Stanislaw Witkiewicz, George Moore, August Derleth, Leon de Winter, Alain Mabanckou, Yüksel Pazarkaya, Erich Loest, Irène Némirovsky

De Poolse schrijver, toneelschrijver, schilder, filosoof en fotograaf Stanislaw Ignacy Witkiewicz werd geboren op 24 februari 1885 in Warschau. Toen Ignacy zes jaar oud was begon hij piano te spelen, te schilderen en zijn eigen toneelstukken te schrijven. In 1893, toen Witkiewicz slechts acht jaar oud was schreef hij zijn eerste werk Karaluchy (De Kakkerlakken), wat door hemzelf gedrukt werd op een eigen kleine pers.  In 1901 maakte Witkiewicz zijn eerste reis naar St. Petersburg en een jaar later schreef hij zijn eerste filosofische essays. Hij verkreeg zijn matura (schooldiploma) in Lwów, schreef nog veel meer filosofische verhandelingen en studeerde buitenlandse talen en literatuur. In 1904 reisde Witkiewicz voor het eerst naar Wenen, München en Italië. In 1905/06 studeerde hij kunst aan de kunstacademie van Krakow. Nadat hij kennis had gemaakt met het werk van Gauguin, Van Gogh en Picasso verwierp hij het naturalisme. In de periode 1910-11 schreef hij de roman 622 upadki Bunga, czyli Demoniczna kobieta, (De 622 lotgevallen van Bungo of de diabolische vrouw), die pas in 1972 gepubliceerd werd.  Vanaf 1915 was Witkiewicz officier in het elite Pavlovsky regiment en raakte gewond aan het front.

Witkiewicz begon te experimenteren met drugs en nam deel aan de orgieën en dronkemansfeestjes van de kliek rondom Raspoetin. Toen de revolutie de tsaar in 1917 omverwierp, werd Witkiewicz gekozen tot politiek commissar. Hij maakte in die periode 880 werken, waarvan het grootste deel portretten van medesoldaten. In 1920 schreef Witkiewicz 10 toneelstukken, waaronder Nowe Wyzwolenie (The New Deliverance) en Oni (Them).

Met verscheidene vrienden organiseerde Witkacy een experimentele theatergroep (Teatr Formistów, the Formists’ Theatre), waarmee hij enkele van zijn toneelstukken uitvoerde. Hij begon een tweede roman te schrijven Pozegnanie jesieni (Vaarwel Herfst), vanaf 1925, die werd gepubliceerd in 1927. Direct daarop volgt een derde roman Nienasycenie (Onverzadelijkheid, 1930). In deze periode begon hij aan zijn laatste en meest ambitieuze toneelstuk Szewcy (De Schoenmakers, 1934). Het resultaat van zijn overdenkingen in verband met de potentie van drugs tijdens het creatieve proces. Nikotyna, alcohol, peyote, morfine, ether, werd gepubliceerd in 1932. Zijn vierde roman, Jedyne wyscie (De enige Uitweg) bleef onvoltooid.

 

Uit: 622 Abstürze Bungos oder Die dämonische Frau (Vertaald door Friedrich Griese)

 

Gegen vier Uhr nachmittags hielt das riesige schwarze Automobil des Fürsten Nevermore vor dem Gartentor. Der Chauffeur des Fürsten, ein kleinwüchsiger Alter mit langen grauen Haaren, dem die homosexuelle Perversion ins Gesicht geschrieben stand, ging Bungo abholen, ohne den Motor abzustellen. Kurz darauf eilten sie mit einer Geschwindigkeit von 60 Kilometern pro Stunde den großen, ferne Horizonte verdeckenden Wäldern der Bukowina entgegen, während Bungos Mutter ihnen besorgt nachschaute, gänzlich zu Unrecht der Meinung, der Fürst sei der böse Dämon ihres Sohnes. Der Fürst war nicht allein. Bei ihm war sein Leibarzt, Doktor Riexenburg, auch “das Gerät” genannt. Er war ein hochgewachsener Herr, tadellos gekleidet, ganz in Schwarz. Seinen länglich ovalen, kahl werdenden Schädel umringte ein Kranz hellroter Haare, deren Farbe an den Schläfen ins Gelblich-Weiße überging. Seine gebrochene Nase bildete fast einen rechten Winkel, und auf der zum Boden parallelen Linie ruhte eine goldene Brille. Hinter ihr verbargen sich die stechenden grauen Augen des notorischen Hypnotiseurs. Den sinnlichen Mund, der gleichsam ständig etwas unermeßlich Schweinisches kostete und ein wenig über den fast völlig verkümmerten Unterkiefer vorstand, verdeckte von oben ein dunkel-feuerroter Schnurrbart. Dieser Mensch erweckte den Eindruck, als sei er das Stativ irgendeines Meßgeräts und als könne man seine Glieder abschrauben und nebeneinander legen. Zugleich besaß er scheinbar die Elastizität eines gewissen Körperteils eines Stiers. Man konnte sich keine Situation vorstellen, in der dieser seltsame Herr fehl am Platz gewesen wäre. Als Bungo in das kleine schmutzige Zimmer trat, das völlig überhäuft war von Dingen, zwischen denen kein erkennbarer Zusammenhang bestand, diskutierten die beiden Gentlemen über das richtige Funktionieren des Gasmotors, den der Fürst kürzlich erfunden hatte.

 

witkacy

Stanislaw Witkiewicz (24 februari 1885 – 18 september 1939)
Zelfportret

 

De Ierse schrijver en kunstcriticus George Augustus Moore werd geboren op 24 februari 1852 in Ballyglass. Na de dood van zijn vader in 1870 ging hij naar Parijs om schilderkunst te studeren. Na drie jaar gaf hij die studie op en wijdde hij zich volledig aan het schrijven. Door Auguste Villiers de L’Isle Adam leerde hij Mallarmé en Édouard Manet kennen. De laatse maakte in deze tijd verschillende portretten van hem. In het Café de la Nouvelle-Athènes ontmoette hij bovendien Pissarro, Degas, Renoir, Monet, Daudet, Toegenjev en vooral Émile Zola, wiens naturalisme van invloed op hem was. In 1880 vestigde Moore zich in Londen en publiceerde zijn eerste gedichten. In 1883 verscheen zijn eerste roman A Modern Lover, die wegens onzedelijkheid werd verboden. Met zijn in 1885 verschenen roman A mummer’s wife schiep Moore de eerste Engelse roman in realistische stijl. In zijn volgende werken thematiseerde hij prostitutie, buitenechtelijke sex en lesbische liefde en provoceerde daarmee de publieke opninie. Door zijn Impressions and Opinions (1891) en Modern Painting (1893) maakten de Engelsen kennis met het impressionisme. Vanaf 1901 leefde Moore in Dublin en samen met Yeats schreef hij voor het Irish Literary Theatre het stuk Diarmuid and Grania. Hij verdiepte zich in de Ierse cultuur en Ierland werd de achtergrond voor zijn roman The Lake (1905) en voor enkele korte verhalen. Omdat hij in deze verhalen de katholieke kerk aanviel leidde dat tot moeilijkheden bij de publicatie. Wel inspireerden zij de jonge James Joyce.

 

Uit: The Lake

 

It was one of those enticing days at the beginning of May when white clouds are drawn about the earth like curtains. The lake lay like a mirror that somebody had breathed upon, the brown islands showing through the mist faintly, with gray shadows falling into the water, blurred at the edges. The ducks were talking in the reeds, the reeds themselves were talking, and the water lapping softly about the smooth limestone shingle. But there was an impulse in the gentle day, and, turning from the sandy spit, Father Oliver walked to and fro along the disused cart-track about the edge of the wood, asking himself if he were going home, knowing very well that he could not bring himself to interview his parishioners that morning.

On a sudden resolve to escape from anyone that might be seeking him, he went into the wood and lay down on the warm grass, and admired the thickly-tasselled branches of the tall larches swinging above him. At a little distance among the juniper-bushes, between the lake and the wood, a bird uttered a cry like two stones clinked sharply together, and getting up he followed the bird, trying to catch sight of it, but always failing to do so; it seemed to range in a circle about certain trees, and he hadn’t gone very far when he heard it behind him. A stonechat he was sure it must be, and he wandered on till he came to a great silver fir, and thought that he spied a pigeon’s nest among the multitudinous branches. The nest, if it were one, was about sixty feet from the ground, perhaps more than that; and, remembering that the great fir had grown out of a single seed, it seemed to him not at all wonderful that people had once worshipped trees, so mysterious is their life, so remote from ours. And he stood a long time looking up, hardly able to resist the temptation to climb the tree—not to rob the nest like a boy, but to admire the two gray eggs which he would find lying on some bare twigs.

At the edge of the wood there were some chestnuts and sycamores. He noticed that the large-patterned leaf of the sycamores, hanging out from a longer stem, was darker than the chestnut leaf.“

 

Georges_Moore
George Moore (24 februari 1852 – 20 januari 1933)
Portret door Édouard Manet

 

 

De Amerikaanse schrijver en uitgever August William Derleth werd geboren op 24 februari 1909 in Sauk City, Wisconsin. Toen hij zestien was verkocht hij al zijn eerste verhalen aan het tijdschrift Weird Tales. In de jaren dertig werkte hij o.a. voor een comissie voor opvoeding en reclasering en als lector aan de universiteit van Wisconsin. Hij was bevriend met de schrijver H. P. Lovecraft. Lovecraft’s personage Comte d’Erlette is een homage aam Derleth wiens Franse voorouders dÉrlette heetten. Na de dood van Lovecraft in 1937 bewerkte hij enkele van diens verhalen of voltooide deze en publiceerde ze. In 1939 richtte hij uitgeverij Arkham House op om de werken van Lovecraft verder te kunnen verspreiden.

 

Uit: The Watchers Out of Time (Samen met H.P. Lovecraft)

 

“Certain houses, like certain persons, manage somehow to proclaim at once their character for evil. Perhaps it is the aroma of evil deeds committed under a particular roof, long after the actual doers have passed away, that makes the gooseflesh come and the hair rise. Something of the original passion of the evil-doer, and of the horror felt by his victim, enters the heart of the innocent watcher, and he becomes suddenly conscious of tingling nerves, creeping skin, and a chilling of the blood . . . —Algernon Blackwood
I had never intended to speak or write again of the Charriere house, once I had fled Providence on that shocking night of discovery—there are memories which every man would seek to suppress, to disbelieve, to wipe out of existence—but I am forced to set down now the narrative of my brief acquaintance with the house on Benefit Street, and my precipitate flight there from, lest some innocent person be subjected to indignity by the police in an effort to explain the horrible discovery the police have made at last—that same ghastly horror it was my lot to look upon before any other human eye—and what I saw was surely far more terrible than what remained to be seen after all these years, the house having reverted to the city, as I had known it would.”

 

Derleth

August Derleth (24 februari 1909 – 4 juli 1971)

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007 en ook mijn blog van 24 februari 2008.

 

Uit: Hoffman’s honger

 

Freddy Mancini had vier steaks verorberd bij de Hongaar, maar hij had honger toen hij door de gang naar zijn hotelkamer sjokte. Het was warm in Europa. Freddy’s enorme buik hing zwaar onder zijn zwetende borstkas, de op maat gemaakte spijkerbroek spande om zijn vette billen. Bobby, zijn vrouw, liep soepel naast hem. Zij verweet hem dat hij vanavond zijn dieet had verknald.
‘Verknald! Freddy, leer je ’t dan nooit? De afgelop
en dagen hield je je netjes aan de regels- en nu? Je zult ’t nooit leren jij.’ In zijn maag voelde Freddy de schaamte branden. Maar de honger bleef zeuren, honger naar vervulling en eeuwigdurende bevrediging. Hij had een keer gelezen dat een speciale maagzenuw het hongergebied in de hersenen deed sidderen. Een verklaring van rationalisten en optimisten.
De diëtiste had hem een paar maanden geleden thuis in San Diego iets anders gezegd.
‘Hoe lang kom je nou al bij me, Freddy? Driejaar?’
‘Drieëneenhalf. Bijna vier.’
‘Zo lang al?’
‘Wat wilde je zeggen, Sandy?’
‘Elk pondje gaat door ’t mondje, dat weet je, maar er zit bij iedereen ook iets in z’n hoofd dat ‘m dik maakt. Maar bij jou, Freddy, bij jou zit ’t allemaal in je hoofd. Bij jou is honger iets mentaals.’

 

Leon_de_Winter

Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)
Portret door Roderik van Schaardenburg

 

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Tegenwoordig woont hij in de VS, waar hij doceert aan de universiteit van Michigan.  Hij schreef al zes dichtbundels en vijf romans. Voor zijn eerste roman kreeg hij in 1999 de “Prix Litteraire de l’Afrique Noire”, voor zijn roman Verre Cassé,  de “Le Prix des Cinq Continents de la Francophonie.”

 

Uit: African Psycho (Vertaald door Christine Schwartz Hartley)

 

I still cannot understand why my last deed, which took place only three months ago, wasn’t covered by the national press or the press of the country over there. Only four insignificant lines in The Street Is Dying, a small neighborhood weekly, and the lines devoted to my crime were buried between ads for Monganga soap and No-Confidence shoes. As I have kept the clipping, I can’t help laughing when I read it again:

“A nurse at the Adolphe-Cisse hospital was assaulted by a sexual maniac upon her return home from work. A complaint was lodged at the police station of the He-Who-Drinks-Water-Is-An-Idiot neighborhood.”

I assure you, I spent the whole day after this deed listening to Radio Right Bank in the hope that it would convey the facts in detail to make up for this news item, which had hurt my pride and come as a real snub to me, even though I wasn’t named in it. I have always suffered from the fact that my actions keep being credited to some other of the town’s shady characters.

But they said nothing! This was the day I understood the meaning of radio silence. I became aware that my gesture was not worthy of a criminal of Angoualima’s ilk, he who would leave his mark by sending his victims’ private parts to the national press and the press of the country over there by registered mail.”

 

AlainMabanckou

Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

De Turkse dichter, schrijver en vertaler Yüksel Pazarkaya werd geboren op 24 februari 1940 in Izmir. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007 en ook mijn blog van 24 februari 2008.

Nur um der Liebenden willen dreht sich der Himmel (Fragment)
Eine Schöpfungsgeschichte

1
Es war einmal…
Es war keinmal…
Die Zeit war noch graue Vorzeit…
Der Raum war noch grauer Vorraum…
Vorraum und Vorzeit waren angefüllt von Wasser.
Es gab nichts als Wasser.
Und Gott, der Große Schöpfer, blickte unentwegt auf das Wasser…
Er starrte und starrte auf das Wasser und langweilte sich nach einer Weile, die keine Weile war und keine Zeit, er langweilte sich ob des bloßen Starrens…
Und er beschloss, den Menschen zu erschaffen.
Und so geschah es.
Der Mensch wurde von Gottes Hand erschaffen aus Wasser, aus einemTropfen Wasser.

2
Der Mensch hatte Flügel wie ein Schwan, damit er über dem Wasser schweben konnte.
Er flog hin, er flog her, er flog kreuz und quer…
Doch das bloße Herumfliegen über dem Wasser langweilte den Menschen bald. Er wollte sich nicht länger mit der Herumfliegerei begnügen. Er wollte hoch hinaus in die oberen Sphären steigen. Von quälender Neugier gepackt…
Und er ersann sich List und Trug, Gott, seinen Schöpfer hinters Licht zu führen, zu noch höheren Sphären zu kommen.
Was er jedoch nicht wusste, dass List und Trug den Verstand verleitete, den Gott gegeben, damit der Mensch Gutes ersinne.

 

pazarkaya

Yüksel Pazarkaya (Izmir,  24 februari 1940)

 

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007.

 

Uit: Nicht meine Welt

 

„Weltoffene Stadt, könnte einer meinen, der diese Fotos sieht und sonst keine Ahnung hat. Literaten aus Ost und West im Disput, grenzüberschreitender Dialog in friedlicher Koexistenz. Ich wundere mich, mit zwei Fotos dabei zu sein, denn ich stand am Rande dieses Geschehens. Ab 1970 etwa war ich wieder einigermaßen gelitten in der Messestadt, das war einige Jahre nach Bautzen II. Ab 1976 gab es nur noch Krach wegen Es geht seinen Gang, und 1981 verschwand ich nach dem Westen. … Meine siebziger Jahre waren anders.“

 

erich_loest

Erich Loest (Mittweida, 24 februari 1926)

 

 

De Franstalige schrijfster Irène Némirovsky werd op 24 februari 1903 in Kiev geboren. Als joodse schrijfster van Russische afkomst maakte ze in de jaren dertig furore met haar romans David Golder (1929) en Le bal (1930) en nog een aantal andere titels. In 1942 werd de schrijfster gedeporteerd en omgebracht. Suite Francaise, het ambitieuze magnum opus waaraan ze begin jaren veertig werkte, zou zij nooit voltooien. Jarenlang bleef het manuscript van dat laatste boek in het handen van haar dochter, tot die uiteindelijk besloot het uit te laten geven. In 2004, meer dan zestig jaar na de dood van zijn auteur, kwam het werk uit in Frankrijk.

 

Uit: Suite Francaise

 

„Hot, thought the Parisians. The warm air of spring. It was night, they were at war and there was an air raid. But dawn was near and the war far away. The first to hear the hum of the siren were those who couldn’t sleep?the ill and bedridden, mothers with sons at the front, women crying for the men they loved. To them it began as a long breath, like air being forced into a deep sigh. It wasn’t long before its wailing filled the sky. It came from afar, from beyond the horizon, slowly, almost lazily. Those still asleep dreamed of waves breaking over pebbles, a March storm whipping the woods, a herd of cows trampling the ground with their hooves, until finally sleep was shaken off and they struggled to open their eyes, murmuring, “Is it an air raid?”
The women, more anxious, more alert, were already up, although some of them, after closing the windows and shutters, went back to bed. The night before?Monday, 3 June?bombs had fallen on Paris for the first time since the beginning of the war. Yet everyone remained calm. Even though the reports were terrible, no one believed them. No more so than if victory had been announced. “We don’t understand what’s happening,” people said.“

 

nemirovsky

Irène Némirovsky (24 februari 1903 – 17 augustus 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e februari ook mijn andere blog van vandaag.

 

Rosalia de Castro, Leon de Winter, Jacques Presser, Luc Verbeke, Yüksel Pazarkaya, Erich Loest, Wilhelm Karl Grimm

De Spaanse dichteres Rosalia de Castro werd geboren op 24 februari 1837 in Santiago de Compostela. Zij was dochter van een ongehuwde moeder (María Teresa de la Cruz de Castro) en behoorde tot de lagere adel. Haar vader was de pastoor en kapelaan Jose Martínez Viojo, die tot haar 10e levensjaar voor haar zorgde. Haar eerste verzen schreef Rosalía toen ze 12 jaar oud was, en op haar 17e was haar literaire talent al in verschillende kringen erkend. In 1856 verhuisde ze van Santiago de Compostela naar Madrid. In 1857 debuteerde ze met haar eerste dichtbundel in het Spaans, “La Flor” (De Bloem). Rosalía trouwde in 1858 met de schrijver en historicus Manuel Murguia, die zij in Madrid had leren kennen. In 1863 verscheen haar werk “Cantares Gallegos”, hetgeen in de literatuurgeschiedenis van het Galicisch zeer belangrijk is, omdat het wordt beschouwd als de basis van de Rexuridimento, de renaissance van de cultuur en taal van Galicië. Zie ook mijn blog van 21 februari 2007. 

 

I was born with nuts and bussoms,

 

In a mouth when gardens grew,

In a dawn so very gentle,

In a dawn of April dew.

That’s the reason why I’m Rosa,

Smiling lips made red by rue,

Bristling thorns for everybody

(Never, though, a thorn for you)

Since I fell in love (a thankless

Thing I did) life’s gone askew

And I let it go, believing

You my life and glory too.

Why then this complaining Mauro?

Why the rage? You know it’s true-

If my dying made you happy,

Happily I’d die for you.

Still you stab me with a dagger

Spiked with curses. Not a clue

What it was you really wanted,

Crazy deeds you made me do!

All I had to give I gave you

In my hungering for you.

Now at last my heart I send you,

You’ll unlock it with this key.

I’ve got nothing left to give you,

You’ve no more to ask of me.

 

 

 

Vertaald door Sasha Foreman

 

 

Castro

Rosalia de Castro (24 februari 1837 – 15 juli 1885)

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007.

 

Uit: De hemel van Hollywood

 

Je gelooft er niet in?” vroeg Jimmy Kage, bang voor Greens antwoord.
Green zag hem slikken en naar de verste verten van de boulevard staren. Gelukkig had Jimmy zijn sigaret, die hem een houding kon geven.
“Jij wel dan?”
“Ja,” antwoordde Jimmy droog.
Green zei: “Het spijt me dat ik je zo teleurstel.”
Het was even stil, Kage draaide zijn rug naar Green, zwaar ademend, en zei toen: “Je kunt er niks aan doen. Je bent gewoon een zak.”
“He is onzin, Jimmy. Tienduizend dollar? Echt niet. Niet op de manier die wij gewend waren. Jimmy, we zijn geen jonge honden van tweeëntwintig meer! Jij bent een senior citizen en ik ben een verdwaasde zak die zijn leeftijd ontkent en nog net genoeg geld heeft om een paar dagen te overleven! Dan moet ik gaan stelen.”
“We kunnen een film maken. Zelfs met maar tien mille.”
“Jimmy, ik geloof er niet in.”
Kage draaide zich naar hem toe, met betraande ogen: “Dit is je laatste kans, man! Er komt geen werk meer naar ons toe! We liggen eruit! Ik heb mijn fouten gemaakt en jij minstens zoveel! Voor ons zijn er honderden, duizenden anderen, want wij zijn een bedrijfsrisico dat niemand wil dragen! Ze vreten ons niet meer! En daarom vreten wij niet meer als dit nog langer duurt!”

 

DeWinter

Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)

 

 

De Nederlandse historicus, schrijver en dichter Jacques (Jacob) Presser werd geboren in Amsterdam op 24 februari 1899. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007.

 

De Achterblijver

Zo ver, zo laat en zo verloren:

Wie taalt naar aalmoes of beklag?

De doden kunnen ’t niet meer horen,

De levenden staan om de vlag.

 

Zij hebben d’exodus verkozen,

Want heeft een Jood zichzelf verstaan,

Dan hunkert hij naar Saron’s rozen

En boven Askalon de maan.

 

Dan weigert hij gedwee te wachten

Van oud pogrom tot nieuw pogrom

En slaat in, zonder wrok of klachten,

De weg naar huis en ziet niet om.

 

En ik blijf hier, alleen, gevangen,

Tot in de stilte dooft de stem,

Die vraagt naar ’t doel van míjn verlangen:

Naar welk, naar wèlk Jeruzalem?

 

PresserOndergang

Jacques Presser (24 februari 1899 – 30 april 1970)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Luc Verbeke werd geboren in Wakken op 24 februari 1924. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007.

 

Noodkreet

Geschreven kort na de tweede wereldoorlog
in de blijvende sfeer van dood, vernieling en durend leed

Wild sloeg men de blinden dicht
en het werd ontzettend duister.
Hoop verzwond.Geen eeuwig Licht
spreidde nog zijn glans en luister

over afgrond en ravijnen,
over ’s werelds diepe schoot
en des levens stage deinen
naar de monding van de dood.

Blijft er nog een toeverlaat,
waar de sterren nedervielen,
waar barbaar en waar piraat
werk van eeuwen weer vernielen

en voor afgoden gaan knielen?
Ach, lawinen storten neer
over lichamen en zielen.
Christus, keer op aarde weer.

 

Verbeke

Luc Verbeke (Wakken, 24 februari 1924)

 

De Turkse dichter, schrijver en vertaler Yüksel Pazarkaya werd geboren op 24 februari 1940 in Izmir. Zie ook mijn blog van 24 februari 2007.

 

 

MEINE ZUNGE VEHEDDERT SICH BEI DEINEM NAMEN

 

Du bist der letzte Name meiner Heimat
Der Sehnsüchte Halde
Der Verbannungen Umkehr
Das Leid: die Verbannung von dir
Nur ein Ziel bleibt dem Verbannten
Fremd das Wort fremd die Luft
Richtet den in der Verbannung zu
Durchs Netz der Kränkungen
Durchs Sieb der Peinigungen
Hindurch Seihen ist Verbannung
Verschleppt verzerrt vernichtet
Zu ertragen nur mit deinem Namen
Meine Zunge verheddert um deinen Namen

 

Du bist das letzte Asyl dieses Seins
Kann es je ertragen die Verbannung von dir
Der Verbannung Folter
Wenn es keine Ankunft gäbe bei dir
Die Verbannung zieht sich hin endlos das Sehnen
Geballt der Brand des Verbannten
Die schlimmste aller Prüfungen
Der schmalste aller Pfade
Die Sehnsucht zieht sich hin endlos die Verbannung
Geballt das Leid geballt die Wehmut
Schrickt dennoch nicht zurück vom Weg zum letzten Heim
Möchte Ruhe finden bei dir
Meine Augen trübe, unsichtbar dein Heim

 

Du bist der letzte Halt der Hoffnungen
Endlos an Haltestellen des Trübsinns
Gestürzt in eine einzige Hoffnung
So fern wie schwarze Löcher
So wahr wie schwarze Löcher
So fern wie erloschene Sterne
So wahr wie ihre Strahlen die noch kommen
Wahr jedoch nicht selbst
Fern jedoch nicht entschwunden
Selbst und zugleich nichts
Des Trübsinns Lawine der Hoffnung Bündel
Des Seins erster und letzter Halt
Meine Füße schlingern, aussteigen kann ich nicht

 

pazarkaya

Yüksel Pazarkaya (Izmir,  24 februari 1940)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 24 februari 2007.

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida.

De Duitse schrijver en taalwetenschapper Wilhelm Karl Grimm werd geboren in Hanau op 24 februari 1786.

 

 

Leon de Winter, Jacques Presser, Luc Verbeke, Yüksel Pazarkaya, Erich Loest, Wilhelm Grimm

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954.Toen De Winter elf jaar oud was stierf zijn vader op 52-jarige leeftijd aan een hartaanval. De Winter ging op zijn 20e naar de Filmacademie, waar hij bevriend raakte met de latere producent René Seegers en de latere regisseur Jean van de Velde. Het drietal verliet in 1978 zonder diploma de Filmacademie en richtte de Eerste Amsterdamse Filmassociatie op, die de televisiefilms Junkieverdriet en De (ver)wording van de jongere Dürer maakte. De Winter was al tijdens zijn periode aan de Filmacademie gaan schrijven. Hij debuteerde in 1976 met de verhalenbundel Over de leegte in de wereld. Zijn boeken Zoeken naar Eileen W, La place de la Bastille en De hemel van Hollywood werden verfilmd. Vooral na 11 september 2001 ontwikkelde hij zich als publicist en talkshowgast. Hij publiceert sindsdien regelmatig opinieartikelen in het dagblad Trouw en in de tijdschriften Elsevier, Die Welt en Der Spiegel. In Elsevier heeft de Winter een wekelijkse column en op internet een weblog.

Uit: De ruimte van Sokolov

“…Nieuwsgierig betrad hij de catacombe links naast de Klaagmuur, in de wand onder de gebouwen die langs de hoge noordzijde van het plein stonden. Hij belandde in een middeleeuwse galerij met nissen, kamertjes en aparte sjoeltjes achter traliedeuren, aan de duisternis ontrukt door lampen die mysterieus oranje licht verspreidden. Hij, vertegenwoordiger van de ruimte van de technologie, bevond zich nu in de ruimte van de God Zonder Handen en God Zonder Gezicht, de ruimte van magie en wonderen en de beleving van tijdloosheid. Hij kende die ruimte van zijn wodkareizen, en hij herkende wat de chassieden met hun ritmische gebeden wilde oproepen.”

 

Winter

Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)

 

Jacques (Jacob) Presser was een Nederlands historicus, schrijver en dichter die vooral bekend is geworden om zijn boek Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 over de geschiedenis van de Nederlandse Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Presser werd geboren op 24 februari 1899 in de vroegere Amsterdamse Jodenbuurt in een vrij arm, socialistisch Joods gezin dat zijn joodse wortels had afgeschud; zijn vader was diamantbewerker. Zelf was Presser tijdens zijn latere leven ook links van politieke opvatting. Tijdelijk woonde het gezin ook nog een poosje in Antwerpen daar zijn vader daar emplooi had gevonden nadat hij werkloos was geworden. Presser hield er een enigszins Vlaams accent aan over, waaraan hij zijn bijnaam De Belg dankte. Naast historisch werk heeft Presser ook literair werk geleverd. Bekend is zijn boek De nacht der Girondijnen, waarvoor hij ook een literaire prijs ontving en dat deels autobiografisch is wat betreft hij heeft meegemaakt tijdens de oorlog. Ook op het lichtere terrein van de detectiveromans heeft hij zich gewaagd; zijn meest bekende werk op dit gebied is Moord in Meppel. Daarnaast heeft hij ook wat poëzie geschreven.

Uit:  De nacht der Girondijnen

“Het duivelspact. Ik trek het woord in, het is niet echt, het is literatuur. Ik was geen Faust, hij geen Mephisto, en och, de Gretchen… Geen Mephisto was hij, zeker niet, maar een Duitser, bij wie ik al de eerste dag de beste moest denken aan Tucholsky’s omschrijving: hij kocht zich een hondenzweep en een kleine, bijbehorende hond. Hij droeg inderdaad een karwats en liep, neen, schreed daarmee als een vorst over de grote middenstraat tussen de barakken, de Boulevard des Misères, daarbij religieus (dat is het woord) gegroet: de heer over leven en dood. Iets van die verering daalde natuurlijk ook af op mij, die achter hem aanliep, zijn adjudant. Zijn Sancho Panza? Ach nee, hoogstens een beetje zijn Leporello. Maar ik deed het; ik vond het niet onaangenaam. Je vond het lèkker, zegt Jacob, erken het maar. Inderdaad, het prikkelde me plezierig. Ik begon al man te worden, blijkbaar.
De O.D.: Cohn’s meesterlijke organisatie. Een kleine honderd man, de joodse SS in de volksmond. Heel raak, want we waren èn Joden èn SS-ers, helemaal aangestoken door onze vijanden, die we in loop, in houding, in kleding, zelfs in manier van spreken, nadeden: ‘zackig’, ‘schneidig’. We bekten af, we duwden weg, we joegen op. Wij, een paar intellectuelen, kantoorbedienden, werklieden, handelsreizigers en venters, we waren voor de anderen ongetwijfeld het weerzinwekkendste tuig, dat God had geschapen, boeven en gangsters; ik voel me nu, nù, wee om mijn maag, als ik aan ons, aan mij, terugdenk. Het enige wat ik voor de tiende, voor de honderdste maal zou willen herhalen, is dat dit alles waar is, dat dit zo en niet anders is geweest. Vraag me dan verder niets meer, ik weet het niet. Ik ga nu, al schrijvend, immers steeds meer beseffen, dat ik mezelf hoogstens nog herken. Maar kennen, neen, mezelf kennen, doe ik niet, waarachtig niet.”

Presser

Jacques Presser (24 februari 1899 – 30 april 1970)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Luc Verbeke werd geboren in Wakken op 24 februari 1924 en woont sedert zijn huwelijk met Maria Bossuyt in 1951 in Waregem. Beroepshalve was hij achtereenvolgens onderwijzer en schoolhoofd tot 1975, schooldirecteur tot 1984 en inspecteur tot hij in 1989 op rust ging. In 1947 stichtte hij, met André Demedts het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Hij was gedurende een halve eeuw daarvan de secretaris en drijvende kracht. Van 1997 tot 2001 was hij voorzitter van KFV, nadien erevoorzitter. Luc Verbeke is auteur van heel wat publicaties over Frans-Vlaanderen, o.m. het boek Vlaanderen in Frankrijk (1970), gebasee
rd op een jarenlange artikelenreeks in het tijdschrift Ons Erfdeel, en de brochure De Nederlanden in Frankrijk en het Komitee voor Frans-Vlaanderen.  Luc Verbeke schreef zes poëziebundels.

 

Herfst 1949

 

Oktoberwolken vluchten naar het noorden
en in de bomen klaagt en kreunt de wind
zijn dodenlied. Wat mij nog toebehoorde
aan schoonheid, weelde en wat ik heb bemind,

wat in de zomer oog en oor bekoorde,
de vogels en de bloemen, ’t blozend ooft,
de witte zon die in de luchten gloorde,
het wassend groen, ‘ t wordt alles mij ontroofd.

Zo sta ik naakt, ontbladerd als de bomen,
verzoend met alles wat mijn lot mij bood,
het wentelen der seizoenen, ‘ t gaan en ’t komen,
de eeuwige wet van leven en van dood;

van waan ontdaan, onware glans en logen,
zie ik gehard het wee van eeuwen aan,
wijl staag de wolken vluchten voor mijn ogen
en ook in mij het leven moet vergaan.

 

Uit de debuutbundel “Gezangen in de deemstering ” (1951)

 

Herfst 2004

Als de blaren bloeien
zien we herfst
in volle kleur
van groen en bruin
en goud
met rozerood:
de wilde wingerd
aan de muur,
de es, plataan
en beuk en berk
en populier,
de lijsterbes,
de vlier,
en heesters allerlei:
ze vieren hoge sier.
Mocht ook nog
onze herfst
wat langer duren
we konden
rozerood
hoog
weer klimmen
als de wingerd
aan de muur.

 

Uit ” Ik leef in taal en tijd
Herfst- en nieuwjaarsgedichten ( 2004 )

Verbeke1

Luc Verbeke (Wakken, 24 februari 1924)

 

De Turkse schrijver en vertaler Yüksel Pazarkaya werd geboren op 24 februari 1940 in Izmir. Na zijn middelbare schooltijd in Turkije kwam hij in Duitsland te wonen. Hij studeerde scheikunde in Stuttgart en begon daarna een studie germanistiek en filosofie en promoveerde in 1973 in de literatuurwetenschap. Sindsdien schrijft hij. Vanaf 1986 werkte hij ook als radioredacteur  bij de WDR in Keulen. Hij vertaalde o.a. werk van Orhan Veli, Nâzım Hikmet en Aziz Nesin. In zijn eigen werk houdt hij zich, hoewel zeker niet uitsluitend, bezig met de situatie rondom arbeidsmigratie en discriminatie.

 

Uit: Nur um der Liebenden willen dreht sich der Himmel

 

“Das Izmir meiner Kindheit und Jugendzeit ist noch immer eine Stadt bunten Treibens, eine urbane Kultur, offen für Landflüchtige, Saisonarbeiter, Einkaufs- und Vergnügungszentrum fürs Hinterland, vor allem nach der Tabak-, Trauben- und Feigenernte. Tabakarbeiterinnen in den Tabakmanufakturen sind echtes Frauenproletariat. Exporthafen, Messestadt, Handelszentrum, Universitätsstadt, Juden, Christen, Muslime, Türken, Kurden, Lasen, Bosnier, Albaner und nicht zuletzt Amerikaner. Izmir ist der Sitz des NATO-Südosthauptquartiers. Wieselleichte, gertenschlanke amerikanische Mädchen im mediterranen Frühling lassen dem grünen Gymnasiasten das Herz flattern.

Ich war damals ein türkischer Jüngling. Heute bin ich gewiss, dass türkisch die Bezeichnung für eine biochemische und psycho-sozio-kulturelle Verbindung ist. Darin bin ich Ionier, Lydi er, Trojaner, ja vor allem Trojaner, weiter bin ich in dieser Verbindung Lykier und Hethiter, Byzantiner, Seldschuke und Osmane, Schamane, Jude, Christ und Muslim, mal Bürger, mal Anarch, bin mal Bohemien, mal Asket. Und ein jeder Teil in dieser Verbindung ruft den anderen mit Yunus Emre, 13. Jahrhundert, zu:

“Der Hass ist unser Feind

Wir hassen niemanden

Die ganze Welt ist uns eins.”

 

 

PAZARKAYA1

Yüksel Pazarkaya (Izmir,  24 februari 1940)

 

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Hij wordt gezien als een belangrijke chroniqueur van de Duitse geschiedenis van de 20e eeuw. Tot zijn werk behoren o.a. de romans Völkerschlachtdenkmal, Zwiebelmuster, Froschkonzert en de door Frank Beyer verfilmde bestseller Nikolaikirche. In 1957 werd Loest om politieke redenen tot een zevenjarige gevangenisstraf veroordeeld. Aan het begin van de jaren tachtig verliet hij de DDR. Sinds 1990 woont hij weer in Leipzig.

Uit: Träumereien eines Grenzgängers.

 

Als ich anfangs der siebziger Jahre begann, über Karl May zu schreiben, war er in der DDR eine Unperson. Er war mir seit der Kindheit nicht nur durch seine Bücher nahe gewesen. Von Mittweida, meiner Geburtsstadt, ist es nach Hohenstein-Ernstthal und Waldenburg so nahe, daß ein Tagesausflug mit dem Fahrrad möglich war. Am Markt von Mittweida wurde er, mehrfach rückfällig geworden, zu vier Jahren Zuchthaus verurteilt. An der Handkette eines Gendarmen wanderte er über Ringethal und Hermsdorf nach Waldheim hinunter. Da war auf lange Zeit zum letzten Mal der Himmel über ihm hoch und weit. Dann Waldheim, dann Radebeul. Von einer Felsenbühne in der Sächsischen Schweiz hallte in meiner Kindheit das Kampfgeschrei der Apachen.
Ich wollte über Karl May schreiben, nicht für oder gegen ihn. Dazu, wußte ich, würde ich lange nachdenken und viel lesen müssen. Mein Held hatte sieben Jahre hinter Gittern verbracht, ich auch. Er hatte es geschafft, sich durch die Zellenwände hinauszuträumen, ich hatte mich ebenfalls in dieser Kunst geübt. Langsam schrieb ich mich gerade aus der Isolierung hinaus, ein Prozeß, den er nur zu gut gekannt hatte.
Das Urteil in der DDR schien endgültig zu sein: Chauvinist, angeblich der Lieblingsautor Hitlers. Frömmelnd, alles Geschriebene erstunken, Hochstapler in jeglicher Hinsicht. Und wir hätten doch unterdessen so viel bessere, nämlich marxistische Literatur über die Indianer!“

 

Loest

Erich Loest (Mittweida, 24 februari 1926)

 

Wilhelm Karl Grimm werd geboren in Hanau op 24 februari 1786. Hij vormde samen met zijn één jaar oudere broer Jakob Grimm de Gebroeders Grimm. Vanaf 1806 verzamelden ze Märchen (volksverhalen en sprookjes) die zij publiceerden onder de titel Kinder- und Hausmärchen (1812-1822). Op verzoek van de koning Frederik Willem IV van Pruisen kwamen ze in 1841 naar Berlijn waar ze aan de Humboldt-Universität in Berlijn studeerden en werkten. In 1852 begonnen ze aan het Deutsches Wörterbuch, dat pas in 1961 werd voltooid. Wilhelm stierf in 1859 en zijn broer 4 jaar later.

Uit: Frau Holle

 „Eine Witwe hatte zwei Töchter, davon war die eine schön und fleißig, die andere häßlich und faul. Sie hatte aber die häßliche und faule, weil sie ihre rechte Tochter war, viel lieber, und die andere mußte alle Arbeit tun und der Aschenputtel im Hause sein. Das arme Mädchen mußte sich täglich auf die große Straße bei einem Brunnen setzen und mußte so viel spinnen, daß ihm das Blut aus den Fingern sprang. Nun trug es sich zu, daß die Spule einmal ganz blutig war, da bückte es sich damit in den Brunnen und wollte sie abwaschen; sie sprang ihm aber aus der Hand und fiel hinab. Es weinte, lief zur Stiefmutter und erzählte ihr das Unglück. Sie schalt es aber so heftig und war so unbarmherzig, daß sie sprach: »Hast du die Spule hinunterfallen lassen, so hol sie auch wieder herauf. « Da ging das Mädchen zu dem Brunnen zurück und wußte nicht, was es anfangen sollte; und in seiner Herzensangst sprang es in den Brunnen hinein, um die Spule zu holen. Es verlor die Besinnung, und als es erwachte und wieder zu sich selber kam, war es auf einer schönen Wiese, wo die Sonne schien und vieltausend Blumen standen. Auf dieser Wiese ging es fort und kam zu einem Backofen, der war voller Brot; das Brot aber rief: »Ach, zieh mich raus, zieh mich raus, sonst verbrenn ich: ich bin schon längst aus gebacken.« Da trat es herzu und holte mit dem Brotschieber alles nacheinander heraus. Danach ging es weiter und kam zu einem Baum, der hing voll Äpfel, und rief ihm zu: »Ach, schüttel mich, schüttel mich, wir Äpfel sind alle miteinander reif. « Da schüttelte es den Baum, daß die Äpfel fielen, als regneten sie, und schüttelte, bis keiner mehr oben war; und als es alle in einen Haufen zusammengelegt hatte, ging es wieder weiter. Endlich kam es zu einem kleinen Haus, daraus guckte eine alte Frau, weil sie aber so große Zähne hatte, ward ihm angst, und es wollte fortlaufen. Die alte Frau aber rief ihm nach: »Was fürchtest du dich, liebes Kind? Bleib bei mir, wenn du alle Arbeit im Hause ordentlich tun willst, so soll dir’s gut gehn. Du mußt nur achtgeben, daß du mein Bett gut machst und es fleißig aufschüttelst, daß die Federn fliegen, dann schneit es in der Welt; ich bin die Frau Holle.“

 

Grimm

Wilhelm Grimm (24 februari 1786 – 16 december 1859)