Christmas Eve (Carol Ann Duffy)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 


Peter Paul Rubens: De aanbidding door de herders, ca. 1608

 

Christmas Eve

‘To Ella’

Time was slow snow sieving the night,
a kind of love from the blurred moon;
your small town swooning, unabashed,
was Winter’s own.

Snow was the mind of Time, sifting
itself, drafting the old year’s end.
You wrote your name on the window-pane
with your young hand.

And your wishes went up in smoke,
beyond where a streetlamp studied
the thoughtful snow on Christmas Eve,
beyond belief,

as Time, snow, darkness, child, kindled.
Downstairs, the ritual lighting of the candles.

 

 
Carol Ann Duffy (Glasgow, 23 december 1955)
George Square, Glasgow in de Kersttijd

 

Zie voor de schrijvers van de 24e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

The Christmas Tree (Robert W. Service)

 

Bij de vierde zondag van de Advent

 

 
Am stillen Herd door Maximilian Schaefer, 1894

 

The Christmas Tree

In the dark and damp of the alley cold,
Lay the Christmas tree that hadn’t been sold;
By a shopman dourly thrown outside;
With the ruck and rubble of Christmas-tide;
Trodden deep in the muck and mire,
Unworthy even to feed a fire…
So I stopped and salvaged that tarnished tree,
And thus is the story it told to me:

“My Mother was Queen of the forest glade,
And proudly I prospered in her shade;
For she said to me: ‘When I am dead,
You will be monarch in my stead,
And reign, as I, for a hundred years,
A tower of triumph amid your peers,
When I crash in storm I will yield you space;
Son, you will worthily take my place.’

“So I grew in grace like a happy child,
In the heart of the forest free and wild;
And the moss and the ferns were all about,
And the craintive mice crept in and out;
And a wood-dove swung on my highest twig,
And a chipmunk chattered: ‘So big! So big!’
And a shy fawn nibbled a tender shoot,
And a rabbit nibbled under my root…
Oh, I was happy in rain and shine
As I thought of the destiny that was mine!
Then a man with an axe came cruising by
And I knew that my fate was to fall and die.

“With a hundred others he packed me tight,
And we drove to a magic city of light,
To an avenue lined with Christmas trees,
And I thought: may be I’ll be one of these,
Tinselled with silver and tricked with gold,
A lovely sight for a child to behold;
A-glitter with lights of every hue,
Ruby and emerald, orange and blue,
And kiddies dancing, with shrieks of glee –
One might fare worse than a Christmas tree.

“So they stood me up with a hundred more
In the blaze of a big department store;
But I thought of the forest dark and still,
And the dew and the snow and the heat and the chill,
And the soft chinook and the summer breeze,
And the dappled deer and the birds and the bees…
I was so homesick I wanted to cry,
But patient I waited for someone to buy.
And some said ‘Too big,’ and some ‘Too small,’
And some passed on saying nothing at all.
Then a little boy cried: Ma, buy that one,’
But she shook her head: ‘Too dear, my son.”
So the evening came, when they closed the store,
And I was left on the littered floor,
A tree unwanted, despised, unsold,
Thrown out at last in the alley cold.”

Then I said: “Don’t sorrow; at least you’ll be
A bright and beautiful New Year’s tree,
All shimmer and glimmer and glow and gleam,
A radiant sight like a fairy dream.
For there is a little child I know,
Who lives in poverty, want and woe;
Who lies abed from morn to night,
And never has known an hour’s delight…”

So I stood the tree at the foot of her bed:
“Santa’s a little late,” I said.
“Poor old chap! Snowbound on the way,
But he’s here at last, so let’s be gay.”
Then she woke from sleep and she saw you there,
And her eyes were love and her lips were prayer.
And her thin little arms were stretched to you
With a yearning joy that they never knew.
She woke from the darkest dark to see
Like a heavenly vision, that Christmas Tree.

Her mother despaired and feared the end,
But from that day she began to mend,
To play, to sing, to laugh with glee…
Bless you, O little Christmas Tree!
You died, but your life was not in vain:
You helped a child to forget her pain,
And let hope live in our hearts again.

 


Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)
Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service, in de Adventstijd

 

Zie voor de schrijvers van de 23e december ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

John (Lucille Clifton)

Bij de derde zondag van de Advent

 


Het getuigenis van Johannes de Doper door Annibale Carracci, ca. 1600

 

john

somebody coming in blackness
like a star
and the world be a great bush
on his head
and his eyes be fire
in the city
and his mouth be true as time

he be calling the people brother
even in the prison
even in the jail

i’m just only a baptist preacher
somebody bigger than me coming
in blackness like a star

 

 
Lucille Clifton (New York, 27 juni 1936)
Adventstijd in New York, de geboorteplaats van Lucille Clifton

 

Zie voor de schrijvers van de 16e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Christbaum (Ada Christen)

Bij de tweede zondag van de Advent

 

 
Abendstimmung am Berliner Weihnachtsmarkt door Georg Schöbel, z.j.

 

Christbaum

Hörst auch du die leisen Stimmen
aus den bunten Kerzlein dringen?
Die vergessenen Gebete
aus den Tannenzweiglein singen?
Hörst auch du das schüchternfrohe,
helle Kinderlachen klingen?
Schaust auch du den stillen Engel
mit den reinen, weißen Schwingen?…
Schaust auch du dich selber wieder
fern und fremd nur wie im Traume?
Grüßt auch dich mit Märchenaugen
deine Kindheit aus dem Baume?…

 

 
Ada Christen (6 maart 1839- 19 mei 1901)
Kerstmarkt op de Rathausplatz in Wenen, de geboorteplaats van Ada Christen

 

Zie voor de schrijvers van de 9e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Advent (Marjoleine de Vos )

 

Bij de 1e zondag van de Advent

 

Jon McNaughton
Parting the Veil (The Second Coming) door Jon McNaughton, z. j.

 

Advent

Wie wacht weet nooit waarop
want steeds is alles anders.
Je wou rustige grond zijn
klaar voor de zaaier maar
niemand komt. Die stem ben je zelf
je zingt een oud lied van vrede.

Welke vrede. Je buigt het hoofd
knielt eerlijke woorden fietst
naar huis geen engel te zien.
Prijs dan de uren, als niet de jaren
hangt straks in de kerstboom
een bescheiden bazuin.

 

devos
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)
De Oude Kerk in Oosterbeek

 

Zie voor de schrijvers van de 2e december ook mijn vorige blog van vandaag.

King of glory, King of peace (George Herbert)

 

Bij Christus Koning

 

 
Christus Koning. Beeld van architect Richard Jordan en kunstenaar
Ludwig Schadler uit 1933 in de kerk van de Karmelieten in Döbling, Wenen

 

King of glory, King of peace

King of glory, King of peace,
I will love thee;
and that love may never cease,
I will move thee.
Thou hast granted my request,
thou hast heard me;
thou didst note my working breast,
thou hast spared me.

Wherefore with my utmost art
I will sing thee,
and the cream of all my heart
I will bring thee.
Though my sins against me cried,
thou didst clear me;
and alone, when they replied,
thou didst hear me.

Seven whole days, not one in seven,
I will praise thee;
in my heart, though not in heaven,
I can raise thee.
Small it is, in this poor sort
to enroll thee:
e’en eternity’s too short
to extol thee.

 


George Herbert (3 april 1593 – 1 maart 1633)
St Nicholas church in Montgomery, Wales, de geboorteplaats van George Herbert

 

Zie voor de schrijvers van de 25e november ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Iemand als een mensenzoon (Walter Jan Ceuppens)

Bij de 33e zondag door het jaar

 

 
De triomf van het Christendom over heidendom
door Gustave Doré, ca. 1868

 

Iemand als een mensenzoon

“Aggiornamento”, zei de wijze man en wij
we waren jonge veulens, springend, dansend,
rollend, brandend, af en aan als noordzeegolven
in de strakke zoute wind van al die jaren.

Kon niet, mocht niet doorgaan, wijs was dwaas, maar
nu ligt d’oude zondagstraat verlaten en geimplodeerd,
met hier en ginder nog een klaproos,
zielsverloren late bloei. Misschien komt iemand

als een Mensenzoon, de lange, hoge trappen af,
grijpt me, glimlacht breed, omhelst me, kust me vrede,
trekt me van mijn werk vandaan en draagt me,

stuwt me, noemt mijn naam. Verliefde verzen hoor ik,
ogen lichten, woorden stralen. Voel mijn handen,
tast je adem, springend, dansend, lieve Mensenzoon!

 

 
Walter Jan Ceuppens (Mechelen, 1942)
De Sint-Romboutskathedraal in Mechelen

 

Zie voor de schrijvers van de 18e november ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

 

Het penningske der weduwe (P. A. de Génestet)

Bij de 32e zondag door het jaar

 

 
The Widow’s Mite door William Teulon Blandford Fletcher, 1890

 

Het penningske der weduwe
Markus XII 41- 44

Al wanklend kwam zij aangetreden,
De zwakke vrouw, wier minnend hart
Nog bloedde van de versche smart;
Want, ach, het was zoo kort geleden
Sinds haar een trouwe gade ontviel,
De vreugd eens der gebogen ziel.
Met wien ze, ootmoedig en tevreden,
Het zuur verdiend maar daaglijksch brood,
Gekruid door lofzang en gebeden,
In vroomheid, liefde en vreê genoot.

En nu? die staf en steun in ’t leven,
Haar alles was haar zijde ontroofd,
Haar was alleen de zorg gebleven –
En biddend boog de vrome ’t hoofd.
Want zwijgend in Zijn welbehagen,
Die kracht geeft om Zijn last te dragen,
Bleef haar, te midden van dien rouw,
Een burg, een tent van schaûwrijk lover,
Een schat, een heilig erfdeel over
’t Was Isrels God, Jehovah’s trouw.

O wèl haar, –wie Uw liefde sterkte,
Gij Man der weduw, vriendlijk God!
Die wondren in haar ziele werkte
Bij al den weedom van haar lot.
Tot U rees in Uw tempelhoven,
Haar nooddruft brengende U ter eer,
Het loflied van haar ziel naar boven:
„Hoe lieflijk is Uw woning, Heer!”
Want zij was één dier warmbezielden,
Dier heugen uit den ouden stam,
Die voor hun God Jehova knielden!
In ’t heilgeloof van Abraham!

Ook nu had ze in den heilgen tempel
Weer troost gezocht, bij ’t koestrend licht
Van ’s Heeren lieflijk aangezicht;
Slechts bij ’t verlaten van Zijn drempel
Bleef nog een dierbre liefdeplicht: –
En zie, met neergeslagen oogen,
Beschaamd, verlegen, ’t hoofd gebogen
Voor Hem, die al haar nooden wist,
Wierp ze alles, wat haar restte in ’t leven,
– Verzuchtende of zij meer kon geven!
Haar penningske in Zijn offerkist.

Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde,
Die luid Jehovah’s naam vereende,
Wien onder ’t breedgezoomde kleed
Een hart sloeg, deelende in haar leed.
Te nietig was ze in ’t oog dier grooten,
Die de armen uit Gods hemel sloten
Geen, die een vniendljk woord haar schonk,
Geen blik, die tot haar nederzonk….
Maar ’t penningske was niet verloren!
Wat kleen en arm was en veracht
In de oogen van een dwaas geslacht,
Dat kleene heeft zich God verkoren.
En Die ’t getuigde, vrouw, is dáár!
Hij rijst in ’t midden van de schaar,
Uw offer heeft genaê verkregen!
Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen,
En ’t woord is eeuwig, trouw en waar;

„Voorwaar, Ik zeg u, de enkle penning
Van deze weduwvrouw geldt meer,
In ’t heilig oog van d’ Opperheer,
Bij wien geen maat is of miskenning.
Dan ’t geen heel de offerkist bevat,
O rijken, van uw trotschen schat!
Den overvloed is veel gebleven,
Maar deze heeft, in God verblijd,
Haar laatste nooddruft Hem gewijd….”

En de englen hebben ’t opgeschreven
In ’t heilig Boek van ’t eeuwig leven,
Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon:
„Dien penning hebt gij Mij gegeven,”
Verklaart Gods eenig groote Zoon.

 


P. A. de Génestet (21 november 1829 – 2 juli 1861)
De Génestetkerk in Delft, waar de dichter als dominee werkte

 

Zie voor de schrijvers van de 11e november ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

 

So jemand spricht: Ich liebe Gott (Christian Gellert)

Bij de 31e zondag door het jaar

 

 
De barmhartige Samaritaan door Pelegrí Clavé i Roqué, 1838

 

So jemand spricht: Ich liebe Gott

So jemand spricht: Ich liebe Gott,
und hasst doch seine Brüder,
der treibt mit Gottes Wahrheit Spott
und reißt sie ganz danieder.
Gott ist die Lieb und will, dass ich
den Nächsten liebe gleich als mich.

Wer dieser Erde Güter hat
und sieht die Brüder leiden
und macht die Hungrigen nicht satt,
will Dürftige nicht kleiden,
ist untreu seiner ersten Pflicht
und hat die Liebe Gottes nicht.

Wer seines Nächsten Ehre schmäht
und gern sie schmähen höret,
sich freut, wenn sich sein Feind vergeht,
und nichts zum Besten kehret,
nicht dem Verleumder widerspricht,
der liebt auch seinen Bruder nicht.

Wir haben einen Gott und Herrn,
sind eines Leibes Glieder;
drum diene deinem Nächsten gern,
denn wir sind alle Brüder.
Gott schuf die Welt nicht bloß für mich,
mein Nächster ist sein Kind wie ich.

Ein Heil ist unser aller Gut.
Ich sollte Brüder hassen,
die Gott durch seines Sohnes Blut
hat hoch erkaufen lassen?
Dass Gott mich schuf und mich versühnt,
hab ich dies mehr als sie verdient?

Vergibst mir täglich so viel Schuld,
du Herr von meinen Tagen;
ich aber sollte nicht Geduld
mit meinen Brüdern tragen,
dem nicht verzeihn, dem du vergibst
und den nicht lieben, den du liebst?

Was ich den Nächsten hier getan,
den Kleinsten auch von diesen,
das sieht er, mein Erlöser, an
als hätt ichs ihm erwiesen.
Und ich, ich sollt ein Mensch noch sein
und Gott in Brüdern nicht erfreun?

Ein unbarmherziges Gericht
wird über den ergehen,
der nicht barmherzig ist, der nicht
die rettet, die ihn flehen.
Drum gib mir Gott, durch deinen Geist
ein Herz, das dich durch Liebe preist.

 

 
Christian Gellert (4 juli 1715 – 13 december 1769)
De Trinitatiskirche in Hainichen, de geboorteplaats van Christian Gellert

 

Zie voor de schrijvers van de 4e november ook mijn volgende blog van vandaag.

 

All Souls (May Sarton)

Bij Allerzielen

 

 
Allerzielen door Joza Uprka, 1897

 

All Souls

Did someone say that there would be an end,
An end, Oh, an end, to love and mourning?
Such voices speak when sleep and waking blend,
The cold bleak voices of the early morning
When all the birds are dumb in dark November—
Remember and forget, forget, remember.

After the false night, warm true voices, wake!
Voice of the dead that touches the cold living,
Through the pale sunlight once more gravely speak.
Tell me again, while the last leaves are falling:
“Dear child, what has been once so interwoven
Cannot be raveled, nor the gift ungiven.”

Now the dead move through all of us still glowing,
Mother and child, lover and lover mated,
Are wound and bound together and enflowing.
What has been plaited cannot be unplaited—
Only the strands grow richer with each loss
And memory makes kings and queens of us.

Dark into light, light into darkness, spin.
When all the birds have flown to some real haven,
We who find shelter in the warmth within,
Listen, and feel new-cherished, new-forgiven,
As the lost human voices speak through us and blend
Our complex love, our mourning without end.

 

 
May Sarton (May 3 mei 1912 – 16 juli 1995)
Sint-Catharinakerk in Wondelgem, België, de geboorteplaats van May Sarton

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn vorige blog van vandaag.