Nobelprijs voor Literatuur 2015 voor Svetlana Aleksijevitsj

Nobelprijs voor Literatuur 2015 voor Svetlana Aleksijevitsj

De Wit-Russische onderzoeksjournaliste, ornithologe en schrijfster Svetlana Aleksijevitsj werd bekroond met de 2015 Nobelprijs voor Literatuur “voor haar polyfone geschriften, een monument voor het lijden en de moed in onze tijd”. Zij is de eerste journalist en de eerste schrijver uit Wit-Rusland die deze prijs wint. Zie ook alle tags voor Svetlana Aleksijevitsj op dit blog.

Uit: Der Krieg hat kein weibliches Gesicht (vertaald door Ganna-Maria Braungard)

„Ich schreibe ein Buch über den Krieg… Ich, die ich keine Kriegsbücher mochte, obwohl sie in meiner Kindheit und Jugend die gängige Lieblingslektüre waren. Bei allen meinen Altersgenossen.
Das ist nicht weiter erstaunlich – wir waren Kinder des Sieges. Kinder der Sieger. Was erinnere ich noch vom Krieg? Mein kindliches Unbehagen vor unbekannten und furchteinf lößenden Worten. Über den Krieg wurde unentwegt gesprochen: in der Schule und zu Hause, bei Hochzeiten und Taufen, an Feiertagen und auf dem Friedhof. Sogar unter Kindern. Der Krieg blieb auch nach dem Krieg die Heimstatt unserer Seele. Alle lebten dort, alles hatte seinen Ursprung in dieser schrecklichen Zeit, auch in unserer Familie: Mein ukrainischer Großvater, der Vater meiner Mutter, ist an der Front
gefallen, meine weißrussische Großmutter, die Mutter meines Vaters, ist bei den Partisanen an Typhus gestorben, zwei ihrer Söhne sind verschollen, von den dreien, die sie an die Front geschickt hatte, kam nur einer zurück… Mein Vater…
Schon als Kinder kannten wir keine Welt ohne Krieg, die Welt des Krieges war die einzige Welt, die wir kannten, und die Menschen des Krieges die einzigen Menschen, die wir kannten. Ich kenne auch
heute keine andere Welt und keine anderen Menschen. Hat es sie überhaupt je gegeben?
***
Es lässt sich wohl kaum zählen, wie viele Kriegsbücher auf der ganzen Welt bereits geschrieben wurden. Vor kurzem las ich irgendwo, auf der Erde seien schon über dreitausend Kriege geführt
worden. Und Bücher darüber gibt es noch mehr… Doch alles, was wir über den Krieg wissen, haben uns Männer erzählt. Wir sind Gefangene der „männlichen“ Vorstellungen und der „männlichen“
Empfindungen. „Männlicher“ Worte. Die Frauen schweigen, und wenn sie einmal darüber reden, dann erzählen sie nicht ihren eigenen Krieg, sondern einen fremden. Passen sich einer ihnen fremden Sprache an – dem festgeschriebenen männlichen Kanon.
Nur zu Hause oder im Kreis ihrer Frontfreundinnen weinen sie und erzählen (das habe ich bei meinen Reisen als Journalistin oft erlebt) von einem Krieg, der das Herz stocken lässt. Man wird innerlich ganz still – was man da erfährt, ist nichts Entlegenes und Vergangenes, das sind Erkenntnisse über den Menschen, die immer vonnöten sind.
Selbst im Paradiesgarten. Weil der menschliche Geist nicht so stark und geschützt ist, braucht er ständig Unterstützung.“

 

 
Svetlana Aleksijevitsj (Stanyslaviv, 31 mei 1948)

In Memoriam Jos Vandeloo

In Memoriam Jos Vandeloo

De Vlaamse auteur Jos Vandeloo is op 90-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn familie bekend gemaakt. Jos Vandeloo werd geboren op 5 september 1925 in Zonhoven, Belgisch-Limburg. Zie ook mijn blog van 5 september 2010 en eveneens alle tags voor Jos Vandeloo op dit blog.

Uit: De vijand

Het regent nog altijd. Net als op die dag, nu zes weken geleden, juist voor de Amerikanen kwamen.
Daarom moet ik altijd aan de vijand denken, omdat  het die dag zonder ophouden bleef regenen.
Maar wie is tenslotte de vijand? Iedereen is de vijand en niemand is de vijand.
Ik geloof dat vrienden en vijanden aan dezelfde tafel  zitten, soms op dezelfde stoel.
Misschien zijn wij onze eigen vijand?
Toen regende het ook, net als nu. Is het een toeval dat het vandaag ook regent zonder ophouden?”
(…)

“Misschien komt er een nieuwe zondvloed en wordt alles langzaam en geleidelijk één groot moeras, dat alles opslokt, de huizen en de mensen, de tanks, de bomen, de tent, en Bea en mij en de soldaten en Karl, vooral Karl.”
(…)

“We hadden een bijzonder scherp zicht in de duisternis. Onze zintuigen waren gescherpt door de omstandigheden waarin wij leefden, door het dierlijke waarmee wij dagelijks te maken hadden, de dood, de grond, het stro, de duisternis, de honger, de angst. Wij waren aan tal van dingen gewoon geraakt, wij hadden ons voortreffelijk aan de moeilijke omstandigheden aangepast. Zoals onze voorouders.”

 
Jos Vandeloo (5 september 1925 – 5 oktober 2015)

In Memoriam Henning Mankell

In Memoriam Henning Mankell

De Zweedse schrijver Henning Mankell is op 67-jarige leeftijd overleden. Zijn Duitse uitgever Hander Verlag heeft dit maandag in München bekendgemaakt. Henning Mankell werd geboren in Stockholm op 3 februari 1948. Zie ook alle tags voor Henning Mankell op dit blog.

Uit: Faceless Killers (Vertaald door Steven T. Marray)

A bird, he thinks. A night bird calling. Suddenly he is afraid. Out of nowhere fear appears and seizes him. It sounds like somebody shouting. In despair, trying to be heard. A voice that knows it has to penetrate thick stone walls to catch the attention of the neighbours.
I’m imagining things, he thinks. There’s nobody shouting. Who would it be? He shuts the window so hard that it makes a flowerpot jump, and Hanna wakes up.
“What are you doing?” she says, and he can hear that she’s annoyed.
As he replies, he feels sure. The terror is real.
“The mare isn’t whinnying,” he says, sitting down on the edge of the bed. “And the Lövgrens’ kitchen window is wide open. And someone is shouting.”
She sits up in bed.
“What did you say?”
He doesn’t want to answer, but now he’s sure that it wasn’t a bird that he heard.
“It’s Johannes or Maria,” he says. “One of them is calling for help.”
She gets out of bed and goes over to the window.
Big and wide, she stands there in her white nightgown and looks out into the dark.
“The kitchen window isn’t open,” she whispers. “It’s smashed.”
He goes over to her, and now he’s so cold that he’s shaking.
“There’s someone shouting for help,” she says, and her voice quavers.
“What should we do?”
“Go over there,” she replies. “Hurry up!”
“But what if it’s dangerous?”
“Aren’t we going to help our best friends?”
He dresses quickly, takes the torch from the kitchen cupboard next to the corks and coffee cans. Outside, the clay is frozen under his feet. When he turns around he catches a glimpse of Hanna in the window. At the fence he stops. Everything is quiet. Now he can see that the kitchen window is broken.
Cautiously he climbs over the low fence and approaches the white house. But no voice calls to him.
I am just imagining things, he thinks. I’m an old man who can’t figure out what’s really happening anymore. Maybe I did dream about the bulls last night. The bulls that I would dream were charging towards me when I was a boy, making me realise that someday I would die. »

 
Henning Mankell (3 februari 1948 – 5 oktober 2015)

In Memoriam Frans Pointl

In Memoriam Frans Pointl

De Nederlandse schrijver Frans Pointl is gisteren in Amsterdam op 82-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij Nijgh & Van Ditmar laten weten. Frans Pointl werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1933.Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frans Pointl op dit blog.

Uit: De Laatste kamer (Afscheid)

“Tweemaal per maand gingen mijn moeder en ik naar mijn grootvader in Zandvoort. Hij woonde daar in een pension. Mijn oom, de dokter, betaalde dat en hij kreeg ook nog een bescheiden zakcentje. Daarvoor woonde hij alleen in een duur huurhuis in de Amsterdamse Lomanstraat. Hij was achtenzeventig en had geen enkele bron van inkomsten. Mijn oom vond dat een pension aan zee een goede oplossing was.
Hij had zijn vader onderzocht en hem nog kerngezond bevonden.
Ik herinner me dat ik een jaar of zeven was. Vanuit Heemstede gingen we met de tram naar de Tempelierstraat in Haarlem. Daar stapten we over op de ‘blauwe tram’ die uit Amsterdam kwam. Het waren brede logge wagons, gebouwd in Hongarije, daarom werden ze ook wel ‘Budapesters’ genoemd. Vanbinnen waren ze heel ruim, de banken waren met een soort van fluweel bekleed en de ramen waren groot. Er waren drie of vier wagons aan elkaar gekoppeld.
De tram reed langzaam en schommelde enigszins. Er waren veel haltes zodat de ‘Budapester’ maar langzaam vorderde. Voor mij was het steeds weer een feest erin te rijden. De trein was veel sneller maar ook veel duurder.
Moeder had een groot pak van bruin pakpapier bij zich, dichtgebonden met een dun touwtje.
Eindelijk in Zandvoort aangekomen moesten we nog een stuk lopen alvorens we het pension aan de boulevard bereikten. De huizen daar hadden vergeelde, door zoute zeelucht en regen uitgebeten deuren en raamkozijnen. Ik zag grootvader al op het balkon zitten.
Moeder belde aan en de kostjuffrouw deed open. We liepen de smalle trap op, want het waren oude huizen.
‘Kan ik u even spreken?’ vroeg ze aan moeder.
Natuurlijk begreep ik weinig van hun gesprek, maar toen ik ouder was vertelde moeder het mij.
‘Uw vader doet zo vreemd,’ zei de kostjuffrouw. ‘Ik weet niet meer wat ik hem te eten moet geven.’
‘Hoezo?’ vroeg moeder.
‘Hij heeft gezegd dat hij niets meer wil eten wat een gezicht heeft, dus geen vlees meer.’ Ze aarzelde. ‘Heeft een vis ook een gezicht?’
‘Ik denk van wel,’ antwoordde moeder. ‘Hij is op zijn oude dag dus ineens vegetariër geworden.’
‘Wat moet ik hem dan voorzetten?’ vroeg ze.
‘Aardappels, groenten, kapucijners en vla, daar is hij dol op.’

 

 
Frans Pointl (1 augustus 1933 – 1 oktober 2015)

In Memoriam Hellmuth Karasek

In Memoriam Hellmuth Karasek

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschapHellmuth Karasek is op 81-jarige leeftijd overleden. Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Auf der Flucht

“Weihnachten 1944 war besonders kalt, weiß war es in den  Beskiden ohnehin. Die Wohnung war warm, ich hatte zur Eisenbahn noch einen Metallbaukasten bekommen und Bausteine.
Aber leider war mir sterbenselend, ich war das üppig fette Essen,  die Weihnachtsgans, nicht gewohnt und habe mich über  dem glatten, glänzenden Parkettboden übergeben. Meine Mutter  steckte mich ins Bett und gab mir Tee.  Ein paar Tage später hieß es, die Mutter müsse mit uns Kindern  Bielitz verlassen. Vorübergehend. Die Russen hätten in  einer Offensive die deutsche Front gebrochen und seien im  Vorstoß auf das Kohle- und Industrierevier um Kattowitz.
Mein Vater müsse an der Heimatfront bleiben.
Wir packten ein paar Koffer, so viel, wie ich und meine Mutter  gerade tragen konnten, und mein Vater fuhr uns zum Bahn-hof, der von Schneestürmen umtobt war. Meine kleinen Geschwister, mein fünfjähriger Bruder Horst, meine vierjährige Schwester Ingrid und meine zweijährige Schwester Heidrun hielten wir an der Hand. Nach stundenlangem Warten auf dem  Bahnsteig, der immer wieder von Schneeverwehungen freigeschaufelt werden musste, drängten wir uns in einen überfüllten Zug, der uns, »vorübergehend«, so beschwichtigte mein Vater meine Mutter, auf ein Gut in Niederschlesien bringen sollte.
Ich erinnere mich an das erleichtert freudige Gefühl, das ich empfand, weil ich nach den Ferien nun doch nicht mehr in meine gehasste Schule mit ihrem Drill zurückkehren musste. Ich wusste noch nichts von den Wochen, in denen wir uns immer wieder in eisige Züge kämpfen und drängen, auf vereisten Straßen auf Lastwagen warten, in überfüllten Wartesälen  oder Schulen auf dem Boden schlafen, in Gestank, Geschrei, unter Verzweifelten und dumpf Verstummten, im Dreck, in Angst und Panik, die Tage in Hunger und Kälte verbringen mussten. Es war der totale Zusammenbruch. Dass es eine Befreiung war, lernte ich erst Jahre später. Nur manchmal hätte  ich gerne gewusst, wer später an Weihnachten von den Tellern gegessen hat, die wir zurückließen. Welche Bilder an den Wänden hingen. Und was aus der Märklin-Eisenbahn geworden  ist, mit der ich nur zwei Tage gespielt hatte.“

 
Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)

In Memoriam Frank Martinus Arion

 

In Memoriam Frank Martinus Arion

De Curaçaose dichter en schrijver Frank Martinus Arion, pseudoniem van Frank Efraim Martinus, is zondagavond op 78-jarige leeftijd overleden. Frank Martinus Arion werd geboren op 17 december 1936 op Curaçao. Zie ook alle tags voor Frank Martinus Arion op dit blog.

Uit: Nobele wilden

“Jij bent van buiten Europa, maar je bent ook jong. We gaan terug naar de natuur ja, waar sympathie en goede nabuurschap, zoals jij dat zo mooi noemt, mogelijk zijn. Rousseau was trouwens niet tegen de stad op zich. Hij wilde niet terug naar de natuur omwille van de planten en bomen en beekjes, te veel mensen denken dat, maar om de andere kwaliteiten van het menselijk leven, die in die omgeving beter mogelijk schijnen te zijn. Het is niet zo, zegt hij ergens, dat de mensen vroeger beter waren, ze waren wel warmer en liever voor elkaar. Dat is het wat wij in de zg. primitieve volkeren altijd bewonderd hebben, de warmte. Om het algemener te zeggen, in de gemeenschappen en perioden waarin de mens boven de materie stond, haar beheerste, al klinkt dat vreemd in onze technocratische eeuw, en deze geen doel was tot meerder bezit. Zo’n periode kent iedereen in zijn jeugd. Wat curieus als die alliantie er ooit komt, tussen de vroegere Nobele Wilden en onze moderne jeugd. Maar terecht. De jeugd is wild en de jeugd is nobel. Wat de meest opvallende karakteristieken zijn van de revolutionair.
(…)

Hij sterft eigenlijk nooit, de banaan. Hij is eeuwig. Elke stam groeit tot zo’n twee of drie meters, bij bepaalde soorten zelfs hoger, geeft een tros bananen en sterft dan af. Of je kapt die stam om. Maar onderaan staat, zelfs vóór de tros er is, altijd een aantal jonge bananestruikjes klaar om zijn taak opnieuw te volbrengen. In het creools zeggen we:
De banaan is stervende: Haar kinderen zijn er al!
Daarom zeg ik: Het bananeleven is oneindig! Er is nauwelijks individualisering. De jonge lootjes groeien nadrukkelijk aan en uit de stam van de moederplant. We halen ze soms wel weg en planten ze apart, maar dat is menselijke kunstmatigheid. Bovendien is ook de bestemming van de banaan zo wonderlijk. De trossen komen, de bananen rijpen, worden gegeten of vergaan. Zonder bijbedoelingen! Zuiver belangeloze esthetiek van de natuur!”

 

 
Frank Martinus Arion (17 december 1936 – 27 september 2015)

Constantijn Huygens-prijs 2015 voor Adriaan van Dis

 

Constantijn Huygens-prijs 2015 oor Adriaan van Dis

De Nederlandse schrijver Adriaan van Dis krijgt de Constantijn Huygens-prijs 2015 voor zijn hele oeuvre. Dat maakte de Jan Campert-stichting, die de literaire prijs elk jaar uitreikt, dinsdag bekend. Aan de Constantijn Huygens-prijs is een bedrag verbonden van 10 duizend euro. Eerdere winnaars zijn onder anderen Mensje van Keulen, Tom Lanoye en A.F.Th. van der Heijden. Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.

Uit: Brief aan mijn Turkse kleermaker

“Ik vertelde u over mijn bezoek aan La Barre Balzac, dat veertien verdiepingen hoge kavalje in La Courneuve, bont van de graffiti, een reep hokken smachtend naar de sloop, met kapotte liften, dichtgetimmerde ramen en hopen vuilnis, neergekwakt op wat eens een voetbalveld was geweest. U schrok van mijn woede. ‘Veel te veel Afrikanen,’ zei u. ‘Ze hebben geen beschaving.’
Wat kan u een vies gezicht trekken.
Ik geneerde mij voor uw houding. Ik had gehoopt dat u solidair zou zijn met de migranten uit uw wijk. Al besef ik dat zoiets voor u moeilijker is dan voor mij. Wat heb ik te stellen met schorem dat de buurt onveilig maakt? Dat woont niet in het zesde. En ik hoef mijn trap niet met lawaaischoppers te delen. Even dacht ik dat u me naar de mond wilde praten. ‘Wij blanken,’ zei u. ‘Wij blanken zijn anders.’ Ik vroeg maar niet hóé anders. Had u verwacht dat ik ook op ‘de zwarten’ zou afgeven? Begreep u waarom ik plotseling een paar Turkse zinnen op u losliet? Talebe para yok. Student geen geld. Tamam, arkadas? Oké, kameraad? Woorden opgedaan in de jaren zestig, toen ik met een rugzak door uw land trok. Ik hoopte daarmee van het voetstuk af te stappen waar u mij zojuist op had gezet. U had me witter en burgerlijker gemaakt dan ik wil zijn. Ik liet u op onhandige wijze weten dat ik sympathie voor de Turken heb en dat u uw achtergrond voor mij niet hoeft te verloochenen. Ik ken de leemdorpen in de uithoeken van Anatolië. Ik zag er kinderen in het stof spelen, ver van school en alfabet. Net Afrika.
Ja, ik wilde u laten merken dat ik anders was dan de arrogante Fransen die bij u beknibbelen op de vermaakkosten van hun in de uitverkoop verworven chique labelkleding. Anders ook dan de Fransen die de week daarvoor tegen de Europese grondwet hadden gestemd, een non dat zich verzette tegen de komst van goedkope arbeidskrachten uit de nieuwe oostelijke lidstaten – de spreekwoordelijke Poolse loodgieter – maar vooral ook een non tegen Turkije. Al hadden beide zaken niets met de ratificering van de grondwet te maken, de angst voor nog meer goedkope arbeidskrachten en de angst dat de islam straks de grootste godsdienst van Europa zou worden, gedijden goed in het kamp van de neestemmers. Volgens de kranten lagen de Middeleeuwen aan de andere kant van de Bosporus. Turkije zou een grijze wolf in schaapskleren zijn.”

 
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

ANV Debutantenprijs voor Jaap Robben

 

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben uit Nijmegen heeft de ANV Debutantenprijs gewonnen voor zijn roman “Birk”.Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog. De Debutantenprijs werd voor de 20e keer uitgereikt. Dat gebeurde zondag in Dordrecht. De prijs bestaat uit een geldbedrag van 7.500 euro. Eerdere winnaars waren onder anderen Anna Enquist, Jessica Durlacher, Gerbrand Bakker en Peter Buwalda.

Uit: Birk

“In mijn tong jeukten mieren, mijn voeten waren zwaar. Ik stond in mijn zwembroek en met de handdoek om mijn schouders bij de achterdeur. Mama was de keuken binnen gekomen, maar had me nog niet aangekeken. ‘Daar ben je’, zei ze alleen en ze tilde het deksel van de pan. Met een pollepel schepte ze eerst mijn soepkom vol, daarna de hare.
Haar wijsvinger roerde in mijn soep. ‘Je kunt het al prima eten.’ Ik ging op mijn stoel zitten en staarde naar de lome damp van mijn soep.
‘Laat maar niet te veel voor papa over, had hij hier maar op tijd moeten zijn.’ Lepelend liep ze terug naar haar naaimachine in de zitkamer. ‘Ik moet nog even iets afmaken.’
Mijn handen lagen stil op tafel. Van binnen trilden ze. Boven het raam klonk het gekras van meeuwen die hun snavel aan de dakgoot scherpten.
Ik wist dat ik moest eten van mijn soep, maar meer dan het vastpakken van de lepel lukte me niet.
Toen ik een slok water uit mijn glas nam, leek ik te stikken. Ik kokhalsde. Een beetje van wat naar boven kwam, verdween in mijn groentesoep. Wat ernaast terechtkwam, veegde ik vlug weg met mijn hand. Mama zag het niet. Ze zat voorovergebogen op haar stoel en keek geconcentreerd naar de naald van haar ratelende naaimachine en onderbrak dat geratel alleen om te zien of ze nog wel recht ging.
Even later kwam mama naar de keuken voor het flesje Maggi uit het kruidenrek. Ze duwde haar heupen tegen het aanrecht en boog zich naar het raam. ‘Hij blijft weer eens lang weg.’ Mijn hart wilde weg uit mijn borst, ik stak de lege lepel in mijn mond.
‘Word later nooit zoals je vader’, zei ze glimlachend. ‘Met zo’n vent kun je toch geen afspraken maken.’ Voor ik kon antwoorden, begon het gehengst van de naaimachine weer.
Hoe harder ik beet op de mieren in mijn tong, hoe erger ze krioelden. De schemer maakte een spiegel van het raam. Ik kon mezelf aankijken, maar durfde niet. Mama trapte met haar voet de klep van de pedaalemmer open en liet een paar sliertjes stof vallen.”

 

 
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

In Memoriam Joost Zwagerman

In Memoriam Joost Zwagerman

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman heeft na een periode van depressies zelfmoord gepleegd in zijn woonplaats Haarlem. Dat heeft zijn uitgeverij De Arbeiderspers dinsdagavond bekend gemaakt. Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Hij is 51 jaar geworden. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

…zag jij misschien

…zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings –
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

 

Zeven joosten

Die nacht had ik zeven mooie hoofden
die ik naast mijn ene leven legde op de kast.
Ik deed het licht uit en de hoofden sliepen in.
Mijn romp speelde sjamaan in bed, de halsrib
rond en roodbeknoest, doorzinderd vlees
met aderen die schreeuwden. Mijn zeven mooie
hoofden in rust op rij. Ik verzorgde mij
zoals mijn moeder vroeger plantjes water gaf.

Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar
en samen zijn we alle zeven niemandsland.
Alle pluche is ballast voor het polymorfe hoofd.
Mij is geen zonde of verzaking aan te wrijven,
ik doe mijn plicht en vraag niets in ruil.

Ik geef munten aan wie vraagt, duplicaten
aan wie waant, ontucht in het volle licht,
mijn monden vangen zevenvoudig zaad. Mijzelf
genoeg. Ik sta ingeschreven voor onteigening
maar weet niet of verhoord gebed mij past.

 

Roeshoofd hemelt

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek
waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.
Ik stelde mij teleur. Sprak te luid
tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.
Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde
en sprak mij aan om hiervandaan te gaan
maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij
in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had
zonder zicht op toonzaamheid
of zelfs maar dunne trucs
waarmee je doorgaans
een kapotte nacht doorkomt.

Het eindigde ermee dat ik van alles
in mijn oor siste wat ik maar half verstond.
Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij
voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen
op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten
en toen het eenmaal ochtend was
zag ik mij als zo vaak in tongen terug
als het legioen dat vreemden streelt.
Spreekwoord was ik dat niet snapt,
gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding
die ouders voor hun kinderen uitdenken
en in het holst van alle bruikleen
was ik wat ik telkens na zo’n achternacht in corvee
en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,
met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,
een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen

 
Joost Zwagerman (18 november 1963 – 8 september 2015)

In Memoriam Sybren Polet

 

In Memoriam Sybren Polet

De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet is op 19 juli op 91-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij vandaag bekend gemaakt. Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook alle tags voor Sybren Polet op dit blog.

 

Stopwoord

Ik vond een oorschelp in de grond
om aan te luisteren.
ik luisterde en vond
drie takken taal
een drietakttaal voor één gedicht.
daar is geen zin mee te verrichten.
ik stop dat oor maar met een stopwoord dicht.

 

 

Ruimteroes

De serene lucht, een en al ademlucht.
Je voelt je – opgelucht – ál abstracter worden,
een vrijzwevende doorluchtige geest,
bevrijd
Van beeldgedachten en lichtdromen,
zelfs
zonder het minste besef van afwezigheden.

Ruimte als lichte roes.
Ergens een licht vermoeden?

Ergens, oneindig ver weg,
een even opflikkerend
en snel vervluchtigend ik-vermoeden?

Ruimte als lichte roes,
de roes van een grensloze open ruimte.

 

 

Laatste sneeuw van de eeuw

Waar is de eeuwige sneeuw van weleer?
Gletsjers trekken zich terug als
   grote gevoelens – oude schollen
     komen bovendrijven.

Secondensnelle erosie legt de skeletten bloot
     van minimastodontjes, vroege dromen
en hij van elk fossiel
                      de nieuwe tijdgenoot.

Minuscule catastrofes, karkasjes
       klein als moleculen,
                          kristallijne tranen.

De tijd versteent in druppels,
                             Druppels…

Zoekend naar leven tussen het puin
klopsignalen, mensengeur…
                         er zwerven

schimmen en vitale echo’s
     in holen en rui’nes. Roep dan!
          klop, blafl echo.

En hij: – Dit is de laatste sneeuw van de eeuw.
       Dit wordt de laatste echo.

 

 

 
Sybren Polet (19 juni 1924 – 19 juli 2015)