rises as a faint and rotten musk
Out of a broken stalk.
There are some things of which we seldom talk;

For instance, the woman next door, whom we hear at night,
Claims that when she was small
She found a man stone dead near the cedar trees
After the first snowfall.
The air was clear. He seemed in ultimate peace
Except that he had no eyes. Rigid and bright
Upon the forehead, furred
With a light frost, crouched an outrageous bird.

 

Lot’s Wife

How simple the pleasures of those childhood days,
Simple but filled with exquisite satisfactions.
The iridescent labyrinth of the spider,
Its tethered tensor nest of polygons
Puffed by the breeze to a little bellying sail —
Merely observing this gave infinite pleasure.
The sound of rain. The gentle graphite veil
Of rain that makes of the world a steel engraving,
Full of soft fadings and faint distances.
The self-congratulations of a fly,
Rubbing its hands. The brown bicameral brain
Of a walnut. The smell of wax. The feel
Of sugar to the tongue: a delicious sand.
One understands immediately how Proust
Might cherish all such postage-stamp details.
Who can resist the charms of retrospection?

 

 
Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

De Duitse schrijver Reinhard Jirgl werd op 16 januari 1953 in Oost-Berlijn geboren. Zie ook alle tags voor Reinhard Jirgl op dit blog.

Uit: Mutter Vater

“Eine Wachstube voll Blut. Eine Mauer voll Blut wie seine Haut, die Poren von einem rotschimmligen Schwamm. Seither roch ich diesen kalten dumpfen Geruch, meinte schorfige Haut und dünne Blutfäden zu sehn, wenn er sich die Kleider vom Körper zog. Wären Mörder immer so leicht zu erkennen! Seife und Parfüm sind Erfindungen der Henker aus Gestern für Morgen. Die Welt ohne Parfümerie stinkt nach Abdeckerei. Ich hab ihn nicht mehr an mich gelassen seitdem. Einmal hab ich ihn bedroht mit der Schere, sein Geschlecht, diesen Stachel des Mörders, als er eines Abends mit seinem Geruch zu mir kam. Ein Bild zum Lachen: Mit heruntergelassener Hose er, das Hemd schlotternd um die mageren Knie, starrte er mit schielendem Blick auf die Waffen einer Frau. Er kam selten heim danach und zumeist besoffen. Gewiß hielt er mich für verrückt und sich gesund von Staats wegen. Und wie alle Gesunden hatte er einen Heidenrespekt und eine animalische Furcht vorm Abnormen. Einmal betrank ich mich und legte mich zu Bett, als ich ihn kommen hörte. Wenn dus willst, dann tus jetzt. Sagte ich und drehte das Gesicht beiseite. Er stand in der Tür mit glasigem Blick auf meine gespreizten Schenkel. Dann begann er zu lachen. Und lachte noch, als er mich aus dem Bett zerrte und mit dem Stiefel trat. Ich ahnte, daß diese Fraun im Lager, von denen ich keine rechte Vorstellung hatte, von nun an schwerer unter diesem Mann leiden müßten. Ich weiß nichts von Solidarität mit meinem Geschlecht Frau. Der Teil meiner Rache ist meine Kälte. Die heimlichen Morde im Ehebett. Ich habe ihn gewürgt, daß ich seinen Kehlkopf zerbrechen hörte. Und er ist auferstanden mit dem wurmbleichen Morgenlicht. Ich habe ihm Kinnlade, Zunge und Geschlecht ausgerissen. Ich habe meine Finger wie Dolche in seine Augen und seinen Schädel gebohrt, als seine Hände meine Brüste schändeten. Ich habe seine Haut mit siedendem Öl übergossen, der Mord in der Küche, das ist Humor von einer Frau. Sein Samen für den Ausguß, ein Mal zu wenig, mein Kind!, in jede Pore seiner Haut drang eine Nadelspitze meines Hasses. Und sein Fleisch ist auferstanden unverletzlich aus dem Gestein des Ehebettes. Jeder neue Morgen ein Ostersonntag für den Herrn. Dem Weib bleibt die Tortur ihrer Nächte. Du bist hundertmal in hundert Nächten schon gestorben durch mich, was macht noch das eine Mal. Trauer. Der Brunnen ist versiegt. Was mir geblieben ist von dir sind deine Bücher, Bibliothekar. Das warst du, bevor deine Haut Farbe bekam von der Sonnen-Rune.“

 


Reinhard Jirgl (Oost-Berlijn, 16 januari 1953)

 

De Deense dichteres, schrijfster en essayiste Inger Christensen werd geboren op 16 januari 1935 in de stad Vejle aan de oostkust van Jutland. Zie ook alle tags voor Inger Christensen op dit blog.

 

Blue Poles

Tonight, away begins to go
farther away, and the dream
what do we know of the dream
metallic leaps Jackson Pollock
silvery streams Jackson Pollock
I gaze across the sea

see in the distance your walk and you
pass the Pacific, distant and blue
phallus and Moloch pace my view
on into otherness

on into otherness?
are we in the world after or before
are we or are we not magnetic force
it is apparently me you inform:

genesis woman dream that begins
tonight to go farther away
tonight to reach farther away
metallic leaps Jackson Pollock
silvery streams Jackson Pollock
on across the blue sea

 

Letter in April IV

Already on the street
with our money clutched
in our hands,
and the world is a white laundry,
where we are boiled and wrung
and dried and ironed,
and smoothed down
and forsaken
we sweep
back
in children’s dreams
of chains and jail
and the heartfelt sigh
of liberation
and in the spark trails
of feelings
the fire eater
the cigarette swallower
come
to light
and we pay
and distance ourselves
with laughter.

 

Vertaald door Susanna Nied

 


Inger Christensen (16 januari 1935 – 2 januari 2009)

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag werd geboren op 16 januari 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Susan Sontag op dit blog.

Uit: Reborn: Journals and Notebooks, 1947-1963

“7/29/48
… And what is it to be young in years and suddenly wakened to the anguish, the urgency of life?
It is to be reached one day by the reverberations of those who do not follow, to stumble out of the jungle and fall into an abyss:
It is then to be blind to the faults of the rebellious, to yearn painfully, wholly, after all opposites of childhood’s existence. It is impetuousness, wild enthusiasm, immediately submerged in a flood of self-deprecation. It is the cruel awareness of one’s own presumption …
It is humiliation with every slip-of-the-tongue, sleepless nights spent rehearsing tomorrow’s conversation, and torturing oneself for yesterday’s … a bowed head held between one’s hands … it is “my god, my god” … (in lower case, of course, because there is no god).
It is withdrawal of feeling toward one’s family and all childhood idols … It is lying … and resentment, and then hate …
It is the emergence of cynicism, a probing of every thought and word and action. (“Ah, to be perfectly, utterly sincere!”) It is a bitter and relentless questioning of motives …
It is to discover that the catalyst, the [Entry trails off at this point.]

8/19/48
What seemed once to be a crushing weight has sharply shifted position, in a surprising tactic, swung beneath my fleeing feet, become a sucking force that drags and tires me. How I long to surrender! How easy it would be to convince myself of the plausibility of my parents’ life! If I saw only them and their friends for a year, would resign myself—surrender? Does my “intelligence” need frequent rejuvenation at the springs of other’s dissatisfaction and die without it? If I can hold myself to these vows! For I can feel myself slipping, wavering—at certain times, even accepting the idea of staying home for college.
All I can think of is Mother, how pretty she is, what smooth skin she has, how she loves me. How she shook when she cried the other night—she didn’t want Dad, in the other room, to hear her, and the noise of each choked wave of tears was like a giant hiccup—what cowards people are to involve themselves, rather, to passively let themselves be involved, by convention, in sterile relationships—what rotten, dreary, miserable lives they lead—
How can I hurt her more, beaten as she is, never resisting?
How can I help me, make me cruel?”

 


Susan Sontag (16 januari 1933 – 28 december 2004)
Portret door Juan Fernando Bastos, 1994

 

De Australische schrijver en essayist Brian Castro werd geboren op 16 januari 1950 in Hongkong. Zie ook alle tags voor Brian Castro op dit blog.

Uit: Blindness and Rage (Fragment)

Canto 1

But how to write now in such gloom
in the face of real impending doom?
Should the work be given every attention
to become the focus of constriction?
His heart’s regret
was his life’s invention: to beget
lying and exaggeration
in exchange for deep imagination
when it was a sign of the times
to pretend to the truth,
even if it smacks of youth
to force some easy ABBA rhymes,
without relying on Pushkin’s Onegin
for good taste
after pulp fiction had laid waste
to innocence in the nursery,
pushpins inserted into favourite Teddy
and every friend a Fagin.

Divorce again, says Gracq each morning
while scooping out his avocado,
not meaning to indicate a new world dawning
but the cheery chime of boot-up time
rings well with his bravado.
Today I’m free once more with each new laptop page
to look forward without fear
at the horizon of a limited holiday; no foe,
no rule to fight against the rhyme save
something long suppressed,
sage Oriental respect perhaps,
for time, patience and all its psycho-analytic show,
suppressing atavistic anger
and deep revenge at God knows whom.
A breath.
A death.
It brought him back.

The corner shop opens for afternoon trading.
Long past the pizza for the microwave and
its use-by-date, Gracq has no appetite and
lingers by cancer’s tropic – his fate of late –
attending neither medicine’s ball nor
fortune-cookie fêtes, believes he’s at the meridian
or the End – soon to rave and pitch
a farewell note and bill of lading for the ferryman.

 


Brian Castro (Hongkong, 16 januari 1950)

 

De Braziliaanse schrijver, theaterproducent, talk show host, acteur, schilder en musicus José Soares werd geboren op 16 januari 1938 in Rio de Janeiro. Zie ook alle tags voor José Soares op dit blog.

Uit: Twelve Fingers: Biography of an Anarchist

“Not all of Dragutin’s conspiracies were successful. A year earlier, he had sent an assassin to Vienna to eliminate Emperor Franz Josef and the attempt had failed.
Husky and truculent, with an upward-pointing handlebar mustache, Dragutin Dimitrijevic wore his officer’s uniform in impeccable fashion. If he were not such a powerful man, he would have been simply an object of ridicule. As an adolescent at the Belgrade Lycée, he had been a brilliant student. Indefatigable, possessed of limitless energy, popular with his peers, he acquired the nickname of Apis, the sacred bull of the ancient Egyptians. The sobriquet would accompany him for the rest of his life.
Ivan Korozec decides to enter this new sect. Dimitri’s zeal and the almost fanatical admiration he feels for his father continue to grow. The latter reciprocates, fascinated by the intelligence and intellectual abilities of his son. Dimo appears older than his fifteen years. He stands almost six feet tall, and when he strolls through the streets of Sarajevo women turn their heads to watch him with hungry eyes.
On Friday, December 20, a snowstorm falls on the city. Yielding to his son’s repeated entreaties, Ivan takes the youth to a secret meeting of Union or Death. The Bull is present, in violation of his own rules. He is looking for new talent for the ranks of the sect. Dimitri longs for this encounter. The atmosphere is one of excitement and civic fervor. Very near the end of the meeting, around 2 a.m., without being asked, Dimitri interrupts a speaker who was discoursing on the Austro-Hungarian Empire’s dominion over Bosnia and makes an impassioned speech about the necessity for more action and less talk.
Apis is enchanted by the impetuous young man. Years before, in 1903, Dragutin had been the head of the conspiratorial officers who invaded the Royal Palace and assassinated the hated King Alexander Obrenovic and his wife, the former prostitute Draga. The colonel’s charisma also does not escape the notice of Dimitri, who is pleased that both have almost the same name.
As professor of strategy and tactics at the Military Academy, Dimitrijevic exercises enormous influence on his students, who follow him to the death. Dragutin decides to make Dimo his protégé. He does not wish to see him gravitate toward the Mlada Bosna, the “Young Bosnia” movement that so enraptured university students at the time and has already cost him Gavrilo Princip, a student with a natural propensity for terrorism and a sharpshooter who he had sworn was his work of Pygmalion. Therefore, that night he initiates the following dialogue with Dimitri and Ivan Korozec:
“Ivan, is your son as bold as he seems, or are his words merely the echo from an empty head, as my grandfather used to say?” asks Dragutin, smiling.”

 


José Soares (Rio de Janeiro, 16 januari 1938)

 

De Hongaarse schrijver en journalist Kálmán Mikszáth werd op 16 januari 1847 in Szklabonya (tegenwoordig Slowakije) geboren. Zie ook alle tags voor Kálmán Mikszáth op dit blog.

Uit: Annie Bede’s Debt (Vertaald door W. B. Worswick)

“The sternness of the judge’s face is melting. The picture of the king, and over there that of the Chief of the county, seem gently to encourage her.
In the writ everything would be stated. She had placed it thoughtlessly in the bosom of her dress; she must unfasten her brooch to get at it. How could she, and before all these prying eyes, too! Ah, poor child, even her clasp proved treacherous. It fell to the ground, and, catching the eye of the sun, seemed to laugh at her! How lovely she looked as, stooping modestly, she regained both that and the writ, which also had fallen to the floor.
The stern, hoary head of the presiding justice is turned away; only his big, fat hand reaches out for the parchment.
“It is a judgment,” he mumbles, as his piercing eyes scan its pages. “Annie Bede is cited to appear, and to begin to-day the six months’ imprisonment to which she has been sentenced.”
The girl’s eyes fill with tears, and as she raises her handkerchief to them the mourning hood which conceals her black hair slips and allows a heavy braid to unloosen and fall, covering her face, white as a lily before, but now burning with a crimson hue.
“A week ago we received this writ,” she stammered, tearfully. “The judge himself brought and explained it. I have come to fulfil the sentence. Law is law!”
The judge glances towards his colleagues, seeks the windows, the floor, the door, and then unconsciously murmurs, “Law is law!” Again he reads the judgment, this time carefully, slowly. No; there it is: “Annie Bede is to be imprisoned during six months of the year for receiving stolen goods.”
A dismal moaning is heard without; the fog deepens, and the wind, whistling through the cracks of the door, and turning furiously the leaden circle in the window-pane, shrieks, “Law is law!”
The stern head of the president is seen to nod; his big, fat hand stretches to the bell and rings it, whilst his voice says, in mournful tones, to the court attendant.
“Take Annie Bede to the warder of the prison.”
He receives the writ; the girl mutely turns round staggers, and endeavours to speak; her lips only move, but no sound comes forth.”

 

 
Kálmán Mikszáth (16 januari 1847 – 28 mei 1910)
Standbeeld in Boedapest

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijver Tino Hanekamp werd geboren in 1979 in Wippra in Saksen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Tino Hanekamp op dit blog.

Uit: So was von weg. Produktionsnotizen

„Ich stand am Sterbebett meiner Großmutter, als mein Handy klingelte. Sie war noch fast voll da, hörte zu, nickte, lächelte und sprach zuweilen ein paar verweht wirkende Worte, trotzdem wusste ich, dass ich sie nie wieder sehen würde, als ich unter den tadelnden Blicken meiner Eltern mein Handy aus dem Jackett zerrte, um den Anruf wegzudrücken. Was ich auch getan hätte, wäre der Anrufer nicht mein Lektor gewesen, bzw. der Typ, der mir ohne Vertrag oder Auftrag geholfen hatte, meinen ersten Roman zu schreiben; der mich jede Woche angefleht hatte, die neuen Seiten nicht zu löschen sondern weiterzumachen, bis zum Ende, und dann würde er den Roman den Leuten im Verlag zum Lesen geben, und dann würden wir wissen, ob Kiepenheuer & Witsch den Roman veröffentlichen würde – und das war jetzt der Anruf. Ich entschuldigte mich, ging raus und stürmte kurz darauf wieder rein. Omi, die bringen mein Buch raus! Ich bin jetzt Schriftsteller oder so was in der Art! Meine Großmutter hatte nie verstanden, was ich machte. Keine Ausbildung aber Musikjournalist, was auch immer das war, dann Clubbetreiber, und was machst du eigentlich beruflich, Junge? Und mit deinem Leben? Jetzt lächelte sie. Buch, Roman, Schriftsteller – vielleicht war das irgendwie greifbarer für diese Ostpreußin, die ihr Leben lang nur Groschenheft-Romanzen gelesen hatte. Ich hoffte es. Sehr.
Halbes Jahr später, Omi schon lange tot, in zwei Monaten erscheint der Roman, und ich hasse ihn, schäme mich für jedes Wort, habe Angst, dass Freunde und Bekannte ihn lesen und mich für den Idioten halten, der ich bin – totale Panik. In Anbetracht der Situation nicht ungewöhnlich und zudem wohl die letzten Ausläufer einer besonders narzisstischen, weil von Selbsthass geprägten Adoleszenz. Wie auch immer: Wieder ruft mein Lektor an. Es gäbe da einen Filmproduzenten, dem er vom Roman erzählt und ihm vorab das Manuskript geschickt habe, und der wolle mich jetzt treffen.“

 


Tino Hanekamp (Wippra, 1979)
Scene uit de film “So was von da“ uit 2018

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2017 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

Een troost

Mocht het helpen: we bestaan massaal niet. Kijk naar zomers
die nooit overgaan, roestvrijstalen keukenmessen, daarnaast
bewegen we getalenteerd, feilloos in het niet-bestaan.

Er is geen sprake van, dat valt eenvoudig aan te tonen.
Wij hebben A) geen tijd en B) geen materiaal.
We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

De duur hiervan is puur geluk. We zijn gemaakt, we
vielen te verwachten. In deze tuin, achter de ramen,
woekert de klimplant, pikken veren driftig
beestjes van een bast, zwelt het fruit.

En wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan.
De boom, de zee, de roos – elk woord dat past
loopt uit, hervormt zich mettertijd.
Wat groeit, groeit roekeloos.

Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

 

Meisjes

Zo handig in hun alledaagse praten
rusten zij aan zij, een rij van jonge huid
en zachte haren in die al te hete zon.

Duingras kietelt hun benen en hoog
klinkt de pas bedachte lach die meeuwen
steeds verschrikt doet overkomen.

Van kop tot teen onaangeraakt
liggen zij, met allemaal dezelfde stem
dezelfde moeder te bespreken.

Wat ze zoal zijn telt alle eeuwigheden
in hen op. Dat stil en zonbeschenen delen
van leeftijd, lichaam, zonnebrand.

Maar over het zand lijkt een vreemd,
steeds lager grommen aan te zwellen
en jaagt een rilling door de rij.

Elke seconde komen de jongens
op onverbiddelijke brommers
in grote golven dichterbij.

 

Legale activiteiten 2

Op de luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid
van een geweerschot maken. Oefenen tot je
vlak boven hun hoofden een trage duif
in zijn vlucht kunt raken en ze
die duif laten begraven.

Of er eentje op zijn rug draaien en met viltstift
omtrekken op het matras en laten opstaan
om naar zichzelf te kijken.

Vragen of ze de omtrek niet op iemand
vinden lijken. Vragen wie dat was.

 
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

Lees verder “Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht, Reinhard Jirgl, Inger Christensen, Susan Sontag, Brian Castro, José Soares, Kálmán Mikszáth, Tino Hanekamp”

Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Brian Castro, José Soares, Robert W. Service, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

Kortom

ik herinner me wel de sneeuw,
de Karelsbrug in Praag, hoe jij –
hoe jij tot op vandaag lacht om
iets dat ik niet zag, wat vlokken
van mijn schouder slaat.

Hoe ieder zinloos ingewikkeld
sneeuwkristal op kinderkoppen
achterblijft en erger:
dat het ons niet daarom gaat.

Maar of er een moment zal zijn
waarop wij wezenlijker samen
– ik weet niet eens of wij
dat toen wel waren, wat jij
voorbij mijn blikveld ziet.

Taal valt armoedig in een zin als:
weet je nog we gingen
met de eerste sneeuw naar Praag
om samen op de brug te staan
en smelt al bij; we gingen niet.

 

Vreemden

Zoals je jezelf op een foto waarop je ruggelings staat afgebeeld
herkent maar omdat het onnatuurlijk blijft
liever niet meer bent – zo is de ander

precies zoals je zelf al denkt: het is niet goed teveel te weten,
geheimen tekenen verstand, geven iets om handen

leg tussen jezelf / de ander een diepe zee en verf je haren,
hou je onhoorbaar voor elke poging tot elkaar, verzet je
tegen nadering met rotsvast uitgesproken namen.

geef volle ruchtbaarheid en ga een oorlog aan, wees
te allen tijde onveranderbaar. Val met niemand samen.

 
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

Lees verder “Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Brian Castro, José Soares, Robert W. Service, Tino Hanekamp”

Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

Michael van W.

Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger,
altijd dorst. Niet over praten. Het daglicht weet ze te verjagen,
voor even – maar zodra ik ga liggen begint het gedonder,
ze krabben me steeds uit mijn slaap, piepend om teven
of vlees, willen naar buiten gelaten.

Hoe noemt u dat? Bestaat er een woord voor de man die ik word
als ik me, buiten bereik, aan een straatkat vergrijp, kunt u
dat vatten met gekte of moord, lijnt mij dat aan? Ze luisteren niet.
Ze draaien, ze dreigen – ik ken ze bij naam, hun vlekken

en happende kaken – maar hier wil ik niet over praten, niet nu
het licht is. Niet bang zijn. Hier voel ik me veilig. Weet u
dat er een boek bestaat met dezelfde naam?

Voorop staat een man en zijn mond, zijn bek – je ziet
dat hij gromt, zijn tanden ontbloot en achter hem
de volle maan, precies zo schijnheilig.

Zoals hij, behaard als een hond – zo zou ik het doen als ik kon.
Op hem zou ik lijken. Dit dolle dat mij drijft dan
buitenkant, dit hongerige aan te wijzen.

 

Legale activiteiten I

Wakker maken aan het begin van de nacht
en om dromen vragen.

Als ze zeggen dat ze die nog niet hebben gehad
omdat je ze wakker maakte: een klap.

Als ze beginnen te huilen over hun haren naar beneden
aaien tot ze aan hun moeders denken. Dan zeggen
dat hun moeders niet meer zullen komen.

Als ze hun hoofden op hun armen laten rusten
heel lang zwijgen. Als ze dan in slaap zijn
wakker maken en om dromen vragen.

Als ze hun dromen vertellen luisteren en uitleggen
dat zulke dingen niet bestaan. Dan de orde
van de dag. Dan weer van begin af aan.

 
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

Lees verder “Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Tino Hanekamp”

Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Tino Hanekamp

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

Gestrand

We weten nog niet wat het was,
het dier dat er gisteren lag,
de vleugels gespreid op het zand,
zijn lijf haast te groot voor de dag

maar hij lag op zijn zij als een paard van
krankzinnig formaat op de kust afgekomen,
een kop als een huis, de huid net zo glad
als een adder of pad, de ogen
haast droevig, zelfs dicht.

Hij lag in het licht van het noorden,
we streelden zijn vel tot de nacht.
We sliepen onrustig en zonder idee.

Nu wordt hier gepraat over Goden
en fabels –wie weet waar hij is.

Een zonderling spoor loopt naar zee.

 

Ik ben afwezig tot [datum]

Was ik er geweest dan had ik graag een antwoord gegeven
op wat u net stuurde en u iets uitgelegd over de manier
waarop de hemel boven ons blijft balanceren
als een tent zonder stokken, aangezien
ik daar het nodige van weet.  

Ik zou u recepten aan de hand hebben gedaan en niet alleen
de ingrediënten hebben opgesomd maar ook hoe een ei
zich bang kan voelen in je hand voor het breekt
en hoe de klap op de rand van de schaal
juist daarom harder klinkt.  

Als ik wist dat u leed onder rinkelend leven, onder vlagen
van aandacht, dan had ik geschreven hoe alles altijd
tot bedaren te brengen door alleen te gaan liggen,
vroeg in de ochtend, en te voelen hoe bloed
in u schommelt als water of wijn.

Ik zou hoe dan ook een prettig mens zijn geweest. Iemand
die zich graag over de wereld verbaast en nadenkt over
het bestaan en daar iets zinnigs over zegt, echt
iemand om in je adreslijst op te slaan met
een knalgele smiley ernaast.

[naam collega] is wél bereikbaar.

 
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

Lees verder “Ester Naomi Perquin, Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Anthony Hecht, Tino Hanekamp”

Brian Castro, José Soares, Anthony Hecht, Aleksandar Tisma, Franz Tumler

De Australische schrijver en essayist Brian Castro werd geboren op 16 januari 1950 in Hongkong. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009 en ook mijn blog van 16 januari 2010.

 

Uit: The Garden Book

 

„Sometimes when you walk down to the cairn they’ve erected in memory of the crash you feel a bit ghoulish – wun gwai, as they say amibiguously in Chinese, ‘hunting phantoms’ which also means ‘looking for nothing’. A daft undertaking. You wouldn’t want to die on the side of this mountain, overcome by smoke. There is a stony track leading from the lookout, littered with shattered bourbon bottles and flattened beer cans. Beneath that there are the burnt remains of other times; layers and older layers. For a forensic collector, everything has its sombre significance. You may be looking at the last moments of a human gesture.

A gale blows, circling up from the flats, making the wires whistles. Stringybarks rasp. At times the ground shudders when a giant eucalypt falls and then the air is thick with the smell of leaf and loam. They fall without warning; roots in soft volcanic soil, heavy branches swooning in gusts, swollen with leaves. Every limb a sword of Damocles. You are broaching a former wilderness here. The hills are studded with orchards and nurseries now, but seventy years ago huge mountain ash rose up hundreds of feet and cool, dark forests formed a blue wall against the creeping city. The wind rakes through them, tearing down bark, rending memory with enfilading fire. In a cutting off Ridge Road there is a clearing and the ground is covered by little mounds of cigarette butts where people have emptied their car ashtrays. Countless cairns of long-dead anxieties, burnt-out lusts, charred moments of fear. Ice cubes of broken windshield glass. Two syringes. Seven used condoms. You suspect French letters despoited in such a way archive a particular system which is part sociological, part psychological. Seven is an anxious number.“

 

 

Brian Castro (Hongkong, 16 januari 1950)

 

 

Lees verder “Brian Castro, José Soares, Anthony Hecht, Aleksandar Tisma, Franz Tumler”

Inger Christensen, Susan Sontag, Reinhard Jirgl, Brian Castro, José Soares, Anthony Hecht, Aleksandar Tisma

De Deense dichteres, schrijfster en essayiste Inger Christensen werd geboren op 16 januari 1935 in de stad Vejle aan de oostkust van Jutland. Zie ook mijn blog van 16 januari 2008 en ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: alphabet

 

(1) die aprikosenbäume gibt es, die aprikosenbäume gibt es

 

(2) die farne gibt es; und brombeeren, brombeeren

     und brom gibt es; und den wasserstoff, den wasserstoff

  

(3) die zikaden gibt es; wegwarte, chrom

     und zitronenbäume gibt es;

     die zikaden gibt es; die zikaden, zeder, zypresse, cerebellum

 

(4) die tauben gibt es; die träumer, die puppen

     die töter gibt es; die tauben, die tauben;

     dunst, dioxin und die tage; die tage

     gibt es; die tage den tod; und die gedichte

     gibt es; die gedichte, die tage, den tod

 

(5) den herbst gibt es; den

     nachgeschmack und das nachdenken

     gibt es; und das insichgehn gibt es; die engel,

     die witwen und den elch gibt es; die einzelheiten

     gibt es, die erinnerung, das licht der erinnerung;

     und das nachleuchten gibt es, die eiche und die ulme

     gibt es, und den wacholderbusch, die gleichheit, die einsamkeit

     gibt es, und die eiderente und die spinne
gibt es,

     und den essig gibt es, und die nachwelt, die nachwelt

 

 (6) den fischreiher gibt es, mit seinem graublau gewölbten

     rücken gibt es ihn, mit seinem federschopf schwarz

     und seinen schwanzfedern hell gibt es ihn; in kolonien

     gibt es ihn; in der sogenannten Alten Welt;

     gibt es auch die fische; und den fischadler, das schneehuhn

     den falken; das mariengras und die farben der schafe;

     die spaltprodukte gibt es und den feigenbaum gibt es;

     die fehler gibt es, die groben, die systematischen,

     die zufälligen; die fernlenkung gibt es und die vögel;

     und die obstbäume gibt es und das obst im obstgarten wo

     es die aprikosenbäume gibt, die aprikosenbäume gibt,

     in ländern wo die wärme genau die farbe im fleisch

     erzeugen wird die aprikosenfrüchte haben

 

 (…)

 

Vertaald door Hanns Grössel

 

christensen

Inger Christensen (16 januari 1935 – 2 januari 2009)

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag werd geboren op 16 januari 1933 in New York. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007  en ook mijn blog van 16 januari 2008 en ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Regarding the Pain Of Others

 

In June 1938 Virginia Woolf published Three Guineas, her brave, unwelcomed reflections on the roots of war. Written during the preceding two years, while she and most of her intimates and fellow writers were rapt by the advancing fascist insurrection in Spain, the book was couched as the very tardy reply to a letter from an eminent lawyer in London who had asked, “How in your opinion are we to prevent war?” Woolf begins by observing tartly that a truthful dialogue between them may not be possible. For though they belong to the same class, “the educated class, a vast gulf separates them: the lawyer is a man and she is a woman. Men make war. Men (most men) like war, since for men there is “some glory, some necessity, some satisfaction in fighting” that women (most women) do not feel or enjoy. What does an educated — read: privileged, well-off — woman like her know of war? Can her recoil from its allure be like his?
Let us test this “difficulty of communication,” Woolf proposes, by looking together at images of war. The images are some of the photographs the beleaguered Spanish government has been sending out twice a week; she footnotes: “Written in the winter of 1936-37.” Let’s see, Woolf writes, “whether when we look at the same photographs we feel the same things.” She continues:

 

‚This morning’s collection contains the photograph of what might be a man’s body, or a woman’s; it is so mutilated that it might, on the other hand, be the body of a pig. But those certainly are dead children, and that undoubtedly is the section of a house. A bomb has torn open the side; there is still a bird-cage hanging in what was presumably the sitting room . . .’


The quickest, driest way to convey the inner commotion caused by these photographs is by noting that one can’t always make out the subject, so thorough is the ruin of flesh and stone they depict. And from there Woolf speeds to her conclusion. We do have the same responses, “however different the education, the traditions behind us,” she says to the lawyer.

 

susanSontag

Susan Sontag (16 januari 1933 – 28 december 2004)

 

De Duitse schrijver Reinhard Jirgl werd op 16 januari 1953 in Oost-Berlijn geboren. Zie ook mijn blog van 16 januari 2007  en ook mijn blog van 16 januari 2008 en ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Die Stille

 

“–Und wenn schon nicht in den Mittelpunkt Derwelt, so waren seine Auftritte genau das rechte, um eine=gewisse Sorte von Frauen anzulocken & sie mit dem hellen Schein seiner nie verlöschenden

Redelampen in seine Fänge zu treiben. Allen voran die Tochter des Wirts: Theresa.

–Aber so erzählt, Lizi, kämes viel zu schlau&listig, viel zu ausgekocht für ihn heraus, für diesen Partikulier mit seinem für die Eismonate eingemotteten Äppelkahn. Der ihm nich mal gehörte, den er gepachtet hatte, denn ?woher hätt der Sohn 1 ruinierten Bauern von jenseits der Oder wohl Dasgeld nehmen solln für den Kauf eines Frachtkahns. Nein, Lizi, es war gewiß anders: Er ging vor allen andern sich selber in-die-Fänge, verhedderte sich im Netz der eigenen Fant-Astereien; war am-Ende der 1zige der an all sein Gerede auch wirklich glaubte voll tiefer Überzeugung u mit Herzen’s in-Brunst so, wie kleine Kinder wenn sie Opernsänger spielen, anfangs sich bekugeln über all den opulenten Stimmen&töneschwulst, um schließlich, Tränen auf den Wangen, dem wohligen Schauder aus solch Gedröhns & bombastischen Gebärden voller Glut sich hinzugeben –

–Appro Po hingeben: Er hat sie damit gekriegt, die Wirtstochter

Theresa. Und hat sie noch vor der Hochzeit geschwängert, so daß sie heiraten !mußten Damals=35. Auch,weil TheresasVater, derWirt vom »Krug«, mit der Flinte im Anschlag dem August gedroht hatte, daß, wenn er seine Tochter entehrt, er ihn übern-Haufen-knallen wird u: sollte er dafür zehnmal unters Fallbeil kommen. Und damit nicht genug:

Er hat im Dorf auch ordentlich Stimmung gemacht gegen diesen Schwiegersohn, u: somit war die Hochzeitsfeier eben alles andre als Einefeier geworden. Denn das-ganze-Dorf blieb zuhause, verfolgte hinter den Schießscharten ihrer Butzenfenster den Hochzeitszug die Dorfstraße runter und der weiße Schleier der Braut schleifte durch den Matsch an jenem Apriltag 1935, u: niemand war da, weder Brautjungfer noch Trauzeugen, um ihr den Brautschleier zu tragen. ?Und ?er: Derherr=Bräutigam schritt aufrecht & erhobenen Kopfes, ohne Blick zur Seite, voran, als hätt er das Metermaß der recht-Schaffenheit verschluckt & könnte geraden Augs in die Sonne der Zukunft schaun –, nur seine Braut stolperte in ungewohnt hochhackigen Schuhen über Katzenkopf & Modder dieser Gegenwart hinweg –“

 

Jirgl_Reinhard

Reinhard Jirgl (Oost-Berlijn, 16 januari 1953)

 

De Australische schrijver en essayist Brian Castro werd geboren op 16 januari 1950 in Hongkong. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Double-Wolf

 

“KATOOMBA

Winter, 1978

(A misty rain is falling.

It smears the glass like somebody’s spit. Somebody talking too loud, too fast.

It is cold, but not cold enough. Not yet. In the late afternoon when it is almost dark there will be rumours of snow. Perhaps one of the last snowfalls here for all time. The eucalypts brood in the chasms, as black as the shelf of rocks worn and wet on the other side. Far better than trying to outrun fires roaring up the gorges in those mad summers. Wet black rocks fired from the bowels of another millennium.

This used to be a coal siding. ‘The Crushers’ it was called then, subsiding escarpments and waterfalls crushing the breath out of you a thousand metres above sea level on an uplifted plateau outside of Sydney. Nowadays Katoomba is littered with hotels, hospitals, mental institutions.

The mist drifts into old boarding houses, finds the damp courses, settles into rotting floorboards, drips into the stew of vegetation underneath. It’s so cold you can no longer smell anything. Your urine steams, traces a line of pain from kidneys to bladder, makes patterns of blood in the snow. But you’ll have to wait until it snows for that morsel of creativity. If it happens then you’ll have to go out in it … purge everything. The indistinction of the valleys, happily, guards against the possibility of romance and sentiment. You get tired of views.

There is a house here in Katoomba worth visiting. Nobody knows about it. Tourists visit it by chance, perhaps as an afterthought, nostalgically trying to recover the twenties or the thirties, searching for stories. They wouldn’t believe what you tell them … that a wolf once escaped from somebody’s private menagerie and roams these ridges and plateaux … or that the imagination held in check might gnaw itself to death. True, in the valley below they keep wolves. It’s illegal, not a Southern Hemisphere thing to do, un-neighbourly, what with sheep and deer farms nearby.

If you stand still now, among the low, smoky cottages you will hear somebody playing Satie’s ‘Monotones’, pausing, plunging onto what sounds like wrong notes, wrong moods, like the houses about to tumble into chasms, weatherboard, low-roofed, pitched between escarpments and valleys, out of joint even in summer when the paper petals of bougainvillea cling gaudily to their walls in a brief climax of colour.“

 

castro

Brian Castro (Hongkong, 16 januari 1950)

 

De Braziliaanse schrijver, theaterproducent, talk show host, acteur, schilder en musicus Jô Soares werd geboren op 16 januari 1938 in Rio de Janeiro. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Twelve Fingers: Biography of an Anarchist

 

„Banja Luka, Bosnia-1897
At the same instant that the tragedy was taking place in Ouro Preto, in the Bosnian city of Banja Luka, on the banks of the Vrbas River, Dimitri Borja Korozec was born. Dimitri’s story is curious to say the least. His mother, Isabel, is a Brazilian contortionist born in
São Borja
in the state of Rio Grande do Sul. Daughter of a beautiful black slave from the Bantu nation and an unknown father, she came into the world on September 28, 1871, born free of the fetters of slavery: as the pampas echoed her first cries, in Rio de Janeiro Princess Isabel was signing the Law of the Free Womb, declaring that all children born to slaves were free at birth. The girl was baptized with the name of her benefactress and that of her birthplace.
As was common in such cases, the evil tongues of the town swore that the little mixed-blood girl was the illegitimate fruit of a carnal rapture of the young lieutenant colonel Manuel do Nascimento Vargas, later to be the father of Getúlio. Manuel had distinguished himself as a military hero in the Paraguayan War and, still single at the age of twenty-six, had established himself in 1870 as a rancher in São Borja. The insinuation had been vehemently denied and discounted as gossip. Nevertheless, the surprising resemblance between the little girl and the rancher had fed this slander.
In 1890, Isabel had arrived in Bosnia as part of an Italian circus. At fifteen the young woman had run away from home with an acrobat-clown, one of the Brothers Temperani, when the famous troupe had toured Brazil in 1886. In her baggage were two gifts from her mother: a photograph of Princess Isabel and the novel Mota Coqueiro, by José do Patroc�nio, the great black abolitionist hero.
In Doboj, the young woman deserts her juggling clown for Ivan Korozec, a Serbian linotypist who fell in love with the dark-skinned Brazilian woman and followed her throughout her Balkan tour. A hardened anarchist, Ivan is affiliated with the cabalistic Poluskopzi brotherhood. At that time there was an ancient secret Russian societ
y, the Skopzi, or “the Castrati of Russia,” whose adherents castrated themselves to attain spiritual wholeness. Those initiated into the Poluskopzi, or “Half Castrati,” an ultraradical sect, practice the removal of just one of the testicles: the right one. The gesture is political, symbolizing that all of their descendants will perforce be of the left. The inflexible Poluskopzi boasts fewer than forty members.“

 

Soares

José Soares (Rio de Janeiro, 16 januari 1938)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

More Light! More Light! 

 

For Heinrich Blucher and Hannah Arendt

Composed in the Tower before his execution

These moving verses, and being brought at that time

Painfully to the stake, submitted, declaring thus:

“I implore my God to witness that I have made no crime.”

 

Nor was he forsaken of courage, but the death was horrible,

The sack of gunpowder failing to ignite.

His legs were blistered sticks on which the black sap

Bubbled and burst as he howled for the Kindly Light.

 

And that was but one, and by no means one of he worst;

Permitted at least his pitiful dignity;

And such as were by made prayers in the name of Christ,

That shall judge all men, for his soul’s tranquility.

 

We move now to outside a German wood.

Three men are there commanded to dig a hole

In which the two Jews are ordered to lie down

And be buried alive by the third, who is a Pole.

 

Not light from the shrine at Weimar beyond the hill

Nor light from heaven appeared. But he did refuse.

A Luger settled back deeply in its glove.

He was ordered to change places with the Jews.

 

Much casual death had drained away their souls.

The thick dirt mounted toward the quivering chin.

When only the head was exposed the order came

To dig him out again and to get back in.

 

No light, no light in the blue Polish eye.

When he finished a riding boot packed down the earth.

The Luger hovered lightly in its glove.

He was shot in the belly and in three hours bled to death.

 

No prayers or incense rose up in those hours

Which grew to be years, and every day came mute

Ghosts from the ovens, sifting through crisp air,

And settled upon his eyes in a black soot. 

 

Hecht

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

De Servische schrijver Aleksandar Tišma werd op 16 januari 1924 geboren in Vojvodina. Zie ook mijn blog van 16 januari 2009.

 

Uit: Schneck (Vertaald door Barbara Antkowiak)

 

„Schneck wurde vom Kopfweh wach. Die nächtliche Finsternis legte sich schwer auf seine Augen, als er sie öffnete. lch nehme eine Tablette, dachte er, dann ist es morgen früh vorbei. Er schob die Hand vor – schon diese winzige Bewegung steigerte den Schmerz -, aber noch ehe er sie bis zum Nachtschränkchen ausgestreckt hatte, fiel ihm ein, daß er nicht zu Hause war, sondern in Loznica, im Hotel, und daß seine Medikamente ganz unten im Koffer lagen, dener auf dem Bänkchen neben der Tür abgesetzt hatte. Er mochte nicht aufstehen, ängstigte sich vor den Peisn verursachenden Bewegungen; während er zögerte, fielen ihm die Augen wieder zu; und obwohl er wußte, daß er eine Dummheit beging und am nächsten Tag krank sein würde, überließ er sich dem Schlaf.
Aber am Morgen war der Schmerz verschwunden. Schneck wunderte sich; nie war er sein Kopfweh ohne Medikamente losgeworden. Er hatte Eltern, die beide häufig unter Kopfschmerzen litten, und kannte seit seiner Kindheit alle Phasen dieser Beschwernis und die entsprechenden Maßnahmen zu seiner Bekämpfung. Sein Vater war magenleidend und bekam nach üppigeren Mahlzeiten außer Leibschmerzen auch Kopfweh, und seine Mutter lief sozusagen ständig mit verbundenem Kopf umher, schon am Morgen benommen und taumelig, um sich zwischen den häuslichen Pflichten- die sie ratenweise und mit Mühe verrichtete – für ganze Stunden ins Dunkel des Schlafzimmers zurückzuziehen. Medikamente wurden hier in großen Mengen genommen, aber gerade deshalb gab es von Zeit zu Zeit Versuche, ohne sie auszukommen. Dann hörte er jedesmal den Dialog zwischen Vater und Mutter, von denen einer die Hände an die Stirn preßte: “Wird es besser?” – “Im Gegenteil, schlimmer.” – “Hast du versucht, einen Kaffee zu trinken?” – “Schon seit drei heute morgen, aber es
hilft nicht.” – “Dann mußt du halt eine Tablette nehmen.” Er selbst ging so ein Risiko des Verzichts ungern ein, zumal er im Vergleich mit den Eltern seltener Kopfweh hatte: alle drei, vier Tage oder in noch größeren Abständen. Und nun hatte er sich durch Zufall davon überzeugt, daß die Beschwerden auch von selbst verschwinden konnten.“

 

tisma

Aleksandar Tišma (16 januari 1924 – 16 februari 2003)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn vorige blog van vandaag.