Stijn Streuvels, Gore Vidal, Thomas Wolfe

Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Hij werd geboren als derde levende kind van Kamiel Lateur en Marie-Louise Gezelle, een jongere zuster van priester-dichter Guido Gezelle. Vader Streuvels was kleermaker. Nadat hij school had gelopen bij de zusters en in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam. Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule. In mei 1887 namen Streuvels’ ouders te Avelgem de bakkerij van Kamiel Lateurs ongehuwde broers over en ver­huisde heel het gezin naar de gemeente aan de Schelde. Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven. Veertig jaar lang zou Streuvels ieder jaar minstens één werk publiceren. In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires. In 1962 werd hem voor zijn hele oeuvre de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend nadat hij reeds de vijfjaarlijkse staatsprijs (1906 en 1911), de grote Staatsprijs voor letterkunde (1935) en de prijs Scriptores Catholici (1950) had gekregen. Streuvels werd doctor honoris causa aan de universiteiten van Leuven, Münster en Pretoria.

Drie van zijn boeken werden verfilmd: De teleurgang van de waterhoek onder de titel Mira, De Vlaschaard en De blijde dag.

Uit: De Vlasschaard

De zaaidhede.

“De zware, grijze lucht bleef wegen over de wereld. Eendikte opgestapelde mist, van beneden tot in de opperste luchtlagen drukte die zware last als een onverroerbare weedom, een treurnis zonder einde of uitzicht. Dagen lang bleef alles dof en donker. Dan kwam de wind onverwachts losgelaten en zweepte wolken regenstof die rakelings langs den grond schoeren en de landen begispten en begeeselden. Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat, eenzaam aan de onmeedoogenheid van de wreede elementen overgelaten, als een woestenij in den aanvang van den jongsten dag.

Alzoo sleepte de lange winter voort, zonder een krimmeltje klaarte, in blijvende eentonigheid. Het voorjaar was al ingezet aan den tijd, maar alles bleef gesloten, toegedekt met duisternis van lange nachten en dagen daartusschen die geen dagen waren. Hoe het te noemen ’t schemeren dat van al onder uit “

 

Streuvels

Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925  in West Point, New York waar zijn vader Eugene les gaf in de luchtvaartkunde bij de United States Military Acadeyy.. Zijn opa was Thomas Gore, een Democratisch Senator. Vidal zelf groeide ook op in de omgeving van Washington D.C., en hielp daar zijn blinde opa met het voorlezen en als gids, en was dus al op jonge leeftijd bekend met het machtige Capitool. In 1943, na zijn middelbare school, liet Vidal zich inschrijven als reserve bij de United States Army. Na de oorlog koos hij voor het schrijveverschap. In 1960 zou hij een huis betrekken in Italië (Ravello) dat hij tot 2004 zou bezitten – de rest van de tijd spendeert hij in Los Angeles.

Werk: o.a.: The City and the Pillar (1948), Julian (1964), Lincoln (1984), Live from Golgotha: the Gospel according to Gore Vidal (1992), The Golden Age (2000)

Uit: The City and the Pillar

“They stood on the edge of the cliff and looked down at the brown river, muddy from spring rains and loud where it broke up on the black rocks in midstream. Below them, the cliff dropped steeply to the river, a wall of stone, dark green with laurel and wild grapevines.
“Must be a flood upstream. That old river looks mean,” said Bob.
“Maybe we’ll see a house come floating down.”
Bob chuckled. “Or a privy.” Jim sat on a rock and plucked a piece of long grass and chewed on the white sweet-tasting stem. Bob squatted beside him. Together they listened to the roar of the river and the noise of tree frogs and the rustle of bright new leaves in the wind.
“How was Sally?”
Bob growled. “Prick-teaser, like all the rest. Leads you on so you think, now I can lay her and then, just as you get all hot, she gets scared: Oh, what’re you doing to me? Oh, stop! You stop that now!” Bob sighed with disgust. “I tell you it makes a man so horny he could lay a mule, if it would just stand still.” Bob contemplated mules. Then: “Why didn’t you come to the dance last night? Lots of girls asked for you.”
“I don’t know. Don’t like dancing, I guess. I don’t know.”
“You’re too bashful.”
Bob rolled up a trouser leg and removed a large black ant, which was crawling up his calf. Jim noticed how white Bob’s skin was, like marble, even in the sun.
Then, to break the silence, they threw stones over the edge of the cliff. The sound of rock hitting rock was entirely satisfying. Finally Bob shouted, “Come on!” And they crawled over the edge of the cliff and cautiously worked their way downward, holding on to bushes, finding toeholds in the rock.
The hot sun shone in a pale sky. Hawks circled while small birds flashed between trees. Snakes, lizards, rabbits all scuttled for cover as the boys made their noisy descent. At last they reached the river’s muddy bank. Tall black rocks jutted from brown sand. Happily, they leapt from rock to rock, never once touching earth, stepping only on the relics of a glacier age.”

vidal

Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Wolfe kwam uit een grote familie in North Carolina. Hij studeerde Engelse literatuur en werkte als docent aan de universiteit van New York van 1924 tot 1929. Na het succes van zijn eerste roman, kon hij zich vestigen als zelfstandig schrijver en ondernam hij meerdere reizen naar Europa. Hij stierf aan een tuberculose-infectie een paar weken voor zijn 38ste verjaardag.  Wolfe’s literair werk, waarin zijn romans (“Look homewards, angel!”, 1929; “Of time and the river”, 1935; “The web and the rock”, 1939; “You can’t go home again”, 1940) centraal staan, is een poging om de eigen geschiedenis met de geschiedenis van zijn tijd te versmelten. In het middelpunt staat Eugene Gant, een alter ego van de auteur, en in diens ervaringen weerspiegelen zich de gebeurtenissen (wereldoorlog, economische wereldcrisis, hitler-fascisme) van de eerste drie decennia van de 20ste eeuw. De poëtiek van Wolfe’s werk wordt verduidelijkt in het boek dat twee jaar voor zijn dood verscheen: “The story of a novel” (1936).

Uit: Look Homeward, Angel

      “A destiny that leads the English to the Dutch is strange enough; but one that leads from Epsom into Pennsylvania, and thence into the hills that shut in Altamont over the proud coral cry of the cock, and the soft stone smile of an angel, is touched by that dark miracle of chance which makes new magic in a dusty world.

Each of us is all the sums he has not counted: subtract us into nakedness and night again, and you shall see begin in Crete four thousand years ago the love that ended yesterday in Texas.

The seed of our destruction will blossom in the desert, the alexin of our cure grows by a mountain rock, and our lives are haunted by a Georgia slattern, because a London cutpurse went unhung. Each moment is the fruit of forty thousand years. The minute-winning days, like flies, buzz home to death, and every moment is a window on all time. “

wolfetho
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 – 15 september 1938)

Graham Greene en Andreas Gryphius

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire als het vierde van zes kinderen. Na zijn afstuderen werd hij journalist in Nottingham, later bij The Times. Gedurende zijn tijd in Nottingham begon hij een correspondentie met Vivien Dayrell-Browning. Zij was tot het katholicisme overgegaan en had Greene geschreven om hem ten aanzien van een punt van de katholieke leer te corrigeren. Greene trad in 1926 eveneens toe tot de katholieke kerk en een jaar later trouwde hij met Vivien. Greenes eerste roman was The Man Within in 1929. Het succes van het boek bemoedigde hem om zijn baan bij de Times op te geven.

Zijn werk kon oorspronkelijk verdeeld worden in twee genres: thrillers en “mystery/suspense” boeken zoals Brighton Rock, dat hij zelf onder “entertainments” classificeerde, maar wel vaak met een filosofische inslag, en het literaire werk zoals The Power and the Glory, waar hij zijn roem mee vestigde. Wereldwijde bekendheid kreeg zijn novelle The third man door de verfilming in 1949 met Orson Welles in een van de hoofdrollen. Greene zelf schreef het script voor de film.

 

Uit: A shocking accident

“Jerome was called into his housemaster’s room in the break between the second and the third class on a Tuesday morning. He had no fear of trouble, for he was a warden – the name that the proprietor and headmaster of a rather expensive preparatory school had chosen to give to approved, reliable boys in the lower forms (from a warden one became a guardian and finally before leaving, it was hoped for Marlborough or Rugby, a crusader). The housemaster, Mr Wordsworth, sat behind his desk with an appearance of perplexity and apprehension. Jerome had the odd impression when he entered that he was a cause of fear.
‘Sit down, Jerome,’ Mr Wordsworth said. ‘All going well with the trigonometry?’
‘Yes, sir.’
‘I’ve had a telephone call, Jerome. From your aunt. I’m afraid I have bad news for you.’
‘Yes, sir?’
‘Your father has had an accident.’
‘Oh.’
Mr Wordsworth looked at him with some surprise. ‘A serious accident.’
‘Yes, sir?’
Jerome worshipped his father: the verb is exact. As man re-creates God, so Jerome re-created his father – from a restless widowed author into a mysterious adventurer who travelled in far places – Nice, Beirut, Majorca, even the Canaries. The time had arrived about his eighth birthday when Jerome believed that his father either ‘ran guns’ or was a member of the British Secret Service. Now it occurred to him that his father might have been wounded in ‘a hail of machine-gun bullets’.
Mr Wordsworth played with the ruler on his desk. He seemed at a loss how to continue. He said, ‘You know your father was in Naples?’
‘Yes, sir.’
‘Your aunt heard from the hospital today.’
‘Oh.’
Mr Wordsworth said with desperation, ‘It was a street accident.’
‘Yes, sir?’ It seemed quite likely to Jerome that they would call it a street accident. The police of course fired first; his father would not take human life except as a last resort.
‘I’m afraid your father was very seriously hurt indeed.’
‘Oh.’
‘In fact, Jerome, he died yesterday. Quite without pain.’
‘Did they shoot him through the heart?’
‘I beg your pardon. What did you say, Jerome?’
‘Did they shoot him through the heart?’
‘Nobody shot him, Jerome. A pig fell on him.’ An inexplicable convulsion took place in the nerves of Mr Wordsworth’s face; it really looked for a moment as though he were going to laugh. He closed his eyes, composed his features and said rapidly as though it were necessary to expel the story as rapidly as possible. ‘Your father was walking along a street in Naples when a pig fell on him. A shocking accident. Apparently in the poorer quarters of Naples they keep pigs on their balconies. This one was on the fifth floor. It had grown too fat. The balcony broke. The pig fell
on your father.”

 

Grahamgreene2

Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Hij was een Duits toneelschrijver uit de barok. Ook was hij een groot dichter die uitblonk in de sonnetvorm. Zijn jeugdjaren waren moeilijk door de Dertigjarige Oorlog. Na het gymnasium studeerde hij o.a. in Leiden. Hij beheerste wel 10 talen. Zijn werken zijn somber, en tonen de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardse leven.

 

Es ist alles Eitel

VIII.

 

Du sihst / wohin du sihst nur Eitelkeit auff Erden.

Was diser heute baut / reist jener morgen ein:

Wo itzund Städte stehn / wird eine Wisen seyn /

Auff der ein Schäfers-Kind wird spilen mit den Herden:

Was itzund prächtig blüht / sol bald zutretten werden

Was itzt so pocht und trotzt ist Morgen Asch und Bein /

Nichts ist / das ewig sey / kein Ertz / kein Marmorstein.

Itzt lacht das Glück uns an / bald donnern die Beschwerden.

Der hohen Thaten Ruhm muß wie ein Traum vergehn.

Soll denn das Spil der Zeit / der leichte Mensch bestehn?

Ach! was ist alles diß / was wir vor köstlich achten /

Als schlechte Nichtikeit / als Schatten/ Staub und Wind;

Als eine Wisen-Blum / die man nicht wider find’t.

Noch will was Ewig ist kein einig Mensch betrachten!

 

 

gryphiu1

Andreas Gryphius (2 oktober 1616 – 16 juli 1664)

Truman Capote en Günter Wallraff

Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Hij was een eenzaam kind en leerde zichzelf lezen voordat hij naar de basisschool ging. Op zijn vierde verhuisde hij naar Monroeville waar hij bevriend raakte met met Harper Lee, zijn buurmeisje. Met Harper Lee had hij een levenslange vriendschap en hij was van invloed op haar bekendste werk To Kill a Mockingbird. Capote begon te schrijven op zijn achtste en beweerde op zijn negende al een boek te hebben geschreven. Toen hij 11 werd begon hij serieus aan het schrijven van boeken. In 1933 verhuisde hij naar New York City om met zijn moeder en tweede echtgenoot, Joseph Capote, te gaan leven, wiens naam hij ook aan nam. Op school deed hij een IQ test waar uit bleek dat hij een IQ had van 215, het hoogste wat ooit op die school was gemeten. Zijn debuutroman was Other Voices, Other Rooms (1948) was gelijk een groot succes en werd een bestseller. Het boek stond meer dan negen weken bovenaan de literatuurlijst van de New York Times. Na Other Voices, Other Rooms volgden er meer werken. Breakfast at Tiffany’s was een succes, evenals In Cold Blood, een ‘non-fictie roman’ over een brute moord op een gezin in Holcomb, Kansas. Capote dook diep in de zaak en sprak met iedereen die te maken had de zaak, waaronder de twee, ter dood veroordeelde, moordenaars. Hij raakte bevriend met de moordenaars waardoor het voor hem zeer moeilijk werd om het boek af te maken. Dit conflict was de basis voor een verfilming van deze periode in zijn leven: Capote uit 2005. Capote wordt in deze film gespeeld door Philip Seymour Hoffman, die voor zijn rol een Oscar kreeg als beste acteur. (Zie ook blog van 8 mei) Capote was openlijk homoseksueel in een tijd waarin dat nog ongebruikelijk was. Hij stond bekend om zijn hoge, lispelende stem en aparte kleding. Hij was een beroemdheid in de literaire kringen van de Verenigde Staten en beweerde vele beroemdheden intiem te kennen, wat achteraf lang niet altijd waar bleek te zijn. In zijn latere leven leefde Capote teruggetrokken. Hij werd verslaafd aan alchohol en drugs en dit had grote gevolgen voor zijn gezondheid: hij had vaak hallucinaties door zijn afhankelijkheid van stimulerende middelen.

Capote overleed op 25 augustus 1984 op 59-jarige leeftijd als gevolg van een overdosis in het huis van Joanne Carson, voormalig echtgenote van de beroemde TV-presentator Johnny Carson.

 

Uit  Other voices other rooms

 

“The brain may take advice, but not the heart, and love having no geography, knows no boundaries: weight and sink it deep, no matter, it will rise and find the surface: and why not? any love is natural and beautiful that lies within a person’s nature; only hyprocrites would hold a man responsible for what he loves, emotional illiterates and those of righteous envy, who, in their agitated concern, mistake so frequently the arrow pointing to heaven for the one that leads to hell.”

 

Uit: Breakfast at Tiffany’s

 

“I am always drawn back to the places where I have lived, the houses and their neighborhoods. For instance, there is a brownstone in the East Seventies where, during the early years of the war, I had my first New York apartment. It was one room crowded with attic furniture, a sofa and fat chairs upholstered in that itchy, particular red velvet that one associates with hot days on a train. The walls were stucco and
a color rather like tobacco spit. Everywhere, in the bathroom too, there were prints of Roman ruins freckled with brown age. The single window looked out on a fire escape. Even so, my spirits heightened whenever I felt in my pocket the key to this apartment; with all its gloom; it was still a place of my own, the first, and my books were there, and jars of pencils to sharpen, everything I needed, so I felt, to become the writer I wanted to be.”

 

Uit: Answered prayer

 

“But what can you say,” inquired Mrs. Matthau of Mrs. Cooper, to someone who’s lost a good lover, weighs two hundred pounds, and is in the dead center of a nervous collapse? I don’t think she has been out of bed for amonth. Or changed the sheets. ‘Maureen’ — this is what I did tell her — ‘Maureen, I’ve been in a lot worse condition than you. I remember once when I was going around stealing sleeping pills out of other people’s medicine cabinets, saving up to bump myself off. I was in debt up to here, every penny I had was borrowed . . ‘ “

“Darling,” Mrs. Cooper protested with a tiny stammer, “why didn’t you come to me?”

“Because you’re rich. It’s much less difficult to borrow from the poor.”

“But, darling . . .”

 

Mrs. Matthau proceeded.”So I said, ‘Do you know what I did, Maureen? Broke as I was, I went out and hired myself a personal maid. My fortunes rose, my outlook changed completely, I felt loved and pampered. So if I were you, Maureen, I’d go into hock and hire some very expensive creature to run my bath and turn down the be

 

capote

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Duitse schrijver en undercoverjournalist.Günter Wallraff werd geboren op 1 oktober 1942 in Burscheid bij Keulen. Wallraff werd beroemd voor zijn bijzondere onderzoeksmethodes, waarbij hij zelf onder een fictieve identiteit deel werd van zijn onderzoeksdomein. Zo werkte hij in 1977 een tijd als journalist voor het roddelblad Bild-Zeitung onder de naam “Hans Esser”, en schreef over de soms mensonterende methodes in zijn boeken Der Aufmacher en Zeugen der Anklage.

Zijn boek “Ganz unten” (vertaald als “Ik, Ali”) maakte ophef in 1985 en ging over Wallraffs ervaringen vermomd als Turks gastarbeider in de Duitse industrie.

Wallraff kreeg kritiek voor zijn methodes, omdat ze soms de privacy zouden schenden of handelsgeheimen zouden onthullen. Hij werd meerdere malen voor de rechtbank gedaagd, maar nooit veroordeeld. Hij werd ook beschuldigd van plagiaat en vervalsing.

 

Uit: Der Aufmacher

„Jeder Mensch hat eine schützenwerte Sphäre intimen Lebens und Erlebens, in die kein maskierter Journalist sollte einbrechen dürfen. Kann eine Produktionsstätte von Meinungen und Informationen, die für die Öffentlichkeit bestimmt sind, andere »Geheimnisse« haben als solche, deren Entdeckung nur die Lauterkeit ihres Tuns unter Beweis stellen müssen? Und konnte der Springer-Konzern nicht gelassen davon ausgehen, daß Wallraff – anders als BILD, das es sich gefallen lassen muss, ein Werk professioneller Fälscher genannt zu werden – in seinem Bericht strikt bei der Wahrheit bleiben muss, wenn er eine Chance haben soll, juristische Auseinandersetzungen mit den Anwälten und dem Geld des Konzerns auch nur einigermaßen glimpflich zu bestehen?“

 

Wallraff

Günter Wallraff (Burscheid , 1 oktober 1942)

Hendrik Marsman

Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist.Toen hij in 1918 door een langdurige longontsteking aan het bed gekluisterd was, ontstond poëzie die voor het eerst zijn eigen, onvervreemdbaar accent droeg al is er duidelijk de invloed in op te merken van Herman van den. Bergh, de belangrijkste figuur van het avant-garde tijdschrift Het Getij. Overigens zou Marsman nooit aan dit blad meewerken. Hij debuteerde als dichter in december 1918 in Stroomingen. Ook publiceerde hij nog in Albert Verweys orgaan De Beweging (1919).Tijdens een reis in de zomer van 1921 naar Berlijn kwam hij zeer sterk onder de indruk van expressionistische schilders als Franz Marc en dichters als Heym, Trakl en Stramm. In 1923 verscheen zijn eerste bundel Verzen, naar de kleur van het omslag weldra bekend als ‘het rode boekje’. Met deze publikatie vestigde hij zijn naam als belangrijkste figuur in de naoorlogse literatuur, een positie die hij wist te versterken door zijn felle kritieken, waarin hij de eis stelde van een moderne poëzie, ‘koel en soepel’.Eind 1924 werd Marsman, samen met zijn vriend Roel Houwink, de redactie opgedragen van De Vrije Bladen waarin de jongere schrijvers en dichters zich een jaar tevoren hadden verzameld nadat de groep om Het getij uiteengevallen was. Nu had hij de gelegenheid het geambieerde leiderschap uit te oefenen. Vanaf ongeveer 1926 vangt een tweede fase in zijn dichterschap aan, waarin een sterke gepreoccupeerdheid met de dood, nu eens gevreesd, dan weer verlangd, op de voorgrond treedt. Voordien was dit probleem nooit afwezig in zijn poëzie, maar het werd verhuld door ‘vitalistische’ elementen. In het najaar van 1933 besloot hij met zijn vrouw een buitenlandse reis te maken die van beslissende betekenis is geweest voor zijn verdere evolutie. In Spanje, Noord-Afrika en Italië trof hij een sfeer waarin hij zich wist te bevrijden van wat hem in Nederland gehinderd had: bekrompenheid, het calvinisme met zijn zondebesef en zijn persoonlijke doodsproblematiek. In 1936 verliet hij Nederland voorgoed. Tot het voorjaar van 1937 woonde hij te Brussel om daarna op verschillende plaatsen in de Zwitserse en Franse Alpen verblijf te gaan houden, mede met het oog op zijn immer zwakke gezondheid. Ten slotte vestigde hij zich in St. Romain (Côte d’ Or). Daar werd hij opgeschrikt door de Duitse inval, die hem en zijn vrouw ertoe bracht via Bordeaux naar Engeland te vluchten. Het schip waarop hij zich bevond werd in de nacht van 20 op 21 juni 1940 door een Duitse duikboot getorpedeerd, waarbij alle opvarenden verdronken, behalve mevrouw Marsman.

 

VLAM

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag

 

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

een held’re, verruk-lijk-meeslepende wijs:

‘Het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

 

Afscheid van het dorp

De verte lokt.
de zee en ’t bronzen duin
die golfden om mijn jeugd
versmalden langzaam tot den kleinen tuin
waarin mijn moeder nu begraven ligt.

dit was haar raam, dit is de stille brink
waarlangs zij schreed in ’t vroege schemeruur.
alles wat aan het leven vreugde gaf en vuur,
heeft zij meegenomen in haar graf.

wat doe ik hier? wat kan ik hier nog doen?
mijn moeder dood, mijn vrienden ver verspreid;
en moederziel alleen loop ik de straten rond;
mijn hart is zwaar en wijd.

ik ga op weg naar onbekend verschiet,
de heuvels over, naar een stroomgebied
dat mijn verlangen stem geeft
en de koorts der poëzie weer in mij aanblaast;
meer begeer ik niet!

Kracht der verbeelding, o, begeef mij niet!
ik roep u aan met de verdorde stem
van wanhoop en ontbering, zonder u
kan ik niet verder gaan,
de weg is lang en mijne kracht gering.

ik heb om u mijn huis in as gelegd,
ik heb mijn moeder in haar graf gelegd
en ben op weg gegaan, verlaat mij niet.

in mijn bedroefde keel klopt een nieuw lied.

marsman
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

Hawinkels, Smirnenski, Unamuno, Gaskell, Cervantes

Pé Hawinkels was schrijver, vertaler, recensent, songwriter en bovenal de Nederlandse dichter van de jaren zestig. Hij gold als een James Dean van zijn tijd – zeker in zijn Nijmeegse studiejaren. Hij werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Als vertaler ontplooide hij een grote activiteit en leverde vertalingen zowel van Duitse romantici als E.T.A. Hoffman als van Euripides en Shakespeare. In samenwerking met Pius Drijvers ontstonden versies van bijbelboeken als Job en Prediker. Hawinkels streven de werken van deze schrijvers weer te geven in een levend, eigentijds idioom vond in het algemeen veel waardering, maar daarnaast ontmoette zijn werkwijze ook wel kritiek, zoals bijvoorbeeld bleek in het debat rond zijn vertaling van De toverberg van Thomas Mann. Als medewerker en redacteur was hij verbonden aan het tijdschrift Raam. In leven en werk worstelend met vorm versus inhoud, “doordrongen van de onvolmaaktheid van het leven en toch op de bres voor de idealen van de kunst, van liefde en vrijheid”. Hij leefde hard, wisselde dagenlange en met drank besproeide schrijfsessies af met periodes van volkomen lethargie. In 1977, nauwelijks vijfendertig jaar oud, werd hij thuis dood aangetroffen. Na acht dagen, wel te verstaan.

 

Historia naturalis

 

Wanneer thans de herten, dragers van zeer

speciale okers, beschimmeld voorts met de allernieuwste

snufjes op ’t gebied van goud en zonlicht,

nuchter onder het dressoir uit het bos

getreden komen, treffen zij

een mooie wereld aan.

 

Hier is

de uitgewassen vitrage te drogen gelegd

op doornen haag, die ’t lijdensverhaal

begrijpelijk mocht maken, toen; hier

stappen de mysterieuze jongelui een ogenblikje

van hun Harley Davidson en speuren

ritmisch naar iets op de grond,

en in de verte, waar matineuze chinezen

stoïcijns haaievinnensoep naar binnen lepelen,

komt mijn grote vriend spiernaakt aan:

en, tot niet zuinige verbazing van de

langs zijn levensweg als altijd opgestelde

suikerbeesten en uitgezogen, opgeverfde eierdoppen,

vertoont zijn buik frappante punten

van overeenkomst met ’t harnas van

Caius Iulius Caesar Octavianus in

de slag bij Philippi.

En voor de zachte ogen buigt zich stil

de Circassische schone over naar de zwaar-

bewapende, zoëven vol genot gestorven kuddekoning

& godsvorst, wiens lippen kostbaar waren als nerts

en die nog steeds haren heeft als een kat, –

zij is gelukkig, zij droomt niet, want van dromen

stroomt een genade uit die gevaarlijker is dan

de domme sagenglans van de nachtlucht.

Omhoog de aandacht! Daarboven

trekken de socialistische planeten doodgemoedereerd

hun baantjes tegen ’t opake fond dat ’t voorstelbare

afsluit; en zo, doorgeredeneerd, zakt ’t zachtste

aller ogen als een aangeschoten parachutist tot bij

een handzaam blikveld, waarbinnen

het roodborstje en de kiezelsteen collegiaal en ìnblij

paardje rijden op hun eigen determinerende factoren.

 

Dat is een mooi gezicht, – en de kroonherten

leggen tevreden de kop in het gras

dat slaapt, en zuchten.

 

hawinkels

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Koukoush. Zijn literaire debuut kwam in 1915 in het satirische tijdschrift K’vo da e” (Alles kan). Hij werkte hard en schijnbaar onvermoeibaar, maar deze gedrevenheid ondermijnde zijn gezondheid. Hij stierf al op 24 jarige leeftijd aan tuberculose. In de acht jaar van zijn literaire leven had hij duizenden gedichten en prozastukken onder meer dan 70 pseudoniemen geschreven.

Street-Walker

You have born in the lap of privation,
Your childhood was useless strife,
Today you dance, your eyes full of tears,
To the tuneless violin of life.

Your implacable stepmother, Night,
Is an evil creature of evil fame;
She tore the narcissus from your breast,
And dragged you down the path of shame.

You celebrate the festival of sin
Beneath the street-lamp’s dusky light;
No one can hear the pain in your laugh
When you laugh in the quiet night.

Drunk with illusions and deceptive hope,
With a withered hyacinth on your breast,
You return to your dingy little room to dine
With hunger, your one and only guest.

There hangs on the wall the photo of a child
With pretty and innocent face;
The wistful look it has is now the only trace
Which suffering has not effaced.

The days and nights drag on unchanged…
When ugly and relentless Death
Arrives in the chilly autumn of your life
To wring from you your final breath.

It will discover with a shock,
That powerful Life has got ahead,
Leaving nothing to destructive Death,
That you have long been dead…

 

Smirnenski1948post

Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)

 

Miguel de Unamuno y Jugo was een dichter-denker die een omvangrijk en gevarieerd literair en filosofisch oeuvre bij elkaar schreef. Hij was een levendige zielsverwant van, zoals hij het uitdrukte, «mannen van vlees en bloed» als Pascal, Heinrich von Kleist, Giacomo Leopardi en Kierkegaard om slechts een paar namen te noemen. Al op 27-jarige leeftijd werd de zeer belezen jongeman hoogleraar in het Grieks aan de universiteit van Salamanca, waarvan hij later rector werd.
Hij was geboren op 29 september 1864 in Bilbao, Baskenland, en beschikte naar eigen zeggen over «een Baskische geest, en daardoor dubbel–Spaanse geest». Unamuno’s filosofie of gedachtewereld draait om de onsterfelijkheid van de ziel. Het heeft er veel van weg dat de kiem daarvan ligt in een jeugdherinnering — hij komt er twee keer op terug in zijn hoofdwerk Del sentimento trágico de la vida en los hombres y en los pueblos (‘Het tragische levensgevoel van de mensen en volkeren’), een klassieker die in tal van talen is vertaald.

It is Night, in My Study

 

 It is night, in my study.

The deepest solitude; I hear the steady

shudder in my breast

–for it feels all alone,

and blanched by my mind–

and I hear my blood

with even murmur

fill up the silence.

You might say the thin stream

falls in the waterclock and fills the bottom.

Here, in the night, all alone, this is my study;

the books don’t speak;

my oil lamp

bathes these pages in a light of peace,

light of a chapel.

The books don’t speak;

of the poets, the meditators, the learned,

the spirits drowse;

and it is as if around me circled

cautious death.

I turn at times to see if it waits,

I search the dark,

I try to discern among the shadows

its thin shadow,

I think of heart failure,

think about my strong age; since my fortieth year

two more have passed.

Toward a looming temptation

here, in the solitude, the silence turns me–

the silence and the shadows.

And I tell myself: “Perhaps when soon

they come to tell me

that supper awaits,

they will discover a body here

pallid and cold

–the thing that I was, this one who waits–

just like those books quiet and rigid,

the blood already stopped,

jelling in the veins,

the chest silent

under the gentle light of the soothing oil,

a funeral lamp.

I tremble to end these lines

that they do not seem

an unusual testament,

but rather a mysterious message

from the shade beyond,

lines dictated by the anxiety

of eternal life.

I finished them and yet I live on.

 

Vertaald door Lillian Jean Stafford and William Stafford

 

MIGUElUnamuno

Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)

 

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Haaqr eerste roman Mary Barton verscheen in 1848. Het was een van de eerste „industrie-romans“ waarin het leed van het proletariaat aan de orde gesteld werd. Door deze roman kwam zij in contact met Charles Dickens en in diens tijdschrift Household Words bleef zij publiceren. Grotere bekendheid verwierf zij door haar romans Cranford  uit 1853 en vooral door North and South uit 1855, die echter minder melodramtisch uitviel dan haar vroegere werk. Elizabeth Gaskell was goed bevriend met Charlotte Brontë. Na haar dood werd Gaskeel haar eerste biografe.

Uit: The Life of Charlotte Brontë (hoofdstuk V)

“This is perhaps a fitting time to give some personal description of Miss Brontë. In 1831, she was a quiet, thoughtful girl, of nearly fifteen years of age, very small in figure – “stunted” was the word she applied to herself, – but as her limbs and head were in just proportion to the slight, fragile body, no word in ever so slight a degree suggestive of deformity could properly be applied to her; with soft, thick, brown hair, and peculiar eyes, of which I find it difficult to give a description, as they appeared to me in her later life. They were large, and well shaped; their colour a reddish brown; but if the iris was closely examined, it appeared to be composed of a great variety of tints. The usual expression was of quiet, listening intelligence; but now and then, on some just occasion for vivid interest or wholesome indignation, a light would shine out, as if some spiritual lamp had been kindled, which glowed behind those expressive orbs. I never saw the like in any other human creature. As for the rest of her features, they were plain, large, and ill set; but, unless you began to catalogue them, you were hardly aware of the fact, for the eyes and power of the countenance overbalanced every physical defect; the crooked mouth and the large nose were forgotten, and the whole face arrested the attention, and presently attracted all those whom she herself would have cared to attract. Her hands and feet were the smallest I ever saw; when one of the former was placed in mine, it was like the soft touch of a bird in the middle of my palm. The delicate long fingers had a peculiar fineness of sensation, which was one reason why all her handiwork, of whatever kind – writing, sewing, knitting – was so clear in its minuteness. She was remarkably neat in her whole personal attire; but she was dainty as to the fit of her shoes and gloves.”

 

GASKELL

Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)

 

Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Hij schreef een twintigtal toneelwerken, maar is vooral bekend geworden door zijn boek Don Quichot van La Mancha (El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha).

 

Uit: DON QUICHOT (Voorwoord)

Vertaald door John Ormsby

 

“IDLE READER: thou mayest believe me without any oath that I would this book, as it is the child of my brain, were the fairest, gayest, and cleverest that could be imagined. But I could not counteract
Nature’s law that everything shall beget its like; and what, then, could this sterile, illtilled wit of mine beget but the story of a dry, shrivelled, whimsical offspring, full of thoughts of all sorts and such as never came into any other imagination- just what might be begotten in a prison, where every misery is lodged and every doleful sound makes its dwelling? Tranquillity, a cheerful retreat, pleasant fields, bright skies, murmuring brooks, peace of mind, these are the things that go far to make even the most barren muses fertile, and bring into the world births that fill it with wonder and delight. Sometimes when a father has an ugly, loutish son, the love he bears him so blindfolds his eyes that he does not see his defects, or, rather, takes them for gifts and charms of mind and body, and talks of them to his friends as wit and grace.”

CERVANTES

Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)

Mérimée, Palmgrave en Baumbach

De Franse auteur, historicus en archeoloog Prosper Mérimée werd geboren in Parijs op 28 september 1803. Een van zijn novellen vormt de basis voor de opera Carmen. Prosper Mérimée was de zoon uit een burgerfamilie als zoon van Léonor Mérimée en Anne-Louise Moreau, die  beiden schilderden. Hoewel zijn familie niet echt vooraanstaand was, frequenteerde Mérimée vanaf 1820 toch de grote literaire salons, geholpen door de connecties van zijn ouders en zijn eigen belangrijke relaties die hij op school had aangeknoopt. Hij ontmoette zo Eugène Delacroix en Dominique Ingres en knoopte een vriendschap aan met de twintig jaar oudere Stendhal. In 1834 werd Mérimée benoemd tot inspecteur van historische monumenten in Frankrijk. In deze hoedanigheid maakte hij vele reizen door Frankrijk. Tijdens deze periode bleef Mérimée schrijven, hoewel zijn literaire productie meer gespreid was in de tijd. Zijn bekendste novelles dateren uit deze periode: La Vénus d’Ille (1837), Colomba (1840) en Carmen (1845).

Uit: Carmen (Chapitre 2)

«Un soir, à l’heure où l’on ne voit plus rien, je fumais, appuyé sur le parapet du quai, lorsqu’une femme, remontant l’escalier qui conduit à la rivière, vint s’asseoir près de moi. Elle avait dans les cheveux un gros bouquet de jasmin, dont les pétales exhalent le soir une odeur enivrante. Elle était simplement, peut-être pauvrement vêtue, tout en noir, comme la plupart des grisettes dans la soirée. Les femmes comme il faut ne portent le noir que le matin; le soir, elles s’habillent a la francesa. En arrivant auprès de moi, ma baigneuse laissa glisser sur les épaules la mantille qui lui couvrait la tête, et, à l’obscure clarté qui tombe des étoiles, je vis qu’elle était petite, jeune, bien faite, et qu’elle avait de très grands yeux. Je jetai mon cigare aussitôt. Elle comprit cette attention d’une politesse toute française, et se hâta de me dire qu’elle aimait beaucoup l’odeur du tabac, et que même elle fumait, quand elle trouvait des papelitos bien doux. Par bonheur, j’en avais de tels dans mon étui, et je m’empressai de lui en offrir. Elle daigna en prendre un, et l’alluma à un bout de corde enflammé qu’un enfant nous apporta moyennant un sou. Mêlant nos fumées, nous causâmes si longtemps, la belle baigneuse et moi, que nous nous trouvâmes presque seuls sur le quai. Je crus n’être point indiscret en lui offrant d;aller prendre des glaces à la neveria. Après une hésitation modeste elle accepta; mais avant de se décider, elle désira savoir quelle heure il était. Je fis sonner ma montre, et cette sonnerie parut l’étonner beaucoup. «Quelles inventions on a chez vous, messieurs les étrangers! De quel pays êtes-vous, monsieur? Anglais sans doute?

– Français et votre grand serviteur. Et vous mademoiselle, ou madame, vous êtes probablement de Cordoue?

– Non.

– Vous êtes du moins andalouse. Il me semble le reconnaître à votre doux parler.

– Si vous remarquez si bien l’accent du monde, vous devez bien deviner qui je suis.

– Je crois que vous êtes du pays de Jésus, à deux pas du paradis.

(J’avais appris cette métaphore, qui désigne l’Andalousie, de mon ami Francisco Sevilla, picador bien connu.)

– Bah! le paradis… les gens d’ici disent qu’il n’est pas fait pour nous.

– Alors, vous seriez donc Moresque, ou… je m’arrêtais, n’osant dire: juive.

– Allons, allons! vous voyez bien que je suis bohémienne; voulez-vous que je vous dise la baji? Avez-vous entendu parler de la Carmencita? C’est moi.»

merimee

Prosper Mérimée (28 september 1803 – 23 september 1870)

 

De Britse criticus en dichter Francis Turner Palgrave werd geboren op 28 september 1824 in Great Yarmouth. Hij was de zoon van de historicus Sir Francis Palgrave en zijn vrouw Elizabeth Turner. Palgrave publceerde zowel poëzie als literaire kritieken, maar zijn werk als criticus was verreweg het belangrijkste. Het werd gekenmerkt door fijngevoeligheid en tact, een vlugge intuïtieve perceptie en een gezond oordeel. Dat alles kwam samen in zijn beroemde bloemlezing van de beste poëzie in de Engelse taal, de Golden Treasury of English Songs and Lyrics uit 1861.

 

A Song of Spring and Autumn

 

IN the season of white wild roses

We two went hand in hand:

But now in the ruddy autumn

Together already we stand.

 

O pale pearl-necklace that wandered

O’er the white-thorn’s tangled head!

The white-thorn is turned to russet,

The pearls to purple and red!

 

On the topmost orchard branches

It then was crimson and snow,

Where now the gold-red apples

Burn on the turf below.

And between the trees the children

In and out run hand in hand;

And, with smiles that answer their smiling,

We two together stand.

 

 

Past and Present

 

AS I hear the breath of the mother

To the breath of the child at her feet

Answer in even whispers,

When night falls heavy and sweet,

 

Sleep puts out silent fingers,

And leads me back to the roar

Of the dead salt sea that vomits

Wrecks of the past ashore.

 

I see the lost Love in beauty

Go gliding over the main:

I feel the ancient sweetness,

The worm and the wormwood again.

 

Earth all one tomb lies round me,

Domed with an iron sky:

And God Himself in His power,

God cannot save me! I cry.

 

With the cry I wake;–and around me

The mother and child at her feet

Breathe peace in even whispers;

And the night falls heavy and sweet.

 

Palgrave

Francis Turner Palgrave (28 september 1824 – 24 oktober 1897)

 

Rudolf Baumbach werd op 28 september 1840 geboren in Kranichfeld/Ilm. Baumbach groeide op in Meiningen. Zijn vader was de lijfarts van de hertog van Sachsen-Meiningen. Hij studeerde van 1860 tot 1864 in Leipzig, Würzburg en Heidelberg, waar hij tenslotte promoveerde.Hij werd leraar in Brünn en Graz, later huisleraar in Görz en Triëst. Zijn dichterlijk talent ontdelte hij toen hij voor het blad van de alpenvereniging begon te schrijven. Vanaf 1881 legde hij zich toe op het schrijven en de komende tien jaar was hij op het hoogtepunt van zijn popukariteit. In 1885 keerde hij terug naar Meiningen waar hij bibliotecaris werd. In 1974 beleefde zijn „studentenliedHoch auf dem gelben Wagen een nationale revival doordat de toenmalige president van de Bundesrepublik Deutschland Walter Scheel het op de plaat had opgenomen.

Hoch auf dem gelben Wagen 

 

Hoch auf dem gelben Wagen  sitz ich beim Schwager vorn’.
Vorwärts die Roße traben, lustig schmettert das Horn.
Felder und Wiesen und Auen, leuchtendes Ährengold.
Ich möchte ja so gerne noch schauen, aber der Wagen, der rollt.

Postillon in der Schenke füttern die Rosse im Flug.
Schäumendes Gerstengetränke reicht mit der Wirt im Krug.
Hinter den Fensterscheiben lacht ein Gesicht so hold.
Ich möchte ja so gerne noch bleiben, aber der Wagen, der rollt.

Flöten hör ich und Geigen, lustiges Baßgebrumm.
Junges Volk im Reigen tanzt um die Linde herum,
wirbelt wie Blätter im Winde, jauchzet und lacht und tollt.
Ich bliebe ja so gerne bei der Linde, aber der Wagen, der rollt.

Sitzt einmal ein Gerippe dort beim Schwager vorn,
schwenkt statt der Peitsche die Hippe, Stundenglas statt des Horns,
sag ich: Ade nun, ihr Lieben, die ihr nicht mitfahren wollt.
Ich wäre ja so gerne noch geblieben, aber der Wagen, der rollt.

                                           *****

Hoch auf dem gelben Wagen, sitz ich beim Schwager vorn.
Wir hatten in uns’rem Magen, 20 Biere und 25 Korn
Wir konnten nicht stehen noch schauen, vor lauter Gerstengold
Wir wollten so gerne noch brauen,, aber der Magen der grollt!

 

Baumbach

Rudolf Baumbach (28 september 1840 – 21 september 1905)

Kinkel, Kocbek en Kunze

De Duitse schrijfster Tanja Kinkel werd geboren op 27 september 1969 in Bamberg. Tegenwoordig woont zij in München. Al toen zij acht jaar was begon zij verhalen en gedichten te schrijven. Tien jaar later won zij al een jeugliteratuurprijs. Op twintigjarige leeftijd schreef zij haar eerste roman. Zij is een van de succesvolste Duitse auteurs die al diverse bestsellers op haar naam heeft staan. Alleen al haar historische roman “Die Puppenspieler” werd meer dan een miljoen keer verkocht. Tanja Kinkel studeerde tot 1988 Duits, theater –en communicatiewetenschappen aan de Ludwig-Maximilians-Universität in München. In 1997 promoveerde zij op het werk van de Duitse schrijver  Lion Feuchtwanger.

 

Uit: Götterdämmerung

 

Die Gänge des Labors waren ihr so vertraut wie die Linien in ihrer Hand. Blind hätte sie sich zurechtfinden können. Jeder Blick durch die Fenster war ihr vertraut; sie kannte alle Birken, die um den weiten Gebäudekomplex standen, zu allen Jahreszeiten. Sie hätte seitenlange Aufsätze über den Einfall des Lichtes auf jeden Baum schreiben können, über die Schattierungen des Schnees in den langen, langen Wintern. Sie kannte jedes Farbspektrum, von der bläulichen, kristallenen Helle bis zu der Mischung aus schmutzig gelb und braun Monate später.
Sie hatte in den fünfundzwanzig Jahren ihres Lebens die Luft, die diese Blätter bewegte, nur selten ungefiltert geatmet. Und das nur in der Nacht, die ihren Aufenthalt im Freien begrenzte. Und die Sommernächte in Alaska waren endlos hell. Selbst das dämmrige Licht um ein Uhr morgens ließ sie um ihre Haut fürchten. Sie war dankbar für die unterirdischen Gänge, welche die Gebäude der Station miteinander verbanden und die von den anderen nur im Winter genutzt wurden; ihr gaben sie die Möglichkeit, sich immer sicher zu fühlen. Die Winternächte wiederum waren zu kalt, viel zu kalt, um länger als nur ein paar Minuten draußen zu bleiben, und sei es, um eine Aurora borealis zu bewundern.
»Ich wünschte, das Labor wäre irgendwo in den unteren achtundvierzig«, sagte sie einmal zu ihrem Vater, den Ausdruck gebrauchend, mit dem die Bewohner Alaskas die übrigen Staaten der USA bezeichneten. »Warum nicht neunundvierzig?«, hatte sie als Kind den Mann gefragt, der ihr und ihrem Vater die Lebensmittel brachte. »Weil kein vernünftiger Mensch Hawaii dazuzählt«, hatte er geantwortet. »Das ist kein ehrlicher Staat, das ist eine Ansammlung von Touristenabzockstellen.«
»Nimm Florida zum Beispiel«, sagte sie zu ihrem Vater. »Das ewige Dröhnen der Stromgeneratoren hier geht mir auf den Geist. In Florida wäre das bestimmt anders. Wärst du nicht gerne wieder daheim? Oder wenigstens in Kalifornien, wo so viele der anderen Labors sind.«
Ihr Vater lächelte sie an und legte seine Hand auf ihre Schulter. Sie roch die Reste von Talkumpuder, die das ständige Tragen von Laborhandschuhen unweigerlich hinterließ.
»Daheim ist für mich, wo du bist, Beatrice«, erwiderte er ernst. »Und für dich würde ein Umzug nichts ändern. Das weißt du doch.«

 

Kinkel

Tanja Kinkel (Bamberg, 27 september 1969)

 

Edvard Kocbek werd in Sloveens Stiermarken geboren op 27 september 1904.Na het gymnasium in Maribor begon hij daar zijn studie theologie, maar liet dit na twee jaar vallen en begon aan een studie romaanse talen in Ljubljana. Na voortzetting van zijn letterkundestudie in Berlijn, Lyon en Parijs. Mede onder invloed van de Spaanse Burgeroorlog begon hij zich actief in het Sloveense culturele en politieke leven te mengen. Als overtuigd katholiek, die afwijzend stond tegen de fascisten in Italië en Spanje alsmede de politiek van Neville Chamberlain in München (1938) keerde hij zich fel tegen de Sloveense bisschoppen, die in de Spaanse Burgeroorlog de fascisten steunden. Hij werd een van de ideologische vertegenwoordigers van katholiek links en in die hoedanigheid redacteur van het progressief katholieke tijdschrift Dejanje (1938-1943), dat tot stand kwam na een strijd met het conservatieve blad Dom in svet.

De honderdste verjaardag van Edvard Kocbek in 2004 in een onafhankelijk Slovenië maakte de weg vrij voor een hernieuwde belangstelling en oriëntatie op leven en werk. Kocbek wordt tot de religieuze expressionisten gerekend.

 

 

DEATH OF WORDS

I am unable to sleep,
a big disaster
surrounds me,
words that I have spoken
and sent out into the world
are suddenly returning weary,
ill, dreadfully anxious,
they seek a refuge from destruction,
flutter, squeal,
chirp haltingly, swarm around me
they are fleeing from triteness and oblivion,
from the glass eye of a corpse,
from a laser beam that ignores
its reflection,
the infected words
cram up in greedy haste, they
stammer, writhe in pain,
they’ve lost their way home,
their resting place,
they flutter above me
as I lie empty and mute in the dark.
I recognize them, tamed, wild,
gay and sad, dreamy,
frightened, big, treacherous,
miserable, playful, erotic,
heroic, pious, all motherly,
all mine, my father’s, all my essence,
my recollections, my presentiments.
my prophecy, my dying.
The room is crammed with the in,
they settle on objects, are unable to leave,
burden me, beseech me as they lie dying,
sobbing repeatedly:
all tree trunks desecrated
all nests destroyed
all mouths mute.
The disaster inhabits me,
there is no place I can return them to,
am unable to console them,
stretch my arm
or open my mouth,
am unable to caress the word despair or
say anything to the words solace, deliverance,
the words toy and grace are choking me,
on my eyes land those shot as they fled
man, mother, love, loyalty,
the unhappy ones I neglected or never uttered
settle on my chest
but one of them has nestled
right between my trembling lips,
never have I seen it in the lexicon.

 

SCENT OF A WOMAN

The primordial time seems so far away
and yet so mercilessly close.
Some days are painfully pure
and people so dark
I wonder how I can breathe at all,
how my lungs expand and
how dangerously, relentlessly,
I live my life, wild at heart.
Only when a noble hunger for the smell
of a woman awakens in me
does the life of my body become
high and deep, wide
and so virginal I can feel my soul
and everything I am composed of,
but above all
I remember my time in the cradle
where the sweet smell of a woman
is the most painful and the most intoxicating.
Then I unwillingly lean forward
as if this sweetness will draw me down to earth
from which I will never rise again.

 

Uit: Zbrane pesmi  (Embers in the House of Night)

Vertaling Sonja Kravanja

 

Kocbek

Edvard Kocbek (27 september 1904 – 3 november 1981)

 

Reiner Kunze is zoon van een mijnwerker en studeerde van 1951 tot en met 1955 filosofie en journalistiek in Leipzig. Tussen 1955 en 1959 was Kunze wetenschappelijk assistent aan de Karl-Marx universiteit in Leipzig. Nog voor zijn promotie verlaat hij de universiteit. Vanaf 1959 houdt hij zich bezig met schrijven en dichten. Kunze geeft de DDR-autoriteiten in 1977 te kennen dat hij de DDR wil verlaten en naar de BRD wil gaan. Binnen drie dagen wordt zijn verzoek om de DDR te mogen verlaten, ingewilligd. Hij vestigt zich met zijn gezin in in Obernzell-Erlau bij Passau. In 1981 publiceert hij na zijn vertrek uit de DDR de gedichtenbundel Auf eigene Hoffnung. Kunze krijgt verschillende literaire prijzen zoals de Andreas-Gryphius-Preis, de Georg-Trakl-Preis, de Geschwister-Scholl-Preis en de Friedrich-Hölderlin-Preis. In 1993 krijgt Reiner Kunze “das Große Bundesverdienstkreuz”. Voor de verfilming van zijn boek Die Wunderbaren Jahre krijgt hij de Bayerischen Filmpreis.

Dann

Eines tages wird uns in der seele frösteln,
und die landschaft wird uns zu knapp sein,
um sie zusammenzuziehen
über der brust

Dann werden wir die säume abgreifen,
ob etwas eingeschlagen ist

 

Die Brücken von Budapest
(für Elisabeth)

Die brücken erinnern ans lieben

Weil sie
überbrücken
wie die arme der liebenden die nacht
der phallus den tod

Weil sie
von neuem überbrücken und
dennoch
dennoch
dennoch

Die brücken erinnern ans lieben: spannung
wie in den muskeln liebender

Die Margareteninsel,
entbunden des keuschheitsgelübdes, spreizt
die schenkel ihrer brücke, der himmel
ein männerauge

Zwischen ferse und schulter
ein einziger bogen, erinnert ans lieben
die brücke der brücken

mit deinem namen

kunze

Reiner Kunze (Oelsnitz, 16 augustus 1933

Bart Chabot, T.S, Eliot, Cyprian Ekwensi

Dichter en schrijver Bart Chabot  werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Hij maakte zijn debuut met de poezie-bundel Als U Zo Gaat Beginnen in 1979. Hij is tevens de biograaf van Herman Brood. Broodje Gezond, een romantische biografie over mentor Herman Brood, belandt in 1996 in de Boeken Top Tien. Chabot is, naast zijn dichtwerkzaamheden ook regelmatig in het theater te zien, vroeger met Herman Brood, nu nog met Jules Deelder. Hij brengt tevens singles en cd’s uit en is vaste deelnemer aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. In 2005 schreef hij de tekst voor het Groot Kinderdictee en was hij tevens beste Nederlandse prominente deelnemer aan het Groot Dictee. In 2006 toert Chabot met Ronald Giphart en Martin Bril in de theatervoorstelling Giphart & Chabot met bril.

 

crisisberaad

de lucht is klm-blauw
en het gras groeit aprilgroen op
daartussenin is van alles aan de hand
trouwens, achter die luchten
en onder het gras ook
maar naar wat er precies aan de gang was
bleef het gissen

er wordt aan de deur geklopt
een insider, kennelijk; de bel
doet het al jaren niet meer
maar als ik opendoe
staat er niemand
de stoep blijft de stoep
waarom doet mijn hoofd me dit aan?

het is kil in huis
de verwarming is kapot
en de zon is weliswaar op het appèl verschenen
maar als dienstplichtige
en biedt zo geen soelaas
hier in huis zelfs waait de wind
skeletrot
de kilte rukt tot in mijn botten op

ik kijk naar de vuilniszakken bij de stoeprand
dat doen de kraaien ook
zij vertrouwen het zaakje maar half
en komen er mooi hun boom niet voor uit
wat doe ik hier nog?
spookte het door mijn moerashoofd
mijn drijfzandkop
wat jaag ik na?

een dode hond?

een vlo?

BARTchabot

Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

 

Thomas Stearns Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri als zoon van Henry Ware Eliot en Charlotte Champe Stearns. Zijn grootvader van vaders kant, William Greelleaf Eliot, was de oprichter van unitarianistische kerk in St. Louis. Na zijn middelbare school studeerde T.S.L. letteren en filosofie in Harvard. In 1914 verhuisde hij naar Londen en woonde enige tijd bijt Bertrand Russell en raakte bevriend met de Amerikaanse banneling Ezra Pound en de leden van de Bloomsbury Groep van Virginia Woolf, zonder ooit deel uit te maken van die groep. In de periode tussen 1917 en 1922 schreef Eliot zijn eerste grote werken: Prufrock and Other Observations (1917), Poems (1920) en The Waste Land (1922). The Waste Land, onder redactie van vriend en dichter-criticus Ezra Pound, kreeg onmiddellijk aandacht van de literaire kritiek en het publiek en vestigde Eliots reputatie als een belangrijk dichter. In 1948 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur.

 

The Journey of the Magi

‘A cold coming we had of it,
Just the worst time of the year
For a journey, and such a long journey:
The ways deep and the weather sharp,
The very dead of winter.’
And the camels galled, sorefooted, refractory,
Lying down in the melting snow.
There were times we regretted
The summer palaces on slopes, the terraces,
And the silken girls bringing sherbet.
Then the camel men cursing and grumbling
and running away, and wanting their liquor and women,
And the night-fires going out, and the lack of shelters,
And the cities hostile and the towns unfriendly
And the villages dirty and charging high prices:
A hard time we had of it.
At the end we preferred to travel all night,
Sleeping in snatches,
With the voices singing in our ears, saying
That this was all folly.

Then at dawn we came down to a temperate valley,
Wet, below the snow line, smelling of vegetation;
With a running stream and a water-mill beating the darkness,
And three trees on the low sky,
And an old white horse galloped away in the meadow.
Then we came to a tavern with vine-leaves over the
lintel,
Six hands at an open door dicing for pieces of silver,
And feet kiking the empty wine-skins.
But there was no information, and so we continued
And arriving at evening, not a moment too soon
Finding the place; it was (you might say) satisfactory.

All this was a long time ago, I remember,
And I would do it again, but set down
This set down
This: were we led all that way for
Birth or Death? There was a Birth, certainly
We had evidence and no doubt. I had seen birth and death,
But had thought they were different; this Birth was
Hard and bitter agony for us, like Death, our death.
We returned to our places, these Kingdoms,
But no longer at ease here, in the old dispensation,
With an alien people clutching their gods.
I should be glad of another death.

 

eliot

Thomas Stearns Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)

 

Cyprian Ekwensi werd op 26 september 1921 in Nigeria geboren. Na zijn studie werkte hij eerst twee jaar als boswachter en onderwees daarna biologie en scheikunde. Tegelijkertijd schreef hij, ook voor de radio, talrijke korte verhalen. Aansluitend studeerde hij farmacie in Lagos en Londen, maar hij bleef actief voor de radio en de pers. Na een korte tijd als apotheker gewerkt te hebben werd Ekwensi redacteur bij de radio en in 1961 directeur op het Nigeriaanse ministerie voor informatie. Vanaf 1975 gaf hij leiding aan een uitgeverij van kranten totdat hij zich uiteindelijk geheel op het schrijven toelegde. Ekwensi schreef meer dan 30 romans.

Werk o..a.: King for ever! (1992), Divided we stand (1980), Survive the peace (1976)

Uit:  No Escape From S. A. P

“If anyone had told Dr Fasanmi of Nigeria that he would be running a Centre in Kuwait in the middle of the Gulf Crisis, he would never have believed it.

“Kuwait? .. You must be joking! Am quite happy here in Lagos, thank you!”

But that was before SAP started biting.

Dr Fasanmi was a low-profile kind of man. He had little time for social life, or for gossip. Though a member of several clubs, he was seldom seen killing time.

When at the club he was either playing a brisk game of tennis or swimming, and then, he would gather his kit, fling them into his official car and speed off to the General Hospital where he worked as consultant.

Late at night, he would go home to his wife, Funmi a pretty accountant with a commercial bank, who had given him two lovely kids — a boy and a girl.

Fasanmi and his wife had dreams but there was little time to take them seriously.

He had left the club one afternoon and was about to start his car when the radio said, “Here is a special announcement: The following medical doctors in the Health Service have been retired from the service — with immediate effect …

He did not stop to listen as the names were reeled off. He was comparatively young, had committed no crime, had not contravened the civil serv
ice codes of conduct …

He drove on. Suddenly, he pricked up his ears. Was that, name his own or someone else’s? He could not be sure…

Retired–by a simple radio announcement. Such was the terrifying practice under which one worked these days.

Retired… A cold sweat broke over him and he found himself driving faster towards his home. His wife confirmed that she had heard the announcement.

Fasanmi put on a smile. “Well,” he consoled himself. Such are the times in which we live! Appointments and dismissals by radio broadcast.

But the shock of it all remained, and for weeks and weeks he was disoriented. At 45, he was retired from the Public Service. This meant he had to vacate his official quarters, return the government vehicle assigned to him as consultant to the General Hospital, find a new employer or, better still, set up on his own, but where was the capital?

He would be paid a lump sum as gratuity and a pittance of a pension monthly, scarcely enough to set up a practice. He had to do something to get himself together.

The more he thought about his plight, the more confused he became. Occasionaly, sitting by himself, he would burst into fits of self-derisive laughter.

It took him another few months to set up the Family Health Clinic and that was because he was a special kind of man, a survivor. Many professionals of his kind had been destroyed by sudden and unexpected retirement.

Finally , there it was: The Family Health Clinic with its complement of well-turned out staff — doctors, nurses, medical technicians, located in a side-street in Lagos. The meticulous service, reasonable charges and reliable diagnoses and prescriptions soon gave it a good reputation.

Patronage soared. Returns were impressive. He realized he should have established on his own all this lost time. Now he could give expression to his dreams.”

ekwensi

Cyprian Ekwensi (Nigeria, 26 september 1921)

Lasoen, Zafón en Faulkner

Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge.Tijdens haar studies Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit van Gent (1966-1970) engageerde Patricia Lasoen zich in de revolutionaire beweging van ’68. In datzelfde jaar verscheen haar eerste dichtbundel Ontwerp voor een Japanse houtgravure, die haar meteen een plaats bezorgde aan het nieuw-realistische firmament. Niet alleen begon ze gedichten te publiceren in Nieuw Vlaams Tijdschrift, Kruispunt en Sumier, ze was ook een tijdlang redactielid van de nieuw-realistische tijdschriften Yang en Kreatief.  Na haar studies werd Patricia lerares Nederlands en Engels, maar in 1972 stapte ze tijdelijk uit het onderwijs om zich volledig toe te kunnen leggen op het moederschap. Twee jaar later werd ook de literatuur even opzij geschoven, want door de dood van haar vader en een huwelijkscrisis kreeg Patricia te kampen met een depressie.  In 1977 ontving Patricia Lasoen de poëzieprijs van de provincie West-Vlaanderen voor haar bundel Veel Ach & een beetje O. Met haar echtgenoot Jean-Pierre Dumolyn en haar kinderen Bart, Jan, Joris en Sonja woont ze nog steeds in Brugge, waar ze sinds 1979 opnieuw les geeft.

Droom

Ik droomde van de zon
hij was een gladde
bol van bloedkoraal
en werd toen op mijn smeken
een gespierde jongeling
in strak zwart trainingspak
met glanzend rode haren.
Het was onder een pereboom
dat hij mij toen besprong:
een zalige ervaring.

 

Herstellingswerken

Er is nog tijd
tussen het eerste en het laatste
verdorrende blad
als op een windstille oktoberdag
de zon zo warm is als in volle zomer.

Een vrouw sluipt in
een van haar oude huizen naar
binnen en zoekt met een spiegel
en koperdraad
naar vocht achter vergeten muren.

Zou ze nog voor zichzelf
nieuwe tanden halen
of is de perzik der onsterfelijkheid
zacht genoeg om in te bijten?

met een gespierde arm vol
donkerblauwe tatouages
metselt de jonge metser
de muur onherroepelijk dicht.

‘En het vocht?’
krijt de vrouw.
‘en het vocht,’ vraagt ze bijna smekend
‘waar is het
waar zit het verborgen?’

‘Het zal nooit meer te zien zijn’
zegt de jonge metser
en lacht.


Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Carlos Ruiz Zafón werd bekend als schrijver na de publicatie van La sombra del viento (“De schaduw van de wind”) in 2001. Dit boek heeft talrijke internationale prijzen gewonnen en wereldwijd zijn er al miljoenen exemplaren verkocht. Het werk van Ruiz Zafón is in meer dan 40 landen en meer dan 30 verschillende talen verschenen. Hij levert regelmatig bijdragen aan vooraanstaande Spaanse kranten, zoals “El País” en “La Vanguardia”. Met zijn eerste roman, El príncipe de la niebla (De prins van de mist,1993), behaalde hij de Edebé-literatuurprijs voor jeugdfictie. Tevens is hij de schrijver van drie andere jeugdromans, El palacio de la medianoche (1994), Las luces de septiembre (1995) and Marina (1999). Sinds 1994 woont Zafón in Los Angeles.

Uit: The schadow of the wind (vertaling Lucia Graves)

A secret’s worth depends on the people from whom it must be kept. My first thought on waking was to tell my best friend about the Cemetery of Forgotten Books. Tomás Aguilar was a classmate who devoted his free time and his talent to the invention of wonderfully ingenious contraptions of dubious practicality, like the aerostatic dart or the dynamo spinning top. I pictured us both, equipped with flashlights and compasses, uncovering the mysteries of those bibliographic catacombs. Who better than Tomás to share my secret? Then, remembering my promise, I decided that circumstances advised me to adopt what in detective novels is termed a different modus operandi. At noon I approach
ed my father to quiz him about the book and about Julián Carax-both world famous, I assumed. My plan was to get my hands on his complete works and read them all by the end of the week. To my surprise, I discovered that my father, a natural-born librarian and a walking lexicon of publishers’ catalogs and oddities, had never heard of The Shadow of the Wind or Julián Carax. Intrigued, he examined the printing history on the back of the title page for clues.

“It says here that this copy is part of an edition of twenty-five hundred printed in Barcelona by Cabestany Editores, in June 1936.”

“Do you know the publishing house?”

“It closed down years ago. But, wait, this is not the original. The first edition came out in November 1935 but was printed in Paris….Published by Galiano & Neuval. Doesn’t ring a bell.”

“So is this a translation?”

“It doesn’t say so. From what I can see, the text must be the original one.”

“A book in Spanish, first published in France?”

“It’s not that unusual, not in times like these,” my father put in. “Perhaps Barceló can help us….”

Gustavo Barceló was an old colleague of my father’s who now owned a cavernous establishment on Calle Fernando with a commanding position in the city’s secondhand-book trade. Perpetually affixed to his mouth was an unlit pipe that impregnated his person with the aroma of a Persian market. He liked to describe himself as the last romantic, and he was not above claiming that a remote line in his ancestry led directly to Lord Byron himself. As if to prove this connection, Barceló fashioned his wardrobe in the style of a nineteenth-century dandy. His casual attire consisted of a cravat, white patent leather shoes, and a plain glass monocle that, according to malicious gossip, he did not remove even in the intimacy of the lavatory. Flights of fancy aside, the most significant relative in his lineage was his begetter, an industrialist who had become fabulously wealthy by questionable means at the end of the nineteenth century. According to my father, Gustavo Barceló was, technically speaking, loaded, and his palatial bookshop was more of a passion than a business. He loved books unreservedly, and-although he denied this categorically-if someone stepped into his bookshop and fell in love with a tome he could not afford, Barceló would lower its price, or even give it away, if he felt that the buyer was a serious reader and not an accidental browser. Barceló also boasted an elephantine memory allied to a pedantry that matched his demeanor and the sonority of his voice. If anyone knew about odd books, it was he. That afternoon, after closing the shop, my father suggested that we stroll along to the Els Quatre Gats, a café on Calle Montsió, where Barceló and his bibliophile knights of the round table gathered to discuss the finer points of decadent poets, dead languages, and neglected, moth-ridden masterpieces.”

 

Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

 

William Cuthbert Faulkner werd geboren op 25 september 1897. Weinig schrijvers zijn zo trouw geweest aan hun geboortegrond als William Cuthbert Faulkner, die de meeste van zijn 20 romans en verhalenbundels situeerde in Mississippi – of zoals hij het noemde: Yoknapatawpha County. Zijn schildering van zijn geboortegrond als een broeinest van vergane glorie, moreel verval, seksuele frustratie en excessief geweld rekende af met beeld van het Zuiden als exporteur van literaire humoristen; zijn ‘Southern Gothic’ was van grote invloed op schrijvers van McCullers tot Capote.
Faulkner debuteerde in 1924 weinig geslaagd als dichter en twee jaar later als romancier met Soldier’s Pay, over een soldaat die geestelijk en lichamelijk gewond terugkomt uit de Eerste Wereldoorlog. Onder invloed van de Europese modernisten, die hij in Parijs had leren kennen, schreef hij The Sound and the Fury (1929), de eerste van een aantal boeken over de degeneratie van een vooraanstaande zuidelijke familie; de roman is nog steeds opzienbarend

Uit: The sound and the fury  (April Sixth, 1928)

 

“Once a bitch always a bitch, what I say. I says you’re lucky if her playing out of school is all that worries you. I says she ought to be down there in that kitchen right now, instead of up there in her room, gobbing paint on her face and waiting for six niggers that cant even stand up out of a chair unless they’ve got a pan full of bread and meat to balance them, to fix breakfast for her. And Mother says,
“But to have the school authorities think that I have no control over her, that I cant–”
“Well,” I says. “You cant, can you? You never have tried to do anything with her,” I says. “How do you expect to begin this late, when she’s seventeen years old?”
She thought about that for a while.
“But to have them think that … I didn’t even know she had a report card. She told me last fall that they had quit using them this year. And now for Professor Junkin to call me on the telephone and tell me if she’s absent one more time, she will have to leave school. How does she do it? Where does she go? You’re down town all day; you ought to see her if she stays on the streets.”
“Yes,” I says. “If she stayed on the streets. I dont reckon she’d be playing out of school just to do something she could do in public,” I says.
“What do you mean?” she says.
“I dont mean anything,” I says. “I just answered your question.” Then she begun to cry again, talking about how her own flesh and blood rose up to curse her.
“You asked me,” I says.
“I dont mean you,” she says. “You are the only one of them that isn’t a reproach to me.”
“Sure,” I says. “I never had time to be. I never had time to go to Harvard or drink myself into the ground. I had to work. But of course if you want me to follow her around and see what she does, I can quit the store and get a job where I can work at night. Then I can watch her during the day and you can use Ben for the night shift.”
“I know I’m just a trouble and a burden to you,” she says, crying on the pillow.
“I ought to know it,” I says. “You’ve been telling me that for thirty years. Even Ben ought to know it now. Do you want me to say anything to her about it?”
“Do you think it will do any good?” she says.
“Not if you come down there interfering just when I get started,” I says. “If you want me to control her, just say so and keep your hands off. Everytime I try to, you come butting in and then she gives both of us the laugh.”
“Remember she’s your own flesh and blood,” she says.
“Sure,” I says, “that’s just what I’m thinking of–flesh. And a little blood too, if I had my way. When people act like niggers, no matter who they are the only thing to do is treat them like a nigger.”

 

William Faulkner (25 september 1897 – 6 juli 1962)

Tollens, Scott Fitzgerald en Petzold

Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zijn vader en zijn grootvader bezaten daar een penselen- en verffabriek  en behoorden tot de gezeten burgerij. Na een tijdje op een kostschool te hebben doorgebracht kwam hij op 15-jarige leeftijd op zijn vaders kantoor werken. Al heel vroeg besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan het vervaardigen van gedichten, maar ook het theaterleven trok hem aan. Hij begon toneelstukken te schrijven, maar hoewel ze het nooit tot een opvoering brachten, hield hij er wel een levenslang geluk aan over. Hij raakte verliefd op de dochter van een komiek en in 1800 trouwde hij met de toneelspeelster Gerbranda Rivier die hem 12 kinderen zou schenken. Ondertussen begon Tollens naam te maken als dichter. Heel bekend werden zijn Gedichten (1806-1815), in drie delen. Sinds die tijd stond hij bekend als ‘De lust en de liefde der Nederlandsche Natie’.

Nog sterker: toen in 1817 een prijsvraag werd uitgeschreven voor een nieuw volkslied ter vervanging van het onbegrijpelijke Wilhelmus, won hij met het nog steeds bekende Wiên Neerlands bloed door de a’ dren vloeit.

In 1819 verscheen dan zijn Tafereel van de overwintering, enz.  In dit lange vers betuigde hij hulde aan het voorgeslacht en beschreef hij de reis van Jacob van Heemskerk en Willem Barendsz als een lofdicht op heldenmoed en doodsverachting. Toch kon hij het niet laten de deugd en de familiale huiselijkheid te benadrukken. Ondanks zijn vaak ‘zware’ woorden had hij de meeste interesse voor de gebeurtenissen in ‘Het Behouden Huys’, de beschutte hut, opgetrokken uit wrakhout, waarin de bemanning in de winter van 1596 en 1597 verbleef.

 

Bij het lijkje van een kind

’t Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.
Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
’t Vlindertje is niet weer te vangen:
’s Hemels englen vingen ’t op.

 

Op de oogen van mijn jongste zoontje

 

Zeg eens zuiver, looze guit!

Wat toch kijkt u de oogjes uit?

Goochelaar, biecht op uw streken:

Zeg mij hoe uw blikken spreken,

Spreken, schoon gij ‘t mondje sluit?

Zeg het, jongen! zonder logen,

Wat toch zit er in uw oogen?

 

Zie, zoo ras de gaauwdief plaagt,

Hoe dat oogje vrijt en vraagt,

En door duizend tooverblikken,

Die mij ziel en zin verstrikken,

Afdwingt wat zijn lust behaagt:

Guit, wat hebt gij ingezogen,

Om te woekren met uw oogen?

 

Zie! zoo ras hij krijt en treurt,

Hoe hij de oogjes biddend beurt,

Die zijn nood zoo droevig klagen,

En om troost en deernis vragen,

Dat mij ‘t hart van rouw verscheurt:

Jongen, ja, ik ben bewogen

Hoe toch roert gij met uw oogen?

 

Maar zoo ras de stoutert stoeit,

Let eens hoe dat oogje gloeit,

En uit elken trek van ‘t wezen,

‘t Vrolijk hartje geeft te leze,

Dat van blijdschap overvloeit:

Zeg het, jongen ! ongelogen,

Vat toch lacht er uit uw oogen?

 

Zie, zoo ras de fleemer vleit,

Hoe zijn klndsche teederheid, ,

Als met duizend liefdelonken, .

Die mij ‘t minnend hart ontvonken,

Duizend zoete woordes zeit:

Guit, gij maakt mij opgetogen!

Hoe toch koost gij met uw oogen?

 

Maar; wat vraag ik naar den vond?

Jongen, ‘k heks de list doorgrond;

‘k Weet het, door wat looze treken

Al uw stoute blikken spreken,

Of gij elke taal verstondt:

‘t Is geen wonder dat zij ‘t mogen,

Want uw ziel zit in uw oogen.

 

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

 

Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Hij was de woordvoerder voor de Verloren Generatie, Amerikanen die geboren waren in de laatste 10 jaar van de 19e eeuw, en die volwassen werden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Alhoewel Fitzgeralds passie het schrijven van boeken was, verkochten deze nooit genoeg om te kunnen voorzien in de opulente levensstijl die hij en zijn vrouw Zelda hadden geadopteerd. Daarom begon hij met het schrijven van korte verhalen voor bladen als de Saturday Evening Post en Esquire, en verkocht hij de filmrechten van zijn boeken en verhalen aan de studio’s van Hollywood. Hij zat constant in financiële problemen, en leende vaak van zijn literair agent en redacteur.

De 20er jaren bleken de meest invloedrijke tijd te zijn in Fitzgeralds ontwikkeling. Zijn tweede boek, The Beautiful and Damned (1922), laat een indrukwekkende ontwikkeling zien na het in vergelijking onvolwassen This Side of Paradise. The Great Gatsby, het boek dat door velen gezien wordt als zijn meesterwerk, werd uitgegeven in 1925.

Uit:This Side of Paradise

 “AMORY BLAINE inherited from his mother every trait, except the stray inexpressible few, that made him worth while. His father, an ineffectual, inarticulate man with a taste for Byron and a habit of drowsing over the Encyclopædia Britannica, grew wealthy at thirty through the death of two elder brothers, successful Chicago brokers, and in the first flush of feeling that the world was his, went to Bar Harbor and met Beatrice O’Hara. In consequence, Stephen Blaine handed down to posterity his height of just under six feet and his tendency to waver at crucial moments, these two abstractions appearing in his son Amory. For many years he hovered in the background of his family’s life, an unassertive figure with a face half-obliterated by lifeless, silky hair, continually occupied in “taking care” of his wife, continually harassed by the idea that he didn’t and couldn’t understand her.

 

But Beatrice Blaine! There was a woman! Early pictures taken on her father’s estate at Lake Geneva, Wisconsin, or in Rome at the Sacred Heart Convent—an educational extravagance that in her youth was only for the daughters of the exceptionally wealthy—showed the exquisite delicacy of her features, the consummate art and simplicity of her clothes. A brilliant education she had—her youth passed in renaissance glory, she was versed in the latest gossip of the Older Roman Families; known by name as a fabulously wealthy American girl to Cardinal Vitori and Queen Margherita and more subtle celebrities that one must have had some culture even to have heard of. She learned in England to prefer whiskey and soda to wine, and her small talk was broadened in two senses during a winter in Vienna. All in all Beatrice O’Hara absorbed the sort of education that will be quite impossible ever again; a tutelage measured by the num
ber of things and people one could be contemptuous of and charming about; a culture rich in all arts and traditions, barren of all ideas, in the last of those days when the great gardener clipped the inferior roses to produce one perfect bud.”

 


F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940

 


De Oostenrijkse schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Hij was de zoon van een arbeider die wegens zijn sociaaldemocratische overtuiging van Sachsen naar Oostenrijk was getrokken. Door de moeilijke financiele positie van zijn ouders was de jonge Alfons ondanks zijn zwakke gezondheid al vroeg gedwongen om aan het levensonderhoud van de familie bij te dragen. Zijn succesvolste boek, een gestileerde beschrijving van zijn moeilijke kindertijd en jeugd, verscheen in 1920 onder de titel “Das rauhe Leben”. Petzold  gold met zijn werk, waarin hij op eigenzinnige wijze sociale thematiek en religieuze zienswijzen, tot zelfs mystiek en panteisme toe,verbond tijdens zijn leven als belangrijke arbeider-schrijver.

 

Der Arbeitslose

Staub auf den Schuhen und auf der getretenen Seele,
schleicht er den Weg der stummen Vergrollten dahin,
springt ihm kein fröhliches Wort aus der trockenen Kehle;
Suche nach Arbeit drückt seinen grübelnden Sinn.

Seine Tage sind dunkel, die Sonne verhüllen
graudampfende Nebel. Er hebt nicht die Blicke empor.
Die Klänge der Arbeit, die alle Straßen erfüllen,
brausen um ihn wie ein hohnvoll spottender Chor.

Wie doch die Stunden in quälendem Hoffen sich dehnen,
indes ihn vorwärtspeitscht die hungernde Not.
Er klopft an die Türen, dahinter die Hämmer dröhnen,
all seine Sinne schreien nach Arbeit und Brot.

Alles umsonst. Der Taglauf beugt sich dem Ende.
Wiederum nichts. Seine Lippen flüstern es matt.
Er schaut im Haß auf die schwielenbedeckten Hände
und schleicht hinaus auf das lehmige Feld vor der Stadt.

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)