In Memoriam Lothar-Günther Buchheim

De Duitse schrijver, kunstschilder en kunstverzamelaar Lothar-Günther Buchheim werd geboren in Weimar op 6 februari 1918. Hij was de zoon van de schilderes Charlotte Buchheim, groeide op in Chemnitz en werd beschouwd als schilderend wonderkind. In 1935 had hij zijn eerste tentoonstelling. In 1938 maakte hij een kanotocht over de Donau, die resulteerde in zijn eerste boek. In 1939 en 1940 studeerde hij aan de kunstacademies te Dresden en München, daarna werd hij oorlogsverslaggever. Na 1945 begon Buchheim een galerie en een uitgeverij van kunstboeken. Hij gaf ook de Buchheim-Kunstkalender uit, die al snel een begrip werd. Buchheim is een specialist op het gebied van het expressionisme, schreef boeken over dit onderwerp, en verzamelde kunst van Duitse expressionisten. In 1968 begon hij weer te schilderen. In 1973 verscheen zijn roman Das Boot, gebaseerd op zijn belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsverslaggever aan boord van de onderzeeboot U-96. Het boek werd een enorm succes, mede door de verfilming in 1981 van Wolfgang Petersen; er werden miljoenen exemplaren van verkocht, en het is in 18 talen vertaald. In de jaren tachtig maakte Buchheim diverse reizen, en werden zijn werken wereldwijd tentoongesteld. In 1995 ontstond het plan voor een museum waarin de collectie-Buchheim kon worden ondergebracht. In januari 1996 werd een wedstrijd uitgeschreven voor een ontwerp, en in 2001 is het Museum der Phantasie in Bernried (Beieren) geopend. Hij werd op 6 februari 1992, op zijn 74ste verjaardag, tot ereburger van de stad Chemnitz benoemd. Lothar-Günther Buchheim overleed afgelopen donderdag, 22 februari, op 89-jarige leeftijd.

 

Uit: Das Boot

 

“Niemand ist so nur auf sich gestellt wie der Kommandant des Unterseebootes. Er trägt allein die volle Last verantwortungsschwerer Entschlüsse. (…) Er führt die Getriebe der toten Materie, die vielfältigen Funktionen von Maschinen und Waffen zu einer einzigen Wirkung zusammen, während die Besatzung nichts vom Gegner sieht und nur gewissenhaft in ihrem Dienstbereich die Befehle des Kommandanten ausführt.”

 

 

Buchheim

Lothar-Günther Buchheim (6 februari 1918 – 22 februari 2007)

 

In memoriam Marianne Fredriksson


De Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson is gisteren overleden. Zij werd geboren in Göteborg op 28 maart 1927. Eerst werkte Fredriksson in Göteborg als journalist. Op haar tweeënveertigste raakte zij in een diepe depressie. Twee jaar psychoanalyse hielpen haar er langzaam weer bovenop. In die tijd ontdekte ze ook dat ze op een andere wijze dan alleen als journaliste kon schrijven. Het uitschrijven van een droom in het kader van de therapie luidde het begin van een tweede carrière in: als schrijfster. In 1980 kwam haar eerste boek uit, Evas bok (Eva’s boek). Sindsdien werden haar boeken met miljoenen gedrukt in tal van talen.

In 1998 kreeg Fredriksson de Trouw Publieksprijs voor het Nederlandse Boek, voor de roman Anna, Hanna en Johanna.

 

Uit: Anna, Hanna en Johanna

 

“Anna begreep wel dat ze kindelijke verwachtingen had. Maar- het hielp niet, zodra ze -eraan toe gaf gleden haar gedachten weg: nog één keer echt contact en misschien een antwoord op een van de vragen waarvan ik nooit gelegenheid heb gehad ze te stellen. Maar- toen ze na ruim vijf uur de pakeerplaats van het verpleeghuis opreed, had ze geaccepteerd dat haar moeder haar ook deze keer niet zou herkennen. Toch moest ze de vragen stellen. Ik doe het voor mezelf, dacht ze. Voor mijn moeder maakt het niet uit waar ik over praat. Maar daarin had ze ongelijk. Johanna begreep de, woorden niet maar stond wel open voor haar dochters pijn en haar eigen machteloosheid. Ze wist niet meer- dat het haar taak was om het kind te troosten dat altijd al onmogelijke vragen had gesteld. Maar- dat verlangen bestond nog wel en ook het schuldgevoel over- haar ontoereikenheid. Ze wilde vluchten in de stilte, sloot haar- ogen. Het lukte niet,- haar- hart bonkte en achter haar oogleden was de duisternis rood en pijnlijk. Ze begon te huilen. Anna probeerde haar te troosten, stil maar, stil maar, droogde haar moeders tranen af en schaamde zich. Maar Johanna’s vertwijfeling viel niet te stuiten.”

 

 

 

FREDRIKSON
Marianne Fredriksson (28 maart 1927 – 11 februari 2007)

 

 

In memoriam A. Moonen


Vorige week woensdag, 24 januari, overleed de schrijver A. Moonen in zijn woonplaats Rotterdam. Moonen noemde zich sinds zijn debuut Stadsgerechten (1978) nadrukkelijk A Punt Moonen. Deze autobiografische verhalenbundel zette de toon voor een oeuvre van zo’n tien boeken, de dichtbundel Gezagsvoerdersverzen (1988) en het toneelstuk De Huwelijksfuik (1997). Hij schreef regelmatig voor het Amsterdamse satirische studentenweekblad Propria Cures.

 

De NRC schreef naar aanleiding van zijn dood:

 

Moonen ontwikkelde een wonderlijk Nederlands zonder lidwoorden. In Naar Portugal staan gekke zinnen zoals: „Nou ben ik in deze buurt onderhand wel aan oerlelijke volwassenen gewend geraakt en bovendien is het met eigen voorkomen ook woekeren.”

Moonens zelfopgelegde eenzaamheid dreef hem naar de marge van de literatuur. Hij vereenzaamde. Na een tijd in Amsterdam te hebben gewoond keerde hij terug naar zijn geboortestad Rotterdam. Zijn jeugdjaren noemde hij ‘verkreukeld’.

 

 
moonen
A. Moonen  (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)

 

 

In memoriam Robert Long

Zanger en liedjesschrijver Robert Long is overleden.

 

Voor mijn vrienden

Als ik zelf zou mogen kiezen
Welk seizoen ik wil sterven
Zou ik zeggen, doet u mij de
Laatste maand van de herfst dan maar

Nee, niet deze herfst natuurlijk
Liefst voorlopig sowieso niet
Want er zijn nog zoveel plannen
Ik ben met het leven nog lang niet klaar

Maar stel dat het leven met mij bijna klaar is
Dan hoop ik maar dat het in ’t najaar zal zijn
Ver voor kerst, oud en nieuw, al die
Middenstandsfeesten
En voor Sinterklaas – want ik haat marsepein

Aan het einde van de herfst
Is alles dood en afgestorven
Mooi moment om te verdwijnen
In de oude novembermist

Zonder heimwee of verlangen
Kijk ik vredig naar de kilte
En daarna sluit ik mijn ogen
Wat bloemen, wat woorden, daar gaat m’n kist

Maar stel dat het leven me nu al wil kisten
Dan hoop ik maar dat ik de winter niet haal
Dan maar geen nieuw tv-seizoen, geen interviews meer
Geen nieuwe cd, en nooit meer 10 Voor Taal

Kijk de winter gaf me altijd
Dat gevoel van hyacinten
En nog even en het leven
Is weer terug in mijn bloedsomloop

Dus als ik zou mogen kiezen
Wil ik sterven in het najaar
Zonder tranen of verlangen
Tevreden en zonder een sprankje hoop

Want hoop heb ik altijd gehad in mijn leven
Het geeft je weer moed, het verzacht en geneest
En als ik daar iets van heb door kunnen geven
Dan ben ik toch niet totaal zinloos geweest

Dus stel dat ik inderdaad sterf voor de winter
Niet al te dramatisch en zonder veel pijn
Dan hoop ik alleen nog dat jullie, mijn vrienden
Die laatste paar uren bij mij zullen zijn.

 

Robert_Long_2

Robert Long (22 oktober 1943 – 13 december 2006)

 

In memoriam Cri Stellweg (alias Saartje Burgerhart)

Schrijfster en voormalig columniste Cri Stellweg is op 84-jarige leeftijd overleden in haar woonplaats Den Bosch. Zij schreef 25 jaar lang een tweewekelijkse column in de Volkskrant onder het pseudoniem Saartje Burgerhart. Stellweg begon haar carrière bij de socialistische krant Het Vrije Volk. Toen zij in 1961 overstapte naar de Volkskrant verzon toenmalig hoofdredacteur Joop Lücker de naam Saartje Burgerhart. Hij wilde voorkomen dat zijn katholieke dagblad te veel werd geassocieerd met een socialistische schrijfster. Stellweg was destijds de enige vrouwelijke columniste. In haar columns schreef Stellweg voornamelijk over het dagelijkse leven. Haar kleinkinderen speelden bijvoorbeeld geregeld een hoofdrol. Maar zij behandelde soms ook onderwerpen als de politiek, het milieu en kernwapens. Later wist Stellweg de aangename en minder aangename kanten van het ouder worden te beschrijven zonder sentimenteel te worden. In ’87 verscheen, na meer dan 2500 stukjes, haar laatste Saartje. ‘Alles was gezegd, ik ging mezelf herhalen’. Eén uitstapje maakte ze in al die jaren: in 1975 publiceerde ze een boek over haar aan longkanker overleden broer (die ze in de laatste fase van zijn ziekte bij haar thuis verzorgde), Deze aarde verlaten.
In 1996 verscheen haar ‘weduwenboek’ Een graf van letters, over vijftig jaar huwelijk en de dood van haar man Fred Kersten(‘Hendrik’ in de columns), met wie ze voor Avenue de halve wereld heeft afgereisd.

 

Uit: Honderd jaar Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor

“De ene buurman is de andere niet, de onze zingt.
Niet dat wij buren daar persoonlijk veel van merken, want zwijgend scheert hij de heg, zonder noemenswaardig geluid beklimt hij ‘s-morgens zijn fiets en keert even geruisloos na gedane arbeid daarvan huiswaarts.
Onze buurman zingt in een koor en uitsluitend daar.
In het ongeveer veertig man tellende koor is hij een van de baritons.

Een avond in de week wordt verzameld op de bovenverdieping van een gemeenschapsgebouw. Als alle leden present zijn en nog een dame zich bij hen heeft gevoegd om het gezang op de piano te ondersteunen, stelt de dirigent zich op recht tegenover de nu in dubbele rij op stoeltjes gezeten zangers.
Men begint met het inzingen, octaven worden beklommen van beneden naar boven en vice versa en heen-en-weer en op-en-neer en het gonst en het bromt en klinkt vredig en, welja……..mooi.
Er wordt gerepeteerd voor een uitwisselingsconcert met de zingende broeders uit Leuven, België, op een muziekstuk van Franz Schubert.
“Schlaf du nicht” zingt de dirigent en priemt een gebiedende vinger in de rij mannen en gehoorzaam nemen zij het over, veertig stemmig. Sommige mannen trekken een klein spaarpotmondje, de buurman heeft zijn handen vroom op de partituur op zijn knieën gelegd.
“Schleichen wir uns wieder fort” zingt de dirigent en jawel hoor, de stemmen sluipen weg……leise…..leise.
Kort daarna is het pauze met koffie.

Een zingende buurman is in verschijning een man als iedere andere, een man in een houthakkershemd, losse trui en jeans. Maar als de buurman aantreedt voor een uitvoering in de concertzaal dan is hij onherkenbaar in de gesloten formatie van zangers die het podium opmarcheren. Als uit het zwart-witte blok van stram staande heren het geluid crescendo aanzwelt al naar gelang Schubert het beliefde, dan bekijk je zo’n buurman toch even anders.
Want de heg scheren kunnen we allemaal, maar het “Ständchen” van Schubert zingen als lid van het honderdjarig Koninklijk ‘s-Hertogenbosch Mannenkoor, da’s toch even andere koek.”

Stellweg

Cri Stellweg (23 maart 1922 – 26 november 2006) 

In memoriam William Styron

Op 1 november is de Amerikaanse schrijver William Styron overleden. Hij werd geboren in Newport News, Virginia, op 11 juni 1925 als zoon van een arbeider in de scheepsbouw. Hij debuteerde in 1951 met Lie Down in Darkness. In deze lyrisch geschreven roman over de reacties op de zelfmoord van een meisje, betoonde Styron zich een schrijver in de grote Zuidelijke traditie van William Faulkner, een hokje waaraan hij de rest van zijn carrière probeerde te ontsnappen. Hij vertrok naar New York en Parijs, maar boekte weinig succes met de boeken die hij daar schreef. Het succes kwam terug met een roman over een typisch Zuidelijk onderwerp: The Confessions of Nat Turner, het goed gedocumenteerde en gefictionaliseerde verslag van een slavenopstand uit 1831. Het boek verscheen in 1967, op het hoogtepunt van de Burgerrechtenbeweging, en leverde hem de Pulitzer Prize voor fictie op. Styron deed jarenlang onderzoek voor zijn volgende roman, die in 1979 onder de titel Sophie’s Choice zou verschijnen. Het is het verhaal van een jonge schrijver die in New York verliefd wordt op een Poolse vrouw die niet kan leven met de herinnering aan de dood van haar kinderen in Auschwitz. De kernscène van de roman, waarin de moeder bij een nazi-selectie moet kiezen tussen haar zoontje en haar dochtertje, staat gegrift in de collectieve herinnering – ook dankzij de verfilming uit 1984 met Meryl Streep in de hoofdrol. In 1990 deed Styron nog een keer van zich spreken, met het non-fictieboek Darkness Visible, over de depressie waarin hij raakte toen hij in 1985 afkickte van een alcoholverslaving. Het veel naar Dantes Inferno verwijzende verslag geldt als een van de eerlijkste en herkenbaarste ‘memoires van gekte’ (zoals de ondertitel luidde) van de afgelopen jaren. Het verloste Styron niet van zijn depressies; het enige dat hij nog publiceerde was een bundel met drie oude verhalen, A Tidewater Morning (1993).

Uit: Lie Down in Darkness (1951)

“It was obvious that he was not clicking, that he was lamely striving for a tender humorous effect – the reason for which he couldn’t explain himself – and that he was failing completely. Along the line he had said something wrong. Harry was wearing an appreciative, courteous grin, but the smiles on the faces of Peyton and Helen – both of which he sensed, rather than saw, at the same time – seemed fastened on with paste, and concealed a tense and inner reproach.”

 

Uit:  The Confessions of Nat Turner (1967)

Was it not fact, known even to the humblest yeoman farmer and white-trash squatter and vagabond, that there was something stupidly inert about these people, something abject and sluggish and emasculate that would forever prevent them from so dangerous, so bold and intrepid a course, as it had kept them in meek submission for two centuries and more?”

Uit:  Sophie’s Choice (1979)

“Sophie ceased looking at the pictures – all became a blur – and her eyes sought instead the window flung open against the October sky where the evening star hung, astonishingly, as bright as a blob of crystal. An agitation in the air, a sudden thickening of the light around the planet, heralded the onset of smoke, borne earthward by the circulation of cool night wind. For the first time since the morning Sophie smelled, ineluctable as a smotherer’s hand, the odor of burning human beings

 

 

WILLIAMSTYRON

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

 

In memoriam Oskar Pastior


De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior is gisteren, 4 oktober 2006, overleden.

Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Als Duitser werd hij al vroeg geconfronteerd met het probleem van het spreken van een minderheidstaal. Van 1945 tot 1949, na zijn middelbare school, werkte hij in Russische arbeidskampen in Oekraïne en in de Doblas. Na zijn terugkeer werkte hij o.a. als machineconstructeur en maakte hij houten doosjes.

Van 1955 tot 1960 studeerde hij Duits in Boekarest; nadien werkte hij als redacteur voor de Roemeense televisie. Sinds1969 leeft hij als schrijver in Berlijn. Hij kende veel succes, vooral na 1990, en kreeg een aantal onderscheidingen, bv. het eredoctoraat van de Lucian-Blaga-Universiteit Hermannstadt.

“Een methodische tovenaar van de taal” noemt de Duitse Akademie voor Taal en Literatuur de schrijver. Pastior staat bekend om zijn moeilijke dadaïstische lyriek en proza. Pas vanaf 1990 werd hij ontdekt. Hij schreef onder meer “Eine kleine Kunstmaschine” en “Jetzt kann man schreiben, was man will”, en vertaalde ook de 33 sonnetten van Francesco Petrarca.

sie ißt den leiermann

wenn es sie nicht gäbe
wo es sie nicht gibt
weil sie es nicht gäbe
wenn es sie nicht gibt

nicht auf diese weise
weil es die nicht gibt
die es so nicht gäbe
und nicht anders gibt

weil wenn es sie gäbe
da es sie nicht gibt
es sie nur so gäbe
die es nicht so gibt

nicht auf diese weise
nicht in diesem sinn
wo es vieles gäbe
und es viel nicht gibt

weil sie dies nicht gäbe
weil es dies nicht gibt
weil es diese weise
nie auf diese gibt

 

 

Jetzt kann man schreiben was man will

das durchsichtige gedicht plaudert aus der schule es befindet sich auf einer INNENSEITE etwa des klassenfensters wird aber von AUSSEN unter umständen d h wenn es nicht schon beim schreiben spiegelverkehrt abgefaßt wurde ehestens beim lesen als PALINDROM empfunden so nämlich heißt das fenomen dieses fenomen ermöglicht es dem gedicht aus
der ELUSCH zu plaudern das ist nicht immer NÖSCH denn schon in der sechsten zeile macht das wort AHA alles wieder fraglich denn wie ist es konzipiert? verstehen sie AHA oder AHA? mit anderen worten haben es die lehrer oder die schüler geschrieben lesen es die lehrer oder lesen es die schüler lesen sie es in der klasse oder auf der straße wer liest wo wie? AHA oder AHA? oder ist alles noch palindromischer? war auf der INNENSEITE die absicht ein für die INNENSEITE spiegelgleiches AHA abzufassen nicht etwa mit dem zweck betrieben von AUSSEN zwar ein spiegelverkehrtes gleichwohl aber von der absicht der abfassung her spiegelgleiches die verkehrung von außen miteinbezweckendes und somit in der tat doppelt spiegelverkehrtes also logisch spiegelgleiches AHA abzufassen? der gedankengang läßt sich mit ähnlichen resultaten mehrfach durchspielen verliert aber an relevanz wenn man bei näherer betrachtung auf eine scheinbar vorgegebene symmetrie im AHA selber stößt die andererseits wieder die dinge noch viel verzwickter macht oder nicht? aber richtig brisant wird das gedicht erst in der achten zeile wo im wort REGEN die rassendiskriminierung und im wort BEIL faschistoide elemente im deutschen volkslied angesprochen werden oder nicht? fabelhaft vielschichtig in seiner schlichten pseudo-irreversibilität der schluß SUSE AM SEIL OH EINE MEISE AH EIN HASE

 

 

 

 

OSKARPastior
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

 

In memoriam Hubert Lampo

In Memoriam

De Belgische schrijver Hubert Lampo is op 85-jarige leeftijd overleden. Hubert Lampo werd op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook alle tags voor Hubert Lampo op dit blog.

Uit: De man die onderdook

“Toen, voor de eerste maal tijdens dit hele avontuur, heb ik me angstig gevoeld, – een korte wijl althans. De lamp had ik gedoofd; het gevoel van haar lichaam onder mijn vervoerde handen had me reeds te veel geschenen en ook enige schroom had me er trouwens toe gedreven. Hoewel er aanvankelijk een diepe loomheid over me kwam, huiverde er plots een dwaze twijfel door me heen en schielijk trok ik de hand terug, waarmede ik nog steeds haar flanken streelde. Gruwzaam stond het beeld van de oude vrouw in de trein me weer voor de geest.
Ik rilde en schoof terzijde, beluisterde met tot in de keel bonzend hart haar moeizame, enigszins ruige adem, welke me aan deze van een asthmalijder denken deed. Aarzelend zocht opnieuw mijn hand haar lichaam. Mijn spieren versteven van louter walg, mijn koude huid trok samen: langzaam onder mijn aanraking voelde ik dit begerenswaardige lichaam verslappen tot een massa zonder innerlijke weerstand of veerkracht, terwijl een weeë, ongezonde geur van ouderdom en organische ontbinding me tegensloeg. In een uiterste inspanning richtte ik me op, verliet het ledikant en rukte de dichtgeschoven gordijnen open. Het weefsel verpulverde in mijn bevende greep. Een kille schemering vulde het vertrek en met walg herkende ik de matrone uit de trein, kwalachtig in haar vetplooien, weerzinwekkend in haar onbeschaamde, blauw dooraderde naaktheid.

Nauwelijks kon ik een kreet van verbijstering en afkeer onderdrukken en wilde vluchten, ofschoon ik niet wist waarheen.
Hier vallen mijn herinneringen stil. Wat er verder met me gebeurd is, weet ik niet, – of veeleer: ik kan geen vrede nemen met wat ik weet. Trouwens, waarom zou ik me in speculatieve beschouwingen verdiepen? Ik weet, dat er een wereld is, die verder reikt dan het koele uiterlijk der dingen, verder dan de grens van onze zintuigen, mijn onbekende vriend. Je zoudt me kunnen vragen, wat er achteraf met me gebeurd is, hoe ik terug de weg vond, naar wat wij hovaardig de werkelijkheid noemen. Hierop kan ik alleen antwoorden, dat ik het niet weet en het nooit weten zal. Waar de tijd stilvalt en we onderduiken in het verzonken continent, – wellicht het land waarheen de armen van geest wederkeren, rijker dan één van ons het vermoeden kan -, dat in ons is, baat de redenering met onze schamele praemissen van één en één is twee niet meer. Daarom, ik bid je, stel me geen verdere vragen thans en weet, dat ik je onuitsprekelijk dankbaar ben voor je geduld… Ik moet je nu vaarwel zeggen, – of neen, tot wederziens, want wie weet of ééns, ééns…”

 

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

Zie het bericht in De Standaard

 

 

In memoriam Gerard Reve 3

Bij dit derde in memoriam zal ik het laten, al zou het bij Gerard Reve passen om een heel octaaf aan hem te wijden, van Palmzondag tot en met Pasen. Acht was zijn geluksgetal ook. Ik hoop maar dat hij, eenmaal hier boven, deze drie ook niet erg vindt, immers: ‘En nu blijven Hermans, Mulisch en Reve, deze drie; doch het meeste van deze is Reve.’ ,om de apostel Paulus te parafraseren. (1 Cor. 13:13).

Reve lees ik al sinds begin jaren 70 en heeft van alle Nederlandse prozaschrijvers tot nu toe mij het meeste leesplezier verschaft, troost ook vaak en bemoediging en inspiratie. Zaken die ik normaal gesproken meer in poëzie zoek dan in proza. Overigens wees Kees Fens er gisteren in het radioprogramma “Met het oog op morgen” terecht op dat zijn gedichten niet onderschat mogen worden.

Ook kenschetste hij Reves proza als lyrisch van aard, waarbij we dan toch weer terug zijn bij de poëzie. Angst en wanhoop worden in heel Reves werk voortdurend bezworen, zoals in de eerste twee gedichten, maar als laatste kies ik hier toch maar “De blijde boodschap”:

 

Op mijn ouderdom

 

Indien ik nog geruime tijd leef, word ik een oud man.

De wanhoop is nog groter geworden, maar veelvuldiger dan ooit

word ik aangezocht inleidingen, lezingen, hallo,

voordrachten uit eigen werk 

te komen houden voor inrichtingen van onderwijs.

Om mijn geitestrot hangt de te wijde boord

van het smetteloze overhemd,

waarop de das met streepjes.

Soms, als de samenkomst, wegens fraai weder,

in de tuin van de campus wordt gehouden,

ben ik de enige die het koud krijgt

en huivert in zijn boers nieuw, duur donkerblauw en aangemeten pak:

het vuur in mij brandt nog maar laag.

Een meisje schrijft alles op, en als ik zeg:

Die en die, die vind ik wel een groot dichter,

dan schrijft ze neer, in groot en leesbaar schrift:

“Die en die is een groot dichter”.

Als ik mijn eigen door de Dood naar mij teruggevoerde stem hoor,

wil ik schreeuwen dat het geen zin heeft nu allen dood zijn,

en dat ik naar huis wil.

Maar wie begrijpt dat.

Plotseling staat de wind stil, en is er een schaduw over alles,

en hijg ik van angst, maar voor wie of wat dan toch, in godsnaam?

 

 

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U

 

De Blijde Boodschap

 

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,

en dacht: “Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken

van het toenemend verval der zeden?”

En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al:

decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;

influenza filmi i cinema bestiale

contra sacrissima matrimoniacale

criminale atheistarum rerum novarum, 

(et cum spiritu tuo), cortomo:

nix aan de handa.

Het was jammer, dat het zo kort duurde.

Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.

Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog

het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:

“Waar hebben wij het aan verdiend?”

 

Gerard Reve