Beecher Stowe en René Char

Harriet Beecher Stowe was een Amerikaanse abolitioniste en schrijfster uit Litchfield, Connecticut. Tijdens haar leven schreef zij meer dan 10 werken. Het bekendste hiervan is Uncle Tom’s Cabin, een beschrijving van het leven van Amerikaanse slaven dat tussen 1851 en 1852 in serievorm gepubliceerd werd in het abolitionistische blad de National Era van Gamaliel Bailey. Haar tweede boek was Dred: A Tale of the Great Dismal Swamp.

Beecher-Stowe werd geboren in Litchfield en groeide voornamelijk op in Hartford. Zij was de dochter van Lyman Beecher, een vooraanstaand Congregationalistisch predikant uit Boston, en zuster van eminent pastoor Henry Ward Beecher. In 1832 verhuisde haar familie naar Cincinnati, een andere thuishaven van de abolitionistische beweging, waar haar vader de eerste president werd van het Lane Theological Seminary. Aldaar deed ze eerstehands kennis op over slavernij en de Underground  Railroad en voelde ze zich geroepen De Negerhut van Oom Tom te schrijven, de eerste Amerikaanse novelle met een neger in de hoofdrol.

 

 

Citaten:

 

“I no more thought of style or literary excellence than the mother who rushes into the street and cries for help to save her children from a burning house, thinks of the teachings of the rhetorician or the elocutionist.”

 

Uit: Uncle Tom’s Cabin

“On the shores of our free states are emerging the poor, shattered, broken remnants of families,–men and women, escaped, by miraculous providences, from the surges of slavery,–feeble in knowledge, and, in many cases, infirm in moral constitution, from a system which confounds and confuses every principle of Christianity and morality. They come to seek a refuge among you; they come to seek education, knowledge, Christianity.

What do you owe to these poor, unfortunates, O Christians? Does not every American Christian owe to the African race some effort at reparation for the wrongs that the American nation has brought upon them? Shall the doors of churches and school-houses be shut down upon them? Shall states arise and shake them out? Shall the Church of Christ hear in silence the taunt that is thrown at them, and shrink away from the helpless hand that they stretch out, and shrink away from the courage the cruelty that would chase them from our borders? If it must be so, it will be a mournful spectacle. If it must be so, the country will have reason to tremble, when it remembers that fate of nations is in the hand of the One who is very pitiful, and of tender compassion.“

Harriet Beecher Stowe (14 juni 1811 – 1 juli 1896)

 

René Char werd geboren op 14 juni 1907.  Hij stierf op de gezegende ouderdom van 81 jaar. Hij vervoegde in 1929 de surrealistische groep en sloot zich aan bij Picasso en André Breton. Met deze laatste alsmede met Paul Eluard, schreef hij “Ralentir travaux”. In 1934 publiceerde hij “Le marteau sans maître” en keerde zich langzamerhand af van de surrealistische stroming.  

 

In “Les feuillets d’hypnos “ (1946), beschrijft hij zijn ervaringen in de oorlog. Na de bevrijding publiceert hij “Seuls demeurent” (1945) en “Le poème pulvérisé” (1947) waarmee hij definitief zijn bekendheid en zijn faam vestigde. Hij publiceerde nog regelmatig tot aan zijn dood. Als een ultieme erkenning van zijn oeuvre verscheen zijn verzameld werk in de “pléiade” in 1983 nog tijdens zijn leven.  

René Char behoort tot een van de grootste hedendaagse Franse dichters. Camus zei over hem: “Dit oeuvre is een van de belangrijkste dat ooit werd geproduceerd in de literatuur. Sedert Apolinaire is er in de Franse poëzie geen grotere poëtische revolutie meer geweest die een vergelijking met zijn werk kan doorstaan.”.    

 

 

 

Allégeance

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n’est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l’aima?

Il cherche son pareil dans le voeu des regards. L’espace qu’il parcourt est ma fidélité. Il dessine l’espoir et léger l’éconduit. Il est prépondérant sans qu’il y prenne part.

Je vis au fond de lui comme une épave heureuse. A son insu, ma solitude est son trésor. Dans le grand méridien où s’inscrit son essor, ma liberté le creuse.

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n’est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l’aima et l’éclaire de loin pour qu’il ne tombe pas?

Loyaliteit

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde.  Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd.  Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem?

Hij zoekt zijns gelijke in de bede van de blikken. De ruimte die hij doorloopt is mijn trouw. Hij tekent de hoop en wijst hem zachtjes af. Hij is dominant zonder dat hij dat wil.

Ik leef diep in hem als een gelukkig wrak. Zonder dat hij het beseft, is mijn eenzaamheid zijn schat.

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde. Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd. Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem en verlicht hem op afstand opdat hij niet valt?

Vertaling: Henri Thijs  

 

 

René Char (14 juni 1907 – 19 februari 1988)

 

Christoph Meckel en Anne Frank

De Duitse dichter en schrijver Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 en bracht zijn jeugd door in Freiburg in de Breisgau, waar hij het gymnasium bezocht tot en met de vijfde klas. In de periode 1954/55 studeerde hij grafische kunst aan de kunstacademie in dezelfde plaats en vanaf 1956 in München. Sinds 1956 is hij zowel graficus  als schrijver. Hij ondernam uitgebreide reizen door Europa, Afrika en Amerika en woonde in Oetingen, in Berlijn, in Zuid-Frankrijk en in Toscane. Zijn grafisch werk werd op talrijke exposities gepresenteerd. Hij is lid van de Akademie der Wissenschaften und der Literatur in Mainz en van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt.

Rede vom Gedicht     

Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Schönheit gepflegt wird.

Hier ist die Rede vom Salz, das brennt in den Wunden.
Hier ist die Rede vom Tod, von vergifteten Sprachen.
Von Vaterländern, die eisernen Schuhen gleichen.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Wahrheit verziert wird.

Hier ist die Rede vom Blut, das fliesst aus den Wunden.
Vom Elend, vom Elend, vom Elend des Traums.
Von Verwüstung und Auswurf, von klapprigen Utopien.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Schmerz verheilt wird.

Hier ist die Rede von Zorn und Täuschung und Hunger
(die Stadien der Sättigung werden hier nicht besungen).
Hier ist die Rede von Fressen, Gefressenwerden
von Mühsal und Zweifel, hier ist die Chronik der Leiden.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo das Sterben begütigt
wo der Hunger gestillt, wo die Hoffnung verklärt wird.

Das Gedicht ist der Ort der zu Tode verwundeten Wahrheit.
Flügel! Flügel! Der Engel stürzt, die Federn
fliegen einzeln und blutig im Sturm der Geschichte!
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Engel geschont wird.

 

Kind

Es zog den Schlüssel aus der Tür.
Es warf ihn in die Sonne und er schmolz.
Das Haus war leer, fort war das letzte Tier.
Es lagen bloß noch ein paar Steine hier
und nachts zum Feuermachen etwas Holz.

Der Morgen war von Tau und Asche kalt.
Es ging auf einen Weg in einen Wald.
Der Engel sah es und vergaß es bald.  

 

Traum

Geerntet der Kirschbaum, der Juni zu Ende,
aber im Traum trug ich Kirschen zurück in die Bäume,
hängte sie zwischen die Blätter und rief:
Die Kirschzeit ist gekommen, bring Körbe und Leitern
und flieg in den Kirschbaum mit mir, wir träumen nicht lange!  

(Christoph Meckel, 12 juni 1935)

 

Dagboek-fragmenten Anne Frank

Hoewel Anne Frank op haar 13e verjaardag niet kan weten dat zij een maand later moet onderduiken, begint zij haar nieuwe dagboek met de volgende zin:

-12 juni 1942-

Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog nooit aan niemand gekund hebben ik hoop dat je een grote steun voor me zal zijn.”

Drie maanden later in haar schuilplaats schrijft zij:

-28 september 1942-

“Ik ben, O, zo blij dat ik je meegenomen heb” .

-28 september 1942-

“Tot nu toe heb ik bijna uitsluitend gedachten in mijn boek geschreven en tot leuke verhalen die ik later eens kan voorlezen is het nooit gekomen. Maar ik zal in vervolg maar niet of minder sentimenteel zijn en mij meer aan de werkelijkheid houden. ”

Anne Frank (12 juni 1929 – maart 1945)

Ben Jonson en William Styron

Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572. Hij kreeg een opleiding aan de Westminster School door de eminente historicus William Camden en werkte eerst in hetzelfde beroep als zijn stiefvader: metselaar. Dat beviel hem echter in het geheel niet en vervolgens diende in hij in het Engelse leger in Vlaanderen. In 1592 keerde hij naar Engeland terug en trouwde op 14 november 1494 hij met Anne Lewis Jonsons tweede bekende toneelstuk, Every Man in His Humour werd opgevoerd in 1598 bij de Lord Chamberlain’s Men aan het Globe-theater met niemand minder dan William Shakespeare in de bezetting. Ook Jonson werd een beroemdheid. In 1628 werd hij benoemd tot City Chronologer of London. Hij stierf op 6 augustus 1637 en werd begraven in de Westminster Abbey.

Epigrammen:


I. — TO THE READER.


PRAY thee, take care, that tak’st my book in hand,
To read it well—that is, to understand. 

 

XIV. — TO WILLIAM CAMDEN.  

CAMDEN !  most reverend head, to whom I owe
All that I am in arts, all that I know ;
(How nothing’s that ?) ; to whom my country owes,
The great renown, and name wherewith she goes !
Than thee the age sees not that thing more grave,
More high, more holy, that she more would crave.
What name, what skill, what faith hast thou in things !
What sight in searching the most antique springs !
What weight, and what authority in thy speech !
Men scarce can make that doubt, but thou canst teach.
Pardon free truth, and let thy modesty,
Which conquers all, be once o’ercome by thee.
Many of thine, this better could, than I ;
But for their powers, accept my piety
.

 

A CELEBRATION OF CHARIS

IN TEN LYRIC PIECES

I

His Excuse for Loving

Let it not your wonder move,
Less your laughter, that I love.
Though I now write fifty years,
I have had, and have my peers ;
Poets, though divine, are men :
Some have loved as old again.
And it is not always face,
Clothes, or fortune, gives the grace ;
Or the feature, or the youth :
But the language, and the truth,
With the ardor, and the passion,
Gives the lover weight, and fashion.

If you then will read the story,
First, prepare you to be sorry,
That you never knew till now,
Either whom to love, or how :
But be glad as soon with me,
When you know that this is she,
Of whose beauty it was sung,
She shall make the old Man young,
Keep the middle age at stay,
And let nothing high decay ;
Till she be the reason why,
All the world for Love may die.

 

AGAINST JEALOUSY

by Ben Jonson   

Wretched and foolish Jealousy,
How cam’st thou thus to enter me ?
I ne’er was of thy kind :
Nor have I yet the narrow mind
To vent that poor desire,
That others should not warm them at my fire :
I wish the sun should shine
On all men’s fruit, and flowers, as well as mine.

But under the disguise of love,
Thou say’st, thou only cam’st to prove
What my affections were.
Think’st thou that love is help’d by fear ?
Go, get thee quickly forth,
Love’s sickness, and his noted want of worth.
Seek doubting men to please ;
I ne’er will owe my health to a disease.

Ben Jonson (11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

 

William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren, niet ver van de plaats van de slavenopstand uit 1831, die door Nat Turner werd geleid en die later het thema van zijn beroemdste romans werd. Na zijn studie vocht hij tijdens WOII bij de marine.Daarna schreef hij voor veel Amerikaanse tijdschriften essays en kritieken en publiceerde hij talrijke maatschappijkritische romans die in de verteltraditie staan van William Faulkner en Thomas Wolfe. Voor de roman The Confessions of Nat Turner kreeg hij in 1968  de Pulitzer-Prijs. Zijn bestsellerroman Sophie’s Choice die over de vernietigende gevolgen van de holocaust handelt werd in 1982 verfilmd. Styron worstelde met ernstige klinische depressies en zelfmoordneigingen die hij beschreef in zijn memoires Darkness Visible: A Memoir of Madness (1990).   

Citaten:

“A great book should leave you with many experiences, and slightly exhausted. You should live several lives while reading it.”

“Every writer since the beginning of time, just like other people, has been afflicted by what a friend of mine calls “the fleas of life”-you know, colds, hangovers, bills, sprained ankles and little nuisances of one sort or another.”

“Most books, like their authors, are born to die; of only a few books can it be said that death has no dominion
over them; they live, and their influence lives forever.”

“The good writing of any age has always been the product of someone’s neurosis.”

William Styron (11 juni 1925)

Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Louis was de jongste uit een gezin met elf kinderen. Toen Louis negen jaar was verhuisde het gezin naar Nederlands-Indië, waar vader Couperus voor zijn pensionering werkzaam was. Na zijn terugkeer in Nederland kon Louis moeilijk wennen. In 1881 verliet hij de hbs en ging voor de akte mo-Nederlands studeren. In 1886 behaalde hij het diploma. Het debuut van Couperus als dichter, met ondermeer Een lent van vaerzen (1884), was geen succes. Willem Kloos raadde hem aan om zich toe te leggen op proza. Couperus werd dan gaandeweg een goed en gevierd romanschrijver.  “Eline Vere” (1889) werd een groot succes. De roman werd bekroond met de prijs van het D.A. Thiemefonds.

Na een verblijf in Parijs trouwde Louis Couperus met zijn nicht Elisabeth Baud en ging in Hilversum wonen. Na 1992 leidde het echtpaar een zwervend bestaan. Een reis door Indië inspireerde Couperus tot het schrijven van “De stille kracht” (1900).

 

Narcis

 

Aan de boord ener beke

Zie ik leliën dromend staan,

Wijl golfjens om haar stengels

Schuimend gaan.

 

Een rei als van nymfen,

Die zich beuren uit de beek,

Een rei als van sneeuwwitte bruidjens

Zo kuis, zo bleek.

 

En in heur midden heft zich

Een enkele narcis,

die kwijnt op zijn stengelke

Van droevenis.

 

De leliën smachten van minne,

Voor die geluwe narcis;

Zij geuren haar zoetste geuren,

Zo zwoel…zo fris.

 

En de goedgele blomme nijgt zich

Steeds verder naar de vliet,

Tot hij in de zilvren spiegel

Zijn beeldtnis ziet.

 

Zo kou en zo kil in het water…

Zijn zoenen prangt

De bloem op het beeld, waar minnend

Hij over hangt.

 

En de leliën lispelen droeve,

Dat nog steeds met des jongelings lust

De bloeme zijne beeldtnis

Op ’t water kust…

 

 

Baadster

 

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,

En toefde op de eerste treê; heur armen beurden

En wrongen ’t blonde hair, dat druipend nat

Nog van den amber der violen geurde.

 

Hoe ’t rozig-blond van ’t blozend rozeblad

De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,

Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,

Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

 

Daar stond ze, steunende op het slanke been,

Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,

Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

 

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,

Geheel omsluyerd in den korenblonde:

Antieke vaas met gouden veile omwonden.

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

Saul Bellow (geboren 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal, Canada) was een joods-Amerikaans schrijver. Zijn boeken beschrijven en onderzoeken isolatie en spirituele dissociatie van zijn hoofdpersonen.

Hij werd geboren in Canada uit Russische ouders. Hij groeide op in Chicago, en studeerde sociologie en antropologie. Na zijn afstuderen deed hij onderzoek aan de universiteit van Wisconsin, en diende hij in de koopvaardij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft daarna zelf lesgegeven aan de universiteiten van onder andere Minnesota, Princeton, Boston en Chicago.

Zijn eerste boek, Dangling Man, werd uitgegeven in 1944, en een aantal succesvolle fictie- en nonfictiewerken volgden. Of het nu gaat om romantische, financiële of andere problemen, de chaos die een typische hoofdpersoon doormaakt leidt onvermijdelijk tot diepe existentiële vragen, maar ook tot hilarische en humoristische situaties. Bellow refereert in zijn boeken aan de grote filosofen en denkers zonder dat dit de leesbaarheid van zijn boeken vermindert. Een goed voorbeeld hiervan is Mr. Sammler’s Planet.

Bellow won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1976 voor Humboldt’s Gift. In 1988 ontving hij de hoogste Amerikaanse kunstonderscheiding, de National Medal of Arts.

 

Citaten:

 

 “A great deal of intelligence can be invested in ignorance when the need for illusion is deep.”

 

 “There is only one way to defeat the enemy, and that is to write as well as one can. The best argument is an undeniably good book.”

 

 “Any artist should be grateful for a naive grace which puts him beyond the need to reason elaborately.”

 

 

Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)

 

Mensje van Keulen werd geboren te Den Haag op 10 juni 1946 en is woonachtig in Amsterdam. Ze werd geboren als Mensje Francina van der Steen en kreeg als roepnaam Mennie. Ze was van 1970 tot 1972 redacteur van Propria Cures. Daarna maakte ze tezamen met o.a. Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf. Diverse boeken van haar hand staan min of meer standaard op de boekenlijsten van veel middelbare scholen. Ze schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook diverse kinderboeken.

 

Uit: Bleekers zomer

 

“Annie woonde boven een loodgieter op de Geldersekade. De voorkamer werd vrijwel geheel in beslag genomen door een wit plastic bankstel om een kloostertafel. In de hoek hing een kastje waarin een rij lichte lectuur, het theeservies en de radio stonden. Verder waren de muren, schoorsteen en vensterbanken opgedirkt door schreeuwerige snuisterijen.
Ze schopte haar schoenen uit en kneep in haar voeten. ‘Wou je nog wat drinken, schatje?’
‘Liever niet,’ zei Bleeker en liep naar het achterste vertrek waar ie zich op bed liet vallen. Het kostte hem geen enkele moeite zijn ogen dicht te doen. Wel om ze weer te openen en daar had ie geen zin in. Hij sliep bijna toen Annie z’n schoenen los veterde en ‘m z’n kleren uittrok.
‘Geef es ’n beetje mee,’ zei ze hijgend onder het sjorren aan hem en het dek waar ze hem onder wou hebben.
Hij ging enigszins overeind zitten. Door de spleetjes van z’n ogen zag ie hoe Annie in haar vette nakie de dekens over z’n eigen blote lichaam trok. Daarna kwam ze in bed en kroop onmiddellijk tegen hem aan.
‘Hé,’ fluisterde ze, ‘draai je es even om.’ En toen het stil bleef: ‘Je slaapt toch niet?’ Ze wachtte even. ‘Ik maak je wakker hoor.’
Bleeker had, op slapen na, nergens trek in. Hij haalde zo regelmatig mogelijk adem en bleef, alhoewel dat inspanning kostte, roerloos liggen.
Annie voegde de daad bij het woord en prikte een vinger tussen zijn billen.
‘Aaah,’ kreet hij en draaide zich met ’n slag op z’n rug. Het volgende moment werd ie bedolven onder haar zware bovenlichaam. Ze beet in z’n buik, likte z’n navel, draaide haar vingers in het weinige borsthaar dat ie bezat en gaf niet op ondanks zijn ‘nee nee’ geroep. Ze draaide zich zelfs om en leunde haar handen op z’n heupen, terwijl ze met een been over hem heen stapte om met haar volle gewicht boven op z’n borst te gaan zitten.” 

 

 

Mensje van Keulen (10 juni 1946)

 

Jan Brokken (10 juni 1949, Leiden) is een Nederlands schrijver. Hij is zoon van een Nederlands Hervormd predikant. Brokken groeide op in Rhoon en volgde de School voor Journalistiek in Utrecht. Daarna studeerde hij enige jaren politicologie in Bordeaux. In 1984 debuteerde hij met de roman De Provincie. Hij woonde twaalf jaar op Curaçao.

 

Prijzen: 1988 – Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor De zee van vroeger

             2004 – ICODO prijs voor Mijn kleine waanzin

 

 

Citaten:

 

 “Reizen is naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond.” 

 

 “Radicalen hebben of een uiterst conservatieve smaak of helemaal geen.” 

 

 

Jan Brokken (10 juni 1949)

Charles Dickens en voetbal


De Britse schrijver Charles John Huffham Dickens hoef ik hier niet verder in te leiden. Iedereen kent hem. Hij was één van de belangrijkste Britse schrijver van het Victoriaanse tijdperk. Zijn beroemdste romans zijn ongetwijfeld David Copperfield (1849-1850, grotendeels autobiografisch), Great Expectations (1860-1861), Oliver Twist en Nicholas Nickleby. Google geeft in 0,22 seconden 19.100.000 resultaten. Wie wil kan er zijn leven aan wijden. (Goethe komt trouwens op 27.100.000 in 0,08 seconden. Leuke sport…) Hieronder het begin van mijn favoriet David Copperfield.

I am Born

“Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show. To begin my life with the beginning of my life, I record that I was born (as I have been informed and believe) on a Friday, at twelve o’clock at night. It was remarked that the clock began to strike, and I began to cry, simultaneously.

In consideration of the day and hour of my birth, it was declared by the nurse, and by some sage women in the neighbourhood who had taken a lively interest in me several months before there was any possibility of our becoming personally acquainted, first, that I was destined to be unlucky in life; and secondly, that I was privileged to see ghosts and spirits; both these gifts inevitably attaching, as they believed, to all unlucky infants of either gender, born towards the small hours on a Friday night.

I need say nothing here, on the first head, because nothing can show better than my history whether that prediction was verified or falsified by the result. On the second branch of the question, I will only remark, that unless I ran through that part of my inheritance while I was still a baby, I have not come into it yet. But I do not at all complain of having been kept out of this property; and if anybody else should be in the present enjoyment of it, he is heartily welcome to keep it.

I was born with a caul, which was advertised for sale, in the newspapers, at the low price of fifteen guineas. Whether sea-going people were short of money about that time, or were short of faith and preferred cork jackets, I don’t know; all I know is, that there was but one solitary bidding, and that was from an attorney connected with the bill-broking business, who offered two pounds in cash, and the balance in sherry, but declined to be guaranteed from drowning on any higher bargain. Consequently the advertisement was withdrawn at a dead loss—for as to sherry, my poor dear mother’s own sherry was in the market then—and ten years afterwards the caul was put up in a raffle down in our part of the country, to fifty members at half-a-crown a head, the winner to spend five shillings. I was present myself, and I remember to have felt quite uncomfortable and confused at a part of myself being disposed of in that way. The caul was won, I recollect, by an old lady with a hand-basket, who, very reluctantly, produced from it the stipulated five shillings, all in halfpence, and twopence halfpenny short—as it took an immense time and a great waste of arithmetic to endeavour without any effect to prove to her. It is a fact which will be long remembered as remarkable down there, that she was never drowned, but died triumphantly in bed, at ninety-two. I have understood that it was, to the last, her proudest boast, that she never had been on the water in her life, except upon a bridge; and that over her tea (to which she was extremely partial) she, to the last, expressed her indignation at the impiety of mariners and others, who had the presumption to go “meandering” about the world. It was in vain to represent to her that some conveniences, tea perhaps included, resulted from this objectionable practice. She always returned, with greater emphasis and with an instinctive knowledge of the strength of her objection, “Let us have no meandering.”

Uit: David Copperfield (Chapter 1)

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) 

 

Omdat het WK voetbal is begonnen: een zeer literair voetbalgezelschap uit de oude doos:

 

Podiumweekend op kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest, zaterdag 1 en zondag 2 december 1951. Op zondagochtend werd er een partijtje gevoetbald: ‘Podium tegen De Windroos, de poëziereeks van Uitgeverij Holland, die onder redactie stond van Ad den Besten. Hermans, voorzien van een hoorn, was scheidsrechter.
Na de wedstrijd werd het gezelschap gefotografeerd. Staand van links naar rechts: J.B. Charles (pseudoniem van W.H. Nagel), Hans van Straten, Harry Mulisch, Paul Rodenko (deels zichtbaar), Ad den Besten, Maurits Mok, Henk van der Horst, D. Opsomer (pseudoniem van Dick Vriesman), Leo Klatser, Oey Tjeng Sit, W.F. Hermans, Wim Schouten, Bert Schierbeek, en L.F. Abell. Hurkend: Henk van Tienhoven, Geert Lubberhuizen, Herman van Praag, Gerrit Borgers, Meine S. Koops en Bergman (pseudoniem van Aart Kok). Liggend: Jan Meulenbelt.

Foto Frans Zuydwijk/Collectie Letterkundig Museum

 

 

 

Gottfried Bürger en Gerald Bisinger

Geboren werd Gottfried August Bürger op 31 december 1747 in Molmerswende bij Quedlinburg. In zijn afgelegen geboortedorp in het oosten van de Harz had Bürger geen mogelijkheden om zich geestelijk te vormen, want zijn vader, de predikant van het dorp, hield zich nauwelijks bezig met zijn opleiding. Op initiatief van zijn grootvader bezocht Bürger van 1760 tot 1763 het Pädagogium in Halle en ging hij daarna aan de universiteit van Halle theologie studeren. Vanaf 1768 studeerde hij rechten in Göttingen, waar hij Hölty, Leisewitz, Voß en de gebroeders Stolberg en de andere leden van de in 1772 opgerichte Hainbund leerde kennen. Kort na zijn huwelijk met Dorette Leonhardt in 1774 werd hij verliefd op haar zuster Auguste, de “Molly” uit zijn gedichten. Na 10 jaar huwelijk stierf Dorettte. Een jaar later trouwde Bürger met Auguste, maar deze overleed eveneens na een huwelijk dat maar zeven maanden duurde. Met de steun van Georg Christoph Lichtenberg werd Bürger privé-docent aan de universiteit van Göttingen. Daar gaf hij tot aan zijn dood lezingen over esthetica, stijlkunde, Duitse taal en filosofie. Een ongelukkig derde huwelijk werd in 1792 ontbonden. Hij stierf tamelijk geïsoleerd van de maatschappij op 8 juni 1794 aan de tering.

 

Überall Molly und Liebe

 

Sonett

  

In die Nacht der Tannen oder Eichen,
Die das Kind der Freude schauernd flieht,
Such ich oft, von Kummer abgemüht,
Aus der Welt Gerassel wegzuschleichen.

 

Könnt ich nur, wie allem meinesgleichen,
Auch sogar der Wildnis, die mich sieht,
Und den Sinn zu neuer Arbeit zieht,
Bis ins Nichts hinein zur Ruh entweichen!

 

Dennoch ist so heimlich kein Revier,
Ist auch nicht ein Felsenspalt so öde,
Daß mich nicht, wie überall, auch hier

 

Liebe, die Verfolgerin, befehde;
Daß nicht ich mit ihr von Molly rede,
Oder sie, die Schwätzerin, mit mir. 

 

 

 

Die Eine.

 

Sonett.

 

Nicht selten hüpft, dem Finken gleich im Haine,
Der Flattersinn mir keck vor’s Angesicht.
»Warum, o Thor, warum ist denn nur Eine
Dein einziges, dein ewiges Gedicht?

 

Ha! Glaubst du denn, weil Diese dir gebricht,
Daß Liebe dich mit Keiner mehr vereine?
Der Gram um sie beflort dein Augenlicht,
Und freilich glänzt durch diesen Flor dir Keine.

 

Die Welt ist groß, und in der großen Welt
Blühn schön und süß viel Mädchen noch und Frauen.
Du kannst dich ja in manches Herz noch bauen.«

 

Ach, Alles wahr! Vom Rhein an bis zum Belt
Blüht Reiz genug auf allen deutschen Auen.
Was hilft es mir, dem Molly nur gefällt?  

 

Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794)

 

De Oostenrijkse dichter en vertaler Gerald Bisinger werd werd geboren op 8 juni 1936 in Wenen. Hij studeerde psychologie en Italiaans. Van 1962 tot 1970 zat hij in de poëzie redactie van “Neue Wege”. Van 1980 tot 1986 was hij redacteur van “Literatur im technischen Zeitalter” (Berlijn) en van 1989 tot 1994 redactielid van de “Rampe” (Linz). Van 1964 tot 1986 woonde Bisinger in Berlijn, waar hij medewerker was van het “Literarische Colloqium”. Daarna, tot aan zijn dood op 22 februari 1999 weer in Wenen. Hij vertaalde Umberto Eco, Nanni Balestrini en was de eerste uitgever van H.C. Artmann. In 1987 verscheen zijn dichtbundel “Am frühen Lebensabend”, tien jaar later gevolgd door de werken “Ein alter Dichter” (1998) en “Dieser Tratsch” (1999), die met het postuum verschenen “Im siebenten Jahrzehnt” een trilogie vormen.

 

Gedicht XVII

In dieser finstren engen Kaschemme
die sich Buffet nennt neben unmittel-
bar dem Café Hummel in Wien-Josefstadt
sitz ich ein Glas Rotwein vor mir soe-
ben habe im Weinhaus Sittl Zum Goldenen
Pelikan ich eine Gulaschsuppe gegessen
an diesem Sonnentag Sommertag heute im
Juni noch schwitze ich nicht gewöhn mei-
ne Augen ans Dunkel schreib hier und in
einem jeweiligen Jetzt in dem Zukunft
sich trifft mit Vergangenheit diese
paar Zeilen und nenne sie schließlich
Gedicht Nummer siebzehn

 

Wien, den 24. Juni 1994

 

Gedicht XXXV

Ich stehe auf aus dem Bett um eine Zi-
garette zu rauchen (und mich so zu er-
muntern) ich verlasse das Haus geh hin-
aus in den Regen in sehr kühle Luft an
diesem Sonntag heute im Mai um Zigaret-
ten zu kaufen zeitweilig bin ich durch
Matsch ich gewatet von roten Kastanien-
blütenflocken ich rauch in dem kleinen
Café jetzt an der Thaliastraße schon in
Friedhofsnähe in Wien-Ottakring trink
Bier schreib an diesem Gedicht muß für
Geld auch arbeiten nicht nur zu eigener
Freude um Zigaretten bezahlen zu können
etwa ich lebe ich rauche verbrauche all-
mählich diese Zeit meines einzigen Da-
seins trink Bier

Wien, den 14. Mai 1995

 

Gerald Bisinger (8 juni 1936 – 22 februari 1999)

 

Morriën, Parker en Forster

Adriaan Morriën (Velsen, 5 juni 1912) debuteerde in 1935, toen hij een gedicht publiceerde in Forum, het illustere blad van Ter Braak en Du Perron. In 1939 volgde zijn eerste dichtbundel: Hartslag. De belangrijkste thema’s hierin zou hij zijn leven lang trouw blijven: erotiek, de vrouw en de dood. Omdat er van de literatuur anders niet te leven viel, schreef hij na de oorlog vooral veel vertalingen, literaire beschouwingen en recensies. Onder meer in Het Parool en Literair Paspoort, het blad dat hij in 1946 zelf oprichtte. Ook was hij enige jaren lang docent Frans en werkte later bij het Instituut voor Vertaalkunde van de UvA. Verder beoordeelde hij manuscripten, als redacteur bij een aantal literaire bladen (o.m. Libertinage, Criterium en Tirade) en adviseur van uitgeverijen (G.A. van Oorschot & De Bezige Bij). Hij geldt als de ontdekker van schrijvers als Mulisch, Reve, Hanlo, Lodeizen en ook W.F. Hermans, met wie hij hevig gebrouilleerd raakte. Adriaan Morriën overleed op 7 juni 2002.

 

Ouderdom

De ouderdom verzacht het sterven.
De hand, te zwak om zich te heffen,
rust op het laken met de vrede der berusting.
De wereld werd een boomtak voor het raam,
een vogelzwerm op zoek naar zomer.

De liefde wordt een bevende gedachte,
een spreken van de vezels en een zingen
van ’t bloed, een winter van herinneringen.
De vorst heeft zachtheid en de zomer sneeuwt.
Vrouwen zijn licht en brozer dan haar glimlach.
En zelfs de dood is ons behulpzaam:
hij tilt ons zeer voorzichtig uit het koude bed.   

 

Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002)

 

Dorothy Rothschild Parker, was een Amerikaanse critica, satirisch dichteres, en schrijfster van korte verhalen. Ze werd geboren in New York op 22 augustus 1893. Ze is zowel beroemd om haar flitsende taalgebruik en haar boosaardige intellect als om haar betoverende verhalen en schetsen waarin zij haar onderliggend pessimisme openbaarde.

Zij begon haar carrière als toneelcriticus van Vanity Fair‘s (1917-20), was vervolgens theater- en boekrecensent van de Newyorker (1927-33), en ze werd pas definitief legendarisch in de jaren ’20 en de vroege jaren ’30 door haar lidmaatschap van de beroemde ‘Ronde Tafel’ van het Algonquin Hotel.

 

 

A Certain Lady 

Oh, I can smile for you, and tilt my head,
And drink your rushing words with eager lips,
And paint my mouth for you a fragrant red,
And trace your brows with tutored finger-tips.
When you rehearse your list of loves to me,
Oh, I can laugh and marvel, rapturous-eyed.
And you laugh back, nor can you ever see
The thousand little deaths my heart has died.
And you believe, so well I know my part,
That I am gay as morning, light as snow,
And all the straining things within my heart
You’ll never know.

Oh, I can laugh and listen, when we meet,
And you bring tales of fresh adventurings, —
Of ladies delicately indiscreet,
Of lingering hands, and gently whispered things.
And you are pleased with me, and strive anew
To sing me sagas of your late delights.
Thus do you want me — marveling, gay, and true,
Nor do you see my staring eyes of nights.
And when, in search of novelty, you stray,
Oh, I can kiss you blithely as you go ….
And what goes on, my love, while you’re away,
You’ll never know.

Dorothy Parker  (22 augustus 1893 – 7 juni, 1967)

 

Edward Morgan Forster was een Engels schrijver die in 1924 zijn bekendste boek publiceerde: A Passage To India. Dit boek is een beschrijving van het leven in India onder Britse heerschappij en toont de vooroordelen die de Britten en Indiërs ten opzichte van elkaar hebben en de conflicten die daarvan het gevolg zijn. De spanningen tussen Indiërs en Britten komt tot een hoogtepunt wanneer een Britse vrouw een jonge Indiase dokter beschuldigd van verkrachting. Forster haalde inspiratie voor zijn boeken uit de reizen die hij maakte naar Egypte, Duitsland en India.

Romans: o.a. 1905 Where Angels Fear to Tread (verfilmd door Charles Sturridge in 1991), 1908 A Room With A View (verfilmd door James Ivory in 1985),  1910 Howards End (verfilmd door Merchant-Ivory in 1992), 1924  A Passage to India (verfilmd door David Lean in 1984) en 1971  Maurice (geschreven 1913-1914 en postuum gepubliceerd in 1971; verfilmd door Merchant-Ivory).

 

“The Signora had no business to do it,” said Miss Bartlett, “no business at all. She promised us south rooms with a view close together, instead of which here are north rooms, looking into a courtyard, and a long way apart. Oh, Lucy!”

“And a Cockney, besides!” said Lucy, who had been further saddened by the Signora’s unexpected accent. “It might be London.” She looked at the two rows of English people who were sitting at the table; at the row of white bottles of water and red bottles of wine that ran between the English people; at the portraits of the late Queen and the late Poet Laureate that hung behind the English people, heavily framed; at the notice of the English church (Rev. Cuthbert Eager, M. A. Oxon.), that was the only other decoration of the wall. “Charlotte, don’t you feel, too, that we might be in London? I can hardly believe that all kinds of other things are just outside. I suppose it is one’s being so tired.”

“This meat has surely been used for soup,” said Miss Bartlett, laying down her fork.

“I want so to see the Arno. The rooms the Signora promised us in her letter would have looked over the Arno. The Signora had no business to do it at all. Oh, it is a shame!”

“Any nook does for me,” Miss Bartlett continued; “but it does seem hard that you shouldn’t have a view.”

Lucy felt that she had been selfish. “Charlotte, you mustn’t spoil me: of course, you must look over the Arno, too. I meant that. The first vacant room in the front–“

——“You must have it,” said Miss Bartlett, part of whose travelling expenses were paid by Lucy’s mother–a piece of generosity to which she made many a tactful allusion.

“No, no. You must have it.”

“I insist on it. Your mother would never forgive me, Lucy.”

“She would never forgive me.”

 

 

Uit: E. M. Forster: A room With a View, Part One.
Chapter I: The Bertolini  

 

Edward Morgan Forster (1 januari 1879 – 7 juni 1970)

Thomas Mann

Vorig jaar was een Thomas Mann jaar. Op 12 augustus 2005 was het namelijk 50 jaar geleden dat deze Duitse schrijver overleed. Zelf ben ik op die dag in Lübeck geweest. Manns geboortehuis is tijdens WO II verwoest, maar het huis dat zo’n centrale rol speelt in Buddenbrooks, is nog wel te bezoeken, in de Mengstraße 4. Trouwens ook van dit huis bleef door de bombardementen op Lübeck alleen de fassade over.

Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle “Gefallen”. Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond – hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar – besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de ‘Duitse ziel’ in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.

…“die reinigende heiligende Wirkung der Literatur , die Zerstörung der Leidenschaften durch die Erkenntnis und das Wort , die Literatur als Weg zum Verstehen , zum Vergeben und zur Liebe , die erlösende Macht der Sprache , der literarische Geist als edelste Erscheinung des Menschengeistes überhaupt , der Literat als vollkommener Mensch , als Heiliger – : aus dieser strahlenden Tonart ging Herrn Settembrini’s apologetischer Lobgesang…“

 

 

„…und er brach eine Lanze für die Unschuld der Wollust – wobei Hans Castorp an sein Humanistenstübchen im Dache mit dem Stehpult , den Strohstühlen und der Wasserflasche denken musste , – während Naphta , behauptend , nie könne Wollust ohne Schuld sein und die Natur habe angesichts des Geistigen gefälligst ein schlechtes Gewissen zu haben , die kirchliche Politik und Indulgenz des Geistes als ” Liebe ” bestimmte , um den Nihilismus des asketischen Prinzips zu widerlegen , – wobei Hans Castorp fand , dass das Wort ” Liebe ” dem scharfen , mageren kleinen Naphta recht sonderbar zu Gesichte stehe …“

 

 

„…das ist vollkommene Eindeutigkeit in der Zweideutigkeit , denn Liebe kann nicht unkörperlich sein in der äussersten Frömmigkeit und nicht unfromm in der äussersten Fleischlichkeit , sie ist immer sie selbst , als verschlagene Lebensfreundlichkeit wie als höchste Passion , sie ist die Sympathie mit dem Organischen , das rührend wollüstige Umfangen des zur Verweisung Bestimmten , – Charitas ist gewiss noch in der bewunderungsvollsten oder wütendsten Leidenschaft…“

 

 

Uit: Der Zauberberg

 

 

„…die Überlieferung will wissen , dass ihm sein Gott , der Gott , an dessen Wesensbild sein Geist arbeitete , der Höchste unter den anderen , dem ganz allein zu dienen er aus Stolz und Liebe entschlossen war , der Gott der Aeonen , dem er Namen suchte und hinlängliche nicht fand , weshalb er ihm die Mehrzahl verlieh und ihn Elohim , die Gottheit , versuchsweise nannte : dass also Elohim ihm ebenso weitreichende wie fest umschriebene Verheissungen gemacht hatte , des Sinnes nicht nur ,er, der Mann aus Ur , solle zu einem Volke werden , zahlreich wie Sand und Sterne , und allen Völkern ein Segen sein , sondern auch dahingehend , das Land , in dem er nun als Fremder wohne und wohin Elohim ihn aus Chaldaea geführt hätte , solle ihm und seinem Samen zu ewiger Besitzung gegeben werden in allen seinen Teilen , – wobei der Gott der Götter ausdrücklich die Völkerschaften und gegenwärtigen Inhaber des Landes aufgeführt hätte…“

 

 

„…und da > schön > das Beiwort war , das man vor allem auf den Mond , und zwar auf den vollen , unverdunkelten und unverhüllten , anzuwenden pflegte , ein Mondwort , das in der himmlischen Sphäre eigentlich zu Hause war und auf den Menschen genaugenommen nur übertragenerweise Anwendung fand , so flossen ihm die Denkbilder > schön > und > nackt > fast ohne Unterschied ineinander über , und es schien ihm klug und fromm , die Schönheit des Gestirnes mit der eigenen Nacktheit zu beantworten , damit Vergnügen und Bewunderung gegenseitig seien…“

 

 

„…dass aber des Jünglings Neigung zu einem nicht mustergültigen Entzücken mit Nacktheit zu tun hatte , mit Preisgabe also , mit Baal und Scheol also , mit Todeszauber und erdunterer Unvernunft , entging nicht dem sittlichen Scharfsinn Jaakobs , des Vaters , und ebendarum denn nun begünstigte er des Schreibers Einfluss auf den Geliebten -…”

 

Uit: Joseph und seine Brüder

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)

 

Garcia Lorca en Thomas Kling

De homoseksuele dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca (1898-1936) wordt door velen beschouwd als de belangrijkste Spaanse schrijver van de twintigste eeuw.
Lorca experimenteerde door het kubisme en het surrealisme te introduceren in de literatuur.
Aan het leven van Federico Garcia Lorca kwam tijdens de Spaanse burgeroorlog een einde.
De fascisten waren niet erg gecharmeerd van Lorca’s politieke denkbeelden en openlijke homoseksualiteit. Lorca werd gedood tijdens een massa-executie in het kleine stadje Viznar. Hij werd begraven in een anoniem graf.

Frederico Garcia Lorca groeide op in de ruige omgeving van Fuente Vaqueros en Asquerosa in Andalusië waar zijn vader een bloeiend boerenbedrijf dreef. Later verhuisde de familie naar Granada, waar Lorca in aanraking kwam met de kunsten. Vanaf 1919 verbleef de dichter een gedeelte van het jaar in Madrid. In de Spaanse hoofdstad maakte hij kennis met belangrijke kunstenaars als Salvador Dali en de cineast Luis Buñuel. De eerste gedichten ontstonden tijdens zijn rechtenstudie en werden gepubliceerd in “Libro de poemas” (1921). Het eerste toneelwerk “El maleficio de la mariposa” (1921) werd een grote flop.

Latere werken als Romancero gitano (1929) en “Poema del cante jondo” (1933) vestigden zijn naam als dichter. In beide boeken spelen het landschap en de folklore van zijn geboortestreek Andalusië een grote rol. Ook als toneelschrijver was Lorca invloedrijk. Zijn belangrijkste werken zijn: “Bodas de sangre” (1933), “Yerma” (1933) en “La casa de Bernarda Alba” (1936).

 

Afwezige ziel

De stier kent je niet noch de vijgenboom,
de paarden niet, noch de mieren in je huis.
Het kind kent je niet noch het middaguur

Want je bent dood voor altijd.

De rug van je grafsteen kent je niet,
noch het zwarte satijn waarin je verpulvert.
Je verstomde herinnering kent je niet
want je bent dood voor altijd.

Straks komt de herfst met zijn hoorngeschal,
druiventrossen in nevellicht en bergen dicht bijeen,
maar niemand zal je ogen willen zien
want je bent dood voor altijd.

Want je bent dood voor altijd
zoals alle doden van de Aarde,
zoals alle doden die vergeten zijn
als honden op een vaalt, vergaan.

Geen mens die je kent. Niet een. Maar ik bezing je.
Ik bezing je slanke figuur en je gracie voor later.
De onvolprezen rijpheid van je inzicht.
Je hunker naar de dood en de smaak van zijn mond.
De droefheid in je vreugde en je moed.

Lang duurt het voor geboren wordt, als het gebeurt,
een Andalusiër, zo beroemd en rijk aan avonturen.
Ik eer zijn elegantie met mijn klagend zingen
En ik gedenk een droeve bries die door olijfhout waait.  

 

De Profundis

Los cien enamorados

duermen para siempre

bajo la tierra seca.

Andalucía tiene

largos caminos rojos.

Córdoba, olivos verdes

donde poner cien cruces

que los recuerden.

Los cien enamorados

duermen para siempre.

(Poema del Cante Jondo, Madrid, 1931)

 

 

De Profundis

De honderd gelieven

zijn eeuwig ingeslapen

onder de dorre aarde.

Lange rode paden

gaan door Andalusië.

Córdoba heeft groene gaarden

vol olijfbomen om kruizen

ter herinnering te plaatsen.

De honderd gelieven

zijn eeuwig ingeslapen.

 

(Uit: Federico García Lorca, Voor duizend verliefden van hart, De mooiste liefdesgedichten, gekozen en vertaald door Barber van de Pol, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1999)  

 

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936) 

 

De Duitse Dichter en essayist Thomas Kling werdop 5 juni 1957 in Bingen geboren. Hij woonde na een tijd in Düsseldorf, Wenen, Finland en Keulen tot slot in de omgeving van Neuss. Behalve zijn eigen dichtbundels publiceerde hij vertalingen van Catullus en was hij uitgever van de bloemlezing Sprachspeicher. 200 Gedichte auf deutsch vom achten bis zum zwanzigsten Jahrhundert (2001). Toen Thomas Kling aan longkanker stierf op 1 april 2005, 47 jaar oud, had hij zich een naam verworven als een van de belangrijkste moderne Duitse dichters.

 

Mailand. Ambrosianische Litanei 1

die erste tafel der legende.

die stadt und ihr himmel:

einer stahlplatte gesang.

 

auf der zweiten tafel, aussenraum und innenraum,

ist ein gitter vor die heilige geleget,

das stellt ihr gefängnis vor.

und ein kompakter, untersetzter bär

verteidigt den raum ihrer unschuld.

 

der himmel drückender.

bedrückender gesang. ein hitziges martyrium!

der weißgoldhimmel lastet auf der stadt.

die räume. im himmel:

mailands hochfinanz.

mailand, die junge frau und ihre vergewaltiger:

zwischen sie stellt sich der bär und

fällt die bunten schergen an.

 

die dritte tafel: hier

erreicht die draußen hingerichtete – die

lag da einfach so, herr komissar –

den himmel mailands. sie erreicht hier

mailands harten himmel.  

 

Actaeon 5

funde von bildchen am rand, die ramponierten idole.

verlautbarungen aus der idyllenanstalt. bildfunken eines

angeschlagenen römischen reliefs, gewaltdarstellung.

 

hier hat natur in abgelegenem gelände ein kunstwerk

hingeklotzt. Dianas täuschend echte badegrotte, aus der,

durchsichtig bis zum grund, die quelle klingelt, plot.

 

wo D., nackt, von A. ertappt, nicht lange fackelt, wenig

worte macht: was mit tabubruch, poren, haarigem tod.

rasant führt das zu sprachverlust, hirschzellen, hornschwer

 

wird sein kopf. ein röhren-echo, keine stille, da bis zum

schluß ja dieser hirschprojektor schnurrt. dann riß. antike,

beschleunigt, als jagdstück. wie schlafstörungen das licht.

 

kling

Thomas Kling (5 juni 1957 – 1 april 2005)

Eduard Mörike en Casanova

Geboren werd Eduard Mörike op 8 september 1804 in Ludwigsburg. Na de vroege dood van zijn vader kwam de 13jarige op het gymnasium in Stuttgart. Aansluitend bezocht hij het Niedere Theologische Seminar in Urach als voorbereiding op de studie theologie in Tübingen. Tussen 1`826 en 1834 was hij vicaris en plaatsvervangend predikant in Möhringen, Köngen, Filderstadt-Plattenhardt, Leonberg-Eltingen, Owen en Ochsenwang, voordat hij hij een vaste predikantenplaats kreeg in Cleversulzbach waar hij negen jaar lang bleef. Wegens ziekte werd hij al vroeg, op zijn 39e, gepensioneerd.  Eduard Mörike overleed op 4 juni 1875 in Stuttgart en werd daar op de Pragfriedhof begraven. Mörike gold lang als een typische vertegenwoordiger van de Biedermeier die de vertrouwde en nabije Heimat bezingt. Tegenwoordig heeft men meer oog voor het afgrondelijke in zijn werk en voor de moderniteit van zijn radicale afzondering van de wereld.

Auf eine Lampe

Noch unverrueckt, o schoene Lampe, schmueckest du,
An leichten Ketten zierlich aufgehangen hier,
Die Decke des nun fast vergessnen Lustgemachs.
Auf deiner weissen Marmorschale, deren Rand
Der Efeukranz von goldengruenem Erz umflicht,
Schlingt froehlich eine Kinderschar den Ringelreihn.
Wie reizend alles! lachend, und ein sanfter Geist
Des Ernstes doch ergossen um die ganze Form –
Ein Kunstgebild der echten Art. Wer achtet sein?
Was aber schoen ist, selig scheint es in ihm selbst
.

 

Liebesglück    

Wenn Dichter oft in warmen Phantasieen,
Von Liebesglück und schmerzlichem Vergnügen,
Sich oder uns, nach ihrer Art, belügen,
So sei dies Spielwerk ihnen gern verziehen.

Mir aber hat ein gütger Gott verliehen,
Den Himmel, den sie träumen, zu durchfliegen,
Ich sah die Anmut mir im Arm sich schmiegen,
Der Unschuld Blick von raschem Feuer glühen.

Auch ich trug einst der Liebe Müh und Lasten,
Verschmähte nicht den herben Kelch zu trinken,
Damit ich seine Lust nun ganz empfinde.

Und dennoch gleich ich jenen Erzphantasten:
Mir will mein Glück so unermeßlich dünken,
Daß ich mir oft im wachen Traum verschwinde.

 

»Er ist’s«

Frühling läßt sein blaues Band
Wieder flattern durch die Lüfte;
Süße, wohlbekannte Düfte
Streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
Wollen balde kommen.
– Horch, von fern ein leiser Harfenton!
Frühling, ja du bist’s!
Dich hab ich vernommen!

Eduard Mörike (8 september 1804 – 4 juni 1875)

 

Giacomo Girolamo Casanova (2 april 1725 – 4 juni 1798) was een beroemd 18e-eeuwse avonturier uit Venetië, wiens naam synoniem werd voor vrouwenversierder.

Casanova was de zoon van een actrice en een violist. Het is, gezien de zeden van zijn tijd, zeer goed mogelijk dat hij in werkelijkheid de zoon van een patriciër, mogelijkerwijs zijn beschermheer de senator Bragadin, was. Casanova’s broer was de, in zijn tijd vermaarde, schilder Giovanni Casanova.

De memoires zijn bewaard gebleven omdat Casanova’s uitgebreide manuscript, opgeschreven om zich in het eenzame en afgelegen Dux met zijn herinneringen te troosten, door zijn neef aan de uitgever Brockdorf werden verkocht. Toen de zwaar gecensureerde memoires in 1830 verschenen, veroorzaakten zij een sensatie.

 

Citaten:

“Als je andere mensen wilt laten huilen, moet je zelf huilen. Als je andere mensen wilt laten lachen, moet je gezicht ernstig blijven.”  

 

“Vergif is in handen van een wijs mens een geneesmiddel, een geneesmiddel is in handen van een broddelaar vergif.”  


Giacomo Girolamo Casanova (2 april 1725 – 4 juni 1798)