Jaap Harten, Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Peter Drehmanns, Nathan Hill

De Nederlandse dichter en schrijver Jacobus Cornelis (Jaap) Harten werd geboren in Blaricum op 22 september 1930. Zie ook alle tags voor Jaap Harten op dit blog.

 

In de schaduw van hout

Wij waren niet nieuwsgierig
naar woorden en ook niet
naar cijfers, grijs als het haar
van de meester. Wij zaten
in de vergeelde foto
van een klas, een
ontbloeiend mechaniek
van jeugd.

De meesten onder ons
hadden houten ouders;
in de zomer vol meloenen en bessen
lieten zij hun schaduw na,
vol wantrouwen
als een vogelverschrikker die
toch altijd weer
verkeerd begrepen wordt.

En de dichte bossen
waar wij met een fluit op zak
in verdwenen; de hooiberg waar
wij koppig stoeiden met snelle, groene
spieren; en later
de nachten op hol
in het zadel van liefde: wisten
de houten beelden er iets van?

Nee. Of deden alsof.
Zij gingen met de kippen
op stok onder een paraplu
van zelfgenoegzaamheid.
Zij sliepen als runen.
De nacht, als honderd zwarte
katten, danste stug bijgeloof
op het koord van hun slaap.

 

Schlechte Zeit für Lyrik (Bertolt Brecht)

1
Al deze vragen:
de opgestoken duim van een bloemblad,
de naakte iris achter oogharen
die eklipseren voor het
zien, dat weer nieuwe
vragen oproept:

een braadpan vol kinderwoorden,
feeën van een bladzij losgescheurd
en voor 3 à 4 sekonden
kopulerend met een jongensbroek.

Waar zijn de lichtgewicht
kampioenen in demonie
die vanuit 1939
opeens vuur spuwen in dit gedicht?

Vriendjes als mieren
rondkruipend over de zolder,
ik mijn vaders kepi
opgeprikt als een grimas.

Erekties. Vechtpartijen.
Scherpe geur van oksels
zout als tranen.

Vragen.
Geen tijd voor lyriek

 

 
Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

Not Adlestrop

Not Adlestrop, no – besides the name
hardly matters. Nor did I languish in June heat.
Simply, I stood, too early, on the empty platform,
and the wrong train came in slowly, surprised, stopped.
Directly facing me, from a window,
a very, very pretty girl leaned out.

When I, all instinct,
stared at her, she, all instinct, inclined her head away
as if she’d divined the much married life in me,
or as if she might spot, up platform,
some unlikely familiar.

For my part, under the clock, I continued
my scrutiny with unmitigated pleasure.
And she knew it, she certainly knew it, and would
not glance at me in the silence of not Adlestrop.

Only when the train heaved noisily, only
when it jolted, when it slid away, only then,
daring and secure, she smiled back at my smile,
and I, daring and secure, waved back at her waving.
And so it was, all the way down the hurrying platform
as the train gathered atrocious speed
towards Oxfordshire or Gloucestshire.

 

Failure

Writing should be dedicated living, and ordinary heroes go lame,
torn like bits of poems, bits of voices into the wind.
I should be vocal for all the dumb ; for the homeless be home,
for the hunted be shelter. Oh make this ink a land.

I should be forever new and tum towards them with pure surprise,
endow the lonely with gifts far lovelier than this look,
and cage their ragged shadows in my eyes
that fly down tearward. But only ghosts people this book.

Humanity, the earth is richer where you stand.
So I wish myself imagined, a young legendary sage
·possessed with worlds of blood and flesh, not this faltering hand
that limps in pain and poverty over each uncreated page.

 


Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Lodewijk van Deyssel werd geboren op 22 september 1864 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Lodewijk van Deyssel op dit blog.

Uit: Jongensjeugd-schetsen

“Achter de schouders van den vader ging Adriaan door den gang. Het was hier stiller dan op straat. Van den wind was weinig meer te hooren. De gang was wit, maar het ganglampje was al op en dit maakte hier en daar goud-geele plekken op het wit, met breede, flauw goud doorwemelde, licht zwarte schaduw-randen. Het lampje was daar boven, aan het achter-einde van den gang, een kleine blank-geele vlam met een donkerder randje, met een, naar boven smaller, rond lampeglaasje, zoo doorzichtig als water, er om heen. Van boven eindigde het lampeglaasje met een open rontetje.
Aan de kleêrenkast gekomen, bergden zij hier hun kleêren in. Terwijl Adriaan met reikenden rechter arm de donkere kast in was, voelend met zijn hand de andere kleêren, waar-tusschen hij zijn jas aan den kapstok hing, hield hij zijn linker hand, recht opgestrekt en met zijn voorarm ook naar boven, tegen den rug van zijn vader aan, alsof dit bepaald noodig was om zich te houden bij het reiken.
Het heele huis was stil en op de trappen, tot boven toe, was niemand. Zij gingen de trap op, Adriaan achter zijn vader. De looper voelde zacht aan na de steenen van de straat en je kon de stappen bijna niet hooren. Alleen kwam nu en dan een van hun vier voeten tegen een looper-roede aan en dit gaf een geluid, dat prettig was om te hooren. Op het huiskamer-portaal brandde de groote lantaarn. Dit was het tweede licht in huis waar zij aan kwamen. Vader kwam met zijn hand naar achter zich, terwijl Adriaan achter hem liep, en nam zijn zakdoek uit een achterzak van zijn jas. Deze was groot en wit met vele kleine vlaktetjes en kromminkjes en rond gebogen vlakjes met veel butsjes en driehoekig uitstekende, alleenige dunne eindjes.
Voor de huiskamerdeur zag men nu het matje liggen in het licht. Dit was klein, lankwerpig en licht bruin en met een oranje rooden rand, en was hard en zacht onder je voeten.
De huiskamerdeur was nu geheel in ’t licht en over-dag, als de lantaarn uit was, altijd in donker. Je zag nu de post van de deur, die om de deur heen was en die aan dezen kant van de deur meer als een deurpost gezien werd omdat er overal witte, door het lantaarnlicht licht goud gekleurde, muur om heen was. Je zoû aan den anderen kant nooit er zoo aan gedacht hebben dat de huiskamerdeur een deur was en met een post er om heen zooals dat ook bij andere deuren is. De deur was hier ook met lichter kleur geverfd dan aan den binnen-kant. Hij was gesloten. De kruk was daar en onbewegelijk stil. En boven de deur was nu het goud aan het goud-lokkig jongens-kopje veel duidelijker.”

 


Lodewijk van Deyssel (22 september 1864 – 26 januari 1952)
Portret door Kees Verwey, 1941

 

De Australische singer / songwriter, dichter, schrijver en acteur Nicholas Edward Cave werd geboren in Warracknabeal op 22 september 1957. Zie ook alle tags voor Nick Cave op dit blog.

Uit: The Death of Bunny Munro

“He hears it now above the bombination of the air conditioner and it is sufficiently apocalyptic to almost arouse his curiosity. But not quite.
The watermark on the ceiling is growing, changing shape – a bigger breast, a buttock, a sexy female knee – and a droplet forms, elongates and trembles, detaches itself from the ceiling, freefalls and explodes on Bunny’s chest. Bunny pats at it as if he were in a dream and says, ‘Libby, baby, where do we live?’
‘Brighton.’
‘And where is Brighton?’ he says, running a finger along the row of miniature bottles of liquor arranged on the bedside table and choosing a Smirnoff.
‘Down south.’
‘Which is about as far away from ‘up north’ as you can get without falling into the bloody sea. Now, sweetie, turn off the TV, take your Tegretol, take a sleeping tablet – shit, take two sleeping tablets – and I’ll be back tomorrow. Early.’
‘The pier is burning down’, says Libby.
‘What?’
‘The West Pier, it’s burning down. I can smell the smoke from here.’
‘The West Pier?’
Bunny empties the tiny bottle of vodka down his throat, lights another cigarette, and rises from the bed. The room heaves as Bunny is hit by the realisation that he is very drunk. With arms held out to the side and on tiptoe, Bunny moonwalks across the room to the window. He lurches, stumbles and Tarzans the faded chintz curtains until he finds his balance and steadies himself. He draws them open extravagantly and vulcanised daylight and the screaming of birds deranges the room. Bunny’s pupils contract painfully as he grimaces through the window, into the light. He sees a dark cloud of starlings, twittering madly over the flaming, smoking hulk of the West Pier that stands, helpless, in the sea across from the hotel. He wonders why he hadn’t seen this before and then wonders how long he has been in this room, then remembers his wife and hears her say, ‘Bunny, are you there?’
‘Yeah,’ says Bunny, transfixed by the sight of the burning pier and the thousand screaming birds.
‘The starlings have gone mad. It’s such a horrible thing. Their little babies burning in their nests. I can’t bear it, Bun,’ says Libby, the high violin rising.”

 


Nick Cave (Warracknabeal , 22 september 1957)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

 

Terwijl

Terwijl de trein te velde trekt
verdwijn je maximaal
in met fluweel beknuffelde banken
tussen Omsk en Otranto.

Terwijl de taxi’s talmen voor Termini
struikel je danig
de napalmnacht binnen,
koppeltekens boven je beduimelde ogen
accolades in je mondhoeken
een dubbele tong in je hand.

Terwijl de hotelkamer openscheurt
val je voluit
tussen de regels van het opengeslagen bed –
en op het nachtkastje troont het happy end,
het jachtgeweer van de schrijver
in de open mond van de dag
in de stofstorm van wat weg was
van wat drab was.

 

Nog zowat

en dat de conducteur steeds opnieuw
langskomt en je kaartje bekladt
en dat het stof nooit ophoudt
neer te dalen en dat het zicht beperkt
blijft rondkolken en dat de konijnen zachtjes
sudderen en dat je rechtop moet lopen
en dat de bitten beschuimd zijn
in de tuigkamer en de teugels onontwarbaar
en dat de paarden de stal niet meer ruiken
en dat het sneeuwt in het apenhuis
en dat mijn meisje haar vingers zoekt
in het lange gras bezijden de roofdierverblijven
en dat de rantsoenkaarten verkruimelen
tussen mijn tanden en geen touw meer valt
vast te knopen aan welke geloofsrichting
dan ook

 

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Nathan Hill werd geboren in Cedar Rapids, Iowa, in 1976. Zie ook alle tags voor Nathan Hill op dit blog.

Uit: The Nix

“All I actually know right now,” the reporter says, “is that things were thrown.”
“What things?”
“That is unclear at this time.”
“Was the governor struck by any of the things? Is he injured?”
“I believe he was struck, yes.”
“Did you see the attackers? Were there many of them? Throwing the things?”
“There was a lot of confusion. And some yelling.”
“The things that were thrown, were they big things or small things?”
“I guess I would say small enough to be thrown.”
“Were they larger than baseballs, the thrown things?”
“No, smaller.”
“So golf- ball- size things?”
“Maybe that’s accurate.”
“Were they sharp? Were they heavy?”
“It all happened very fast.”
“Was it premeditated? Or a conspiracy?”
“There are many questions of that sort being asked.”
A logo is made: Terror in Chicago. It whooshes to a spot next to the anchor’s ear and flaps like a flag in the wind. The news displays a map of Grant Park on a massive touch- screen television in what has become a commonplace of modern newscasting: someone on television communicating via another television, standing in front of the television and controlling the screen by pinching it with his hands and zooming in and out in super- high definition. It all looks really cool.”

 

 
Nathan Hill (Cedar Rapids, 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip, Uri Zvi Greenberg, Rosamunde Pilcher, Nathan Hill

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

In the Theatre

Sister saying—‘Soon you’ll be back in the ward,’
sister thinking—‘Only two more on the list,’
the patient saying—‘Thank you, I feel fine’;
small voices, small lies, nothing untoward,
though, soon, he would blink again and again
because of the fingers of Lambert Rogers,
rash as a blind man’s, inside his soft brain.

If items of horror can make a man laugh
then laugh at this: one hour later, the growth
still undiscovered, ticking its own wild time;
more brain mashed because of the probe’s braille path;
Lambert Rogers desperate, fingering still;
his dresser thinking, ‘Christ! Two more on the list,
a cisternal puncture and a neural cyst.’

Then, suddenly, the cracked record in the brain,
a ventriloquist voice that cried, ‘You sod,
leave my soul alone, leave my soul alone,’—
the patient’s dummy lips moving to that refrain,
the patient’s eyes too wide. And, shocked,
Lambert Rogers drawing out the probe
with nurses, students, sister, petrified.

‘Leave my soul alone, leave my soul alone,’
that voice so arctic and that cry so odd
had nowhere else to go—till the antique
gramophone wound down and the words began
to blur and slow, ‘ … leave … my … soul … alone … ‘
to cease at last when something other died.
And silence matched the silence under snow.

 

Angels

Most are innocent, shy, will not undress.
They own neither genitals nor pubic hair.
Only the fallen of the hierarchy
make an appearance these secular days.

No longer useful as artists’ models,
dismissed by theologians, morale tends
to be low—even high class angels grumble
as they loiter in our empty churches.

Neutered, they hide when a gothic door opens.
Sudden light blinds them, footsteps deafen,
Welsh hymns stampede their shadows entirely.
Still their stink lingers, cold stone and incense.

But the fallen dare even to Downing Street,
astonish, fly through walls for their next trick;
spotlit, enter the dreams of the important,
slowly open their gorgeous, Carnaby wings.

 
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip, Uri Zvi Greenberg, Rosamunde Pilcher, Nathan Hill”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

The Old Gods – Poem by Dannie Abse

The gods, old as night, don’t trouble us.
Poor weeping Venus! Her pubic hairs are grey,
and her magic love girdle has lost its spring.
Neptune wonders where he put his trident.
Mars is gaga – illusory vultures on the wing.

Pluto exhumed, blinks. My kind of world, he thinks.
Kidnapping and rape, like my Front Page exploits
adroitly brutal – but he looks out of sorts when
other unmanned gods shake their heads tut tut,
respond boastingly, boringly anecdotal.

Diana has done a bunk, fearing astronauts.
Saturn, Time on his hands, stares at nothing and
nothing stares back. Glum Bacchus talks ad nauseam
of cirrhosis and small bald Cupid, fiddling
with arrows, can’t recall which side the heart is.

All the old gods have become enfeebled,
mere playthings for poets. Few, doze or daft,
frolic on Parnassian clover. True, sometimes
summer light dies in a room – but only
a bearded profile in a cloud floats over.


Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

Last Words

Splendidly, Shakespeare’s heroes,
Shakespeare’s heroines, once the spotlight’s on,
enact every night, with such grace, their verbose deaths.
Then great plush curtains, then smiling resurrection
to applause – and never their good looks gone.

The last recorded words too
of real kings, real queens, all the famous dead,
are but pithy pretences, quotable fictions
composed by anonymous men decades later,
never with ready notebooks at the bed.

Most do not know who they are
when they die or where they are, country or town,
nor which hand on their brow.
Some clapped-out actor may
imagine distant clapping, bow, but no real queen
will sigh, ‘Give me my robe, put on my crown.’

Death scenes not life-enhancing,
death scenes not beautiful nor with breeding;
yet bravo Sydney Carton, bravo Duc de Chavost
who, euphoric beside the guillotine, turned down
the corner of the page he was reading.

And how would I wish to go?
Not as in opera – that would offend –
nor like a blue-eyed cowboy shot and short of words,
but finger-tapping still our private morse,’…love you,’
before the last flowers and flies descend.

 

Ask the Moon

1
Wakeful past 3 a.m.
near the frontiers of Nothing
it’s easy, so easy
to imagine (like William Blake)
an archaic angel standing askew
in a cone of light
not of this world;

easy at this cheating hour
to believe an angel cometh
to touch babies’ skulls,
their fontanelles,
deleting the long memory
of generations—
the genesis of déjà vu;

easy to conceive angel-light
bright as that sudden
ordinary window
I saw at midnight
across the road
before the drawing of a blind.

 
Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923 – 28 september 2014)
Portret door Peter Douglas Edwards, 1980

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

Moonbright

Afterwards, late, walking home from hospital,
that December hour too blatantly moonbright
‐ such an unworldly moon so widely round,
an orifice of scintillating arctic light –
I thought how the effrontery of a similar moon,
a Pirandello moon that could make men howl,
would, in future, bring back the eidolon
of you, father, propped high on pillow,
your mouth ajar, your nerveless hand in mine.

At home, feeling hollow, I shamelessly wept
‐ whether for you or myself I do not know.
Tonight a bracing wind makes my eyes cry
while a cloud dociles an impudent moon
that is and was, and is again, and was.

Men become mortal the night their fathers die.

 

Case History

‘Most Welshmen are worthless,
an inferior breed, doctor.’
He did not know I was Welsh.
Then he praised the architects
of the German death-camps–
did not know I was a Jew.
He called liberals, ‘White blacks’,
and continued to invent curses.

When I palpated his liver
I felt the soft liver of Goering;
when I lifted my stethoscope
I heard the heartbeats of Himmler;
when I read his encephalograph
I thought, ‘Sieg heil, mein Fuhrer.’

In the clinic’s dispensary
red berry of black bryony,
cowbane, deadly nightshade, deathcap.
Yet I prescribed for him
as if he were my brother.

Later that night I must have slept
on my arm: momentarily
my right hand lost its cunning.

 
Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)
Portret door zijn zoon David Abse

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

 

Talking to Myself

 

In the mildew of age
all pavements slope uphill

 

slow slow
towards an exit.

 

It’s late and light allows
the darkest shadow to be born of it.

 

Courage, the ventriloquist bird cries
(a little god, he is, censor of language)

 

remember plain Hardy and dandy Yeats
in their inspired wise pre-dotage.

 

I, old man, in my new timidity,
think how, profligate, I wasted time

 

– those yawning postponements on rainy days,
those paperhat hours of benign frivolity.

 

Now Time wastes me and there’s hardly time
to fuss for more vascular speech.

 

The aspen tree trembles as I do
and there are feathers in the wind.

 

Quick quick
speak, old parrot,
do I not feed you with my life?

 

 

 

The Origin Of Music

 

When I was a medical student
I stole two femurs of a baby
from The Pathology Specimen Room.
Now I keep them in my pocket,
the right femur and the left femur.
Like a boy scout, I’m prepared.
For what can one say to a neighbour
when his wife dies? ‘Sorry’?
Or when a friend’s sweet child
suffers leukaemia? ‘Condolences’?
No, if I should meet either friend
or stricken neighbour in the street
and he should tell me, whisper to me,
his woeful, intimate news,
wordless I take the two small femurs
from out of my pocket sadly
and play them like castanets.

 

 

Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

The Water Diviner

Late, I have come to a parched land

doubting my gift, if gift I have,

the inspiration of water

spilt, swallowed in the sand.

To hear once more water trickle,

to stand in a stretch of silence

the divining pen twisting in the hand:

sign of depths alluvial.

Water owns no permanent shape,

sags, is most itself descending;

now, under the shadow of the idol,

dry mouth and dry landscape.

No rain falls with a refreshing sound

to settle tubular in a well,

elliptical in a bowl. No grape

lusciously moulds it round.

Clouds have no constant resemblance

to anything, blown by a hot wind,

flying mirages; the blue background,

light constructions of chance.

To hold back chaos I transformed

amorphous mass—and fire and cloud—

so that the agèd gods might dance

and golden structures form.

I should have built, plain brick on brick,

a water tower. The sun flies on

arid wastes, barren hells too warm

and me with a hazel stick!

Rivulets vanished in the dust

long ago, great compositions

vaporized, salt on the tongue so thick

that drinking, still I thirst.

Repeated desert, recurring drought,

sometimes hearing water trickle,

sometimes not, I, by doubting first,

believe; believing, doubt.

 

The Uninvited


They came into our lives unasked for.
there was light momentarily, a flicker of wings,
a dance, a voice, and then they went out
again, like a light, leaving us not so much
in darkness, but in a different place
and alone as never before

so we have been changed.
and our vision no longer what it was,
and our hopes no longer what they were;
so a piece of us has gone out with them also,
a cold dream subtracted without malice,

the weight of another world added also,
and we did not ask, we did not ask ever
for those who stood smiling
and with flowers before the open door.

We did not beckon them in, they came in uninvited,
the sunset pouring from their shoulders;
so they walked through us as they would through water,
and we are here, in a different place,
changed and incredibly alone,
and we did not know, we do not know ever.

 


Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

Portret door Josef Herman, rond 1973

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

A Heritage

A heritage of a sort.

A heritage of comradeship and suffocation.

The bawling pit-hooter and the god’s

explosive foray, vengeance, before retreating

to his throne of sulphur.

Now this black-robed god of fossils

and funerals,

petrifier of underground forests

and flowers,

emerges with his grim retinue

past a pony’s skeleton, past human skulls,

into his half-propped up, empty, carbon colony.

Above, on the brutalised,

unstitched side of a Welsh mountain,

it has to be someone from somewhere else

who will sing solo

not of the marasmus of the Valleys,

the pit-wheels that do not turn,

the pump-house abandoned;

nor of how, after a half-mile fall

regiments of miners’ lamps

no longer, midge-like,

rise and slip and bob.

Only someone uncommitted,

someone from somewhere else,

panorama-high on a coal-tip,

may jubilantly laud

the re-entry of the exiled god

into his shadowless kingdom.

He, drunk with methane,

raising a man’s femur like a sceptre;

she, his ravished queen,

admiring the blood-stained black roses

that could not thrive on the plains of Enna.

 

Lachrymae

Later

I went to her funeral.

I cried.

I went home that was not home.

What happened cannot keep.

Already there’s a perceptible change of light.

Put out that light. Shades

lengthen in the losing sun.

She is everywhere and nowhere

now that I am less than one.

Most days leave no visiting cards behind

and still consoling letters make me weep.

I must wait for pigeon memory

to fly away, come back changed

to inhabit aching somnolence

and disguising sleep.

(ii) Winter

What is more intimate

than a lover’s demure whisper?

Like the moment before Klimt’s The Kiss.

What’s more conspiratorial

than two people in love?

So it was all our eager summers

but now the yellow leaf has fallen

and the old rooted happiness

plucked out. Must I rejoice when

teardrops on a wire turn to ice?

Last night, lying in bed,

I remembered how, pensioners both,

before sleep, winter come,

your warm foot suddenly

would console my cold one.

 

Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

Lees verder “Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy”

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, György Faludy, Uri Zvi Greenberg, Rosamunde Pilcher, Hans Leip, Barthold Heinrich Brockes

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2007 en mijn blog van 22 september 2008 en ook mijn blog van 22 september 2009.

Winter

What is more intimate
than a lover’s demure whisper?
Like the moment before Klimt’s The Kiss.
What’s more conspiratorial
than two people in love?
So it was all our eager summers
but now the yellow leaf has fallen
and the old rooted happiness
plucked out. Must I rejoice when
teardrops on a wire turn to ice?
Last night, lying in bed,
I remembered how, pensioners both,
before sleep, winter come,
your warm foot suddenly
would console my cold one.

 

X-Ray

Some prowl sea-beds, some hurtle to a star
and, mother, some obsessed turn over every stone
or open graves to let that starlight in.
There are men who would open anything.

Harvey, the circulation of the blood,
and Freud, the circulation of our dreams,
pried honourably and honoured are
like all explorers. Men who’d open men.

And those others, mother, with diseases
like great streets named after them: Addison,
Parkinson, Hodgkin—physicians who’d arrive
fast and first on any sour death-bed scene.

I am their slowcoach colleague, half afraid,
incurious. As a boy it was so: you know how
my small hand never teased to pieces
an alarm clock or flensed a perished mouse.

And this larger hand’s the same. It stretches now
out from a white sleeve to hold up, mother,
your X-ray to the glowing screen. My eyes look
but don’t want to; I still don’t want to know.

abse

Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

 

De Nederlandse schrijver Lodewijk van Deyssel werd geboren op 22 september 1864 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 22 september 2006 en ook mijn blog van 22 september 2007 en mijn blog van 22 september 2008 en ook mijn blog van 22 september 2009.

Uit: De kleine republiek

“In de koude kerk ging elk naar zijn vaste plaats, op de smalle vaalstoffige knielplankjes […]. Toen alle jongens er waren, begon achter op de bovenkerkvloer, in de felste aflichting der waterklare hoog-vensters, tegen het groote altaar op, de mis van den direkteur, het zwarte achterhoofd boven de witte en goudig-gele miskleêren, staand midden voor de hooge smalle altaartafel, en in eht half uur een enkele maal, geel en wit, naar den rechter hoek gaand en naar den linker hoek, zich enkele malen keerend naar kerk, de handen recht-op open voor de schouders en weêr lang uit in de hoogte samengehouden voor kin en borst, en al het zilverig witte licht uit den hooge afgekaatst op den effen kwart-bol van het helwit weêrschijnende voorhoofd als een zon door een regenlucht. De donkere jongenslijven waren beneden, in diepe verte naar het altaar, dat hoog en breed boven hun samen-donkerte was in zijn alleen geel en wit. Twee jongens in zwarte toogjes dienden de direkteurs-mis, knielend op de bovenste treê van de omrondende altaartrappen. En telkens kwam er uit een muurdeur rechts van het altaar, een jongen, in zijn gewone pakje, de handen voor de borst om een kerkboek heen, en, drie pas achter hem, een professer in miskleêren, blinkend geel en wit, waardig matig aankomend over de lange wit en blauw ruitige steenen vloer, daalden de smalle trapjes af en gingen naar links, naar rechts, voor de gebankten heen, bezijde de gebankten langs, en stil aan de kleine altaartjes in de zijbeuken en achter de zijbeuken, in de open kapellen die de zijbeuken voortzetten rechts en links van de bovenkerk, en elk zijn mis aan ’t doen. Door de hoog-sombere stilte der boven-kerkruimten ging het geprevel en het geschel van de altaartjes op, zware fluisteringen van alle kanten.

(…)

 “Zij gingen zitten op de onderste tree, luisterden of er niet iemand kwam, maar de hoge kerkstilte bleef onbewogen achter hen. Dan schoof Willem zich zo, dat zijn rechterdij helemaal de geliefde raakte. Dan pakte hij hem aan, met zijn grove jongenslinksheid, zijn rechterarm langs de grijze rug doend, zijn linkerarm over de linker van de geliefde en over zijn borst, tot zijn handen vreemd elkaar voelden en samenvatten op die rechterschouder. Dan drukte hij zich tegen hem aan en zoende hem op zijn wangen en zijn mond.”

vandeyssel

Lodewijk van Deyssel  (22 september 1864 – 26 januari 1952)

Een nog jonge van Deyssel

 

De Britse schrijfster Fay Weldon werd geboren op 22 september 1931 in Alvechurch, Engeland. Zie ook mijn blog van 22 september 2006 en ook mijn blog van 22 september 2007 en mijn blog van 22 september 2008 en ook mijn blog van 22 september 2009.

Uit: The Life and Loves of a She-Devil

„Mary Fisher lives in a High Tower, on the edge of the sea: she writes a great deal about the nature of love. She tells lies.
Mary Fisher is forty-three, and accustomed to love. There has always been a man around to love her, sometimes quite desperately, and she has on occasion returned this love, but never, I think, with desperation. She is a writer of romantic fiction. She tells lies to herself, and to the world.
Mary Fisher has $ (US) 754,300 on deposit in a bank in Cyprus, where the tax laws are lax. This is the equivalent of ý502,867 sterling, 1,931,009 German marks, 1,599,117 Swiss francs, 185,055,050 yen, and so forth, it hardly matters which. A woman’s life is what it is, in any corner of the world. And wherever you go it is the same — to them that hath, such as Mary Fisher, shall be given, and to them that hath not, such as myself, even that which they have shall be taken away.

Mary Fisher earned all her money herself. Her first husband, Jonah, told her that capitalism was immoral, and she believed him, having a gentle and pliable nature. Otherwise no doubt by now Mary Fisher would have a substantial portfolio of investments. As it is, she owns four houses and these are cumulatively worth — depending on the state of the property market — anything between half a million and a million dollars. A house, of course, only means anything in financial terms if there is anyone to buy it, or if you can bear to sell it. Otherwise a house can only be somewhere to live, or somewhere where those connected with you can live. With luck, the ownership of property brings peace of mind; without this luck it brings aggravation and discontent. I wish unluck in property matters on Mary Fisher.
Mary Fisher is small and pretty and delicately formed, prone to fainting and weeping and sleeping with men while pretending that she doesn’t.
Mary Fisher is loved by my husband, who is her accountant.
I love my husband and I hate Mary Fisher.“

weldon

Fay Weldon (Alvechurch, 22 september 1931)

 

De Hongaarse dichter en schrijver György Faludy werd geboren op 22 september 1910 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 22 september 2009.

The Cabbage Moth

My eyes are on the tiny terrace garden
under a forebodingly dark sky.
From the left a white cabbage moth
comes flying in between the high
supporting walls. Most likely this
morning gave him these carefree wings,
but he should know this evening will
see the end of his happy flutterings.
And soon he exits to the right,
his visit to earth a hurried one,
just like ours, his schedule tight.
The clouds are heavy with rain to pour.
Two drops, and the moth will be gone.
Funny, I think. For me, it’ll take no more.

 

The Seventy-Sixth

Aladdin’s lamps, the stars above
the city have long lost their sheen.
The field has turned into a highway,
and the forest a magazine.
Oil is consumed by marshes,
and oxygen by industry,
the lakes are spawning rotting fish,
sulfur spices up the sea.
But the placid public mood
can’t see the knife not so far off,
our son will starve tomorrow,
for us plenty is not enough.
We’ve conquered nature all right,
but it’s our nature we should rise above.

 

Vertaald door Paul Sohar

faludy

György Faludy (22 september 1910 – 1 september 2006)

 

De Israëlische Hebreeuwse en Jiddische dichter en politicus Uri Zvi Greenberg werd geboren op 22 september 1896 in Bialikamin, Lviv, in Galicië, destijds behorend tot Oostenrijk-Hongarije. Greenberg stamde uit een beroemde chassidische familie. Van 1915 tot 1917 was hij een soldaat in het Oostenrijks-Hongaarse leger. Toen deserteerde hij. Terug in Lviv (Dt: Lemberg) in 1918 was hij getuige van de pogroms, iets wat hem diep beïnvloed heeft. Hij woonde daarna in Berlijn en Warschau, waar hij begon te schrijven in het Jiddisch en Hebreeuws. In 1924 emigreerde Greenberg naar het Britse mandaatgebied Palestina. Daar werd hij enthousiast over de kibboetsbeweging en schreef hij alleen nog in het Hebreeuws, eerst voor het tijdschrift Davar, een belangrijk orgaan van de zionistische linkse arbeidersbeweging. Na het bloedbad in Hebron in 1929 werd Greenberg steeds militanter. Hij bekritiseerde de passiviteit van de Britse autoriteiten ten aanzien van het geweld in het Palestijnse Mandaatgebied. Hij werd lid van de rechtse Irgun en de ondergrondse organisatie Lehi, een afsplitsing van de Irgun. Sinds 1930 was hij een fervent voorstander van de revisionistische vleugel van het zionisme, en vertegenwoordigde de revisionistische zionistische beweging tijdens verschillende bijeenkomsten in Polen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij toevallig in Polen, maar hij was in staat om terug naar Palestina te gaan. De rest van zijn familie kwam tijdens de Holocaust om het leven. Na de stichting van Israël in 1948 tradGreenbergtoe tot de Herut Partij van Menachem Begin en in 1949 werd hij in de Knesset gekozen.

A Land Lost

Trusting their folly though their pilot is out
Blind to what’s written on the walls all about
Written by a hand moved by G-d’s ire
Hubris of traitors that to lead aspire.

My people obey them like sheep in human attire
Multitudes drifting to their funeral pyre
Their herders know not, but I know what they do
Pray G-d, a miracle, save, their doom undo

Lord, bare are all rocks and on the heather no dew.
For most are in the pit and the rest at its portal
I know, for I totter with my feet on its edge
dragging myself as the most wretched of prophets
of land lost by the guilt of its leaders.

 

The Great Sad One

The Almighty has dealt bitterly with me
That I did not believe him until my punishment,
Till he welled up in my tears, from the midst of my wounds.
And behold he is very lonely,
And he also lacks someone to confess to,
In whose arms he might sob his unbearable misery,
And this G-d walks about, without a body, without blood,
And his grief is double the grief of flesh,
Flesh that can warm another body of a third,
That can sit and smoke a cigarette
And drink coffee and wine,
And sleep and dream until the sun —
For him it is impossible for he is G-d.

greenberg

Uri Zvi Greenberg (22 september 1896 – 8 mei 1981)

 

De Britse schrijfster Rosamunde Pilcher werd op 22 september 1924 geboren in Lelant, Cornwall, Groot-Brittannië. Zie ook mijn blog van 22 september 2009.

Uit: September

Death is nothing at all. It does not count. I have only slipped away into the next room. Nothing has happened. Everything remains exactly as it was. I am I, and you are you, and the old life that we lived so fondly together is untouched, unchanged. Whatever we were to each other, that we are still. Call me by my old familiar name. Speak of me in the easy way which you always used. Put no difference into your tone. Wear no forced air of solemnity of sorrow. Laugh as we always laughed at the jokes that we enjoyed together. Play, smile, think of me, pray for me. Let my name be ever the household word that it always was. Let it be spoken without an effort, without the ghost of a shadow upon it. Life means all that it ever meant. It is the same as it ever was. There is absolute and unbroken continuity. What is this death but a negligible accident? Why should I be out of mind because I am out of sight? I am but waiting for you, for an interval, somewhere very near, just around the corner. All is well.”

 pilcher

Rosamunde Pilcher (Lelant, 22 september 1924)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Leip werd geboren op 22 september 1893 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 22 september 2008.

Uit: Hamburg, Juli 1943

„So sah mans in Blankenese vom Bismarckstein aus, als die Bomber davonwaren; ich stand und zeichnete dies Blatt, und die brennende Stadt leuchtete über viele Kilometer hin genug, so daß ichs hinkriegen konnte mit dem schwarzen Kreidestift. Es war der dritte große Angriff gewesen. Den Nachmittag war ich vom Bodensee nach Hause gelangt. Am anderen Morgen fuhr ich mit Baurat Müller in die Stadt (dem Vater Gesas, der Freundin meiner ältesten Tochter Mule). An manchen Stellen brannte es noch. Ich sah einen verstörten Mann im Schlafanzug umherirren, einen Band Gedichte in der Hand. Er beschäftigte meine Phantasie so sehr, daß ich ihn Herr Pambel nannte und sein Schicksal beschrieb.“

„Hab und Gut häufte sich auf den Straßen, als sollte eine Auktion in freier Luft stattfinden. Der große deutsche Ausverkauf hatte begonnen. In mir sagten sich die ersten Zeilen des „Liedes im Schutt“ her. Ich zeichnete dabei, was ich sah, obwohl es verboten war …“

leip

Hans Leip (22 september 1893 – 6 juni 1983)
Leip in 1936

 

De Duitse dichter Barthold Heinrich Brockes werd geboren in Hamburg op 22 september 1680. Brockes studeerde rechtsgeleerdheid in Halle en maakte reizen naar Italië, Frankrijk en Nederland. Hij vestigde zich vanaf 1704 in Hamburg. In 1720 werd hij benoemd als lid van de Hamburgse gemeenteraad, en bekleedde diverse functies in het bestuur van de stad. Hij was 6 jaar (van 1735 tot 1741) magistraat in Ritzebüttel. Gedichten van Brockes werden in 9 banden gepubliceerd onder de titel Irdisches Vergnügen in Gott (1721-1748). Hij vertaalde Giambattista Marini’s La Strage degli innocenti (1715), Alexander Pope’s Essay on Man (1740) en James Thomson’s Seasons (1745). Het libretto Der für die Sünden der Welt gemarterte und sterbende Jesus (1712) was één der eerste passie-oratoria, een vrije en poëtische meditatie op het passieverhaal zonder gebruik van een evangelisch karakter. Het was een populair werk, en werd op muziek gezet door onder andere Reinhard Keiser, Georg Philipp Telemann, Georg Friedrich Händel enJohann Mattheson.

Falschheit

Es herrschet in der Welt die Falschheit aller Orten;
die Wahrheit ist verbannt, die Redlichkeit verjagt;
die Freunde dieser Zeit sind Freunde bloß in Worten:
der Allerehrlichste tut anders, als er sagt.

Der, so dich herzt und küsst, wird dich ohnfehlbar fällen,
So bald er glaubt, dein Fall könn’ ihm erspriesslich sein.
Kein Mensch ist, was er scheint: man weiss sich zu verstellen,
Nie stimmt mit dem Gemüt das Ansehn überein.

Doch dieses alles muß man nicht von Weibern meinen,
Weil ihrer keine fasst uns je betrogen hat,
Indem sie insgemein von aussen boshaft scheinen:
Und wenn man’s untersucht, so sind sie’s in der Tat.

brockes

Barthold Heinrich Brockes (22 september 1680 – 16 januari 1747)
Portret door Dominicus van der Smissen

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, Rosamunde Pilcher, György Faludy, Hans Leip

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales.

 

 

MYSTERIËN

 

’s Nachts, weet ik niet wie ik ben

als ik droom, als ik slaap.

 

Wakker geworden, houd ik mijn adem in en luister:

een duimnagel krast over de andere kant van de muur.

 

’s Middags ga ik een zonverlichte kamer binnen

en neem er waar dat er zonder enige reden de lamp brandt.

 

Ik hoorde nu wel te weten dat je weinig octaven kunt horen,

dat een visioen sterft als je er te lang naar staart;

 

dat zelfs de hele geboekstaafde geschiedenis

maar wat geklets is in een grote stilte;

 

dat een magnesiumflits nog niet één enkel moment

het onzichtbare kan verlichten.

 

Ik klaag niet. Ik ga uit van het zichtbare

en het zichtbare ontstelt mij.

 

 

Vertaald door: C. Buddingh

 

 

 

The Game

 

Follow the crowds to where the turnstiles click.

The terraces fill. Hoompa, blares the brassy band.

Saturday afternoon has come to Ninian Park

and, beyond the goalposts, in the Canton Stand

between black spaces, a hundred matches spark.

 

Waiting, we recall records, legendary scores:

Fred Keenor, Hardy, in a royal blue shirt.

The very names, sad as the old songs, open doors

before our time where someone else was hurt.

Now like an injured beast, the great crowd roars.

 

The coin is spun. Here all is simplified

and we are partisan who cheer the Good,

hiss at passing Evil. Was Lucifer offside?

A wing falls down when cherubs howl for blood.

Demons have agents: the Referee is bribed.

 

The white ball smacked the crossbar. Satan rose

higher than the others in the smoked brown gloom

to sink on grass in a ballet dancer’s pose.

Again, it seems, we hear a familiar tune

not quite identifiable. A distant whistle blows.

 

Memory of faded games, the discarded years;

talk of Aston Villa, Orient and the Swans.

Half-time, the band played the same military airs

as when The Bluebirds once were champions.

Round touchlines the same cripples in their chairs.

 

Mephistopheles had his joke. The honest team

dribbles ineffectually, no one can be blamed.

Infernal backs tackle, inside forwards scheme,

and if they foul us need we be ashamed?

Heads up! Oh for a Ted Drake, a Dixie Dean.

 

‘Saved’ or else, discontents, we are transferred

long decades back, like Faust must pay the fee.

The Night is early. Great phantoms in us stir

as coloured jerseys hover, move diagonally

on the damp turf, and our eidetic visions blur.

 

God sign our souls! Because the obscure Staff of

Hell rule this world, jugular fans have guessed

the result half way through the second half

and those who know the score just seem depressed.

Small boys swarm the field for an autograph.

 

Silent the Stadium. The crowds have all filed out.

Only the pigeons beneath the roofs remain.

The clean programmes are trampled underfoot

and natural the dark, appropriate the rain

Whilst, under lampposts, threatening newsboys shout.

 

 

abse

Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

 

 

De Nederlandse schrijver Lodewijk van Deyssel werd geboren op 22 september 1864 in Amsterdam.

 

Uit: Rouwviolen

“Het weemoedige Sint-Niklaas-geschenk, waarmede mej. Swarth dezen winter Nederland heeft verrast – verleden jaar waren het de Sneeuwvlokken – is, eenigszins on-stelselmatig, verdeeld in Rouwviolen, Sonnetten en Balladen. De Rouwviolen zijn het voornaamste deel van dezen bundel, zij vormen éen geheel en zijn variëerende melodieën op éen zelfde thema, de Sonnetten en Balladen zijn een toegift, buiten verband met de Rouwviolen en zonder onderling verband.

Laten we nu beginnen met de Rouwviolen. Men kan dat echter niet doen zonder aarzeling. Het is werkelijk in ’t geheel niet te verwonderen, dat er in de pers zoo getalmd is met het leveren eener ernstige bespreking van deze gedichten. Men staat hier voor een vraagstuk, dat eene bijna boven-menschelijke kieschheid in de behandeling vereischt en een keizer in takt zou die letterkundige sultan mogen heeten, die, zonder in ’t minst den goeden smaak of den goeden toon te kwetsen, den sluijer van de door deze gedichten heen schemerende vrouwenfiguur zou weten af te lichten… Het is moeilijk gracieus te blijven en toch aan een ongehuwde dame te vragen: juffrouw, is u vier-en-dertig of acht-en-dertig jaar? Men doet dit ook niet-in een salon, maar een officiëerende ambtenaar van den burgerlijken-stand is wel eens verplicht zulke vragen te doen, en zóo is het ook gesteld met den ambtenaar van dien alles-behalve burgerlijken, van dien veel eer vorstelijken stand, dien men kunst-kritikus noemt. Die heeft slechts nauwkeurig te onderzoeken en naar waarheid mede te deelen, zonder er op te letten of de wrevelblos der bezeerde klein-menschelijke ijdelheid ook voor een oogenblik het aantal rimpels vermindert dat de kritikus konstateert als door een lange jeugd van heeten angstigen hartstocht in het gelaat van den kunstenaar gesneden.

De vrouw, die spreekt en zingt in de Rouwviolen, is in dien levenstijd, dien men de tweede-jeugd der vrouw zou kunnen noemen. Dit merkt men hieraan, dat de Geliefde, de in bevende passie aanbeden Mannenfiguur, dien men in de vroegere gedichten der kunstenares ontmoet, door al de verheerlijkende vervormingen heen, waarin haar Fantazie hem in de op-een-volgende tijden heeft gezien, thans geworden is: een ‘kind’:

 Maar gij waart nog een knaap en ik was al een vrouw,

 O, kindje, mijn kindje, wat waren wij dom!

enz. Dit is het liefde-gevoel, dat de passiën-cyclus van de eerste levenshelft der vrouwen die aan hoogere liefde doen, pleegt te besluiten, het liefde-gevoel hunner tweede-jeugd, bevattend eene vereeniging van de minnaressen- en van de moederliefde, die zij in zich hebben. Is zoo eene vrouw daarbij een hoog-begaafde dichteres, dan zal dat gevoel zich uiten in gedichten, als die welke hier besproken worden.”

 

deyssel2

Lodewijk van Deyssel  (22 september 1864 – 26 januari 1952)

 

 

De Britse schrijfster Fay Weldon werd geboren op 22 september 1931 in Alvechurch, Engeland. 

 

Uit: Jane Austen And the Pride Of Purists

“But he has nothing to recommend him but himself,” says Lady Russell, tart and astonished, in the seductively pleasurable film of Jane Austen’s novel “Persuasion,” which opened late last month in New York. Thus Lady Russell (Susan Fleetwood) seeks to dismiss gallant Captain Wentworth (Ciaran Hinds) from the affections of lovelorn Anne Elliot (Amanda Root). What, no money, no title, no connections — just himself? While the audience sighs in rapture at the old-fashioned prospect of love triumphing over likelihood.

Likewise, of course, Jane Austen has little on the surface to recommend her. A spinster lady from the English shires, a vicar’s daughter who never left home if she could help it, dead since 1817 — no money, no title, no connections — what can she have to offer? Just herself and six novels, which in the 1990’s have suddenly become the feverish obsession of film makers. These days we mine the past for plot and characters, in much the same way as we drill ancient rock for oil. And why not? There’s good stuff to be found down there, and good profit if we strike lucky.

“Sense and Sensibility,” with Emma Thompson and Hugh Grant, follows “Persuasion” to the United States in December; the Arts & Entertainment Network will show the BBC’s new “Pride and Prejudice” in January (thus replacing my own 1985 version, I remark, as graciously as I can); “Emma,” with Gwyneth Paltrow and Jeremy Northam, is in production, and “Clueless,” the Alicia Silverstone comedy, shamelessly based on “Emma,” opened in July. Austen fever, indeed.

All, of course, have a guaranteed audience in a world increasingly bored by “Pulp Fiction,” “True Lies” and special effects, an audience that would rather just sit quietly and look at something nice that is not going to explode and shatter the nerves. Something that you can take the kids to, and hope to educate them just a bit. A little dose of English heritage as an antidote to CNN. See, child, the world isn’t all Bosnia, O. J. and Bruce Willis. It’s love as well, not to mention personal responsibility, long-term goals and delicacy of response, that kind of stuff. Didn’t you just love “Little Women”? At least in those days everyone had manners. What’s wrong with Laura Ashley if the alternative is CK ads? And Levi Strauss? Let’s just look, and learn, and trust and love impossibly. Please. The past is preferable to now.”

Weldon

Fay Weldon (Alvechurch, 22 september 1931)

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 22 september 2006 en ook mijn blog van 22 september 2007 en mijn blog van 22 september 2008.

 

 

De Britse schrijfster Rosamunde Pilcher werd op 22 september 1924 geboren in Lelant, Cornwall, Groot-Brittannië. Haar eerste verhaal werd gepubliceerd in het blad ‘Women and Home’ toen ze achttien was. Na haar schooltijd leerde ze stenografie en typen bij het chique Londense ‘Secretarial College’. Tijdens WO II werkte ze eerst als secretaresse op het Engelse departement van Buitenlandse zaken en later meldde zij zich dan vrijwilligster aan bij de koninklijke marine om te dienen bij The Womans Royal Naval Service. Na een volledige militaire opleiding in Portsmouth, waar haar ook geleerd wordt hoe ze met wapens om moet gaan, wordt ze in Sri Lanka (nu: Sri Lanka) gestationeerd bij de West-India Fleet.

Kort na de oorlog ontmoette ze de Schotse officier Graham Pilcher. Ze trouwden in december 1946 en verhuisden naar Schotland. Ook tijdens de opvoeding van haar kinderen is Rosamunde Pilcher blijven schrijven, zowel verhalen voor tijdschriften als dertien romans en zelfs enkele toneelstukken. Rosamunde Pilcher brak door met het boek De schelpenzoekers, dat inmiddels over de gehele wereld is vertaald en miljoenen lezers bereikte. Rosamunde Pilcher is vandaag vijfentachtig jaar geworden.

 

Uit: Elfrida

 

“Before Elfrida Phipps left London for good and moved to the country, she made a trip to the Battersea Dogs’ Home, and returned with a canine companion. It took a good-and heart-rending-half-hour of searching, but as soon as she saw him, sitting very close to the bars of his kennel and gazing up at her with dark and melting eyes, she knew that he was the one. She did not want a large animal, nor did she relish the idea of a yapping lap-dog. This one was exactly the right size. Dog size.

He had a lot of soft hair, some of which fell over his eyes, ears that could prick or droop, and a triumphant plume of a tail. His colouring was irregularly patched brown and white. The brown bits were the exact shade of milky cocoa. When asked his ancestry, the kennel maid said she thought there was Border collie there, and a bit of bearded collie, as well as a few other unidentified breeds. Elfrida didn’t care. She liked the expression on his gentle face. She left a donation for the Battersea Dogs’ Home, and her new companion travelled away with her, sitting in the passenger seat of her old car and gazing from the window in a satisfied fashion, as though this were the life to which he was happy to become accustomed.

The next day, she took him to the local Poodle Parlour for a cut, shampoo, and blow-dry. He returned to her fluffy and fresh and smelling sweetly of lemonade. His response to all this sybaritic attention was a show of faithful, grateful, and loving devotion. He was a shy, even a timid, dog, but brave as well. If the doorbell rang, or he thought he spied an intruder, he barked his head off for amoment and then retreated to his basket, or to Elfrida’s lap. It took some time to decide on a name for him, but in the end she christened him Horace.”

Pilcher

Rosamunde Pilcher (Lelant, 22 september 1924)

 

De Hongaarse dichter en schrijver György Faludy werd geboren op 22 september 1910 in Boedapest. Bekend werd hij in de jaren dertig door zijn veraling van de balladen van Francois Villon. In 1938 trok hij naar Parijs, maar na de bezetting van Frankrijk door de Duitsers kwam hij in de VS terecht. In 1946 keerde hij terug naar Hongarije en begon hij te werken voor de krant Népszava (De Stem van het Volk), een krant van de sociaal-democraten. In 1950 werd hij gearresteerd voor dissidente activiteiten. Na de neergeslagen opstand van 1956 vluchtte hij naar Londen. Daar schreef hij zijn bekendste werk Mijn gelukkige dagen in de hel. Vanaf 1967 doceerde hij aan de universiteit van Toronto, terwijl hij daarnaast bleef schrijven. In 1994 ontving hij de meest prestigieuze Hongaarse prijs, de Kossuth prijs, voor zijn werk.

 

Learn by Heart This Poem of Mine

Learn by heart this poem of mine;
books only last a little time
and this one will be borrowed, scarred,
burned by Hungarian border guards,
lost by the library, broken-backed,
its paper dried up, crisped and cracked,
worm-eaten, crumbling into dust,
or slowly brown and self-combust
when climbing Fahrenheit has got
to 451, for that’s how hot
your town will be when it burns down.
Learn by heart this poem of mine.

Learn by heart this poem of mine.
Soon books will vanish and you’ll find
there won’t be any poets or verse
or gas for car or bus – or hearse –
no beer to cheer you till you’re crocked,
the liquor stores torn down or locked,
cash only fit to throw away,
as you come closer to that day
when TV steadily transmits
death-rays instead of movie hits
and not a soul to lend a hand
and everything is at an end
but what you hold within your mind,
so find a space there for these lines
and learn by heart this poem of mine.

Learn by heart this poem of mine;
recite it when the putrid tides
that stink of lye break from their beds,
when industry’s rank vomit spreads
and covers every patch of ground,
when they’ve killed every lake and pond,
Destruction humped upon its crutch,
black rotting leaves on every branch;
when gargling plague chokes Springtime’s throat
and twilight’s breeze is poison, put
your rubber gasmask on and line
by line declaim this poem of mine.

Learn by heart this poem of mine
so, dead, I still will share the time
when you cannot endure a house
deprived of water, light, or gas,
and, stumbling out to find a cave,
roots, berries, nuts to stay alive,
get you a cudgel, find a well,
a bit of land, and, if it’s held,
kill the owner, eat the corpse.
I’ll trudge beside your faltering steps
between the ruins’ broken stones,
whispering “You are dead; you’re done!
Where would you go? That soul you own
froze solid when you left your town.”
Learn by heart this poem of mine.

Maybe above you, on the earth,
there’s nothing left and you, beneath,
deep in your bunker, ask how soon
before the poisoned air leaks down
through layers of lead and concrete. Can
there have been any point to Man
if this is how the thing must end?
What words of comfort can I send?
Shall I admit you’ve filled my mind
for countless years, through the blind
oppressive dark, the bitter light,
and, though long dead and gone, my hurt
and ancient eyes observe you still?
What else is there for me to tell
to you, who, facing time’s design,
will find no use for life or time?
You must forget this poem of mine.

Faludy

György Faludy (22 september 1910 – 1 september 2006)

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 22 september 2008.

 
De Duitse dichter en schrijver Hans Leip werd geboren op 22 september 1893 in Hamburg.