In Memoriam Ed Leeflang

In Memoriam Ed Leeflang

Afgelopen maandag 17 maart stierf in zijn woonplaats Amsterdam dichter en docent Nederlands Ed Leeflang. Het moment van overlijden heeft hijzelf verkozen; Leeflang was al geruime tijd ernstig ziek en hij had veel pijn. Leeflang heeft nog tot het laatst aan een nieuwe bundel poëzie gewerkt, maar helaas heeft hij die niet meer kunnen voltooien. Zijn laatste publicatie is de bibliofiele bundel Eenden op één nacht ijs (2000). Zie ook mijn blog van 21 juni 2007.

 

 

Waarom de wind zo boos is

Waarom de wind zo boos is
weet ook zij niet, evenmin

waarom de vaders weggaan

en de moeders weer zijn opgenomen.

 

Ze raapt veel op.

 

Ze zegt: dit is mijn lievelingsmuziek
en laat het horen.

 

Ze zingt dwars door de klas: waarom
is het hier nu zo druk,

ik praat mezelf een ongeluk

 

Ze moeten lachen.

 

Wie het bangste is
om weer naar huis te gaan

mag helpen opruimen;

dan valt de avond minder

plompverloren.

 

Al haar lesstof is geordend
om de vraag, op geen examen

ooit gesteld: hoe leer je ze

vergeten dat ze in verkeerde

plannen zijn geboren.

 

Het moorden kent zijn tijd,
na vieren, zijn plaats, op straat,

zijn doel, tweemaal per week

de ondergang van iemand die

ook kind is, maar in doodsnood

niet eens vlucht of bijt.

 

 

De vader van de baby Constantijn

De vader van de baby Constantijn, wat hem
voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
Precieze dromen moet ik ’s nachts wel uit,
naar de keuken en ik wil dan nog een uur
op een bevriende stoel.

Niet de geringste engel zou er voor
hebben gevoeld verder te gaan
met haar broze, bedreigde lichaam.

Hij heeft veel te veel bedoeld.
Ik kom niet uit met zijn stoïsch verdriet
en niet met zijn troostrijke orde.

Hoe waar zijn die in zijn huis
trouwens geworden?

Want de moeder schreef het niet.

 

 

Hij stelt het elke dag geërgerd vast

Hij stelt het elke dag geërgerd vast;
zij zijn niet multicultureel geboren,
vormen geen symbiose maar een klas
Hij kent van hun thuislanden de folklore
en de Verlichting heeft hem achteraf verrast.

Wil hij het westen nog wel toebehoren,
want dat stelt boven vroomheid intellect;
nog nooit heeft hij een kind verwekt,
deed hij het, liefst zou hij het
historieloos en statenloos een goede
wilde van de Randstad laten.

Een leerplan van toevalligheden
zou van de dagen leerstof moeten maken,
de koning der analfabeten zou bevelen
de maanstand, de eetbare planten,
de kunst van het sterven te weten.

 

leeflang

 Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

In Memoriam Jan Eijkelboom

In Memoriam Jan Eijkelboom

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist  Jan Eijkelboom is vandaag overleden. Hij is 81 jaar geworden.

Er was die droom

Er was die droom. Ik kwam van ’t veer,
liep halfbevreesd al op de Nieuwe Haven.
Opeens moest ik gaan hollen toen de pont
een kwaaie zwaan geworden was
die met een rode bek en zwarte ogen
aan eindeloze hals mij sissend achtervolgde.
Mijn jongensbenen konden die zware
angst bijna niet tillen. Traag rende
ik een lange smalle brug op, ’t water over,
maar middenin ging net de klep omhoog.

Ook jij had eens die droom,
vertelde je me later.
Had ik hem jou verteld omdat je jonger was
en ik je bang wou maken?
Ik loop nu onbedreigd over dezelfde brug
en kan je niet meer vragen
of we die angst ooit samen deelden
of dat je ’t toen je toch al stierf
weer was vergeten.

 

janEijkelboom

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

Hella Haasse 90 jaar! James Joyce, Eriek Verpale, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand

Hella Haasse 90 jaar!

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Dat is vandaag precies 90 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

Uit: Oeroeg

 

‘Je moet maar een verlanglijst maken,’ begon mijn vader. Ik knikte. Ik was van plan voor Oeroeg en mij buksen te vragen, die wij mee op jacht zouden kunnen nemen, maar ik betwijfelde sterk, of mijn vader de noodzaak van een dergelijk geschenk zou inzien. ‘Over een paar maanden krijg ik verlof,’ ging mijn vader voort. ‘Ik wil graag wat gaan reizen, wat van de wereld zien, nu ik het me nog kan permitteren. Je begrijpt wel, dat ik je niet mee kan nemen. Ik heb er over gedacht om je naar Holland te sturen, naar een kostschool of iets dergelijks. Aan het eind van deze cursus doe je toelatingsexamen, dan zul je toch naar de HBS moeten. En het leven hier…’ hij maakte een gebaar om zich heen. ‘Je komt veel te kort, op deze manier. Je verindischt helemaal, dat hindert me.’ Ik zette me schrap bij de wastafel. ‘Ik wil niet naar Holland,’ stootte ik uit. De verhalen van Gerard flitsten mij door het hoofd: regen en kou, bedompte kamers, saaie stadsstraten. ‘Ik wil hier blijven,’ herhaalde ik, ‘en Oeroeg…’ Mijn vader onderbrak me met een ongeduldige beweging. ‘Oeroeg, Oeroeg,’ zei hij, ‘altijd Oeroeg. Je zult ééns zonder Oeroeg moeten. Die vriendschap duurt me lang genoeg. Ga je nooit om met jongens uit je klas? Vraag er een paar hier, als je jarig bent. Ze kunnen gehaald en thuisgebracht worden met de auto. Ik begrijp wel, dat je aan Oeroeg gehecht bent,’ voegde hij er aan toe, toen hij mijn gezicht zag. ‘Het was ook onvermijdelijk. Ik moest iets voor die jongen doen. Maar Oeroeg gaat aan het werk, als hij van school komt, en jij moet verder leren. Bovendien -’ hij aarzelde even, vóór hij er aan toevoegde: ‘Je kunt dat toch begrijpen, jongen. Jij bent een Europeaan.’ – Ik dacht er over, maar de belangrijkheid van dit laatste feit, dat ik een Europeaan was, vermocht niet tot mij door te dringen.

(……)

‘Oeroeg zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend uit de bomen. Ik weet niet echt hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde me niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten. Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen; zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef.Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. ‘Ga weg; zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’

 

Haasse2

Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006.

Uit: Ulysses

“He mounted to the parapet again and gazed out over Dublin bay, his fair oakpale hair stirring slightly.–

—-
–God, he said quietly. Isn’t the sea what Algy calls it: a grey sweet mother? The snotgreen sea. The scrotumtightening sea. Epi oinopa ponton. Ah, Dedalus, the Greeks. I must teach you. You must read them in the original. Thalatta! Thalatta! She is our great sweet mother. Come and look.

Stephen stood up and went over to the parapet. Leaning on it he looked down on the water and on the mailboat clearing the harbour mouth of Kingstown.

–Our mighty mother, Buck Mulligan said.

He turned abruptly his great searching eyes from the sea to Stephen’s face.

–The aunt thinks you killed your mother, he said. That’s why she won’t let me have anything to do with you.

–Someone killed her, Stephen said gloomily.

–You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I’m hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you . . .

He broke off and lathered again lightly his farther cheek. A tolerant smile curled his lips.

–But a lovely mummer, he murmured to himself. Kinch, the loveliest mummer of them all.

He shaved evenly and with care, in silence, seriously.

Stephen, an elbow rested on the jagged granite, leaned his palm against his brow and gazed at the fraying edge of his shiny black coat-sleeve. Pain, that was not yet the pain of love, fretted his heart. Silently, in a dream she had come to him after her death, her wasted body within its loose brown grave-clothes giving off an odour of wax and rosewood, her breath, that had bent upon him, mute, reproachful, a faint odour of wetted ashes. Across the threadbare cuffedge he saw the sea hailed as a great sweet mother by the wellfed voice beside him. The ring of bay and skyline held a dull green mass of liquid. A bowl of white china had stood beside her deathbed holding the green sluggish bile which she had torn up from her rotting liver by fits of loud groaning vomiting.”

james-joyce-by-jacque-emile-blanche

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Geschilderd door Jacque Emile Blanche

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Lied der scheepvaart

Ze wilden wel nog iets zeggen

maar niet zoveel: met andere woorden

misschien scherpe ankers slaan

in het dure weefwerk van hun geweten.

 

En ze dróómden het natuurlijk nog wel:

elkander met een voorzichtige hand

binnen praaiafstand naar oud verlangen

loodsen.

 

Nog een oceaan van tijd, dachten ze,

ligt voor ons open. In het vooronder van een rok

zouden weldra weer handen streng de wacht

of wild van stapel lopen.

 

Maar ik zag het inmiddels wel:

hoe overboord gegooid

en buiten enterbereik reeds

hun laatste gebaren dreven,

zodat ik wist: aan dit tij

valt niets meer te keren.

 

Verpale

Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

For the
last wolverine

They will soon be down

To one, but he still will be
For a little while still will be stopping

The flakes in the air with a look,
Surrounding himself with the silence
Of whitening snarls. Let him eat
The last red meal of the condemned

To extinction, tearing the guts

From an elk. Yet that is not enough
For me. I would have him eat

The heart, and, from it, have an idea
Stream into his gnawing head
That he no longer has a thing
To lose, and so can walk

Out into the open, in the full

Pale of the sub-Arctic sun
Where a single spruce tree is dying

Higher and higher. Let him climb it
With all his meanness and strength.
Lord, we have come to the end
Of this kind of vision of heaven,

As the sky breaks open

Its fans around him and shimmers
And into its northern gates he rises

Snarling complete in the joy of a weasel
With an elk’s horned heart in his stomach
Looking straight into the eternal
Blue, where he hauls his kind. I would have it all

My way: at the top of that tree I place

The New World’s last eagle
Hunched in mangy feathers giving

Up on the theory of flight.
Dear God of the wildness of poetry, let them mate
To the death in the rotten branches,
Let the tree sway and burst into flame

And mingle them, crackling with feathers,

In crownfire. Let something come
Of it something gigantic legendary

Rise beyond reason over hills
Of ice SCREAMING that it cannot die,
That it has come back, this time
On wings, and will spare no earthly thing:

That it will hover, made purely of northern

Lights, at dusk and fall
On men building roads: will perch

On the moose’s horn like a falcon
Riding into battle into holy war against
Screaming railroad crews: will pull
Whole traplines like fibers from the snow

In the long-jawed night of fur trappers.

But, small, filthy, unwinged,
You will soon be crouching

Alone, with maybe some dim racial notion
Of being the last, but none of how much
Your unnoticed going will mean:
How much the timid poem needs

The mindless explosion of your rage,

The glutton’s internal fire the elk’s
Heart in the belly, sprouting wings,

The pact of the “blind swallowing
Thing,” with himself, to eat
The world, and not to be driven off it
Until it is gone, even if it takes

Forever. I take you as you are

And make of you what I will,
Skunk-bear, carcajou, bloodthirsty

Non-survivor.

Lord, let me die but not die
Out.

 

JamesDickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Orange in green skin

When Autumn nears,
I like the scent of the orange’s skin,
Still green, on my hand after peeling,
The perfume lingers.

Oh! Yellow flesh is sweet,
And the skin is not in a hurry,
Bitterness breaks in the nose
Like a wave of perfume.

In my youth, out of duty,
I returned from far away
Like Autumn nearing,
Crazy with first love.

My hand is eager,
Across thousands of miles of missing love.
For the excitement of peeling
An orange in green skin.

Dieu2

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 2 februari 2007

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905.

 

 

P. C. Hooftprijs 2008 voor Abram de Swaan

De P.C. Hooftprijs 2008 is vrijdag toegekend aan schrijver en socioloog Abram de Swaan.

 

De Nederlandse schrijver en socioloog Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942. De Swaan studeerde politicologie aan de UvA en aan twee Amerikaanse universiteiten: Yale en Berkeley. Hij was redactielid van het studentenblad Propria Cures (1963-’65) en van De Gids. In 1973 promoveerde hij cum laude op het onderwerp coalitievorming, om in hetzelfde jaar nog lector en in 1977 hoogleraar te worden. Tussendoor studeerde hij psychoanalyse en hij werkte daadwerkelijk als psychotherapeut van 1973 tot 1984. Later publiceerde hij over dit onderwerp. Ook heeft hij verschillende gasthoogleraarschappen aan buitenlandse universiteiten bekleed. De Swaan is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen.

 

 

Uit: Amerika in termijnen

 

Vulgariteit

 

“Amerika was het land van de techniek en Europa bezat cultuur. Dat was zo ongeveer de taakverdeling die de westerse mensheid voor de continenten had gemaakt. En als dan de Amerikaanse toeristen kwamen, uiteraard met sigaar en fototoestel en een or-di-nair overhemd, dan gingen wij vlug op de stoep van onze oude kathedraal staan en medelijdend toekijken hoe weinig die Amerikanen wel van onze cultuur begrepen. Het was wel even slikken als ze na het maken van de foto’s wegsuisden in hun 8-cilinder slee, maar wij hadden dan nog altijd onze kathedraal en onze paleizen, .ook al waren we er nooit of in geen jaren binnen geweest. Maar eerlijk is eerlijk, zij geld en techniek en wij geschiedenis en cultuur. De Amerikanen wilden geen spelbrekers zijn en lieten het maar zo. Ze geloofden er eigenlijk zelf ook wel in. Alleen, zo langzamerhand hingen er meer impressionisten in New York dan in Parijs. Goed dat was gekocht met een overvloed van harde dollars, kunst, met geweld. Dat zei nog niets over Amerika’s cultuur. Nog een tijdje later speelden ze Shakespeare beter op Broadway dan in Londen. En er kwamen veel meer mensen kijken. Maar dat was Broadway en dat zat vol neon en bioscopen, dat telt dus niet, dat is commercie, geen cultuur, maar het begon er al wel vervaarlijk op te lijken. Dat de grootste bibliotheken in Amerika staan, dat komt natuurlijk alleen door de dollars, liefde voor de grote getallen en verzameldrift. Dat de beste universiteiten in de Verenigde Staten zijn, dat is uiteraard enkel maar te danken aan de Europese immigranten uit de jaren dertig.
Maar gastvrij was het wel. En hoe komt het dat ze dertig jaar later nóg beter zijn? Alleen maar technisch, raketten, weetje wel. Dat is geen echte cultuur. Dat is meer knutselen met computers. Computers ! Zodra ze overweg konden met het toetsenbord begonnen bijbelgeleerden aan een computeronderzoek naar het auteurschap van de Pentateuch, anderen zochten naar de geheime grondslagen van het schaakspel door het met de machine uit te spelen. Psychologen ontrafelden de motieven voor zelfmoord, taaigeleerden onderzochten gewoonten in het taalgebruik. Bijbel, schaak, zelfmoord en taal, met cultuur heeft dit alles niets van doen: de Amerikanen weten er niets beters mee uit te richten dan optellen en aftrekken, ze willen alles uitrekenen met machines. Het doet er niet toe wat er uit komt, ze missen het wezen van de taal, het wezen van de dingen. Want het wezen is van ons, van Europa.”

 

abramdeswaan

Abram de Swaan (8 januari 1942)

In memoriam Norman Mailer

Hedenmorgen is de Amerikaanse schrijver Norman Mailer op 84-jarige leeftijd overleden. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Uit: The Time of Our Time

“In America, the mood is almost gay. A trifle nauseated, but gay, like a rough trip on an amusement ride. Once again, the American spirit is investing in a matter about which few knew anything, yet the ignorant were certain they would keep being rewarded. . .

Yes, Hillary has suffered humiliations on a scale few women in history can match. Yet, there it is. She comes out early on the morning of Bill’s State of the Union speech and defends her man with fury, conviction, and purpose. He–like O. J. Simpson–is “100 percent not guilty.” Her man is not guilty. Hillary is on the way to becoming a legend. How many millions of wives in America are now obliged to say to themselves: Could I ever defend my guy like that? Hillary is wonderful.

Hillary is wonderful. She not only defends, she attacks. She speaks of a right-wing conspiracy to destroy her husband. It satisfies our deep need in America to find a new conspiracy every year.

What powerful instincts are in Hillary. The first lady’s features, when studied, are remarkable. On the brow and mouth of very few women is written so vast and huge a desire for power. Of course, she is loyal to her Bill, loyal certainly by her good side, but even more loyal out of darker and more powerful urges. For if she remains loyal to him she will yet become a legend in America, and that is necessary to satisfy what may be her true aim–to become the first woman elected president of the United States.

If Al Gore should win and have two terms, then the year is 2008. Should Gore not win in the year 2000, then 2004 is her moment. The price is to be loyal to a man she might prefer to brain with a brick. She must know the old Italian saying: “Revenge is a dish that people of taste eat cold.” How much better to wait and put him in a position of being First Man. Bill will not feel comfortable to find himself in Denis Thatcher’s old slot. . .

Under Clinton, the rich got vastly richer. All the while, on his spiritual saxophone, Clinton played tender resonant ballads for blacks and women. Some of them even got high-end jobs. It was gilt-edged tokenism. Measured as a Democrat, however, who might retain some real social purpose, he was a dork and a nerd.

On the other hand, but for the possible exception of Hillary, he was the most powerful Clintonite in the country; he was, indeed, a mighty lion of a Clintonite–he was his own most important and powerful project. That is true of more than a few of us. The crucial difference here is that Clinton is most mighty as a lion when his favorite project, himself, is threatened. He is at his best when wounded. How many can say that? Yes, he certainly comes through when it is a matter of projecting for one dramatic night what a wonderful all-seeing, all-doing American president he is. . .

Does it matter that now it is a younger woman under the media gun and he is now commander in chief? The great question merely deepens: How can he, Bill Clinton, endanger his presidency so? Of course, men take weird chances when the navigator at the center of oneself whispers in the dream: Kid, your cancer is near.

For some, the cure for cancer is to visit the moon of moral peril. If the cause of cancer is undissolved shame, and cancer is a revolt of the cells against the hegemony of the CEO (that mysterious Chief Ego Officer who runs the body), then it may be that Clinton is full of undissolved shame. Let us warrant that it is not because of oral sex.

His shame, if he has any, is that he has never been able to stand up to the big money. He is powerless before men of huge financial size. Face to face with such buckos, the wind dies and the proud flag on the flagship commences to droop. As Monica Lewinsky is to Bill Clinton, so is Clinton to the big money–just a kid trying to earn his presidential knee-pads. 

norman_l

Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007) 

In memoriam Jan Wolkers

De Nederlandse schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers is vrijdagmorgen, 19 oktober 2007, om 1.30 uur, overleden. Hij was 81 jaar

Uit: Terug naar Oegstgeest

“Toen ik een halfjaar was kreeg ik bronchitis. ‘De wieg schudde van het hoesten’, zei mijn moeder. ‘Je werd er angstig van. Het was net of er een oude man in lag te kuchen.’ Naast mijn wieg werd een koperen kroepketel gezet. Als hij aangestoken was en het water ging koken, werd de lange gebogen tuit door een spleet in de gordijnen naar binnen gestoken en stroomde de stoom mijn wieg in. Ik heb nu nog angstige dromen dat ik drijfnat van het zweet wakker word uit een tropisch oerwoud waar de verstikkende waterdamp door het dichte bladerdak wordt tegengehouden. En altijd krijsen er die waanzinnige vogels. ‘Je vader en ik waren al bang dat er iets niet in orde was met dat ding, want als het water hard kookte maakte hij een piepend geluid’, zei mijn moeder later. ‘Net of er iets in die tuit zat.’ Toen hij een paar keer gebruikt was spoot het soldeerlood met het hete water tegen mijn linkerslaap. Het was tot vlak bij mijn oog gekomen, dat maanden erna nog dichtzat en waarvan ze in het begin niet wisten of het blind was. Mijn ouders hebben mij verteld dat de apotheker die de ketel had verhuurd hem niet goed gerepareerd had. Dat hij na het ongeluk nog schadevergoeding heeft willen betalen. ‘Lichamelijk letsel toegebracht aan mijn kind, dat is met geld niet goed te maken’, moet mijn vader gezegd hebben. Maar kan het ook te wijten zijn geweest aan nalatigheid van mijn vader en moeder? Het blijft mij bezighouden, vooral omdat een buurvrouw mij verleden jaar zei toen ik haar er naar vroeg: ‘Dat zal ik nooit vergeten. Ik zie je moeder nog zo met jou in een dekentje de taxi ingaan. Later hoorde ik dat je op haar schoot zat en de theepot omgetrokken had.’ ‘De theepot. Was ik dan niet ziek?’, vroeg ik verwonderd. ‘Jij ziek’, zei ze lachend. ‘Je zag wel altijd lijkwit en je kuchte zo hard dat we het soms door de muren heen hoorden, maar je was zo gezond als een vis. Nee, je moeder heeft het mij zelf verteld, je trok de theepot om.’

 

Jan Wolkers 75

Al bijna losgezongen van zijn werk
Zijn boeken zweven ergens aan de top
Werd Wolkers een begrip, een handelsmerk.
De recensenten kregen lelijk klop.

Er groeide uit de pesterige vlerk
Een ideale vader, grijs van kop,
Zonder verraad aan Gorter en Jacques Perk,
Zonder vermindering van harteklop.

Vier zonen en een vrouw, het kan niet op,
En tóch liefst voor het zingen uit de kerk.
Zijn boeken schiep hij, leek het, met miljoenen.

Hij gaf ons lachend allemaal een schop.
Nu is ook Jan een man van vier seizoenen.
In winters laaien vuren extra sterk.

 

© Gerrit Komrij

 

wolkers

Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)

Libris Literatuur Prijs 2007 voor Arnon Grunberg

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg heeft met de roman Tirza de Libris Literatuur Prijs in de wacht gesleept. De winnaar krijgt 50.000 euro. Jury-voorzitter Cox Habbema maakte dat maandag bekend in het Amstel Hotel in Amsterdam. Ze sprak van ‘een indrukwekkende, verontrustende roman die laat zien wat literatuur vermag in het blootleggen van de tijdgeest en het menselijk tekort’. ,,De overtuiging dat beschaving niet meer is dan een flinterdun vernis, loopt als een rode draad door het werk van Arnon Grunberg. In Tirza is het niet anders”, aldus de jury. ,,In deze verbluffende roman schetst hij vlijmscherp het demasqué van een angstvallige burgerman, wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker voor onze ogen uit elkaar valt.”Eind maart kreeg Grunberg in Antwerpen al de Gouden Uil voor het boek. Het is de eerste keer dat een roman met beide prijzen is bekroond. Grunberg won ook al twee keer de AKO Literatuurprijs, voor De Asielzoeker enFantoompijn.

 

Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

Grunberg weet zich te verkopen als Gerard Reve in zijn beste tijden. Toen Tirza eenmaal in de winkel lag bleek dat Nijgh & Van Ditmar virale marketing hadden gebruikt door een fictief weblog van de 18 jarige cellobabe Tirza op te zetten.

Uit: Tirza

“Gestolen leven
20 september
Aan het eind van de middag vlieg ik naar Parijs en dan door naar Afrika. Eindelijk.
Gisteren vertelde mama me nog dat die vriend van haar die zo geïnteresseerd was in mij en mijn leven en alles over haar wilde weten een boek heeft geschreven.
Niet alleen heet het Tirza, maar mama’s vriend schijnt gewoon letterlijk dingen uit mijn leven te hebben overgenomen. Hij heeft zich gewoon mijn leven toegeëigend.
Ze zei dat ik het maar moest begrijpen. Mama zei dat dus. Maar ik begrijp het helemaal niet.
We waren aan het kaasfonduen. Maar ik ben naar boven gegaan en ben daar tot nu gebleven.
Mag dat zomaar? Ik bedoel mag je gewoon iemands leven stelen? Is er dan niemand die dat abnormaal vindt? Is het leven niet van degene die het leeft?”

grunberg
Arnon Grunberg (Amsterdan, 22 februari 1971)

 

VSB Poëzieprijs 2007 voor Tomas Lieske

De Nederlandse dichter en schrijver Tomas Lieske heeft de veertiende VSB Poëzieprijs gewonnen met de bundel Hoe je geliefde te herkennen. De prijs bestaat uit een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur. De jury zegt ‘met enthousiasme en overtuiging’ te hebben gekozen voor de bundel waar ‘het taalplezier van afdruipt, waarin het ene na het andere register met het grootste gemak wordt opengetrokken.’ Ook genomineerd waren de bundels van Al Galidi, Dirk van Bastelaere, Anneke Brassinga en Joke van Leeuwen. Tomas Lieske, pseudoniem van Ton van Drunen, groeide op in de Haagse wijk Bezuidenhout en studeerde Nederlands en Theaterwetenschappen. Lieskes literaire debuut vond vrij laat plaats. Hij was 38 toen zijn gedichten voor het eerst in de literaire tijdschriften Tirade en Revisor verschenen. In die periode werd hij ook benaderd om voor Tirade een poëziekroniek te schrijven. Deze essays kwamen terecht in de bundel Een hoofd in de toendra. Lieske had toen al twee dichtbundels op zijn naam staan. Met zijn prozadebuut Oorlogstuinen (1992) verdiende hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs. Zijn daarop volgende roman Nachtkwartier werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 1996, maar het is de roman Franklin waarmee Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs won. Ook zijn roman Gran Café Boulevard (2003) werd zeer enthousiast ontvangen.

 

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie?
Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen
op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak
precies in het huis passen. Tussen de wanden
kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren.
Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis,
ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken?
Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is.
Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals
van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel
zijn ze geworden en symbool voor de dood
en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis
is olie opgeslagen. Ze dienden
in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste
missie is het leveren van purper aan
de Romeinse keizers. Hun kleinsten
tonen een grote doorzichtigheid:
parelmoeren miniatuurpaleizen
trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje
van gelatine, huis van glas.
Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes
en ze schieten hun pijlen gevoelig
in de ander. Jij zwicht, jij
bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt
mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout,
geen puntje. Met het voorste lik ik je.


Uit “Grondheer”, Querido 1993

 

 

Lieske_Keuris

Tomas Lieske (Den Haag, 8 juni 1943)

In memoriam Kurt Vonnegut

In zijn woonplaats New York is woensdag, 11 april 2007,  de befaamde Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut overleden. De auteur van de bestseller Slaughterhouse-Five over de absurditeiten van oorlog, werd 84 jaar. Dat heeft The New York Times gemeld. Vonnegut overleed aan de gevolgen van ernstig hersenletsel. Hij liep dat op tijdens een val, enkele weken geleden. Zijn vrouw Jill Krementz maakte het overlijden bekend. De auteur schreef toneelstukken, essays en korte fictie maar werd vooral bekend om zijn romans die gerekend worden tot de klassieken van de tegencultuur van de jaren zestig en begin jaren zeventig. Naast Slaughterhouse-Five verwierf Vonnegut faam met boekens als Cat’s Cradle, Breakfast of Champions en God Bless You, Mr. Rosewater.

Uit: Man Without a Country: A Memoir of Life in George W Bush’s America

“For some reason, the most vocal Christians among us never mention the Beatitudes. But, often with tears in their eyes, they demand that the Ten Commandments be posted in public buildings. And of course that’s Moses, not Jesus. I haven’t heard one of them demand that the Sermon on the Mount, the Beatitudes, be posted anywhere.

“Blessed are the merciful” in a courtroom? “Blessed are the peacemakers” in the Pentagon? Give me a break!

It so happens that idealism enough for anyone is not made of perfumed pink clouds. It is the law! It is the US Constitution.

But I myself feel that our country, for whose Constitution I fought in a just war, might as well have been invaded by Martians and body snatchers. Sometimes I wish it had been. What has happened instead is that it was taken over by means of the sleaziest, low-comedy, Keystone Cops-style coup d’état imaginable.

I was once asked if I had any ideas for a really scary reality TV show. I have one reality show that would really make your hair stand on end: “C-Students from Yale”.

George W Bush has gathered around him upper-crust C-students who know no history or geography, plus not-so-closeted white supremacists, aka Christians, and plus, most frighteningly, psychopathic personalities, or PPs, the medical term for smart, personable people who have no consciences.

To say somebody is a PP is to make a perfectly respectable diagnosis, like saying he or she has appendicitis or athlete’s foot. The classic medical text on PPs is The Mask of Sanity by Dr Hervey Cleckley, a clinical professor of psychiatry at the Medical College of Georgia, published in 1941. Read it!

Some people are born deaf, some are born blind or whatever, and this book is about congenitally defective human beings of a sort that is making this whole country and many other parts of the planet go completely haywire nowadays. These were people born without consciences, and suddenly they are taking charge of everything.

PPs are presentable, they know full well the suffering their actions may cause others, but they do not care. They cannot care because they are nuts. They have a screw loose!

And what syndrome better describes so ma

ny executives at Enron and WorldCom and on and on, who have enriched themselves while ruining their employees and investors and country and who still feel as pure as the driven snow, no matter what anybody may say to or about them? And they are waging a war that is making billionaires out of millionaires, and trillionaires out of billionaires, and they own television, and they bankroll George Bush, and not because he’s against gay marriage.

So many of these heartless PPs now hold big jobs in our federal government, as though they were leaders instead of sick. They have taken charge. They have taken charge of communications and the schools, so we might as well be Poland under occupation.”

 

 

Zie ook mijn blog van 11 november 2006

 

Vonnegut

Kurt Vonnegut (11 november 1922 – 11 april 2007)

 

Gouden Uil Literatuurprijs 2007

De Vlaamse Gouden Uil Literatuurprijs 2007 gaat naar de Nederlander Arnon Grunberg voor zijn boek Tirza. Het werk gaat over een man die zijn kind wil beschermen. Het boek werd zaterdagavond, 31 maart 2007, in Antwerpen door de jury omschreven als een indringend psychologisch portret, verbonden met de alomtegenwoordige paranoia.  Grunberg versloeg de Vlaamse genomineerden Tom Lanoye (Het derde huwelijk) en Dimitri Verhulst (De helaasheid der dingen) en de Nederlanders Remco Campert (Het satijnen hart) en Christiaan Weijts (ART.285b).

Uit: Tirza

“Hij drukt haar tegen zich aan en hij begrijpt, niet eerder heeft hij dat zo duidelijk begrepen, zo overweldigd, zo compromisloos, dat hij geen reden wil hebben zonder Tirza te leven. Zonder haar is leven niet meer denkbaar, en wat niet denkbaar is, is ongewenst. Zij is zijn bestaansrecht. Wat hij tegen zich aandrukt geeft hem tegelijkertijd het voorrecht en de plicht te leven. Zonder haar vervalt de plicht, maar ook het recht. Hij kan zich nauwelijks meer voorstellen hoe hij geleefd heeft toen ze er nog niet was. Wachtend, dat was het. Zo heeft hij al die jaren geleefd, wachten op Tirza. Al wist hij natuurlijk niet dat het Tirza was op wie hij wachtte.”

 

GRUNBERG

Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)