Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Jian Ghomeshi, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

IJskristallen

Zo koud werd het in huis,
zo koud als de winter
dat we vastvroren
aan elkaar.

Elke poging tot een gebaar
ging verloren in
splinters ijs op de huid.
Elk geluid werd flinterdun.

Toen de dooi inviel
smolt ook de glasheldere pijn
die ons zo omzichtig had aangeraakt.

O, dat ijskoud liefhebben
dat mijn samenzijn met jou
mogelijk maakt, onmogelijk maakt.

 

Ingevroren, bewaard (1)

Langs de slootrand gleed ik
naar beneden, gehurkt
op het ijs.
Alles was heel wit.

Ik wiste de sneeuw van het water
tot ergens zichtbaar
de diepte werd.

Daar zat een kikker heel stil
onder mijn voet, hij staarde
naar belletjes in het loden licht.

Koud streelde mijn kleine hand
het harde oppervlak.
Wij keken een andere kant op,
ik tegemoet.

 

Ingevroren, bewaard (2)

Zo had ik kort daarvoor gelegen
in het ziekenhuis,
een beetje schuin
bij een wand van glas.

Daarachter mochten mensen
bewegen: ik in mijn eigen verband
gewikkeld
peilde nog niet de afstand.

Die bleek heel klein,
ook toen de ruit weg was
lieten ze mij niet vallen.

Alleen op het ijs was ik alleen
met mijn dodehand.

 


Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

De Amerikaanse schrijver Paul Beatty werd geboren op 9 juni 1962 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Paul Beatty op dit blog.

Uit: De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)

“Je hoort te huilen als je vader sterft. Het systeem te vervloeken omdat je vader dood is door toedoen van de politie. Je beklagen dat je tot de lagere middenklasse behoort en kleurling bent in een politiestaat die alleen rijke blanken en filmsterren van elk ras beschermt, al kan ik me even geen enkele Aziatisch-Amerikaanse ster voor de geest halen. Maar ik huilde niet. Ik dacht dat zijn dood een truc was. Een van zijn ingewikkelde plannetjes om me iets te leren over de positie van het zwarte ras en me te stimuleren iets van mezelf te maken, ergens verwachtte ik dat hij zou opstaan, het stof van zijn pak zou kloppen en zeggen: ‘Kijk nigger, als dit de slimste zwarte ter wereld kunt overkomen, stel je dan eens voor wat jij aan jouw stomme reet kan krijgen. Dat racisme dood is betekent niet dat ze niet nog steeds niggers zonder aanleiding neerschieten.’
Nou, wat mij betreft zal dat hele zwart-zijn me aan mijn reet roesten. Tot op heden heb ik, als het volkstellingsformulier weer eens in de bus valt, bij de vraag over ‘RAS’ altijd het vakje ‘anders’ aangevinkt en trots ‘Californiër’ ingevuld. Natuurlijk kwam er dan twee maanden later een volksteller aan de deur, die één keer naar me keek en zei: ‘Vuile nigger. Wat heb jij als zwarte tot je verdediging aan te voeren?’ En als zwarte heb ik nooit iets tot mijn verdediging aan te voeren. Vandaar de noodzaak van een motto dat ik, als we het hadden gehad, met geheven vuist zou uitschreeuwen om vervolgens de deur voor de neus van de overheid dicht te smijten. Maar we hebben er geen. Dus mompel ik ‘sorry’ en krabbel mijn initialen naast het vakje met ‘Zwart, Afro-Amerikaan, neger, lafaard’.
Nee, dat beetje inspiratie dat ik in het leven bezit, komt niet voort uit een gevoel van raciale trots. Het is afkomstig uit hetzelfde eeuwenoude verlangen dat grote presidenten en grote pretendenten heeft voortgebracht, en geboren captains of industry en captains van footballteams; het oedipale verlangen dat een man aanzet tot allerlei shit die we liever niet zouden doen, zoals een oefenwedstrijd basketbal spelen of met het buurjongetje op de vuist gaan, want in mijn familie beginnen we nooit, maar reken maar dat we het afmaken. Ik heb het alleen maar over die elementairste aller basisbehoeften, die van het kind om de vader te behagen.”

 

 
Paul Beatty (Los Angeles, 9 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Het is de hoogste tijd. Ik moet zo snel mogelijk naar huis. Een knal voor mijn ogen kan ik krijgen. De vuist raakt mijn voorhoofd. Ik voel het vel boven mijn wenkbrauw scheuren, mijn huid barst open. Druppels bloed lopen in mijn ogen. Het prikt. Naar huis, dat is een droom. Mijn fiets is onbereikbaar, nog geen tien nieter van me vandaan. De man heeft zijn hand op mijn borst gelegd. Mijn lichaam zit klem tussen de hand op mijn borst en de lantarenpaal in mijn rug. Die ene hand is genoeg mij volledig te bedwingen, om mij volledig de baas te zijn. Een pink zou genoeg zijn. Geruisloos vallen de vuisten in mijn gezicht. De fietssleutels in mijn broekzak steken tegen mijn bovenbeen. Dat voel ik heel duidelijk, de rest is onwerkelijk. Het is alsof ik geen lichaam meer heb. Een klap op mijn hoofd. Mijn lip barst open. Het bloed stroomt mijn mond in, de rest stroomt naar buiten en druipt langs mijn kin. Ik probeer om me heen te kijken. Mijn ogen doen pijn. Ze zitten dichtgeplakt, dikke korsten van bloed houden mijn ogen bijna gesloten… De man is niet meer alleen, het zijn er nu twee of drie. Ik probeer hun gezichten te zien, maar gezichten hebben ze niet. Handen, vuisten. Een tand haalt de binnenkant van mijn wang open. De achterkant van mijn hoofd dreunt tegen de lantarenpaal elke keer als ik geslagen word. Ik tel de slagen in mijn gezicht. De knallen voor mijn kop. Het gebonk van vuisten op mijn ogen, mijn kin, mijn wangen. Het zoute zweet prikt in de open wonden. Mijn neus gloeit. Bij de vijfde klap zak ik door mijn benen en val op de grond. Mijn hoofd hangt langs mijn romp. Ik weet mijn handen voor mijn gezicht te krijgen. Dekking hoog houden Maarten! Ik merk dat ik op de grond lig, de keien steken in mijn vlees. Mijn gezicht is bloedheet. De hitte brandt alles weg. Verschillende handen trekken me weer omhoog, opnieuw tegen de lantarenpaal. Terechtgesteld. Ik word terechtgesteld! Mensen schreeuwen. Iedereen lacht en praat door elkaar, ik kan niemand meer verstaan. Niets. Iemand schreeuwt. Het is een kreet, ik kan geen woorden ontdekken. ’Kijk me godverdomme aan als ik tegen je praat! ’ Het is de man. Dit kan niet meer, het moet ophouden. Er zit een grote rode vlek op mijn overhemd. Het is bloed. Ze slaan me dood! Een klap in mijn maag. Ik ijl door alles heen. Ogen opendoen. Helder blijven. Het is niets anders dan een stomme poging om de man die voor me staat aan te kijken. Een verblindend licht stroomt mijn kop binnen, Het suist in mijn oren. De stemmen. Ze houden niet op.”

 


Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)

 

De Nederlands schrijver en jurist Antonius Martinus Henricus (Anton) Roothaert werd geboren in Tilburg op 9 juni 1896. Zoe ook alle tags voor Anton Roothaert op dit blog.

Uit: Doctor Vlimmen

“Treeborg geraakt in de war. Hij is er maar half met zijn hoofd bij, wachtte slechts op een opening om zichzelf te gaan huldigen en nu is de ander zo onbeleefd om de aandacht af te leiden… Waarom bemoeit hij zich ook met dien veebonk?….
De veebonk ziet, dat de feut de mop niet schijnt te snappen, is onmiddellijk overtuigd, dat het wel weer aan zijn eigen onhandigheid zal liggen, laat zijn mislukte komieken-ernst los en lacht nu dwaas maar verduidelijkend.
‘O, je bedoelt het circus?’ vraagt Treeborg intelligent, grijnst noodgedwongen mee en ergert zich. Maar de bomen gaan op en Vlimmen trapt zenuwachtig op de starter. Dan, met het gevoel of iemand anders het doet, steekt hij de hand op, zegt; ‘Nou, beterschap ermee!’, schrikt er zelf van en rijdt met een warm hoofd door.
Treeborg wuift even. ‘Adieu!’ Hij verwenst den veebonk van harte en spreekt met zichzelf af, dat het de laatste keer is geweest. Toch vindt hij het eigenlijk zeer ongepast, dat iemand als Vlimmen aan hèm het land durft te hebben, of liever: niet wat meer tegen hem opziet en begint terstond weer een ander verhaal te verzinnen ter ere van hemzelf.
Onderweg begroot Vlimmen de aangerichte schade… Het is zoals gewoonlijk weer van zelf misgelopen, zonder dat hij het eigenlijk wilde. Ondanks alles heeft hij toch een beetje ondeugend plezier, nu hij na jarenlange verwaarlozing niet dadelijk een pootje heeft gegeven… Toch is het stom! Die kletsmeier gaat zich nu wreken door nog wat intenser te roddelen en de kwast is overal haantje de voorste, heeft een brede kring van invloedrijke kennissen…
Hij herinnert zich het voorlaatste treffen met Treeborg, al jaren geleden… Een rechtstreeks treffen was het niet; ze troffen elkaar langs Janus Oerlemans van de Groenen Hoek.”

 


Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Lichter als der Tag

“Aus der Zeit, als er noch ein Junge gewesen war, kannte er ein Licht, das fand er später für sehr lange Zeit nur in der Bahnsteighalle seiner Stadt wieder, und auch nur an bestimmten Tagen. Er dachte oft darüber nach, woran es lag, dass etwa ein Tag Ende April dieses Leuchten hatte, aber einer Anfang Mai nicht. Doch er wartete auch einfach gern, und wenn er in der Mittags-pause mit der U-Bahn vom Hafen zum Hauptbahnhof fuhr, dann war er umso froher, wenn das Licht über-raschend da war. Einmal hatte er als Gymnasiast ein ähnliches Leuchten auf einem alten Gemälde gesehen, vor dem in einer Aus-stellung über Landschaftsmalerei seine Kunstlehrerin stehen geblieben war, um der Klasse etwas über den Impressionismus und seine Vorläufer zu erzählen. Das Bild, nicht sehr groß und eher unscheinbar, stammte von Camille Corot, spätsommerliche Bäume stellte es dar, Pappeln, Robinien, in der Ferne eine Hügelkette und im Vordergrund den Rand eines Feldes, an dem ein Land-arbeiter Getreide schnitt und eine Frau mit Kleid, Schürze und einer Haube auf dem Kopf dem Mann zusah. Wei-zenfeld im Morvan — was das bedeutete, wusste niemand, bis Moritz, sein bester Freund, ihnen erklärte, der Mor-van sei ein Landstrich im Burgund, ein mittelfranzösi-sches Granitmassiv. Auf Corots Gemälde schien alles in ein Licht getaucht, als würde man durch ein Fenster auf einen Sommertag blicken, der längst vergangen war und zugleich bis heute anhielt.
Der Himmel über der Stadt erschien Raimund Merz nie riesig oder gar endlos, selbst dann nicht, wenn er so hell-blau war wie das Kleid der Frau am Rand des Weizenfel-des auf dem Bild. Am Horizont, Richtung Hafen und Elbe, war allerdings des öfteren ein rosiger Schimmer zu sehen, und schon als Junge, wenn er mit den anderen Kin-dern über die Redder der Feldmark gelaufen war, hatte er sich an der Pracht des Hamburger Himmels gar nicht sattsehen können. Raimund Merz hatte nur wenig ver-misst, als er nach dem Abi und dem Zivildienst für ein paar verschenkte Semester nach England ging, angeblich um Biologie zu studieren; aber dieses Heimweh, eigent-lich ein Lichtweh, war nicht besser geworden, als er mit Mitte zwanzig zurückkam und für ein knappes Jahrzehnt nach Berlin zog, weil seine Frau es für ihren Werdegang und auch seinen vorteilhaft fand, wenn sie eine Zeit lang dort lebten, wo jeder lebte, der etwas aus sich und seinem Leben machen wollte. Merz hatte diesen um sich selbst kreisenden Ehrgeiz nicht. Floriane hatte ihn nach England begleitet. NVihrend er das Studium hinwarf und anfing, lustlos bei Zeitschriften zu jobben, studierte sie in Birmingham Zahnmedizin und auf Anraten ihrer Mutter dazu auch gleich Medizin. Von Anfang an sollte Flori Kieferchirurgin werden. Er blickte stattdessen in den Himmel und die Wollten an.“

 


Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)
Cover

 

De Italiaanse schrijver van Duitse afkomst Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert) werd geboren in Prato Toscane, 9 juni 1898. Zie ook alle tags voor Curzio Malaparte op dit blog.

Uit: Kaputt (Vertaald door Hellmut Ludwig)

„Die Birkenruten hinterließen auf diesem schwammigen Fleisch ihre weißen Spuren, die sodann rot wurden und verschwanden. Ein beweglicher Wald von Birkenlaub erschien und verschwand an Himmlers Haut. Die nackten Männer hoben und senkten die Geißeln mit wütender Heftigkeit: Der Atem entfuhr mit kurzem Zischen ihren geschwellten Lippen. Himmler versuchte anfangs, sich abzuschirmen, indem er das Gesicht mit den Armen verdeckte und lachte; aber es war ein gezwungenes Lachen, das Wut und Angst verriet. Dann, als die Gerten ihm die Flanken peitschten, wand und krümmte er sich nach allen Seiten, schützte sich den Bauch mit den Ellbogen, stellte sich auf die Fußspitzen, zog den Hals zwischen die Schultern und lachte unter den Peitschenschlägen sein hysterisches Lachen, so als litte er mehr unter dem Kitzeln als unter den Streichen der Birkenreiser. Schließlich erspähte Himmler die offene Saunatür hinter uns und, die Arme vorstreckend, um sich Platz zu schaffen, bahnte er sich einen Weg, erreichte die Tür und, verfolgt von den nackten Männern, die nicht abließen, auf ihn einzupeitschen, entfloh er laufend zum Fluß hinüber und sprang ins Wasser.“

 


Curzio Malaparte (9 juni 1898 – 19 juli 1957)
Cover

 

De Canadese schrijver, muzikant en tv-en radiopresentatorpresentator Jian Ghomeshi werd geboren op 9 juni 1967 in Londen en groeide op in Thornhill, Ontario. Zie ook alle tags voor Jian Ghomeshi op dit blog.

Uit: 1982

“Mitch Toker carried a knife & had a reputation for being ‘wild’.  I had secretly hoped that Mitch would hook up with my older sister, Jila, when I was in Grade 7.  That way, he would have to like me so my sister wouldn’t break up with him.  I tried to get them together on at least 3 occasions.  But one day, when Jila came to meet me at Toke’s house on our way to the mall, Mitch made the wrong move.  Seems that as Jila was waiting outside, Mitch called down to her while hanging out of one of the upper windows with no clothing on.  Jila did not witness his whole naked body, but she could certainly see his bare chest…She [later] explained that she had not been impressed with Mitch’s insistence upon ‘dangling from the window & displaying his naked torso’… Things didn’t look too positive after that for a Mitch & Jila romance.”
(…)

“Experiencing a loss can make you forget about putting on airs. Maybe that’s what happened after I lost my Adidas bag. [Forbes threw it at Joan Jett during her set with The Blackhearts at the 1982 Police Picnic concert at the CNE.] Or maybe it was a genetic predisposition to react calmly to catastrophe. My father had a knack for bringing calm to a storm. He could react with impressive composure when truly horrible things went down…My father could be calm when we needed him to be. Maybe that had rubbed off on me.”

 

 
Jian Ghomeshi (Londen, 9 juni 1967)

 

De Amerikaanse schrijver Charles Webb werd geboren op 9 juni 1939 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Charles Webb op dit blog.

Uit: The Graduate

“Ben?” Mr. Robinson said, holding out his hand. “I’ve got a client waiting for me over in Los Angeles.” Benjamin nodded and shook his hand. “Real proud of you boy,” Mr. Robinson said. Benjamin waited till he had gone out the door, then turned around and walked upstairs and into his room. He closed the door behind him and sat down at his desk. For a long time he sat looking down at the rug, then he got up and walked to the window. He was staring out at a light over the street when the door opened and Mrs. Robinson stepped inside, carrying a drink and her purse. “Oh,” she said. “I guess this isn’t the bathroom is it.” “It’s down the hall,” Benjamin said. She nodded but instead of leaving the room stood in the doorway looking at him “It’s right at the end of the hall,” Benjamin said. Mrs. Robinson was wearing a shiny green dress cut very low across her chest, and over one of her breasts was a large gold pin. “Don’t I get to kiss the graduate?” she said. “What?” She smiled at him. “Mrs. Robinson,” Benjamin said, shaking his head. “I’m kind of distraught at the moment. Now I’m sorry to be rude but I have some things on my mind.” She walked across the room to where he was standing and kissed one of his cheeks. “It’s good to see you,” Benjamin said. “The bathroom’s at the end of the hall.” Mrs. Robinson stood looking at him a moment longer, then turned around and walked to his bed. She seated herself on the edge of it and sipped at her drink. “How are you,” she said. “Look,” Benjamin said. “I’m sorry not to be more congenial but I’m trying to think.” Mrs. Robinson had set her glass down on the rug. She reached into her purse for a package of cigarettes and held it out to Benjamin. “No.” She took one for herself. “Is there an ash tray in here?” “No.” “Oh,” she said, “I forgot. The track star doesn’t smoke.” She blew out her match and set it down on the bedspread. Benjamin walked to his desk for a wastebasket and carried it to the bed. He picked up the match and dropped it in.”

 


Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939)
Luke Guldan als Benjamin en Judith Lightfoot Clarke als Mrs. Robinson in een uitvoering van The Graduate inIvoryton, Essex, Connecticut, 2012

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Rudolf Borchardt werd geboren op 9 juni 1877 in Königsberg. Zie ook alle tags voor Rudolf Borchert op dit blog.

 

Die September Sonette

I
Vom Tage nährt sich schon die Nacht verstohlen;
Schlaflose Stürme laufen in den Gärten
Und holen mich auf ihre blassen Fährten.
Ich binde mir die Flügel an die Sohlen
Und bin hinaus — (doch träum ich wohl). Mich holen
In ihre Reigen andere Gefährten —
Wo sah ich sie, die sich gleich Sternen mehrten
An heißen Abenden? — Ein Atemholen

Und alles hin, wie Duft. Ich bin ganz wach
Und weiß, ich geh, und sag: „Noch heute nur!”
Von Stunden ein verfließendes Gesind
Schwebt tönend fort durch Kammer, Tor und Flur.
Ich spüre vom erhobenen Gemach
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind.

II
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind
Verführen mich, an deinen Mund zu denken,
Und daß die Pferde, mich hinweg zu lenken,
Schon vor den Wagen angebunden sind;

Daß alles uns verließ, wie Wasser rinnt,
Daß von dem Lieblichsten, was wir uns schenken,
Nichts bleiben kann und weniges gedenken:
Blick, Lächeln, Hand und Wort und Angebind;

Und daß ich so einsam bekümmert liege,
Und dir so fern, wie du mir fern geblieben —
Die Silberdünste, die den Mond umflügeln,
Sind ihm so ferne nicht, als ich dir fliege,
So ferne Morgenrot nicht Morgenhügeln,
Als diese Lippen deinen, die sie lieben.

 


Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945)
In 1935

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Willy Roggeman, Jurij Brězan, José Antonio Ramos Sucre, Akaki Zereteli, John Gillespie Magee jr., Bertha von Suttner

De Vlaamse dichter en schrijver Willy Roggeman werd geboren in Ninove op 9 juni 1934. Zie ook alle tags voor Willy Roggeman op dit blog.

 

Bewegingen / Sätze

Karstpegels aan het hart, rekt de tijd
seizoenen voorbij hun hoopfiguur.
Hoe zoekt de kanskubus zijn vrijheid?
Roestvlek op het oog, beet van herfstzuur.

Zwaarte der breeknoot, haar bolster sluit
de denkkwab. Echo in de droomkeel
verschuift in het tijdglas elk geluid
van zandgruis. Weg naar het tegendeel.

Doorzichtig wordt de kramp der glasklok,
het lichaam strekt zich, heesterbedding
van pijn langs, stilte in de treurvlok
liedsneeuw. Op twijfel sluit de tongring.

 

 
Willy Roggeman (Ninove, 9 juni 1934)
Cover

 

De Sorbische schrijver Jurij Brězan werd geboren in Räckelwitz op 9 juni 1916. Zie ook alle tags voor Jurij Brězan op dit blog.

Uit: Der alte Mann und das enge Weite

„Manchmal wenn die ersten Nebel aus dem Wald kriechen, fällt wohl ein ganzes Regiment Stare mit grellem Gelärm und nervösem Geflatter hier ein, manchmal auch eine Horde von zehn oder zwölf Jungraben, die sich im krächzenden Durcheinander offenbar gegenseitig die Landschaft erklären. Die beiden Alten mögen solche Gesellschaft nicht, sie meiden dann den Baum.
Jetzt haben sie genug geredet, über das Wetter vielleicht oder wo und wie sie den Rest des Tages verbringen könnten, gemeinsam wie immer, seit sie sich kennen, zwanzig oder sechsunddreißig Jahre, sie fliegen ab.
Der Mann sieht ihnen nach, nimmt den Stock wieder in die rechte Hand, die Knie haben ihre Schmerzpause gehabt, jetzt schafft er den Anstieg ohne weiteren Aufenthalt. Er ist zufrieden, mit den Knien, dem ruhigen Atmen nach dem ungewohnten Ausflug, und überhaupt mit sich, dass er leichten Fußes den Hügel hinab zum Teich gegangen ist. Es war eine schöne kleine Freude zu erleben, wie die Schwanenfamilie sich auf sein Rufen hin am jenseitigen Ufer in Formation versammelte und – der Alte voran, die Küken in der Mitte und achtsam die Schwänin im Wortsinne als Nachhut – hergeschwommen kamen, obwohl er sie doch sehr selten noch besuchte: mit dem Auto unterwegs auf dem Teichdamm nur kurz anhaltend, und meistens hatte er das Brot vergessen. Heute hat er es ihnen ins Wasser gebröckelt, die Küken haben aufgeregt gefischt, der Alte einige größere Brocken geschnappt und die Schwänin das Ufer im Auge behalten – man kann nie wissen, ob sich der Fuchs nicht anschleicht. Sie ist dann auch als Erste abgedreht, die Küken sind ihr zögernd gefolgt und der Alte hat zum Mann am Ufer hin ein Dankeschön geknarrt. Nun auf dem Wege die kurze Steigung hinauf, die Augen vor sich auf dem unebenen Boden unter seinen Füßen, geht der Mann an der Eiche vorbei, streift mit einem Blick den knorrigen Fuß des nachbarlichen Riesen und denkt – oder murmelt vielleicht – »Alt möcht’ ich werden wie ein Baum …«, Verszeile eines Dichters, den er gekannt hat damals, als er gelegentlich mit der Frau noch wanderte, einen Tag lang, dreißig oder vierzig Kilometer, und war danach, mit einem Glas Wein unter dem Hausdach oder vor dem Kamin, stolz auf die Leistung seiner zierlichen Frau und einverstanden mit sich gewesen.“

 


Jurij Brězan (9 juni 1916 – 12 maart 2006)

 

De Venezolaanse dichter, schrijver en geleerde José Antonio Ramos Sucre werd geboren op 9 juni 1890 in Cumaná. Zie ook alle tags voor José Antonio Ramos Sucre op dit blog.

 

Life of the Damned (Fragment, vertaald door Cedar Sigo en Sara Bilandzija)

Curiosity misled me into an unfortunate marriage. I married a young woman whose body mirrored mine, save for one unique improvement. I treated her with scorn, loved her as I would a collapsible doll. I soon became bored with the childish, often bothersome creature & decided to just kill her in order to learn more.

I directed her towards an empty ditch in the yard of our home. I carried an iron block in my hand & used it to club her once above the ear. The girl fell upon her knees in the hole, shrieking weakly, such an idiot. I covered her with dirt & that night sat alone at the table toasting her absence.

That night and many others that followed a sudden brilliance illuminated my bedroom, banishing any thought of sleep. I began to lose my strength, became thin & pale. To distract myself I rode away on horseback towards the outskirts of the city through blank countryside. I would rest beneath the same ancient tree, the right sort of place to meet with your mistress. During these rests I could hear scattered & confused murmurs, incapable of true articulation. For days I stayed beneath the tree, my reason became blinded – a nervous breakdown. I awoke nailed to this round chair in the care of my loyal servant who defended me when I was young.

I pass the time in anxious silence, the bottom half of my body covered in a wide blanket. I wish to die & seek dark suggestions, next to me a candelabra (from the attic) is burning.

It is there that the spectre of my woman returns to visit. She walks toward me, vengeful hands in the air, my servant is cornered in fear. But I will not abandon this mansion until I succumb to the bitter ghost. I want to escape mankind even after death & have ordered this mansion destroyed the day after I die, in a tornado of fire together with my body.

 


José Antonio Ramos Sucre (9 juni 1890 – 13 juni 1930)

 

De Georgische dichter, schrijver en politicus Akaki Zereteli werd geboren op 9 juni 1840 in Schwitori. Zie ook alle tags voor Akaki Zereteli op dit blog.

 

Gamzrdeli (Fragment)

A tiny hut that seems to be
From far away a swallows nest
Stands high upon a mountain steep;
And nestles closely to its breast.

Though frosts may bite and sunbeams scorch,
And thunders roar or lightning flash,
The hut stands sheltered midst the clouds
Above the tempests’ rage and crash.

But when the moon sheds all her silver,
Or morning stains the skies in rose,
The hut looks down on fields and valleys
That lie below in sweet repose.

The little hut was made of twigs,
That hand and love has rudely tied;
Though simple was its modest guise,
With palaces of gold it vied.

Before the rustic little bower
A steep and winding pathway lay;
And only one who knows no fear
Would dare to tread that narrow way;

Or one who rides a sprightly horse,
A well-breathed one of mountain breed,
As hot as fire, as light as wind,

 

 
Akaki Zereteli (9 juni 1840 – 26 januari 1915)

 

De Brits-Amerikaanse dichter en piloot John Gillespie Magee jr. werd geboren op 9 juni 1922 in Shanghai. Zie ook alle tags voor John Gillespie Magee jr. op dit blog.

 

High Flight

Je me suis libéré des emprises de la terre, pour danser dans le ciel,
sur des ailes argentées d’un grand ris.
Je suis allé vers le soleil,
j’ai rejoint les cascades chaotiques de nuages tranchés de lumière.

Et là, j’ai vécu des moments dont vous n’avez jamais rêvé !
Voler, Planer, Balancer si haut dans le Silence solaire…

Suspendu, j’ai pourchassé le vent hurlant,
et lancé mon vaisseau au travers de fabuleuses cavernes,
pleines d’un air raffiné.

Haut, plus haut, au long d’un délire de Bleu brûlant,
j’ai survolé les sommets balayés de vent,
dans une sérénité que nul aigle,
nulles alouettes, n’ont jamais vécu.

Puis, alors que mon esprit silencieux s’élevait,
au travers du sanctuaire inviolé de l’Espace…

j’ai sorti une main…

et caressé le visage de Dieu.

 

 
John Gillespie Magee jr. (9 juni 1922 – 11 december 1941)

 

De Oostenrijkse schrijfster en pacifiste Bertha Sophie Felicitas Barones von Suttner werd geboren op 9 juni 1843 in Praag. Zie ook alle tags voor Bertha von Suttner op dit blog.

Uit: Memoiren

„Wenn ich vorhin sagte, von jenem Typus leben noch einzelne Exemplare, so habe ich mich wahrscheinlich geirrt. Es ist einfach unmöglich, daß heute noch in irgendeinem Kopfe die Welt sich so spiegelt, wie sie sich in den Köpfen derer spiegelte, die noch im achtzehnten Jahrhundert geboren wurden, die die erste Einführung der Eisenbahn erlebten, die das erste Photographieblatt in Händen hielten, die mit einigem Widerwillen die Oelbeleuchtung durch das Petroleum verdrängt sahen. Zu jenem altösterreichischem Typus (mit den altenglischen oder sonstigen altnationalen Typen geht es ebenso) gehört eine gewisse Beschränkung der Erfahrungen und des Wissens, welche heute auch in den konservativsten Kreisen nicht mehr bestehen kann.
Daß sich die Typen von Geschlechtsfolge zu Geschlechtsfolge ändern, daß die Anschauungen, Ansichten, Gefühle wechseln, das kann man am besten an sich selber beurteilen, wenn man in die Vergangenheit zurückblickt. Jeder Mensch, obwohl er zumeist den Wahn hegt, ein gleiches, fortgesetztes Ich mit bestimmten Charaktereigenschaften zu sein, ist ja selber eine Kette der verschiedensten Typen. Jede neue Erfahrung – ganz abgesehen von den körperlichen Veränderungen des Aufblühens und Abwelkens, des Gesund- oder Krankseins – modifiziert das geistige Wesen. Wieviel man sieht, ob als Landschaftsbild mit dem körperlichen Auge oder als Weltanschauung mit dem geistigen, ist nicht Sache des mehr oder minder kräftigen Sehvermögens, sondern besonders Sache des Horizonts.
Wenn ich in meine Kindheit und Jugend zurückblicke, so sehe ich mich nicht als Dieselbe, Geänderte, sondern sehe nebeneinander stehend die verschiedensten Mädchengestalten, jede mit einem anderen Horizont von Ideen und von anderen Hoffnungen, Interessen und Empfindungen erfüllt. Und wenn ich die Gestalten aus meinem reiferen Frauenalter oder gar meinem jetzigen danebenhalte, was habe ich (außer der bloßen Erinnerung, so blaß wie die Erinnerung an längst gesehene Gemälde oder längst gelesene Bücher) mit jenen Schemen gemein und was sie mit mir? Zerfließende Nebel, flatternde Schatten, verwehender Hauch: das ist das Leben …“

 


Bertha von Suttner (9 juni 1843 – 21 juni 1914)

Bart Moeyaert

De Belgische schrijver Bart Moeyaert werd geboren in Brugge op 9 juni 1964. Moeyaert groeide op als jongste van zeven zonen. Hij werd genoemd naar een personage uit het boek van Anne de Vries. Hij ging in het Sint-Leocollege in Brugge naar de lagere school, maar maakte er de middelbare school niet af. Hij volgde een opleiding aan de kunsthumaniora Sint-Lucasschool in Gent (1981), waar hij afstudeerde in 1983. Tot slot studeerde Moeyaert Nederlands, Duits en geschiedenis aan de lerarenopleiding Sint-Thomas in Brussel. Hij studeerde hier af in 1986 met een scriptie over Aidan Chambers, een schrijver die de stijl van Moeyaert in belangrijke mate beïnvloed heeft. Ondanks zijn leraarsdiploma begon Moeyaert in 1987 freelance te werken voor het tijdschrift Flair. Hij recenseerde er kinderboeken en vertaalde artikels. Voor het blad maakte hij ook uitgebreidere stukken. In november 1989 ging hij werken voor uitgeverij Averbode, eerst als corrector, later als redacteur voor de kindertijdschriften van de uitgeverij. Moeyaert debuteerde in 1983 met het autobiografische “Duet met valse noten” op 1 oktober 1983. “Duet met valse noten” werd een jaar later bekroond als beste boek van het jaar door de Kinder- en Jeugdjury. Het werd later vertaald in het Duits, Japans, Catalaans en Hongaars, en groeide uit tot een klassieker. Het werd ook bewerkt tot toneelstuk en er werd een musical van gemaakt. In 1986 verscheen de opvolger “Terug naar af”. In 1989 verscheen “De Nieuwe Pinokkio”, een vertaling uit het Duits van een boek door Christine Nöstlinger. Moeyaert verzorgde later nog meer vertalingen uit het Duits, Frans en Engels. In 1991 verscheen “Kus me”. Dit was het eerste boek van Moeyaert dat in een andere taal vertaald werd. (Duits) In 1995 verscheen Moeyaerts eerste prentenboek Afrika achter het hek, met illustraties van Anna Höglund. In 1999 experimenteerde Moeyaert met dichten in “Let’s stick together”, een boek met foto’s en acht gedichten over de liefde. In 2001 verscheen het gedicht “Klein” op de zijgevel van HETPALEIS aan de Meistraat in Antwerpen. In 2003 debuteerde hij met zijn eigen dichtbundel “Verzamel de liefde”. In 2006 werd hij stadsdichter van Antwerpen. Moeyaert schreef eveneens enkele toneelstukken en scenario’s en in 1990 zijn eerste musical (een bewerking van zijn boek “Duet met valse noten”)

Uit: Kus me

‘Dat was de eerste,’ zei Wijting.
Lena schrok op.
‘Hoorde je ‘m?’ zei Wijting, met zijn vinger bij zijn oor. ‘De eerste kikker van vanavond.’
Lena probeerde te glimlachen.
Daar aan de overkant, in de inham achter de bomen, waar je het groen op de bodem kon zien, lag de boot nu tussen de kikkers, wist ze. Elk jaar begin april dreef er kikkerdril op het stilstaande water, en nog geen veertien weken later kwaakte het hele meer. Er kwamen reigers op af.
En kinderen met rietjes. Met z’n allen naar de kikkerkreek, om er kikkers op te blazen.
‘Dat was de tweede, hoorde je ‘m?’
Lena knikte, alsof ze al die tijd op het gekwaak had gewacht.
Wijting keek verzaligd om zich heen. Hij vond alles prachtig. In zijn oren gaven zelfs mussen concerten. Hij liet het plankje waarmee hij in de gloeiende as had gepookt in het vuur liggen en zong: ‘Hoor, hoor, de kikkers kwaken, Kasper, is het dak gemaakt?’ Hij grinnikte. ‘Ze zeggen dat er regen komt, als de kikkers kwaken. Niemand denkt eraan dat ze misschien kwaken voor hun plezier. Omdat ze er zin in, hebben. Ik moet ze maar weer eens gaan kweken, al ben ik er te oud voor. Elk jaar kikkerdril scheppen met mijn emmer, net als vroeger. Vroeger kweekte ik kikkervisjes in potten.’ Lena glimlachte.
‘Dat weet ik, ik was er toch bij? Jij kweekte ze in jampotten. Of in de weckpotten van je tante. Ze maakte er later augurken in in. Heb ik altijd vies gevonden.’
‘Vies, dat moet jij nodig zeggen,’ zei Wijting. ‘Vroeg of laat waren jouw potten altijd te klein voor zoveel levend grut. Dan dreven er halve kikkerlijken in. Dan werd het water troebel tot het stonk.’
Lena antwoordde eerst met stilte. Ze plukte zaden van het klitkruid van haar t-shirt.
‘Je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Bij jou gingen ze nooit dood. Jij verzorgde ze.’
‘Ik keek hoe ze groeiden,’ zei Wijting, en het klonk alsof hij haar verbeterde. ‘Jij verzorgde ze een tijdje. Maar de Valse Blonde verzorgde ze helemaal niet, die deed er proeven mee. Vorig jaar nog, toen ze hier pas woonde. Uit verveling, zei ze zelf. Ze gooide een handvol kikkervisjes in wijnazijn en wachtte tot ze roze werden. Op het hete zinken dak van het tuinhok liet ze kikkers los en keek hoe ze sprongen. Hun buiken zagen knalrood van de hitte en ze hijgden als honden.’


Bart Moeyaert (Brugge, 9 juni 1964)