VSB Poëzieprijs 2008 voor Leonard Nolens

De Vlaamse dichter en schrijver  Leonard Nolens heeft gisteravond in De Rode Hoed in Amsterdam de vijftiende VSB Poëzieprijs gekregen voor zijn vorig jaar verschenen bundel Bres. De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste dichtersprijs in het Nederlandse taalgebied. De prijs omvat 25.000 euro en een beeldje van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van gisteren, 11 april 2008.

Zonder mij

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.
Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven
Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,
Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.
Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,
Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.
Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.
Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.
Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,
Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

Schatplichtig

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.

 

Uit de tijd

Ik rijd naar huis in de bellende leegte
Van de laatste tram. Het wordt mijn tijd.

Verlaten straten komen samen, gaan uiteen
Op steeds dezelfde, stroevende punten.

Ik zit in mijn ijzer, lees de haltes, steeds
Dezelfde, door het raam da
t wie weerkaatst.

Ik zoen de koude naam op de achterkant
Van mijn adres, verscheur de enige brief.

Het maanwit heeft weer niets verklaard.
De nacht bezit geen grond om op te rusten.

Het is vroeg in de slapende stad.
Het is laat in mijn slapeloos leven.

nolens2

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

Gouden Uil voor Marc Reugebrink, Nikolaj Gogol, Milan Kundera, Urs Allemann, Maria Polydouri, Edmond Rostand, Rolf Hochhuth, Joseph de Maistre

De Nederlandse dichter en schrijver Marc Reugebrink won vorige week de Gouden Uil voor zijn roman Het grote uitstel. Reugebrink werd geboren in Goor op 12 augustus 1960. Hij studeerde in Groningen zowel aan de lerarenopleiding (Nederlands en Engels) als aan de universiteit (Nederlandse taal- en letterkunde). In 1988 debuteerde hij als dichter met Komgrond, waarvoor hij de Van der Hoogtprijs 1989 kreeg; in 1987 kreeg hij voor zijn poëzie het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen. In 1991 volgde Wade. Onderwijl maakte hij samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw (1990-1993), en trad hij in 1994 toe tot de redactie van het algemeen-culturele tijdschrift De Gids. Hij verliet de redactie in 1999. Tegelijkertijd schreef hij een korte tijd poëziekritieken voor de Volkskrant, en werkte hij van eind jaren tachtig tot medio jaren negentig als recensent voor het Nieuwsblad van het noorden (thans Dagblad van het noorden) en bijna tien jaar voor De groene Amsterdammer. In 1998 verscheen Wild vlees, zijn eerste roman. Datzelfde jaar trok hij naar Gent, waar hij thans nog woont en werkt. In 2002 verscheen de essaybundel De inwijkeling, en in 2004 Touchdown, zijn tweede roman (longlist Gouden Uil en Librisprijs). In 2007 verscheen de roman Het grote uitstel . Vanaf 2001 is Reugebrink redacteur en redactiesecretaris van het onafhankelijke literaire tijdschrift Yang. Ook schrijft hij regelmatig voor o.a. De Morgen en houdt hij op internet een literair journaal bij (Inwijkeling).

Uit: Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1989, Dankwoord

“Wat die nestgeur betreft: die zal ik niet ontkennen, hoezeer de traditie waaruit ik voortkom momenteel ook in een kwade reuk mag staan. Ik stem wat dat aangaat volmondig in met een bekende uitspraak van de Engelse dichter T.S. Eliot, die de ware originaliteit slechts een vorm van ontwikkeling noemde. Het absoluut originele gedicht is een absoluut slecht gedicht, zo stelde hij; het heeft zich losgemaakt van al het bekende en kan niet meer begrepen worden. Ik heb het dan ook altijd nogal merkwaardig gevonden dat een aantal critici in mijn bundel zowel de verwantschap met de autonomistische traditie heeft aangewezen – en dus de poëzie in die zin begreep -, als tegelijkertijd van mening was dat mijn gedichten verregaand onverstaanbaar waren. Als ik dat goed begrijp, kan ik daaruit alleen maar concluderen dat de autonomistische traditie voor deze critici in haar geheel onverstaanbaar is, en dat is een onthullende constatering. Het betekent immers dat deze critici het werk van Leopold, van Van Ostaijen, zelfs van Nijhoff, van Kouwenaar of Faverey, van Mallarmé, Valéry, van Benn en Célan nooit hebben begrepen. Het is alsof de hele twintigste eeuw nooit heeft bestaan!

Voor dergelijke critici houdt met het vaststellen van verwantschap het eigenlijke lezen dan ook op. Het eigen onvermogen om door te dringen in teksten die qua taalgebruik afwijken van het middenstandsproza of het journalistieke proza (de verschillen tussen beide zijn soms akelig klein), wordt hier tot maatstaf voor goede poëzie verheven. Nu ben ik, misschien ondanks de schijn van het tegendeel, de laatste om de eis dat poëzie verstaanbaar moet zijn, tegen te spreken. Maar voor deze critici betekent verstaanbaarheid blijkbaar dat het taalgebruik in gedichten niet mag afwijken van het taalgebruik bij de bakker. Het lijkt mij nu juist een van de wezenstrekken van poëzie dat zij zich niet conformeert aan die vorm van taalgebruik, althans niet als regel. Zelfs de grootste brooddichter maakt weinig kans een halfje wit mee te krijgen als hij zijn verzen bij de bakker voorleest. ‘If we were in the habit of reading poets their obscurity would not matter; and, once we are out of the habit, their clarity does not help’, schreef de Amerikaanse dichter Randall Jarrell ooit. Zo bezien is de onverstaanbaarheid ‘in the eye of the beholder’ en niet iets wat men dichters aan kan wrijven.

reugebrink3

Marc Reugebrink (Goor, 12 augustus 1960)

 

De Russische schrijver Nikolaj Vasiljevitsj Gogol werd geboren in Poltawa, Oekraïne, op 1 april 1809. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: St. John’s Eve (Vertaald door Larissa Volokhonsky)

 

Weddings in the old days were no comparison with ours. My grandfather’s aunt used to tell us–oh, ho, ho! How girls in festive headdresses of yellow, blue, and pink stripes trimmed with gold braid, in fine shirts stitched with red silk and embroidered with little silver flowers, in Morocco boots with high, iron-shod heels, capered about the room as smoothly as peahens and swishing like the wind; how young women in tall headdresses, the upper part made all of gold brocade, with a small cutout behind and a golden kerchief peeking from it, with two little peaks of the finest black astrakhan, one pointing backward and the other forward, in blue jackets of the best silk with red flaps, stepped out imposingly one by one, arms akimbo, and rhythmically stamped away at the gopak. How young lads in tall Cossack hats and fine flannel blouses with silver-embroidered belts, pipes in their teeth, bobbed and pranced before them, cutting all sorts of capers. Korzh himself couldn’t hold back, looking at the young ones and remembering bygone times. With a bandore in his hands, puffing on his pipe and humming at the same time, the old fellow put a glass on his head and, to the loud shouts of the revelers, broke into a squatting dance. What people won’t think up when they’re tipsy! They used to dress in disguises–my God, they no longer looked like human beings! No comparison with the costumes at our weddings nowadays. How is it now? They just copy the Gypsies or the Muscovites. No, it used to be one would dress up as a Jew and another as a devil, and first they’d kiss each other and then grab each other’s topknots . . . God help us! you had to hold your sides from laughter. They’d get dressed up inTurkish or Tartar costumes: everything on them blazes like fire . . . And when they start fooling and pulling tricks . . . well, saints alive! A funny thing happened with my grandfather’s aunt, who was at this wedding: she was dressed then in a loose Tartar dress and went around offering glasses to the guests. The devil put one of them up to splashing some vodka on her from behind. Another–no flies on him either–struck a fire straight away . . . the flame blazed up, the poor aunt got frightened and started pulling her dress off in front of everybody . . . Noise, laughter, turmoil arose, like at a street fair. In short, the old people remember no merrier wedding ever.”

 

nikolai-gogol

Nikolaj Gogol (1 april 1809 –  4 maart 1852)

 

De Tsjechische schrijver Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: The Curtain

 

Let us imagine a contemporary composer writing a sonata that in its form, its harmonies, its melodies resembles Beethoven’s. Let’s even imagine that this sonata is so masterfully made that, if it had actually been by Beethoven, it would count among his greatest works. And yet no matter how magnificent, signed by a contemporary composer it would be laughable. At best its author would be applauded as a virtuoso of pastiche.

What? We feel aesthetic pleasure at a sonata by Beethoven and not at one with the same style and charm if it comes from one of our own contemporaries? Isn’t that the height of hypocrisy? So then the sensation of beauty is not spontaneous, spurred by our sensibility, but instead is cerebral, conditioned by our knowing a date?

No way around it: historical consciousness is so thoroughly inherent in our perception of art that this anachronism (a Beethoven piece written today) would be spontaneously (that is, without the least hypocrisy) felt to be ridiculous, false, incongruous, even monstrous. Our feeling for continuity is so strong that it enters into the perception of any work of art.

Jan Mukarovsky, the founder of structural aesthetics, wrote in Prague in 1932: “Only the presumption of objective aesthetic value gives meaning to the historical evolution of art.” In other words: in the absence of aesthetic value, the history of art is just an enormous storehouse of works whose chronologic sequence carries no meaning. And conversely: it is only within the context of an art’s historical evolution that aesthetic value can be seen.”

 

kundera

Milan Kundera (Brno, 1 april 1929)

 

De Zwitserse schrijver en dichter Urs Allemann werd geboren op 1 april 1948 in Schlieren. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Elegisch die dritte

 

Als den Gebirgssturz passierend er sah wie das Flugzeug aus Fleisch am

Felsen zerplatzte und schrie unter der Blutwolke o

dass Myriaden von Fliegen den Hirnpunkt den Herzspalt und schwärmten

auf ach und brannte so süss dies dass der Rauch Gesang

zwar doch die Zunge zerfiel und floss aus dem Mund an den Knochen

ab in die Schluchten das Wort aber es hielt ihn nicht

Haut sondern spie ihn hinaus und hinauf dass die Arme er wieder

weit und der Schnabel die Brust auf bis im Frein der Motor

stampfte und sah es nicht und lauschte und war der Propeller

der ihn noch einmal emporschraubend sich aufhob und war

nichts als die Glühlaus am schwarzen am Schädel am Himmel und pickte

selber sich weg und verschlang das Helikopter-Ioo

als an der Leber des Adlers der hohle der Zahn des Prometheus

nagte und schenkte ein Licht ihm im Schenkel der Stern

der aus dem Fleisch schon heraus sich zu drehen und nannte es Auge

was als winziger Mond lidlos ihm um den Kopf

schwirrte doch kaum es ihn sah wie die Bombe dem Krater entgegen

flog über Kopf der Vulkan ziellos Raketenmusik

 

 

 

Hinkfüssig

Auf Schlittschuhn wenn und stolz im Puff der Greis ausrutscht

dass scharf von unten es Gelächter durchs Eis bricht

Sweet Mermaids Fuss den Hut vom Kopf, Pa, Shorts runter

ob Schurz hoch Sturm von Loch zu Loch dich am Bart zerrt

der weiss zu flattern wär die Blume Schnee Klopstock

im Winterfreudenhaus beraubt der Stahlflügel

verrostet hing an hellbeblüteten Ulmen

zu schlafen schwindelnd als ihn Showgirls fair hüllten

zu tausend ein in Nacht nach Holders Flugvorsatz

Wolken um nach Welten um ei das stirbt stammelnd

die Polder nun vorüber sind es warn schöne

Gelichtre keiner Bläue Trauridämm seyn will

des Wintersdau mit Unterthrän als dann glänzet

im Beindorf leer den Todtenstille du friss dein

Gefriergeflügel Chickenshit wenn das auftaut

da die Mänaden du Monade träumst Zahlen!

Miss Mermaid! lang Errettung, Pa, nix Mund Nixmäär

 

Allemann

Urs Allemann (Schlieren, 1 april 1948)

 

De Griekse dichteres Maria Polydouri werd geboren op 1 april 1902 in Kalamata. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

To A Friend

I shall come upon the night, on the way that drags me along,
I shall come and find you there alone.
With indolent movements, eventide will spin her delicate shades,
drifting past your desolate window.

In the stillness of your  room you shall have me in-
books scattered around, consigned to silence deep.
And we shall sit side by side, musing over moments past,
yet long before we lose them, still are dying and last.

For the bitterness of ungrateful life, the dreariness,
for having no yearning, no craving,
for decay and silence abiding
plunged in brooding stillness
our speech and ultimate thought shall fade away.

But the night will come to rest
right at your window’s nest.
Scents and glittering stars and fair breezes shall mingle
with the grand call that Nature delivers,
with your heart that even silence itself will not shelter.

poulidori

Maria Polydouri (1 april 1902 – 30 april 1930)

 

De Franse schrijver Edmond Eugène Alexis Rostand werd geboren in Marseille op 1 april 1868. Zie ook mijn blog van 1 april 2007.

Uit: La Samaritaine

 

SCÈNE IV

JÉSUS, LES DISCIPLES

PIERRE, descendant.

Maudit soit ce pays ! Que la peste s’y vautre !

Et que la sauterelle y tombe, avec son bruit !

JACQUES, de même.

Que la nielle1 sur l’arbre abolisse le fruit,

Ou que le ver l’attaque au fond de la réserve !

ANDRÉ, de même.

Et que la femme avorte et que l’homme s’énerve !

Qu’ils connaissent toutes les soifs, toutes les faims !

Que tous leurs ennemis viennent sur leurs confins2,

Et qu’il ne reste rien de leurs villes rasées !

PIERRE

Que jamais, jamais plus, sous les bonnes rosées,

Vous ne vous incliniez et vous ne murmuriez,

Citronniers, amandiers, grenadiers et mûriers

Que jamais plus sous les fruits lourds l’arbre ne crie !…

JÉSUS

Les bénédictions de Dieu sur Samarie !

 (I1 descend..)

PIERRE

Quoi, Rabbi1 ? Mais ces mots de toi, que je retins :

« Évitez les Gentils2 et les Samaritains.

Ne prêchez qu’aux brebis d’Israël !… »

ANDRÉ

Oui, toi-même

Tu paraissais haïr ces païens !

JÉSUS

Je les aime.

PIERRE

Je te les entendis cependant prononcer,

Ces paroles. Pourquoi ?

JÉSUS

C’était pour commencer.

Vous n’aviez pas encore assez large poitrine

Et je ne pouvais toute y loger ma doctrine.

Si je vous avais dit d’aimer jusqu’aux Gentils,

Vous vous seriez scandalisés, mes chers petits.

 

Scène 4

Pouvais-je sans danger, dans votre ombre première,

Faire entrer brusquement tout mon flot de lumière ?

À vous, faibles, verser d’un coup tout mon vin fort ?

Non, certe, et c’est pourquoi j’étais prudent d’abord :

Je filtrais le rayon, je mesurais la dose,

Je n’osais tout livrer. Mais voici l’heure. J’ose.

ANDRÉ

Quoi ! de n’être pas Juif, cela n’empêche rien ?

JÉSUS

Élisée a guéri Nahaman le Syrien1.

PIERRE

Quoi ! nous devons aimer ces gens de Samarie ?

JÉSUS

Et vous les aimerez, puisque je vous en prie.

PIERRE

Que nous demandes-tu, Rabbi ?

JÉSUS

D’être parfaits.

On se sent allégé quand on porte mon faix. »

 

rostand

Edmond Rostand (1 april 1868 – 2 december 1918)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 1 april 2007.

De Duitse schrijver Rolf Hochhuth werd geboren op 1 april 1931 in Eschwege. Zie bovendien mijn blog van 2 april 2006

De Franse politicus, schrijver en filosoof Joseph, comte de Maistre werd geboren in Chambéry op 1 april 1753.

 

In Memoriam Jan Eijkelboom

In Memoriam Jan Eijkelboom

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist  Jan Eijkelboom is vandaag overleden. Hij is 81 jaar geworden.

Er was die droom

Er was die droom. Ik kwam van ’t veer,
liep halfbevreesd al op de Nieuwe Haven.
Opeens moest ik gaan hollen toen de pont
een kwaaie zwaan geworden was
die met een rode bek en zwarte ogen
aan eindeloze hals mij sissend achtervolgde.
Mijn jongensbenen konden die zware
angst bijna niet tillen. Traag rende
ik een lange smalle brug op, ’t water over,
maar middenin ging net de klep omhoog.

Ook jij had eens die droom,
vertelde je me later.
Had ik hem jou verteld omdat je jonger was
en ik je bang wou maken?
Ik loop nu onbedreigd over dezelfde brug
en kan je niet meer vragen
of we die angst ooit samen deelden
of dat je ’t toen je toch al stierf
weer was vergeten.

 

janEijkelboom

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

Hella Haasse 90 jaar! James Joyce, Eriek Verpale, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand

Hella Haasse 90 jaar!

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Dat is vandaag precies 90 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

Uit: Oeroeg

 

‘Je moet maar een verlanglijst maken,’ begon mijn vader. Ik knikte. Ik was van plan voor Oeroeg en mij buksen te vragen, die wij mee op jacht zouden kunnen nemen, maar ik betwijfelde sterk, of mijn vader de noodzaak van een dergelijk geschenk zou inzien. ‘Over een paar maanden krijg ik verlof,’ ging mijn vader voort. ‘Ik wil graag wat gaan reizen, wat van de wereld zien, nu ik het me nog kan permitteren. Je begrijpt wel, dat ik je niet mee kan nemen. Ik heb er over gedacht om je naar Holland te sturen, naar een kostschool of iets dergelijks. Aan het eind van deze cursus doe je toelatingsexamen, dan zul je toch naar de HBS moeten. En het leven hier…’ hij maakte een gebaar om zich heen. ‘Je komt veel te kort, op deze manier. Je verindischt helemaal, dat hindert me.’ Ik zette me schrap bij de wastafel. ‘Ik wil niet naar Holland,’ stootte ik uit. De verhalen van Gerard flitsten mij door het hoofd: regen en kou, bedompte kamers, saaie stadsstraten. ‘Ik wil hier blijven,’ herhaalde ik, ‘en Oeroeg…’ Mijn vader onderbrak me met een ongeduldige beweging. ‘Oeroeg, Oeroeg,’ zei hij, ‘altijd Oeroeg. Je zult ééns zonder Oeroeg moeten. Die vriendschap duurt me lang genoeg. Ga je nooit om met jongens uit je klas? Vraag er een paar hier, als je jarig bent. Ze kunnen gehaald en thuisgebracht worden met de auto. Ik begrijp wel, dat je aan Oeroeg gehecht bent,’ voegde hij er aan toe, toen hij mijn gezicht zag. ‘Het was ook onvermijdelijk. Ik moest iets voor die jongen doen. Maar Oeroeg gaat aan het werk, als hij van school komt, en jij moet verder leren. Bovendien -’ hij aarzelde even, vóór hij er aan toevoegde: ‘Je kunt dat toch begrijpen, jongen. Jij bent een Europeaan.’ – Ik dacht er over, maar de belangrijkheid van dit laatste feit, dat ik een Europeaan was, vermocht niet tot mij door te dringen.

(……)

‘Oeroeg zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend uit de bomen. Ik weet niet echt hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde me niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten. Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen; zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef.Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. ‘Ga weg; zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’

 

Haasse2

Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006.

Uit: Ulysses

“He mounted to the parapet again and gazed out over Dublin bay, his fair oakpale hair stirring slightly.–

—-
–God, he said quietly. Isn’t the sea what Algy calls it: a grey sweet mother? The snotgreen sea. The scrotumtightening sea. Epi oinopa ponton. Ah, Dedalus, the Greeks. I must teach you. You must read them in the original. Thalatta! Thalatta! She is our great sweet mother. Come and look.

Stephen stood up and went over to the parapet. Leaning on it he looked down on the water and on the mailboat clearing the harbour mouth of Kingstown.

–Our mighty mother, Buck Mulligan said.

He turned abruptly his great searching eyes from the sea to Stephen’s face.

–The aunt thinks you killed your mother, he said. That’s why she won’t let me have anything to do with you.

–Someone killed her, Stephen said gloomily.

–You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I’m hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you . . .

He broke off and lathered again lightly his farther cheek. A tolerant smile curled his lips.

–But a lovely mummer, he murmured to himself. Kinch, the loveliest mummer of them all.

He shaved evenly and with care, in silence, seriously.

Stephen, an elbow rested on the jagged granite, leaned his palm against his brow and gazed at the fraying edge of his shiny black coat-sleeve. Pain, that was not yet the pain of love, fretted his heart. Silently, in a dream she had come to him after her death, her wasted body within its loose brown grave-clothes giving off an odour of wax and rosewood, her breath, that had bent upon him, mute, reproachful, a faint odour of wetted ashes. Across the threadbare cuffedge he saw the sea hailed as a great sweet mother by the wellfed voice beside him. The ring of bay and skyline held a dull green mass of liquid. A bowl of white china had stood beside her deathbed holding the green sluggish bile which she had torn up from her rotting liver by fits of loud groaning vomiting.”

james-joyce-by-jacque-emile-blanche

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Geschilderd door Jacque Emile Blanche

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Lied der scheepvaart

Ze wilden wel nog iets zeggen

maar niet zoveel: met andere woorden

misschien scherpe ankers slaan

in het dure weefwerk van hun geweten.

 

En ze dróómden het natuurlijk nog wel:

elkander met een voorzichtige hand

binnen praaiafstand naar oud verlangen

loodsen.

 

Nog een oceaan van tijd, dachten ze,

ligt voor ons open. In het vooronder van een rok

zouden weldra weer handen streng de wacht

of wild van stapel lopen.

 

Maar ik zag het inmiddels wel:

hoe overboord gegooid

en buiten enterbereik reeds

hun laatste gebaren dreven,

zodat ik wist: aan dit tij

valt niets meer te keren.

 

Verpale

Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

For the
last wolverine

They will soon be down

To one, but he still will be
For a little while still will be stopping

The flakes in the air with a look,
Surrounding himself with the silence
Of whitening snarls. Let him eat
The last red meal of the condemned

To extinction, tearing the guts

From an elk. Yet that is not enough
For me. I would have him eat

The heart, and, from it, have an idea
Stream into his gnawing head
That he no longer has a thing
To lose, and so can walk

Out into the open, in the full

Pale of the sub-Arctic sun
Where a single spruce tree is dying

Higher and higher. Let him climb it
With all his meanness and strength.
Lord, we have come to the end
Of this kind of vision of heaven,

As the sky breaks open

Its fans around him and shimmers
And into its northern gates he rises

Snarling complete in the joy of a weasel
With an elk’s horned heart in his stomach
Looking straight into the eternal
Blue, where he hauls his kind. I would have it all

My way: at the top of that tree I place

The New World’s last eagle
Hunched in mangy feathers giving

Up on the theory of flight.
Dear God of the wildness of poetry, let them mate
To the death in the rotten branches,
Let the tree sway and burst into flame

And mingle them, crackling with feathers,

In crownfire. Let something come
Of it something gigantic legendary

Rise beyond reason over hills
Of ice SCREAMING that it cannot die,
That it has come back, this time
On wings, and will spare no earthly thing:

That it will hover, made purely of northern

Lights, at dusk and fall
On men building roads: will perch

On the moose’s horn like a falcon
Riding into battle into holy war against
Screaming railroad crews: will pull
Whole traplines like fibers from the snow

In the long-jawed night of fur trappers.

But, small, filthy, unwinged,
You will soon be crouching

Alone, with maybe some dim racial notion
Of being the last, but none of how much
Your unnoticed going will mean:
How much the timid poem needs

The mindless explosion of your rage,

The glutton’s internal fire the elk’s
Heart in the belly, sprouting wings,

The pact of the “blind swallowing
Thing,” with himself, to eat
The world, and not to be driven off it
Until it is gone, even if it takes

Forever. I take you as you are

And make of you what I will,
Skunk-bear, carcajou, bloodthirsty

Non-survivor.

Lord, let me die but not die
Out.

 

JamesDickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Orange in green skin

When Autumn nears,
I like the scent of the orange’s skin,
Still green, on my hand after peeling,
The perfume lingers.

Oh! Yellow flesh is sweet,
And the skin is not in a hurry,
Bitterness breaks in the nose
Like a wave of perfume.

In my youth, out of duty,
I returned from far away
Like Autumn nearing,
Crazy with first love.

My hand is eager,
Across thousands of miles of missing love.
For the excitement of peeling
An orange in green skin.

Dieu2

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 2 februari 2007

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905.

 

 

Honderd jaar Simone de Beauvoir , Bas Heijne, Benjamin Lebert, Karel Čapek

De Franse schrijfster Simone de Beauvoir werd geboren op 9 januari 1908 in Parijs. Zie ook alle tags voor Simone de Beauvoir op dit blog.


Uit: Une mort très douce

“Le jeudi 24 octobre 1963, à quatre heures de l’après-midi, je me trouvais à Rome, dans ma chambre de l’hôtel Minerva; je devais rentrer chez moi le lendemain par avion et je rangeais des papiers quand le téléphone a sonné. Bost m’appelait de Paris : “Votre mère a eu un accident”, me dit-il. J’ai pensé : une auto l’a renversée. Elle se hissait péniblement de la chaussée sur le trottoir, appuyée sur sa canne, et une auto l’avait renversée. “Elle est tombée dans sa salle de bains; elle s’est cassé le col du fémur”, me dit Bost. Il habitait dans le même immeuble qu’elle. La veille, vers dix heures du soir, montant l’escalier avec Olga, il avaient remarqué trois personnes qui les précédaient : une dame et deux agents. “C’est au deuxième étage et demi”, disait la dame. Etait-il arrivé quelque chose à Mme de Beauvoir? Oui. Une chute. Pendant deux heures elle avait rampé sur le plancher avant d’atteindre le téléphone; elle avait demandé à une amie, Mme Tardieu de faire enfoncer la porte. Bost et Olga avaient accompagné le groupe jusqu’à l’appartement. Ils avaient trouvé maman couchée par terre dans sa robe de chambre rouge en velours côtelé. La doctoresse Lacroix, qui loge dans la maison, avait diagnostiqué une rupture du col du fémur; transportée au services des urgences de l’hôpital Boucicaut, maman avait passé la nuit dans une salle commune…

 

…”Mais je l’emmène à la clinique C. me dit Bost. C’est là qu’opère un des meilleurs chirurgiens des os, le professeur B. Elle a protesté, elle avait peur que ça ne vous coûte trop cher. Mais j’ai fini par la convaincre.”

Pauvre maman ! J’avais déjeuné avec elle à mon retour de Moscou, cinq semaines plus tôt; comme d’habitude elle avait mauvaise mine. Il y avait eu un temps, pas bien lointain, où elle se flattait de ne pas paraître son âge; maintenant on ne pouvait plus s’y tromper : c’était une femme de soixante-dix sept ans, très usée. L’arthrose des hanches, qui s’était déclarée après la guerre, avait empiré d’année en année, malgré les cures à Aix-les-Bains et les massages : elle mettait une heure à faire le tour d’un pâté de maisons. Elle souffrait, elle dormait mal, en dépit des six cachets d’aspirine qu’elle avalait chaque jour. Depuis deux ou trois ans, depuis l’hiver dernier surtout, je lui voyais toujours ces cernes violets, ce nez pincé, ces joues creuses. Rien de grave, disait son médecin, le docteur D. : des troubles du foie, de la paresse intestinale; il prescrivait quelques drogues, de la confiture de tamarine contre la constipation. Je ne m’étonnai pas, ce jour-là, qu’elle se sentît “patraque”; ce qui me peina, c’est qu’elle eût passé un mauvais été. Elle aurait pu villégiaturer fans un hôtel ou dans un couvent qui acceptait des pensionnaires…”

 

 

BeauvoirSimoneDe

Simone de Beauvoir (9 januari 1908 – 14 april 1986)

 

De Nederlandse publicist, schrijver en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Heijne studeerde Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1984 debuteerde hij met de roman Laatste woorden. Hij schreef tussen 1984 en 1992 reisverhalen voor het tijdschrift De Tijd. Een deel van deze verhalen werd later gebundeld in Vreemde reis. Zijn tweede roman, Suez, verscheen in 1992. Heijne is sinds 1991 als essayist verbonden aan NRC Handelsblad, voor welke krant hij sinds 2001 ook om de week een column verzorgt. Zijn essaybundel De wijde wereld werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Hij heeft werk vertaald van Evelyn Waugh, E.M. Forster en Joseph Conrad. In 2003 heeft hij het toneelstuk Van Gogh geschreven dat werd gespeeld door ZT Hollandia.

Uit: Staat Nederland weer in brand?

“In Mimesis, de klassieke studie van Erich Auerbach over hoe de werkelijkheid in de westerse literatuur door de eeuwen heen is verbeeld, wordt een stukje van een zekere Ammianus geciteerd, die een volksopstand beschrijft. Ammianus leefde in de vierde eeuw na Christus, in de nadagen van het Romeinse Rijk, en Auerbach laat zien hoe zijn opzwe
pende taal zich heeft losgemaakt van de werkelijkheid; het is een en al hyperbool en verbale uitzinnigheid in zijn reportage. Ammianus beschrijft de opstand van de massa in zuiver zintuiglijke taal, zonder enige analyse of distantie. Tacitus was al beklemmend, zegt Auerbach, maar ‘hier bij Ammianus is het echter tot een magische en zintuiglijke ontmenselijking gekomen’.

Magisch en somber zintuiglijk, star beeldend en gebarend, noemt Auerbach de stijl van de oude Romein. Die kwalificaties gaan op voor de taal die nu in Nederland gemeengoed is geworden. De grootste Nederlander aller tijden, de puinhopen van acht jaar paars, de vijfde colonne van de geitenneukers, afgeslacht!, ik lust ze rauw, Nederland staat in brand! Het is taal die moet opzwepen, die voor de emotie moet zorgen. Geen wonder dat in zo’n klimaat de hysterische jihadtaal van islamitische extremisten Marokkaans-Nederlandse tieners aanspreekt. Voeg daar nog de eindeloze uitzinnigheid van door verbale doodsdrift bevangen rappers als Tupac aan toe en je begint te begrijpen waarom het in Nederland steeds weer uit de hand loopt. Iedereen doet eraan mee, de actualiteitenkermis van de televisie, de krantenjournalistiek, de politieke celebrities van het nieuwe Nederland, de rabiate loonies op internet. Alleen Ali B. houdt de boel nog een beetje bij elkaar.

In het voortsukkelende debat over de vrijheid van meningsuiting dat na de moord op Van Gogh is ontstaan, draait het vooral om hoever je zou mogen gaan – mag je iemand keer op keer tot op het bot beledigen? De vraag waarom je eigenlijk iemand tot op het bot zou willen beledigen, wordt nauwelijks gesteld. Stel hem wel en je krijgt ongetwijfeld een antwoord vol grote gebaren: het woord moet vrij zijn, niet vogelvrij, enzovoort. Maar dat alles verhult alleen maar wat er in werkelijkheid aan de hand is, dat wat Nederland op dit moment in het buitenland niet zozeer lachwekkend maakt, als wel onrustbarend: dat het woord in Nederland volledig tot emotie geworden is. Oproepen tot matiging heeft dan ook geen zin, want de betekenis van al die snoeiharde taal schuilt nu juist in de woedende heftigheid ervan. Zet de televisie aan en je belandt in een orgie van verbaal geweld. Daarachter: een angstwekkende leegte.”

 

Bas_Heijne

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

 

De Duitse schrijver Benjamin Lebert werd geboren op 9 januari 1982 in Freiburg im Breisgau. Zijn vader stond aan de wieg van de jeugbijlage van de Süddeutschen Zeitung, waar de jonge Benjamin ook enkele bijdragen voor schreef. Door de lector van een bekende Duitse uitgeverij werd de jongen aangemoedigd om een roman te schrijven. Deze roman, Crazy, verscheen al toen Lebert zestien jaar was. Hij beschrijft erin typische adolescentenproplemen, maar ook zijn handicap. De schrijver is aan een kant verlamd. Na het verschijnen van het boek gaf hij aan de New York University een cursus Creative Writing. Intussen verschenen er nog twee romans: Der Vogel ist ein Rabe (2003) und Kannst du (juni 2006). Tegenwoordig woont Lebert in Hamburg.

Uit: Kannst du

“Immer wenn ich traurig bin, versuche ich an Fotoalben zu denken. Immer, wenn ich daran zweifle, ob es gut ist, daß ich existiere, blättere ich in meinem Geiste all die Fotoalben durch, Fotoalben verschiedenster Menschen aus verschiedensten Ländern, in denen zufällig und ohne daß diese Menschen Notiz davon nehmen würden, ein Foto klebt, auf dem ich zu sehen bin.

Fünf japanische Männer vor einem Brunnen in München. Im Hintergrund, am Brunnenrand sitzend: eine dicke, ältere Frau in einer blauen Bluse, die gerade ein Eis schleckt. Zu ihren Füßen, sehnsuchtsvoll zu ihr herauf blickend: ein kleiner Jack-Russel-Terrier. Rechts neben ihr, zwar nicht in ihre Richtung, nicht in Richtung des Eises, doch mindestens genauso sehnsuchtsvoll dreinblickend wie der Hund: ich.

Zwei Schülerinnen an einem winterlichen Tag, an Deck einer Fähre. Um sie herum Leute in dicken Jacken oder Mänteln. Die meisten haben Mützen auf dem Kopf, ihre Hände stecken in Handschuhen. Und alle haben verkniffene Gesichter, weil ihnen der Wind so um die Ohren pfeift. Einer dieser Leute, ein dünner junger Kerl mit blauen Augen und Walkman-Stöpseln im Ohr: ich.

Ein älteres Ehepaar an einem herrlichen Sommertag an der französischen Atlantikküste. Sie hat einen weißen Strohhut auf dem Kopf, er ein Basecap. Beide tragen Strandkleidung und Sonnenbrillen. Er hat seinen Arm um sie gelegt. Über ihnen azurblauer Himmel, hinter ihnen heranrollende Wellen. Seitlich barfuß ins Bild rennend, mit einem Bodysurfbrett unterm Arm, einem von der Sonne verbrannten Oberkörper und einer engen roten Badehose: ich.“

 

Lebert
Benjamin Lebert (Freiburg im Breisgau, 9 januari 1982)

 

 

Zie voor ondertsaande schrijver ook mijn blog van 9 januari 2007.

De Tsjechische schrijver Karel Čapek werd geboren op 9 januari 1890 in Malé Svatoňovice, Bohemen, in de toenmalige dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije.

 

P. C. Hooftprijs 2008 voor Abram de Swaan

De P.C. Hooftprijs 2008 is vrijdag toegekend aan schrijver en socioloog Abram de Swaan.

 

De Nederlandse schrijver en socioloog Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942. De Swaan studeerde politicologie aan de UvA en aan twee Amerikaanse universiteiten: Yale en Berkeley. Hij was redactielid van het studentenblad Propria Cures (1963-’65) en van De Gids. In 1973 promoveerde hij cum laude op het onderwerp coalitievorming, om in hetzelfde jaar nog lector en in 1977 hoogleraar te worden. Tussendoor studeerde hij psychoanalyse en hij werkte daadwerkelijk als psychotherapeut van 1973 tot 1984. Later publiceerde hij over dit onderwerp. Ook heeft hij verschillende gasthoogleraarschappen aan buitenlandse universiteiten bekleed. De Swaan is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen.

 

 

Uit: Amerika in termijnen

 

Vulgariteit

 

“Amerika was het land van de techniek en Europa bezat cultuur. Dat was zo ongeveer de taakverdeling die de westerse mensheid voor de continenten had gemaakt. En als dan de Amerikaanse toeristen kwamen, uiteraard met sigaar en fototoestel en een or-di-nair overhemd, dan gingen wij vlug op de stoep van onze oude kathedraal staan en medelijdend toekijken hoe weinig die Amerikanen wel van onze cultuur begrepen. Het was wel even slikken als ze na het maken van de foto’s wegsuisden in hun 8-cilinder slee, maar wij hadden dan nog altijd onze kathedraal en onze paleizen, .ook al waren we er nooit of in geen jaren binnen geweest. Maar eerlijk is eerlijk, zij geld en techniek en wij geschiedenis en cultuur. De Amerikanen wilden geen spelbrekers zijn en lieten het maar zo. Ze geloofden er eigenlijk zelf ook wel in. Alleen, zo langzamerhand hingen er meer impressionisten in New York dan in Parijs. Goed dat was gekocht met een overvloed van harde dollars, kunst, met geweld. Dat zei nog niets over Amerika’s cultuur. Nog een tijdje later speelden ze Shakespeare beter op Broadway dan in Londen. En er kwamen veel meer mensen kijken. Maar dat was Broadway en dat zat vol neon en bioscopen, dat telt dus niet, dat is commercie, geen cultuur, maar het begon er al wel vervaarlijk op te lijken. Dat de grootste bibliotheken in Amerika staan, dat komt natuurlijk alleen door de dollars, liefde voor de grote getallen en verzameldrift. Dat de beste universiteiten in de Verenigde Staten zijn, dat is uiteraard enkel maar te danken aan de Europese immigranten uit de jaren dertig.
Maar gastvrij was het wel. En hoe komt het dat ze dertig jaar later nóg beter zijn? Alleen maar technisch, raketten, weetje wel. Dat is geen echte cultuur. Dat is meer knutselen met computers. Computers ! Zodra ze overweg konden met het toetsenbord begonnen bijbelgeleerden aan een computeronderzoek naar het auteurschap van de Pentateuch, anderen zochten naar de geheime grondslagen van het schaakspel door het met de machine uit te spelen. Psychologen ontrafelden de motieven voor zelfmoord, taaigeleerden onderzochten gewoonten in het taalgebruik. Bijbel, schaak, zelfmoord en taal, met cultuur heeft dit alles niets van doen: de Amerikanen weten er niets beters mee uit te richten dan optellen en aftrekken, ze willen alles uitrekenen met machines. Het doet er niet toe wat er uit komt, ze missen het wezen van de taal, het wezen van de dingen. Want het wezen is van ons, van Europa.”

 

abramdeswaan

Abram de Swaan (8 januari 1942)

In memoriam Elisabeth Eybers

De Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers is op zaterdag, 1 december, overleden. Zij is 92 jaar geworden. Eybers verruilde Zuid-Afrika in 1961, na haar echtscheiding, voor Nederland. Ze nam ook de Nederlandse nationaliteit aan, maar ze schreef in het Afrikaans en in het Engels. De dood was geen onwelkome gast voor haar, schreef ze ruim twee jaar terug, nadat een zoon van haar was gestorven: ‘Noudat jy swyg is daar niks meer vir my om ooit nog te begeer buiten die tydstip waarop ek dieselfde stilte mag betrek. Elisabeth Françoise Eybers werd geboren in Klerksdorp, Transvaal,  op 16 februari 1915. Ze woonde als kind in een West-Transvaals dorp. Haar vader was daar Nederduits gereformeerd predikant en haar moeder was docente en hoofd van een middelbare meisjesschool. Eybers studeerde van 1932 tot 1936 moderne talen aan de universiteit van Witwatersrand in Johannesburg. Zij ontving diverse onderscheidingen voor haar werk, in Nederland onder meer de PC Hooftprijs in 1991. Zie ook mijn blog van 16 februari 2007.

 

 

Immigrant

Niks as my hande en voete het ek hier,
die res het met die oortog soek geraak:
die katswink hart, die prikkelbare klier,
wat moet mens bowendien met hulle maak?

Om wat verlore is te vergelyk
met die omringende, om klank en lig
te gryp sonder te luister of te kyk
het ek tog nog sintuie aan my gesig.

Ook aan my bors en buikruimte gewaar
ek dat daar vroeër wel iets anders was.
wie het geweet dat leegte ooit so swaar
sou word en onbelemmerdheid so ’n las?

 

 

Ouer word

’n Eindigheid sprei langsaam, ongevra,

’n stipter onderskeiding word van krag.

Wat ek verloor het suig my terug in drome,

hul nagtelike helende verwarring;

wat oorbly dwing my voorwaarts, stoot of dra

my onversetliker van dag tot dag

met afgepaste tydverdryf en werk.

Ek hul my heelheidshalwe in ’n huis

wat stuksgewyse toeslik tot ’n kluis.

 

Iets wat ‘k onthou: eens was ek ’n beminde

kind, tintelend van hiernamaalse onkunde,

deur louter eindeloosheid ingeperk.

 

 

 

Uitsig op die kade

Nouliks vertolkbaar wat hulle my vertel,

spreeus, eksters, meeue, eende, kraaie, al

die ywerige dagloners van die wal,

die reier so afgetrokke opgestel.

 

Ek mis myself steeds minder. Ek bedoel:

as steeds meer buitedinge my gaan boei

dan sintels van inwendige gevoel

tintel dit of ek selfafstotend groei.

 

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop

om te voldoen aan omgekeerde bloei

en leeg genoeg te loop om vol te loop

met wat vanuit hierbuite binnevloei.

 

 

Elisabeth_Eybers

Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007)

In memoriam August Willemsen

De Nederlandse vertaler en schrijver August Willemsen is gisteren overleden. Hij is 71 jaar oud geworden. Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. Willemsen maakte ook naam als schrijver. In 1985 publiceerde hij Braziliaanse Brieven over zijn verblijf in Brazilië. In 1986 ontving hij daar de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor. In 1991 verscheen De val, over zijn drankverslaving en zijn revalidatie na een ongeval en in 1994 De goddelijke kanarie, een lyrische geschiedenis van het Braziliaanse voetbal. Hij werkte aan een biografie van de tragische Braziliaanse stervoetballer Garrincha en aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Zie ook mijn blog van 16 juni 2006 en mijn blog van 16 juni 2007.

.

‘Programma voor na mijn dood’

 

Wanneer ik, na mijn sterven, aankom in de andere wereld,
Zal ik eerst mijn vader en moeder willen kussen, mijn broers en zusjes, mijn opa en oma,
ooms en tantes, neefjes en nichtjes.
Daarna zal ik langdurig een paar vrienden omhelzen – Vasconcelos, Ovalle, Mário…
Ook zou ik graag de heilige Franciscus van Assisi ontmoeten.
Maar wie ben ik? Teveel eer.
Dit gedaan zijnd zal ik verzinken in de aanschouwing van God en zijn glorie,
Vergeten, voor altijd, alle heerlijkheden, pijnen en verbijsteringen
Van dit andere leven aan deze zijde van het graf.

 

 

Manuel Bandeira (vertaald door August Willemsen)

 

 

wilemsen

August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)

 

In Memoriam Boeli van Leeuwen

De Curaçaose schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen is woensdagavond (lokale tijd) op 85-jarige leeftijd overleden. Hij overleed na een kort ziekbed. Van Leeuwen werd op Curaçao geboren op 10 oktober 1922 en was een zoon van de voormalige gouverneur van het eiland. Hij debuteerde in 1959 met ‘De rots der struikeling’, een roman die in 1960 in Nederland werd bekroond met de prestigieuze Vijverbergprijs, de huidige Bordewijkprijs. Van Leeuwen heeft diverse romans geschreven, waaronder ‘Het teken van Jona’ en de verhalenbundel ‘Geniale anarchie’. Op zijn 85ste verjaardag kreeg hij de bijzondere oeuvreprijs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006.

 

Uit: Geniale Anarchie

 

“Miljoenen jaren geleden spoot een machtige fontein vanuit het binnenste der aarde dwars door de zeebodem gloeiende lava sissend omhoog en liet twee stukken diabaas achter, die daarna door microscopisch kleine koraaldiertjes aan elkaar zijn geborduurd. Duizend meter steil omhoogrijzend van de bodem van de oceaan, in de zee geboren en niet afgebrokkeld van het Zuidamerikaanse continent, geeft het eiland aan niemand een claim: in de tijd gezien zijn mens en dier hier gisteren aan komen drijven.
De Spanjaarden noemden het la Isla de los Gigantes en nadat alle bomen waren omgehakt en de indieros de reuzen hadden weggevoerd of doodgeknuppeld zodat er niets meer te stelen viel: la Isla Inútil. Corossol, curacan, corazón, curacao, wie kan vandaag de oorsprong van je naam nog vinden?
Maar terwijl de Spanjaard te gronde is gegaan aan het waanidee dat goud en zilver intrinsieke waarde hebben, is de Hollander hier zout komen halen om zijn haring te behoeden voor bederf. Amsterdam kreeg verlof van de Heren Negentien ‘tot bemachtiginge van het Eylandt Curaçao om te hebben een bequaeme plaetse, daar men sout mocht becomen’, weshalve ik Anno Domini 1989 op het eiland een verhaal voor u zit te schrijven…

 

VanLeeuwen

Boeli  van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)

Frédéric Leroy, Jules Deelder, Laurence Sterne, Cissy van Marxveldt, Arundhati Roy, Carlo Collodi

De Vlaamse dichter (en voedingsbiotechnoloog) Frédéric Leroy ontving vandaag in Brugge de Prijs Letterkunde 2007 van de Provincie West-Vlaanderen voor zijn bundel “Lucifer en het grote belang (van kleine rituelen)”. Zie ook mijn blog van 2 december 2006. 

 

Kleine ode aan de verloren tijd

Deur die opent. Stappen. Deur die sluit.
De zure geur van houten kasten en de wijze
waarop licht in oude gebouwen zichzelf dooddrukt
tegen muren, documentarisch wordt, onwerkelijk
als een foetus op sterk water. Deur die opent.

(Maar waarom toch altijd de verloren tijd
het scherpst in mijn geheugen gegrift wordt:
het wandelen, het wachten, het nagelbijten,
het staren naar de straatstenen – en de rest,
dat wat men al snel sleutelmomenten noemt,
een lijstje, een overhoop gegooide chronologie?)

Deur die sluit. Uitspraak. Stappen.
Schouderklopjes. De onaangepaste kleur
van mijn schoenen.

 

frederic

Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook mijn blog van 24 november 2006.

 

Blues on tuesday

Geen geld.
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weet.

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

 

 

Aan de Maas

Aan de Maas gezeten
turend in het zwerk
het stadsgeraas geweken
ontstijgt men aan zichzelf

Op hoger plan gekomen
wiekend door de lucht
de zwaartekracht te boven
vindt men een ander terug

O vogel van verlangen
wiegend op de wind
verlos ons van elkander
en van elkaars gewicht

 

 

Bokswereld

Half Moon Inn
San Diego California

Op het gazon rond
het zwembad groepen ze samen
de gok- sex- en horecaf-
bazen doen zaken

Soms laat er een
zich voorzichtig te water
Van ver klinkt de stem
van Bep van Klaveren

“Ik gaf ‘m een hóek …
Hij hep nóoit meer gebokst”
De temperatuur loopt op
tot 26 graden

 

Deelder

Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 24 november 2006.

 

De Engels-Ierse schrijver Laurence Sterne werd geboren op 24 november 1713 in Clonmel, Tipperary, Ierland.

 

De Nederlandse schrijfster Cissy van Marxveldt werd geboren in Oranjewoud op 24 november 1889.

 

De Indiase schrijfster Arundhati Roy werd geboren op 24 november 1961 in Shillong.

 

De Italiaanse schrijver Carlo Collodi werd als Carlo Lorenzi op 24 november 1826 in Florence geboren.