Allen Ginsberg

Allen Ginsberg was een Amerikaans dichter van joodse afkomst. In de jaren ’40 van de twintigste eeuw studeerde hij aan de Universiteit van Columbia waar hij vriendschap sloot met de schrijvers William S. Burroughs en Jack Kerouac. In het midden van de jaren vijftig zou hij het centrum vormen van de Beat Generation samen met dichters als Gary Snyder en Michael McClure. In 1956 publiceerde hij zijn eerste werk: Howl And Other Poems. Hoewel het gedicht heftige reacties opriep wegens vermeende obsceniteit, werd het een groot succes. Ook Ginsbergs openheid over zijn homoseksualiteit – zo trouwde hij in 1954 met Peter Orlowsky – maakte hem controversieel. Zijn collega-schrijvers, met name Jack Kerouac, William Carlos Williams en Kenneth Rexroth hadden meer vertrouwen in hem. Hij werd zelf ook sterk beïnvloed door deze schrijvers. Ginsberg had een sterke drang om zijn bewustzijn te verruimen. Dat deed hij door het gebruik van drugs zoals marihuana, maar ook door het schrijven van gedichten. William Blake, de Engelse dichter, was hem daarbij een voorbeeld. Toch bevatten veel gedichten van Ginsberg elementen van oorlog. Onderwerpen als de gaskamers in de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Vietnam komen regelmatig voor in zijn gedichten. Ginsberg ontving talrijke prijzen waaronder de Woodbury Poetry Prize, de National Book Award for Poetry, NEA grants en een Lifetime Achievement Award van de Before Columbus Foundation. In zijn laatste jaren was Ginsberg professor aan de Universiteit van Brooklyn.

Psalm IV

Now I’ll record my secret vision, impossible sight of the face of God:
It was no dream, I lay broad waking on a fabulous couch in Harlem
having masturbated for no love, and read half naked an open book of Blake
on my lap
Lo & behold! I was thoughtless and turned a page and gazed on the living
Sun-flower
and heard a voice, it was Blake’s, reciting in earthen measure:
the voice rose out of the page to my secret ear never heard before-
I lifted my eyes to the window, red walls of buildings flashed outside,
endless sky sad Eternity
sunlight gazing on the world, apartments of Harlem standing in the
universe–
each brick and cornice stained with intelligence like a vast living face–
the great brain unfolding and brooding in wilderness!–Now speaking
aloud with Blake’s voice–
Love! thou patient presence & bone of the body! Father! thy careful
watching and waiting over my soul!
My son! My son! the endless ages have remembered me! My son! My son!
Time howled in anguish in my ear!
My son! My son! my father wept and held me in his dead arms.

 

Homework

If I were doing my Laundry I’d wash my dirty Iran
I’d throw in my United States, and pour on the Ivory Soap,
scrub up Africa, put all the birds and elephants back in
the jungle,
I’d wash the Amazon river and clean the oily Carib & Gulf of Mexico,
Rub that smog off the North Pole, wipe up all the pipelines in Alaska,
Rub a dub dub for Rocky Flats and Los Alamos, Flush that sparkly
Cesium out of Love Canal
Rinse down the Acid Rain over the Parthenon & Sphinx, Drain the Sludge
out of the Mediterranean basin & make it azure again,
Put some blueing back into the sky over the Rhine, bleach the little
Clouds so snow return white as snow,
Cleanse the Hudson Thames & Neckar, Drain the Suds out of Lake Erie
Then I’d throw big Asia in one giant Load & wash out the blood &
Agent Orange,
Dump the whole mess of Russia and China in the wringer, squeeze out
the tattletail Gray of U.S. Central American police state,
& put the planet in the drier & let it sit 20 minutes or an
Aeon till it came out clean.   

 

An Eastern Ballad 

I speak of love that comes to mind:
The moon is faithful, although blind;
She moves in thought she cannot speak.
Perfect care has made her bleak.

I never dreamed the sea so deep,
The earth so dark; so long my sleep,
I have become another child.
I wake to see the world go wild.

Allen Ginsberg
(3 juni 1926 – 6 april 1997)

John Masefield en Ferdinand Raimund

Zeekoorts

Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in ’t verschiet
een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.
Het rukken van ’t wiel, ’t gekraak van het hout, het zeil ertegen,
als de dag aanbreekt over een grauwe zee, door een mist van regen.
Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,
dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust.
’t Is stil hier, ‘k verlang een stormdag, met witte jagende wolken
en hoog opspattend schuim en meeuwen om kronklende kolken.
Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?
Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen.
Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.
‘k Heb genoeg aan een pijp op wacht en een glas in het vooronder.

Zo luidr het gedicht “Zeekoorts” van John Masefield in de vertaling van J.J. Slauerhoff.

 

John Edward Masefield (geboren op 1 juni 1878) was een Engelse dichter en schrijver, en Poet Laureate vanaf 1930 tot aan zijn dood. Zijn moeder stierf toen hij 6 was, kort na de geboorte van zijn zuster. Veertien maanden later stierven zijn beide nog levende grootouders en in 1891 stierf zijn vader. Na zijn schooljaren in Warwick stuurde zijn tante hem voor een opleiding naar zee. Daar ontdekte hij dat hij veel van zijn tijd kon wijden aan lezen en schrijven. Aan boord van het schip, de HMS Conway, vatte hij zijn liefde op voor het vertellen van verhalen en besloot hij schrijver te worden.

Toen hij 24 was verschenen zijn gedichten in tijdschriften en werd zijn eerste bundel “Salt-Water Ballads” gepubliceerd. “Sea Fever” verscheen in dit boek. Masefield schreef twee romans, “Captain Margaret” (1908) en “Multitude and Solitude” (1909). In 1911, na een lange periode van dichten, stelde hij de bundel “The Everlasting Mercy” samen.

Tijdens  WO I hield Masefield lezingen in de Verenigde Staten waar hij ook informatie inwon omtrent de stemmingen en meningen van de Amerikanen ten opzichte van de oorlog in Europa. Aan de jaren 20 begon hij als een gevierd schrijver die in 1923 al 80.000 exemplaren van zijn Collected Poems over de toonbank zag gaan. Zijn taak als Poet Laureate vanaf 1930 nam hij zeer serieus en hij begon in die hoedanigheid met het toekennen van een prijs voor een eerste of tweede uitgave van poëzie door een dichter onder de 35 jaar.

Hij bleef zelf ook productief tot op hoge leeftijd. “In Glad Thanksgiving” verscheen toen hij 88 jaar was. Hij stierf op 12 mei 1967 tengevolge van gangreen.

 

Sea Fever

 

I MUST go down to the seas again, to the lonely sea and the sky,

And all I ask is a tall ship and a star to steer her by,

And the wheel’s kick and the wind’s song and the white sail’s shaking,

And a gray mist on the sea’s face, and a gray dawn breaking.

I must go down to the seas again, for the call of the running tide

Is a wild call and a clear call that may not be denied;

And all I ask is a windy day with the white clouds flying,

And the flung spray and the blown spume, and the sea-gulls crying.

I must go down to the seas again, to the vagrant gypsy life,

To the gull’s way and the whale’s way, where the wind’s like a whetted knife;

And all I ask is a merry yarn from a laughing fellow-rover,

And quiet sleep and a sweet dream when the long trick’s over.

 

 

Sonnet

 

FLESH, I have knocked at many a dusty door,

Gone down full many a midnight lane,

Probed in old walls and felt along the floor,

Pressed in blind hope the lighted window-pane,

But useless all, though sometimes when the moon

Was full in heaven
and the sea was full,

Along my body’s alleys came a tune

Played in the tavern by the Beautiful.

Then for an instant I have felt at point

To find and seize her, whosoe’er she be,

Whether some saint whose glory doth anoint

Those whom she loves, or but a part of me,

Or something that the things not understood

Make for their uses out of flesh and blood.

 

John Edward Masefield (1 juni 1878 – 12 mei 1967)

 

Ferdinand Raimund werd geboren op 1 juni 1790 in Wenen. Raimund volgde als zoon van meesterdraaier geen hogere opleiding. Na de dood van zijn ouders werd hij banketbakkersleerling en zocht toen zijn geluk als acteur in de provincie. In 1814 slaagde hij erin een aanstelling te krijgen bij het “Theater in der Josefstadt”. In 1817 verhuisde hij naar het “Theater in der Leopoldstadt”. Daar brak hij in 1823 met het stuk de Barometermacher auf der Zauberinsel ook als schrijver door.

Van 1823 tot 1834 schreef Raimund acht toneelstukken, die met het werk  van Nestroy werden vergeleken. In zijn werk komen de tradities van het volkstheater, de klucht, de parodie, het improvisatietoneel en het burgerlijke toneel samen. Toen hij het in1830 met ernstiger dramatisch werk probeerde liet het publiek het afweten. Daarna verliet hij het theater en trok hij zich steeds meer terug op zijn landgoed. Toen hij in de nacht van 29 op 30 augustus 1836 door een hond was gebeten – waarvan hij ten onrechte aannam dat hij aan hondsdolheid leed – deed Raimund een zelfmoordpoging. Kort daarna, op 5 september, overleed hij in Pottenstein bij Wenen.

 

 

An Schillers Nachruhm.

  

In stiller Nacht, beim düstern Lampenscheine
Hast du oft tief dein sinnend’ Haupt gesenkt;
Hoch wiegt dein Nachruhm nun mit Stolz das Seine,
Weil mit dem Höchsten du die Kunst beschenkt.
In fremden Sprachen deinen Geist verkündend,
Fragt er die Welt; ob je ein Dichter sang,
Der, seinen Ruf durch höheres Recht begründend,
Die Liebe seiner Nation errang?
Dir ist des Ruhmes seltner Doppelorden;
Bewunderung und Lieb’ zugleich geworden!

 

Wer hat wie du fürs deutsche Volk geschrieben?
Hat Jüngling, Mann und Greis gleich hoch entzückt?
Wer Völker lehrt, verdient, daß sie ihn lieben,
Wer Glück bereitet, sei auch selbst beglückt.
Warst du es auch? und konntest du es werden?
Ragt Sehnsucht nicht aus deinem Lied empor?
Lebt ein Gemüt, das rein beglückt auf Erden?
Der Weise lügt es oft, es wähnt’s der Tor;
Doch was das Leben auch an dir verbrochen,
Du hast dich durch Unsterblichkeit gerochen!

 

Dein Name lebt, dem frechen Tod zum Hohne,
Der stets der Welt zu früh das Beßre raubt.
Schon rüstet Deutschland sich, die Marmorkrone
Zu drücken auf dein ew’ges Dichterhaupt.
Ein Monument wird einst der Nachwelt lehren,
(Nicht wie du schriebst, dies kündet nur dein Lied,)
Daß Deutschland seltne Männer weiß zu ehren,
Und für der Dichtkunst Hoheit noch entglüht.
Der Himmel kann dir höhren Lohn noch bieten!
Die Erde tat, was sie vermag hienieden.   

     


Ferdinand Raimund (1 juni 1790 – 5 september 1836)

 

Walt Whitman

Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Hij geldt als een van de grondleggers van de moderne Amerikaanse poëzie. Zijn beroemdste werk is Leaves of Grass. Whitman werd als zoon van een timmerman geboren in een boerderij in de buurt van het huidige South Huntington (New York) en was het tweede van negen kinderen. In 1823 trok zijn familie naar Brooklyn, waar hij zes jaar lang naar school ging. Toen hij 12 was begon hij als leerling-zetter te werken. Als autodidact las hij de werken van Homerus, Dante en Shakespeare. Na een leertijd van twee jaar verhuisde Whitman naar Manhatten waar hij in verschillende drukkerijen werkte. In 1835 ging hij terug naar Long Island en werd hij leraar. Ook begon hij in Huntington met een krant, de Long Islander. Toen hij in 1850 terugkeerde naar Brooklyn wekte hij als makelaar en financierde op die manier de uitgave van Leaves of Grass. De eerste uitgave in 1855 telde 12 gedichten. Er volgden verschillende bewerkingen. De tweede uitgave in 1856 telde 34, de derde in 1860 154 gedichten. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog werkte Whitman vrijwillig als hulpverpleger in Washington D.C. Onder invloed van de oorlog onstond de bundel Drum Tabs die in 1865 werd gepubliceerd. In hetzelfde jaar kreeg Whitman een baan op het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar hij werd later door de minister ontslagen wegens de “onzedelijkheid van zijn dichtwerk”. Hij ging echter door met publiceren. In 1871 verscheen Democratic Vistas. Na een beroerte in 1873 werd Whitman arbeidsongeschikt. Hij kreeg last van tijdelijke verlammingsverschijnselen. Sindsdien leidde hij een zeer sober bestaan. In 1882 verschenen zijn dagboeken. In 1892 verscheen de negende druk van Leaves of Grass, nu met meer dan 400 gedichten. In zijn gedichten verheerlijkt Whitman de natuur en de democratie van zijn land. Hij behandelt de gelijkberechtiging van de geslachten en onthult biseksuele neigingen. Door de kritiek wordt hij daarop heftig aangevallen. Een grote invloed op Whitman had Ralph Waldo Emerson. Whitmans werk beïnvloedde niet alleen de Amerikaanse literatuur, maar ook het Europese Naturalisme en Expressionisme. Walt Whitman overleed op 26 maart 1893 in Camden, New Jersey.

 

I Hear America Singing

I hear America singing, the varied carols I hear,
Those of mechanics, each one singing his as it should be blithe and strong,
The carpenter singing his as he measures his plank or beam,
The mason singing his as he makes ready for work, or leaves off work,
The boatman singing what belongs to him in his boat, the deckhand singing on the steamboat deck,
The shoemaker singing as he sits on his bench, the hatter singing as he stands,
The wood-cutter’s song, the ploughboy’s on his way in the morning, or at noon intermission or at sundown,
The delicious singing of the mother, or of the young wife at work, or of the girl sewing or washing,
Each singing what belongs to him or her and to none else,
The day what belongs to the day—at night the party of young fellows, robust, friendly,
Singing with open mouths their strong melodious songs.

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is walt-whitman.jpg

De jonge Walt Whitman

1

 

In paths untrodden,
In the growth by margins of pond waters,
Escaped from the life that exhibits itself,
From all the standards hitherto published — from the pleasures, profits, conformities,
Which too long I was offering to feed my Soul;
Clear to me now, standards not yet published — clear to me that my Soul,
That the Soul of the man I speak for, feeds, rejoices only in comrades;
Here, by myself, away from the clank of the world,
Tallying and talked to here by tongues aromatic,
No longer abashed — for in this secluded spot I can respond as I would not dare elsewhere,
Strong upon me the life that does not exhibit itself, yet contains all the rest,
Resolved to sing no songs to-day but those of manly attachment,
Projecting them along that substantial life,
Bequeathing, hence, types of athletic love

Afternoon, this delicious Ninth Month, in my forty-first year,
I proceed, for all who are, or have been, young men,
To tell the secret of my nights and days,
To celebrate the need of comrades.

  

 

26

WE two boys together clinging,
One the other never leaving,
Up and down the roads going — North and South excursions making,
Power en
joying — elbows stretching — fingers clutching,
Armed and fearless — eating, drinking, sleeping, loving,
No law less than ourselves owning — sailing, soldiering, thieving, threatening,
Misers, menials, priests, alarming — air breathing, water drinking, on the turn of the sea-beach dancing,
With birds singing — With fishes swimming — With trees branching and leafing, Cities
wrenching, ease scorning, statutes mocking, feebleness chasing,
Fulfilling our foray.  

 

Walt Whitman, Uit: Calamus Poems: Leaves of Grass, Thayer and Eldridge, Boston 1860

 

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Portret van Walt Whitman door Thomas Eakins, 1887-88

 

 

A. den Doolaard / Emmanuel Hiel

“Macedonië eert A. den Doolaard met standbeeld en plein”, zo meldde het radioprogramma Met het oog op morgen afgelopen week ter inleiding van een interview met zijn dochters.

In Ohrid (Macedonië, soms ook gespeld als Ochrid) is op 29 mei 2006 een standbeeld onthuld ter ere van A. den Doolaard. Ook zal er een plein worden vernoemd naar de schrijver, die er in 1938 een deel van zijn roman de bruiloft der zeven zigeuners schreef. 

A. den Doolaard werd geboren in Zwolle op 7 februari 1901. Na het overlijden van zijn vader wordt hij boekhouder bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (van 1920 tot 1928). In 1926 debuteert hij met ‘de verliefde betonwerker’, een bundel vitalistische gedichten. In 1928 zegt hij zijn baan op en begint hij met een aantal zwerftochten door de Balkan en Frankrijk, waar hij diverse baantjes heeft zoals steenhouwer, druivenplukker, landarbeider en dokwerker. De ervaringen die hij tijdens deze zwerftochten opdoet, verwerkt hij in romans en krantenartikelen. Al vroeg waarschuwt Den Doolaard tegen het opkomende fascisme. Wanneer de Duitse legers in mei 1940 de lage landen binnenvallen, vluchten Den Doolaard en zijn vrouw per fiets naar het zuiden. Uiteindelijk slagen ze er in om Engeland te bereiken. In Londen werkt Den Doolaard als omroeper bij de radiozenders de Brandaris en Radio Oranje. Na de Tweede Wereldoorlog doet Den Doolaard verslag van de droogmaking van Walcheren, om zich daarna voor enige tijd te vestigen in de Verenigde Staten en Joegoslavië. Vanaf 1954 woont hij in Hoenderloo. Van daar uit onderneemt Den Doolaard nog vele reizen, en verwerkt deze ervaringen in romans, krantenartikelen en reisverslagen. Den Doolaard beschreef zijn werk en leven in ‘Het leven van een landloper’. Hij overleed op 26 juni 1994.

Februari-staking

Zij staakten niet om goed of geld,
Niet om der wille van den brode;
Zij staakten tegen bruut geweld;
Zij staakten om geslagen Joden.

Helden, die in de oorden zijt
Die geen tiran ooit zal betreden,
Verlicht gij de verlorenheid
Van hen in ’t donker hier beneden.

Daal naar hun cellen, voor de nacht
Zich kleurt tot roden stervensmorgen;
Vertel hun van het slapen zacht
In ongebluste kalk geborgen;

Vertel hun, hoeveel beter ’t is
Om zonder kruis en zonder botten
Te wachten op de herrijzenis
Dan laf en levend te verrotten.

Tussen de blinddoek en de dood
Is enkel maar het korte knallen.
Grijp dan hun hand, opdat zij groot
En zwijgend voorovervallen.

Ga met Uw mond tot bij hun oor
En zeg: ‘Dit is de laatste wonde’,
En fluister hun de woorden voor:
‘Mijn God, vergeef ons onze zonden.

‘Wij staakten niet om goed of geld,
‘Niet om der wille van den brode;
‘Wij staakten tegen ’t beulsgeweld:
‘Wij staakten om geslagen Joden.’

A. den Doolaard (7 februari 1901 – 26 juni 1994)  

 

Emmanuel Hiel werd geboren te Sint-Gillis-Dendermonde op 30 mei 1834. Tot 1845 ging hij naar de gemeenteschool in Dendermonde. Hij vond werk als klerk en werd medewerker aan de “Gazet van Dendermonde”. Hij opende een Nederlandstalig boekenwinkeltje, een hele onderneming in die tijd. In 1859 kreeg hij een betrekking op een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, belast met het behartigen van de specifieke Vlaamse culturele aangelegenheden. Later werd hij ook nog hoogleraar in Nederlandse voordracht aan het Koninklijk Conservatorium. In 1869 werd hij bibliothecaris van het Koninklijk Nijverheidsmuseum. Hij knoopte vriendschappelijke betrekkingen aan met o.a. Charles De Coster, Peter Benoit en Hendrik Conscience. Hij was hoofdredacteur van het “Nederduitsch Tijdschrift”. In 1886 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Vooral me libretto’s, geschreven voor Peter Benoit, verwierf hij bekendheid (o.a. de oratoria “Lucifer” en “De Schelde”). Emmanuel Hiel overleed te Schaarbeek op 27 augustus 1899.

Werken: o.a. Gedichten (1874), Flandrialiederen voor ons volk (1886), Symfonieën en andere gezangen (1894).

O, gij voor wie de driften zwijgen

Wanneer de droppels door uw borst
Als door een doek der liefde zijgen
Ter lessing van des kindjes dorst,
Wat zijt ge schoon en opgetogen,
Iets zoets ontstraalt uw dromende ogen.
Iets, dat getuigt hoe gij geniet,
Iets, als in ‘t oge der gazelle,
Wanneer zij in de klare welle
Met lust zich rein weerspiegeld ziet.

Bemerkt ge niet in ‘t teedre wichtje.
Als in de bron, uw evenbeeld,
In wiens onnozel aangezichtje
Nu reeds de reine liefde speelt?
Ik voel het, ‘k ben voor u verdwenen,
Maar toch mijn harte zal niet wenen,
Een kindeke ligt op uw schoot,
Dat gij met feller gloed zult minnen
Dan ‘t woest gestorm
der hete zinnen,
Dat u de mannenliefde bood.

O heilig, driemaal heilig wezen,
Waaruit het vlees zo fris verrijst,
O, laat mij in uw blikken lezen’
De vreugde die uw ziele spijst
Met liefde voor de schone wereld,
Terwijl aan uwe borsten perelt
De melk in volle zuiverheid,
Terwijl uw kindje ligt te woelen
En teer maar innig moet gevoelen
De moeder is de onsterflijkheid.

Emmanuel Hiel (30 mei 1834 – 27 augustus 1899)

Marcel Beyer en Bei Dao

Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren. Hij studeerde Duits, Engels en Algemene Literatuurwetenschap in Siegen. Hij is schrijver, uitgever (Vergessene Autoren der Moderne samen met Karl Riha), vertaler en essayist. Tot 1996 woonde hij in Keulen, tegenwoordig in Dresden. Beyer publiceert in verschillende dagbladen en tijdschriften literaire kritieken, essays en journalistiek werk. Hij vertaalde uit en naar het Engels (o.a. Max Ernst, E .E. Cummings, Norbert Hummelt, William S. Burroughs, Gertrude Stein, Kurt Schwitters).

 

Im Hotel Orient

Wir sind gepuderte Gestalten

auf Polstern in der Sitzecke

halbdunkel, schwarzer Samtverschnitt.

Das sind die wahren Etablissements,

Männer im Unterhemd öffnen die Tür.

Ich bin jedoch nur Augen- / Ohrenkunde:

Gibt es das Räuspern noch? Das Schnupfen?

Das Verhören? „Die waren hungrig“, nachts,

im Nebenzimmer, spät bis Drei.

Und wir sind traurige Figuren

am Lacktisch, Nachtgespräch.

Augen, halboffen. Frisch rasierte Schläfen:

Gibt es das Flüstern noch? Das Rauchen?

Spiele die Koksnase: das mitgegangene

Tütchen Zucker, SANTORA, vor dem

kalkfleckigen Spiegel inhaliert.

MAXIM FUTUR-Spiegelung: Gibt es

das Schlucken noch? Und stehe da

wie aromatisiert: heiß, holundrisch

und schwach.          

 

 

 

Die ungeputzten Zähne

Schlaf, wo ich nicht geschlafen habe. So viele Hände am

Griff, am Becken, und was darunter war. So schwacher

Atem bald, kein Schlaf. Was hätte sein dürfen, was

sollen, was  zwischen meinen Zähnen bleibt, wonach

 

es schmeckt. Schlaf der Entbrannten, der Erwachten.

Was Regenvorhang, fremder Staub und Spucke, was

halber Schnee bis in das Hemd. So viele Hände auf dem

 

Küchentisch, am Fenster, kein Schlaf. Was fremdes Fett

am Heizkörper, am Herd, so klares Dunkel und was hätte

schlafen sollen. So laufe ich im Schneeregen, im Januar

mit wieder ungeputzten Zähnen, wo ich nicht geschlafen habe.

 

 

Marcel Beyer (Tallingen, 23 november 1965)

 

Bei Dao, geboren in 1949, geldt als een van de belangrijkste hedendaagse Chinese schrijvers. In het kader van de democratiseringsbeweging van 1978 werd hij door zijn poezie  tot een symboolfiguur van het protest. Met de oprichting van Jingtian („Vandaag“), het eerste oppositionele literatuurtijdschrift na 1949, schiep hij mede een kristallisatiepunt voor de literaire lente in Peking. Desondanks kon hij tot 1987 als uitgever van verschillende Chinese kranten en literaire tijdschriften blijven werken en kreeg hij in 1988 zelfs nog de Staatsprijs van de Volksrepubliek China voor de beste dichtbundel. Nadat hij zich echter in 1989 in een open brief aan Deng Xiaoping voor de vrijlating van de schrijver Wei Jingsheng had ingezet, vluchtte hij uit China om aan arrestatie, of zelfs een mogelijke terechtstelling te ontkomen. Verschillende gastdocentschappen voerden hem naar Engeland, Denemarken en de VS, waar hij tegenwoordig nog woont. Hij is sinds 1996 erelid van de American Academy of Arts and Letters en werd al een paar keer voor de Nobelprijs voorgedragen.

 

Black Map

in the end, cold crows piece together
the night: a black map
I’ve come home– the way back
longer than the wrong road
long as a life

bring the heart of winter
when spring water and horse pills
become the words of night
when memory barks
a rainbow haunts the black market

my father’s life-spark small as a pea
I am his echo
turning the corner of encounters
a former lover hides in a wind
swirling with letters

Beijing, let me
toast your lamplights
let my white hair lead
the way through the black map
as though a storm were taking you to fly

I wait in line until the small window
shuts: O the bright moon
I’ve come home– goodbyes
are less than reunion
only one less   

 

Ramallah

in Ramallah
the ancients play chess in the starry sky
the endgame flickers
a bird locked in a clock
jumps out to tell the time

in Ramallah
the sun climbs over the wall like an old man
and goes through the flea market
throwing mirror light on
a rusted copper plate

in Ramallah
gods drink water from earthen jars
a bow asks a string for directions
a boy sets out to inherit the ocean
from the edge of the sky

in Ramallah
seeds sown along the high noon
death blossoms outside my window
resisting, the tree takes on a hurricane’s
violent original shape  

Vertaald uit het Chinees door Eliot Weinberger  

   

Bei Dao (Beijing, 2 augustus 1949)

 

 

 

 

Paul Bogaert en Thomas Moore

De Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) publiceerde eerder de dichtbundels welcome hygiëne (1996) en, in een bibliofiele uitgave, toespraak (1998) en AUB (2006). Gedichten uit Circulaire systemen stonden in onder andere De Gids, DWB en Nieuwzuid. toespraak is ook te vinden op internet. 

Zonder handen

Een achtarmige snelbinder zo aangespannen

dat het vanwege de haken en de spankracht

gevaarlijk is de ogen er dichter bij te houden

dan nodig om het te zien: dit is het beeld

dat u kan helpen in te komen in wat volgt.

Breng het niet in verbinding met uzelf.

Het zijn mijn kaken.

Mocht ik jonger zijn en leven in een ander tijdsgewricht,

ik had u niet geschreven. Ik had u aangeraden

uit de buurt te blijven, de spieren van uw buik

een uurlang te masseren of de beweging van de mond

als iets beperkts te zien. Ik had u links en rechts

gekust. Ik had u

op het hart gedrukt wiens adem naar bagage ruikt, te mijden.

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is paul.jpg

Paul Bogaert (1968)

 

De Ierse dichter en songwriter Thomas Moore , zoon van een schoenmaker, werd geboren op 28 mei 1779 in Dublin. Hij was een dichter, satiricus, componist en musicus van naam. In zijn 10 delen omvattende Irish Melodies (1807 – 34) vindt men ook 130 gedichten die op muziek gezet zijn door Moore en Sir John Stevenson. Veel van de muziek was gebaseerd op oudere Ierse melodieën. Irish Melodies was zo populair dat Moore er gedurende 25 jaar 500 pond per jaar mee verdiende. Hoewel hij bekend was door zijn muziek, werd hij ook als dichter gevierd. Voor zijn gedicht Lalla Rookh (1817) ontving hij 3000 pond – een record voor die tijd. Zijn reputatie was te vergelijken met die van Byron en Shelley.

She is far from the land  

She is far from the land where her young hero sleeps,
And lovers are round her, sighing;
But coldly she turns from their gaze, and weeps,
For her heart in his grave is lying.

She sings the wild song of her dear native plains,
Every note which he loved awaking; —
Ah! little they think, who delight in her strains,
How the heart of the Minstrel is breaking.

He had lived for his love, for his country he died,
They were all that to life had entwined him;
Nor soon shall the tears of his country be dried,
Nor long will his Love stay behind him.

Oh! make her a grave where the sunbeams rest,
When they promise a glorious morrow;
They’ll shine o’er her sleep, like a smile from the West,
From her own loved island of sorrow.
   

 

The Last Rose of Summer   

’TIS the last rose of summer
  Left blooming alone;
All her lovely companions
  Are faded and gone;
No flower of her kindred,
  No rosebud is nigh,
To reflect back her blushes,
  To give sigh for sigh.

I’ll not leave thee, thou lone one!
  To pine on the stem;
Since the lovely are sleeping,
  Go, sleep thou with them.
Thus kindly I scatter 
  Thy leaves o’er the bed,
 Lie scentless and dead.
 
So soon may I follow,
  When friendships decay,
And from Love’s shining circle
  The gems drop away.
When true hearts lie withered
  And fond ones are flown,
Oh! who would inhabit
  This bleak world alone?    


Thomas Moore (28 mei 1779 – 25 februari 1852)

Ali Abdollahi en L.F. Céline

De Iraanse dichter en vertaler Ali Abdollahi werd op 30 maart 1968 in Chorassân (Iran) geboren. Hij studeerde Duitse Taal – en Literatuurwetenschap aan de universiteit in Teheran en studeerde af op het onderwerp Konkrete Poesie im Deutschunterricht. Van 1993 tot 2001 presenteerde hij als medewerker van Radio Iran een programma over Perzische en Duitse literatuur. Daarnaast werkte hij als universitair docent, journalist en vertaler van o.a. Rilke, Nietzsche en Hesse. Hij publiceerde :  Die Frösche sterben im Ernst – Deutsche Lyrik vom Anfang bis heute (2003), Immerfort gehe ich im Dunkeln (1997) en So kommt sie nicht mehr (2003).    

 

de herinneringen van isolement

mijn rechter schoen

is met vakantie gegaan

nu ben ik noch vier-

noch tweevoeter

 

in primordiale drie-eenheid

lees ik Nietzsche

’s avonds komt hij in mijn droom

en zegt:

 

ik zal je uiteindelijk

onder mijn snor vertrappen!

de telefoon is al dagenlang

op het antwoordapparaat

red me uit de handen van de hardnekkige verhuurder!

 

ik krab mijn been

met een breinaald

 

ik heb geen genoegen ontleend aan rechts

links was altijd links

ik ben moe, doodmoe

van deze driedelige tegenstand:

rechtshandig, links denkend

nulgelovig

Abdollahi

bahman 81 (april 2002), Teheran

 

vertaling: Amir Afrassiabi
© Amir Afrassiabi/ISCK , Het beschrijf  

 

Garzizoensgedichten

Lange nachten,

verhalen over verboden liefde,

kleine pleziertjes

en vervalste vrijgeleiden.

 

Overdag

auto van de commandand wassen,

gangen schrobben

en officieren gehoorzamen.

 

Nu zijn ze verzameld

onder de esdoorn.

Uit het zicht van de commandand

gaat een sigaret

van hand tot hand.

 

Terwijl de rook

in de lucht rondcirkelt

benijden ze

met hun vloeken

de vrijheid van de vogels.                  

 

Susanne Baghestani  vertaalde dit gedicht uit het Farsi in het Duits. De vertaling van Duits naar Nederlands is van Frans Roumen.

 

Ali Abdollahi (30 maart 1968)

 

De Franse schrijver Louis Ferdinand Céline, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches, werd geboren op 27 mei 1894 te Courbevoie in een familie die tot de kleine middenstand behoorde. Na de lagere school had hij het ene baantje na het andere; herhaaldelijk werd hij ontslagen. In de avonduren studeerde hij totdat hij in 1917 zijn middelbareschooldiploma had bemachtigd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij zwaar gewond, waardoor hij voor de rest van zijn leven invalide was. Vanaf 1918 studeerde Céline medicijnen en in 1924 volgde zijn promotie, waarna hij arts werd in een Parijse armenwijk.

Tijdens het werk aan zijn dissertatie had Céline zijn aanleg voor het schrijven ontdekt en vanaf 1928 werkte hij aan ‘Voyage au bout de la nuit’ (1932) zijn meesterwerk.  Vier jaar later verschijnt Mort à crédit  en na deze twee romans is Céline een gevestigde naam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft Céline een dertigtal ‘open brieven’ aan diverse Duitsgezinde kranten en tijdschriften, waarin hij openlijk getuigt van zijn antisemitisme.  Na de Tweede Wereldoorlog heeft h
ij meermalen beklemtoond dat hij met de openbaarmaking van zijn politieke en raciale standpunten slechts beoogde dat Frankrijk uit de in zijn ogen onontkoombare oorlog zou blijven.

Op 21 februairi 1950 wordt hij veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en een boete van 50.000 francs. Op 25 april 1951 krijgt Céline amnestie. Hij vestigde zich als arts te Meudon, waar hij op 1 juli 1961 overleed.

Célines antisemitisme en heulen met het fascisme, gevoed door zijn woede over het degenererende Frankrijk en over het kapitalisme, veranderen niets aan zijn grote verdiensten op literair gebied.

 

L’âme, c’est la vanité et le plaisir du corps tant qu’il est bien portant, mais c’est aussi l’envie d’en sortir du corps dès qu’il est malade ou que les choses tournent mal. On prend des deux poses celle qui vous sert le plus agréablement dans le moment et voilà tout !
(Voyage au bout de la nuit, p.52, Folio n°28)

 

L’amour c’est comme l’alcool, plus on est impuissant et soûl et plus on se croit fort et malin, et sûr de ses droits.
(Voyage au bout de la nuit, p.78, Folio n°28)

 

Nous sommes, par nature, si futiles, que seules les distractions peuvent nous empêcher vraiment de mourir.
(Voyage au bout de la nuit, p.204, Folio n°28)

 

Louis Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

Björn Kuhligk en Edmond de Goncourt

De Duitse dichter Björn Kuhligk (geboren op 19 februari 1975 in Berlijn) behoort tot de opmerkelijkste jonge Duitstalige dichters. Zijn werk verscheen niet alleen in talrijke bloemlezingen en tijdschriften, maar ook in de bundels „Es gibt hier keine Küstenstrassen“ (2000), „Am Ende kommen Touristen“ (2002) und „Großes Kino“ (2005).

De meeste van zijn gedichten draaien, half humoristisch half pathetisch om liefde, sex, geboorte, dood, drinken, reizen, Berlijn en muziek en bestaan vaak uit aan elkaar geknoopte beeldfragmenten, gedachtesplinters, bezinningsmomenten en afzonderlijke woorden. Precieze observaties worden door middel van een gekund eenvoudig taalgebruik in poëtische beelden omgezet.  

Samen met de Berlijnse dichter Jan Wagner gaf Kuhligk in 2003 de bloemlezing „Lyrik von Jetzt“ uit die alom een goede ontvangst ten deel viel.

Prijzen: o.a  de  Poetensitz der Edition Passagen (1999), Rheda-Wiedenbrücker Förderpreis (1998), 2. Preis des Allegra-Literaturwettbewerbs, Preisträger des 5. Open-mike der Literaturwerkstatt Berlin (1997).

Kuhligk  woont en werkt in Berlijn en is naast schrijver en dichter ook boekhandelaar.

 

Während des Freitagsgebetes

(für Katja Krauß)

WÄHREND DES FREITAGSGEBETES
die kopftuchgebückten Frauen
auf den Feldern, von den Minaretten
fallen die Worte wie Ringe um die Häuser, abends
stellen sich Sprenger an, die zerfallenen
Gewächshäuser, eine Ansammlung
Zelte, vor denen zwei Kinder am Feuer
bei Nacht der Swimmingpool, pauschal-beleuchtet
bis ins Hellblau, das Anschlagen der Zikaden
in den Dörfern stehen Häuser leer, auf den Dächern
rostende Wassertonnen, LADIES
AND GENTLEMEN: MR. GERMANY, dann
der Clubtanz, Hände hoch und rechts und links
und Beine breit, IHR NAME AUF EINEM REISKORN
die Sonne seilt sich, das kennt man hier, wie jeden Abend
hinter den Bergen ab, SIE WERDEN ES NICHT VERGESSEN
die Fotoserie, in der ein Pärchen am Meer
und freundlich auf das Wasser blickt
über den nackten Oberkörpern am Morgen
drei Kampfjets Richtung Osten
dann der Clubtanz, Hände hoch und rechts
und links, irgendjemand macht das Foto

 

Die Liebe in den Zeiten der EU

Wie ein Grenzschutz wieder
eine Linie zieht, das muß, es
darf geschossen werden, das
muß, das darf gefilmt werden

wie erdfremd dieser Kontinent
mit Sternchen am Revers, wie der
die Abwehr aufbaut, Mutti macht
noch schnell den Abwasch

als im Süden die ersten Turnschuhe
angespült wurden, später zwei, drei
Zweibeiner gefischt wurden, das muß
es darf zurückgefeuert werden

 

Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

Op 26 mei 1822 werd Edmond de Goncourt geboren. De Franse schrijvers, de broers Edmond Louis Antoine en Jules Alfred Huot De Goncourt , werden bekend door romans en dagboeken. Doordat de broers financieel geen zorgen hadden konden ze hun leven geheel in dienst van de literatuur stellen.

Naast een werk dat handelt over de periode van de Franse revolutie, hielden de broers zich vooral bezig met het beschrijven van hun eigen tijd. Niet alleen de literatuur zelf, maar ook de mode, de muziek en de dagelijkse gewoontes werden door Edmond en Jules de Goncourt minutieus beschreven in hun dagboeken.

Edmond zette na de dood van Jules in 1870 het werk alleen voort. Na zijn dood kwam de nalatenschap van De Goncourt in handen van een stichting, die jaarlijks de prestigieuze Prix Goncourt-prijs uitreikt voor Franse literatuur.  

“Lu saint Augustin, saint Jérôme, etc. : une des choses qui compromettent le plus Dieu, après la religion, ce sont les livres mystiques. Sorti de la lecture de tous ces mystiques comme d’une maison de fous et d’un hôpital d’âmes.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, september 1857)

“On dit que la vérité embête l’homme et il est juste qu’elle l’embête, parce qu’elle n’est pas gaie. Le mensonge, le mythe, la religion sont bien plus consolants. Il est plus agréable de se figurer le génie sous la forme d’une langue de feu que de le voir une névrose.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, 10 januari 1864)

“Dans toutes les sociétés qui se sont succédé depuis le commencement du monde, il y a eu un athéisme des intelligences supérieures, mais je ne connais pas encore de société ayant subsisté avec l’athéisme des gens d’en bas, des besogneux, des nécessiteux.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, april 1882)

Edmond De Goncourt (26 mei 1822  –  16 juli 1896)  

 

 

Theodore Roethke, Thomas Mann

Theodore Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan, in 1908. Als  kind bracht hij veel tijd door in de tuinbouwkassen van zijn vader en oom. De impressies die hij daar op deed zouden later de onderwerpen en de beelden in zijn poëzie beïnvloeden. Roethke studeerde magna cum laude af aan de universitteit van Michigan in 1929. Voor zijn eerste boek, Open House (1941), had hij tien jaar nodig en het kreeg een kritisch onthaal. Hij bleef spaarzaam publiceren, maar langzaamaan  groeide zijn reputatie met elke nieuwe uitgave, waaronder The Waking dat de Pulitzer Prize kreeg in 1954. Hij bewonderde de werken van dichters als Emerson, Thoreau, Whitman, Blake, en Wordsworh, als ook van Yeats and Dylan Thomas. Roethke had nauwe literaire vriendschapsbanden met zijn collega dichters W. H. Auden, Louise Bogan, Stanley Kunitz, and William Carlos Williams. Hij doceerde aan verschillende colleges en universiteiten, zoals Lafayette, Pennsylvania State, and Bennington, en werkte tot slot aan de universiteit van Washington, waar hij de mentor was van een generatie dichters uit het Noordwesten, zoals David Wagoner, Carolyn Kizer, and Richard Hugo. Theodore Roethke overleed op 1 augustus 1963.

The Waking

I wake to sleep, and take my waking slow.
I feel my fate in what I cannot fear.
I learn by going where I have to go.

We think by feeling. What is there to know?
I hear my being dance from ear to ear.
I wake to sleep, and take my waking slow.

Of those so close beside me, which are you?
God bless the Ground! I shall walk softly there,
And learn by going where I have to go.

Light takes the Tree; but who can tell us how?
The lowly worm climbs up a winding stair;
I wake to sleep, and take my waking slow.

Great Nature has another thing to do
To you and me, so take the lively air,
And, lovely, learn by going where to go.

This shaking keeps me steady. I should know.
What falls away is always. And is near.
I wake to sleep, and take my waking slow.
I learn by going where I have to go.  

 

Night Journey

Now as the train bears west,
Its rhythm rocks the earth,
And from my Pullman berth
I stare into the night
While others take their rest.
Bridges of iron lace,
A suddenness of trees,
A lap of mountain mist
All cross my line of sight,
Then a bleak wasted place,
And a lake below my knees.
Full on my neck I feel
The straining at a curve;
My muscles move with steel,
I wake in every nerve.
I watch a beacon swing
From dark to blazing bright;
We thunder through ravines
And gullies washed with light.
Beyond the mountain pass
Mist deepens on the pane;
We rush into a rain
That rattles double glass.
Wheels shake the roadbed stone,
The pistons jerk and shove,
I stay up half the night
To see the land I love.

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Volgens histoychannel.com bezocht Thomas Mann op 25 mei 1911 het Lido in Venetië. Daar deed hij de inspiratie op voor de novelle Der Tod in Venedig die een jaar later zou worden gepubliceerd. Laten we op deze sombere Hemelvaartsdag dan maar even met hem wegdromen naar zuidelijker sferen.

 

„…so sah er ihn denn wieder , den erstaunlichsten Landungsplatz , jene blendende Komposition phantastischen Bauwerks , welche die Republik den ehrfürchtigen Blicken nahender Seefahrer entgegenstellte : die leichte Herrlichkeit des Palastes und die Seufzerbrücke , die Säulen mit Löw’ und Heiligem am Ufer , die prunkend vortretende Flanke des Märchentempels , den Durchblick auf Torweg und Reisenuhr , und anschauend bedachte er , dass zu Lande , auf dem Bahnhof in Venedig anlangen einen Palast durch eine Hintertür betreten heisse , und dass man nicht anders , als wie nun er , als zu Schiffe , als über das hohe Meer die unwahrscheinlichste der Städte erreichen sollte .“ 

 

….

 

„…manchmal vormittags , unter dem Schattentuch seiner Hütte , hintraeumend ueber die Bläue des Südmeeres , oder bei lauter Nacht auch wohl , gelehnt in die Kissen der Gondel , die ihn von Markusplatz , wo er sich lange verweilt , unter dem gross gestirnten Himmel heimwärts zum Lido führte – und die bunten Lichter , die schmelzenden Klänge der Serenade blieben zurück – , erinnerte er sich seines Landsitzes in den Bergen , der Stätte seines sommerlichen Ringens , wo die Wolken tief durch den Garten zogen , fürchterliche Gewitter am Abend das Licht des Hauses löschten und die Raben , die er fütterte , sich in den Wipfeln der Fichten schwangen.“

 

Uit: Der Tod in Venedig

Het Lido