Cri Stellweg, Yōko Tawada, Gary Whitehead, Mitch Cullin, Steven Saylor, Roger Martin du Gard, Madison Cawein, Nils-Aslak Valkeapää, Federica de Cesco

De Nederlandse schrijfster en columniste Margaretha Hendrika (Cri) Stellweg (alias Saartje Burgerhart) werd geboren in Nijmegen op 23 maart 1922. Zie ook alle tags voor Cri Stellweg op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2006.

Uit: Geef mij maar een klaproosje…

“Ik gaf me er juist rekenschap van, dat geen Provençaalse cigale mijn schoorsteenmantel zou sieren deze winter, toen m’n hoofd onzacht in aanraking kwam met de voorruit. „Zeg, ben je nou helemaal …,” begon ik, mijn gekwetste hoofd betastend. „Stil,” fluisterde mijn man dringend, „kijk es! Kijk toch es!!” „Waar?” vroeg ik, nog scheel van de klap. „Daar.” Ik keek en ja, ik zag het …. Allemaal beesten op de weg. Hopen beesten! Hele horden! Hebberig scharrelde hij de auto al uit. lk volgde, een opkomende buil betastend. Toen ik op de weg stond, kon ik de zaak pas goed overzien: het krioelde er van vreemde, grote insecten, een soort sprinkhanen en toch géén sprinkhanen. Wel 7 tot 10 cm lang en in verschillende tinten gekleurd. Met acht reusachtige gebogen poten, lange voelsprieten en puntige venijnige koppen. Ze zaten in de planten aan weerszijden van de weg, ze kropen over het asfalt en enkele ondernemenden begonnen de auto al te beklimmen. „Aaaach,” zei ik verbijsterd, „wat een boel! En wat zijn ’t?! Wil je er een vangen? Ik vind het wel erge griezels, vies ook … !”
„’k Weet niet wat het zijn,” zei hij, „geef me gauw een doosje.” Voorzichtig over de beesten heenstappend, liep ik naar de auto terug. Toen ik er achter om heen kwam, zag ik iets, waarvan de haren me overeind gingen staan. Wij hadden met onze wielen verscheidene exemplaren ver-morzeld of geraakt, de overlevenden kropen nu belust op deze lijken en invaliden rond, knaagden eraan en vraten ze op … ! Het malen en knarsen van hun kaken was duidelijk hoorbaar in de zware, hete stilte van de verlaten weg. Met wijd opengesperde ogen en de rillingen over m’n kruin stond ik er doodstil naar te kijken, tot ik iets scherps op m’n voeten voelde. lk keek: er kroop er een over mijn blote tenen in de open schoen …. Ik gaf een gil en rende naar de auto. „Erin!” dacht ik, „weg van dit gespuis!” „Wat is er?” riep de jager uit het kreupelhout waar zich blijkbaar de mooiste exemplaren ophielden. „En waar blijft die doos?” „Kom jij je doos zelf maar halen,” riep ik opgewonden, „ik zet . geen stap meer hier. Die beesten vreten elkaar op en ze willen aan mijn tenen beginnen.” „Doe niet zo overspannen!”, riep hij boos, „kom op met dat doosje!” „Geen sprake van. Ik ben voor m’n plezier uit. Straks klimmen ze nog in m’n boothals,” gaf ik, even boos, terug. Getergd kwam hij aangestapt, dwars door en over de regimenten rondscharrelende beesten.”

 

 
Cri Stellweg (23 maart 1922 – 26 november 2006)
Hier met Adriaan van Dis in 2003 

Lees verder “Cri Stellweg, Yōko Tawada, Gary Whitehead, Mitch Cullin, Steven Saylor, Roger Martin du Gard, Madison Cawein, Nils-Aslak Valkeapää, Federica de Cesco”

Jonathan Ames

De Amerikaanse schrijver en acteur Jonathan Ames werd geboren op 23 maart 1964 in New York. Ames groeide op in Oakland, New Jersey en bezocht Indian Hills High School in Bergen County, New Jersey. Hij studeerde in 1987 af aan de Universiteit van Princeton en heeft een Master of Fine Arts-graad in fictie van de Columbia University. Op onregelmatige basis werkt hij zowel voor Columbia, The New School, en de Iowa Writers ‘Workshop. Tot Ames’s romans behoren “I Pass Like Night” (1989), “The Extra Man” (1998) en “Wake Up Sir!’ (2004), door The New York Times omschreven als “laugh-out loud funny”. In september 2008 publiceerde Ames “The Alcoholic”, zijn eerste uitstapje naar de grafische literatuur; een fragment is opgenomen in “The Best American Comics 2010”. In 2009 publiceerde hij een nieuwe collectie essays en fictie, getiteld “The Double Life Is Twice as Good”. De columns uit deNew York Press werden verzameld in vier non-fictieboeken, “What’s not to Love ?: The Adventures of a Mildly Perverted Young Writer” (2000), “My Less Than Secret Life” (2002), “I Love You More than You Know” (2006) en “The Double Life Is Twice As Good: Essays and Fiction” (2009). Ames was ook verantwoordelijk voor de “Most Phallic Building contest” die volgde op een artikel dat hij schreef voor Slate magazine waarin hij beweerde dat het Williamsburg Bank Building in Brooklyn, New York het meest fallische gebouw was dat hij ooit had gezien. Ames werd ook bekend als verteller na zijn 1999 single-man stage show, “Oedipussy,” en is blijven samenwerken met de verhalen vertellende organisatie “The Moth” uit New York. Hij is ook meerdere keren bij de Late Show van David Letterman geweest en speelde de hoofdrol in de 2001 IFC-film “The Girl Under the Waves”, een experiment op het gebied van improviserend acteren. Ames speelde ook in “The Great Buck Howard” met John Malkovich en geregisseerd door Sean McGinly, die in 2008 bij Sundance debuteerde. Verder creëerde Ames de HBO-serie “Bored to Death” met Jason Schwartzman als een ploeterende Brooklyn-romanschrijver genaamd Jonathan Ames, die bijklust als onbevoegde private detective. De verfilming van Ames’s roman “The Extra Man” werd in 2010 uitgebracht. Meer recent heeft Ames samengewerkt met Patrick Stewart en Seth MacFarlane voor de sitcom “Blunt Talk” (2015).

Uit: The Double Life Is Twice as Good

“The trouble happened because I was bored. At the time, I was twenty-eight days sober. I was spending my nights playing Internet backgammon. I should have been going to AA meetings, but I wasn’t.
I had been going to AA meetings for twenty years, ever since college. I like AA meetings. My problem is that I’m a periodic alcoholic, even with going to AA. Every few years, I try drinking again. Or, rather, drinking tries me. It tries me on for size and finds out I don’t fit and throws me to the ground. And so I go crawling back to AA. Or at least I should. This last go-round, I was skipping meetings and just staying home and, like I said, playing Internet backgammon.
I was also reading a lot of crime fiction and private detective fiction, writers like Hammett, Goodis, Chandler, Thompson. The usual suspects, as it were. Since my own life was so dull, I needed the charge that came from their books — the danger, the violence, the despair.
So that’s all I was doing — reading and playing backgammon. I can afford such a lifestyle because I’m a writer. I’m not a hugely successful writer, but I’m my own boss. I’ve written six books — three novels and three essay collections — and at the time of the trouble I had roughly six thousand dollars in the bank, which is a lot for me. I also had a few checks for movie work coming in down the road.
By my economic standards it was a flush time. I had even paid my taxes early, at the end of March — it was now mid-April — and I was just trying to stay sober and keep a low profile in my own little life. I wasn’t doing any writing, because, well, I didn’t have anything to say.
Overall, I was being pretty reclusive. I only talked to a few people, primarily my parents, who are retired and live in Florida and who call me every day. They’re a bit needy, my senior citizen parents, but I don’t mind, life is short, so if I can give them a little solace with a daily call, what the hell. My father is eighty-two and my mother is seventy-five. I have to love them now as best I can. And the only other two people I really spoke to were the two close friends I have, one who lives here in New York and the other who’s in Los Angeles. I have a lot of acquaintances, but I’ve never had a lot of friends.
One night a week, I did leave the apartment to go see this girl. It was nice. I guess you could say that she was a friend, too, but I’ve never really thought of the women in my life as friends, which must be a flaw. Her name was Marie and we would have dinner, maybe go to a movie, and then we’d get into bed at her place, never my place, and the sex with her was good. But it wasn’t anything serious. She was twenty-six and I’m forty-two, and I retired from being serious with women a few years ago. Somebody always got hurt, usually the girl, and I couldn’t take it anymore.”

 
Jonathan Ames (New York, 23 maart 1964)