In memoriam Oriana Fallaci


Gisteren overleed in Florence de Italiaanse journaliste, publiciste en schrijfster Oriana Fallaci op 77-jarige leeftijd aan kanker. Tijdens haar lange en succesvolle journalistieke loopbaan interviewde zij op scherpe, onomwonden wijze diverse prominente personen zoals onder meer Willy Brandt, Indira Gandhi, Henry Kissinger, ayatollah Khomeini en Yasser Arafat. Zij verkreeg later ook bekendheid met een reeks kritische boeken over radicale vormen van de islam, waaronder De woede en de trots. Tot haar bekendste boeken behoren  ,,Brief aan een nooit geboren kind” uit 1975, over een abortus die ze onderging, het vier jaar later verschenen ,,Een man”, over een leider van het verzet tegen het Griekse kolonelsregime, met wie ze enige tijd getrouwd was, en ,,Insjallah” (1990), over de Libanese burgeroorlog.

 

Citaten:

 

Listening to someone talk isn’t at all like listening to their words played over on a machine. What you hear when you have a face before you is never what you hear when you have before you a winding tape.

 

With our progress we have destroyed our only weapon against tedium: that rare weakness we call imagination

 

To have realized your dream makes you feel lost.

 

I always introduce myself as an encyclopedia of defects which I do not deny. Why should I? It took me a whole life to build myself as I am.

 

 

 

 

Oriana Fallaci (29 juni 1929 – 15 september 2006)

 

Nine-Eleven / 11 September

 

9/11 Heeft, zeker in Amerika tot een vloed van gedichten geleid, te vinden op heel wat websites. Zowel “gewone burgers” als erkende dichters grepen naar de pen. Op deze vijfde verjaardag hier een kleine selectie uit het werk van de “professionals” .

 

 

 

What Do We Tell the Children?

If we can’t promise
That it will never happen again,
Or that it won’t, if it happens again,
Happen to them,
Or that if it does happen again,
And this time to them,
We will come save them,
Or that, if we can’t save them,
Somebody else will,
Or that, if no one can save them,
It won’t hurt,
Or it won’t hurt that much,
Or it won’t hurt that long,
Could we tell them
To please stop asking so many questions?

 

Judith Viorst

 

Going To Work

On their daily trips
Commuters shed tears now
Use American flags
Like veiled women
To hide their sorrows
Rush to buy throwaway cameras
To capture your twin ghosts
Frantically I too
Purchase your memory
On post cards & coffee mugs
In New York City souvenir shops
Afraid I’ll forget your façade
Forget my hallowed Sunday
Morning Path Train rides
My subway travels through
The center of your belly
Afraid I’ll forget your power
To transform helicopters
Into ladybugs gliding in the air
To turn New York City
Into a breathing map

To display the curvature
Of our world

 

Nancy Mercado

 

September 15, 2001, Lower Manhattan
at Pine and William Streets

Four days later, near the hollow
between standing buildings–but not
near enough, or too near–the pale
ash lay on cars, awnings, architraves,
hubcaps, on the high lamps’ long
aluminum arms, in sidewalk crevices, on
curbstones, gutters, grills, ledges under
the plateglass windows of investment
banks, on manholes, drains, fire
hydrants, in cracks on macadam beside
marble steps up to the modern sculpture
whose bronze geometry blurred in dust;
in every wire twist of fence round wild
weeds in a vacant lot, each grass stem spiked
with fake white snow or spilled paint dulling
the green, and bits of flying paper, larger
gray flakes, blew–“Millenium Hotel,” the rates
for luxury suites–impaled on auto antennae,
flattened on walls or stuck in street mud, while
everywhere the nearly invisible mist of ash
kept falling onto eyelids, brows, hair:
entering nostrils, ears, mouths, the utterly
pulverized, pure, fine atoms of bodies
of the dead sat on the tongues of the living.

 

Jane Augustine

In memoriam Hubert Lampo

In Memoriam

De Belgische schrijver Hubert Lampo is op 85-jarige leeftijd overleden. Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: De man die onderdook

“Toen, voor de eerste maal tijdens dit hele avontuur, heb ik me angstig gevoeld, – een korte wijl althans. De lamp had ik gedoofd; het gevoel van haar lichaam onder mijn vervoerde handen had me reeds te veel geschenen en ook enige schroom had me er trouwens toe gedreven. Hoewel er aanvankelijk een diepe loomheid over me kwam, huiverde er plots een dwaze twijfel door me heen en schielijk trok ik de hand terug, waarmede ik nog steeds haar flanken streelde. Gruwzaam stond het beeld van de oude vrouw in de trein me weer voor de geest.
Ik rilde en schoof terzijde, beluisterde met tot in de keel bonzend hart haar moeizame, enigszins ruige adem, welke me aan deze van een asthmalijder denken deed. Aarzelend zocht opnieuw mijn hand haar lichaam. Mijn spieren versteven van louter walg, mijn koude huid trok samen: langzaam onder mijn aanraking voelde ik dit begerenswaardige lichaam verslappen tot een massa zonder innerlijke weerstand of veerkracht, terwijl een weeë, ongezonde geur van ouderdom en organische ontbinding me tegensloeg. In een uiterste inspanning richtte ik me op, verliet het ledikant en rukte de dichtgeschoven gordijnen open. Het weefsel verpulverde in mijn bevende greep. Een kille schemering vulde het vertrek en met walg herkende ik de matrone uit de trein, kwalachtig in haar vetplooien, weerzinwekkend in haar onbeschaamde, blauw dooraderde naaktheid.

Nauwelijks kon ik een kreet van verbijstering en afkeer onderdrukken en wilde vluchten, ofschoon ik niet wist waarheen.
Hier vallen mijn herinneringen stil. Wat er verder met me gebeurd is, weet ik niet, – of veeleer: ik kan geen vrede nemen met wat ik weet. Trouwens, waarom zou ik me in speculatieve beschouwingen verdiepen? Ik weet, dat er een wereld is, die verder reikt dan het koele uiterlijk der dingen, verder dan de grens van onze zintuigen, mijn onbekende vriend. Je zoudt me kunnen vragen, wat er achteraf met me gebeurd is, hoe ik terug de weg vond, naar wat wij hovaardig de werkelijkheid noemen. Hierop kan ik alleen antwoorden, dat ik het niet weet en het nooit weten zal. Waar de tijd stilvalt en we onderduiken in het verzonken continent, – wellicht het land waarheen de armen van geest wederkeren, rijker dan één van ons het vermoeden kan -, dat in ons is, baat de redenering met onze schamele praemissen van één en één is twee niet meer. Daarom, ik bid je, stel me geen verdere vragen thans en weet, dat ik je onuitsprekelijk dankbaar ben voor je geduld… Ik moet je nu vaarwel zeggen, – of neen, tot wederziens, want wie weet of ééns, ééns…”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Zie het bericht in De Standaard

 

 

P. C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge

Op vrijdag 19 mei 2006 werd in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge voor zijn gehele oeuvre.. H. C. ten Berge (Eigenlijk: Johannes Cornelis) werd geboren in Alkmaar op 24 december 1938. Zie ook alle tags voor H. C. ten Berge op dit blog.

De P.C. Hooftprijs is een jaarlijkse oeuvreprijs die afwisselend bestemd is voor een dichter, een prozaschrijver of een essayist. In 2005 was de belangrijke literaire prijs voor Frédéric Bastet, onder meer biograaf van Louis Couperus. De laatste dichter die de prijs in de wacht sleepte, was H.H. ter Balkt (2003).

Dorp in lentestemming

Nu de wijven
Schutteldoeken uit het telraam
Van hun mager a b c
Hoe innemend de haat kraait, de vliesdunne wrevel

Bij donker alleen met de rook
Het gebaar voor de spiegel
De baltsende vogel vergaat
In het vuur van haar bloot

Ah de muis in haar hand de beminde
Die klautert en klimt
In haar adem

Het lichaam staat groot
Voor zijn beeld, en alleen
Het wordt oud, tot schrikbeeld verkild
Tegen glas aangedrukt

Gekooid in verbeten geween.

 

De laatste modernist

Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen
maar dronk een glas wijn bij het vuur.

Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
maar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

Hij moest nog een meesterwerk scheppen
maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

Hij droomde een mes in de strot van de poolvos
maar priemde een balpen door kringlooppapier.

Hij tartte het weer en de wereld, verachtte de god van de vader
maar zag dat ook zijn naam stilaan verdween.

Hij strooide ze rond, explosies van kleuren, vermetele beelden,
maar hoorde blasfemische echo’s vol spot.

Hij wist zich op weg naar de hemel
maar stuitte op plaksterren aan het plafond.

Hij dacht aan een lichaam volleerd in de liefde
maar lag naast een lijf dat niks wou.

Hij schiep zich een ijstijd, massale sterfte, beelden van leegte
en bijtende kou op de rand van haast niets,

Maar onbegrensd, in zoiets als een ruimte
die iedereen huiverend mijdt.

Hij zocht wat hij vond: het kleinste detail en het grote gebaar,
een zin die versmolt, een beeld dat bevroor –

Elk woord lag volmaakt in de mond
maar verkleumd zocht een hand naar de hand van een vrouw.

O, dat er een eind aan kwam!

De laatste modernist te zijn
die z’n ziel aan een ijzige demon verpandt.

 

Slechtzittend gedicht

Achter brillen met geschilderde pupillen
worden doordeweekse daden uitgedacht.

‘Hoe eensgezind spannen zij samen.’

Blank gebolsterd, ruw van pit
weet men zich op zondag voor de heer
verschoond en opgewit;
de eigen lijven achter eigen borrels, bijbels
en bloedeigen boerenwijven.

‘Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert’

Beter dwalen ten hele
dan weer ten halve gekeerd.

Jij blijft zitten waar je zit
en herinnert je de coca-
coladoppen in de ogen van Egyptische kamelen.

 
H. C. ten Berge (Alkmaar, 24 december 1938)

VSB Poëzieprijs 2006 voor Mark Boog

De jaarlijkse VSB Poëzieprijs is afgelopen vrijdagavond in De Rode Hoed in Amsterdam uitgereikt aan Mark Boog (1970) voor zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden (2005). De prijs bedraagt 25 duizend euro.

Mark Boog studeerde korte tijd Kunstmatige Intelligentie in zijn geboorteplaats Utrecht en werkte daarna even bij de PTT. In 1995 debuteerde hij als dichter in het tijdschrift De Appel. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft uitgaf. In 2000 verscheen Boogs eerste dichtbundel “Alsof er iets gebeurt” (2000), waarvoor hij de C. Buddingh’-Prijs won. Later verschenen de bundels “Zo helder zagen we het zelden”  (2002), “Luid overigens de noodklok (2003)“, “Seizoenen” (2005) en “Landman” (2006). Daarnaast publiceerde hij de romans “De Vuistslag” (2001), “De warmte van het zelfbedrog” (2002) en “De helft van liefde” (2005).

Zinloosheid

De zinloosheid staat als een kerk
om me heen. Natuurlijk niemand
op de kansel, of misschien een
wereld, generatie, wat dan ook.

Het zegt me niets. Toch vind ik
zin in het bekijken van de lege
nissen waar de beelden stonden.
Werkeloze kaarsen wachtend.

IJl de kerk, gewichtloos het dak,
en hoog, hemelhoog het licht,
bijna doorzichtig. Luchtspiegeling,

toevallig vormgegeven niets dat
in andere tijdsgangen slapend
was gebleven. Huis van mensen.

 

© Mark Boog, 2000   Alsof er iets gebeurt

 

LIEFDE

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

© Mark Boog, 2005   De encyclopedie van de grote woorden

Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)

In memoriam Gerard Reve 3

Bij dit derde in memoriam zal ik het laten, al zou het bij Gerard Reve passen om een heel octaaf aan hem te wijden, van Palmzondag tot en met Pasen. Acht was zijn geluksgetal ook. Ik hoop maar dat hij, eenmaal hier boven, deze drie ook niet erg vindt, immers: ‘En nu blijven Hermans, Mulisch en Reve, deze drie; doch het meeste van deze is Reve.’ ,om de apostel Paulus te parafraseren. (1 Cor. 13:13).

Reve lees ik al sinds begin jaren 70 en heeft van alle Nederlandse prozaschrijvers tot nu toe mij het meeste leesplezier verschaft, troost ook vaak en bemoediging en inspiratie. Zaken die ik normaal gesproken meer in poëzie zoek dan in proza. Overigens wees Kees Fens er gisteren in het radioprogramma “Met het oog op morgen” terecht op dat zijn gedichten niet onderschat mogen worden.

Ook kenschetste hij Reves proza als lyrisch van aard, waarbij we dan toch weer terug zijn bij de poëzie. Angst en wanhoop worden in heel Reves werk voortdurend bezworen, zoals in de eerste twee gedichten, maar als laatste kies ik hier toch maar “De blijde boodschap”:

 

Op mijn ouderdom

 

Indien ik nog geruime tijd leef, word ik een oud man.

De wanhoop is nog groter geworden, maar veelvuldiger dan ooit

word ik aangezocht inleidingen, lezingen, hallo,

voordrachten uit eigen werk 

te komen houden voor inrichtingen van onderwijs.

Om mijn geitestrot hangt de te wijde boord

van het smetteloze overhemd,

waarop de das met streepjes.

Soms, als de samenkomst, wegens fraai weder,

in de tuin van de campus wordt gehouden,

ben ik de enige die het koud krijgt

en huivert in zijn boers nieuw, duur donkerblauw en aangemeten pak:

het vuur in mij brandt nog maar laag.

Een meisje schrijft alles op, en als ik zeg:

Die en die, die vind ik wel een groot dichter,

dan schrijft ze neer, in groot en leesbaar schrift:

“Die en die is een groot dichter”.

Als ik mijn eigen door de Dood naar mij teruggevoerde stem hoor,

wil ik schreeuwen dat het geen zin heeft nu allen dood zijn,

en dat ik naar huis wil.

Maar wie begrijpt dat.

Plotseling staat de wind stil, en is er een schaduw over alles,

en hijg ik van angst, maar voor wie of wat dan toch, in godsnaam?

 

 

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U

 

De Blijde Boodschap

 

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,

en dacht: “Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken

van het toenemend verval der zeden?”

En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al:

decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;

influenza filmi i cinema bestiale

contra sacrissima matrimoniacale

criminale atheistarum rerum novarum, 

(et cum spiritu tuo), cortomo:

nix aan de handa.

Het was jammer, dat het zo kort duurde.

Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.

Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog

het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:

“Waar hebben wij het aan verdiend?”

 

Gerard Reve