Joseph Brodsky en Bob Dylan

De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 geboren in Leningrad als zoon van joodse ouders. In de jaren 50 schreef hij zijn eerste gedichten. In 1964 werd hij wegens “parasiteren” tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld, maar al na 18 maanden weer vrij gelaten. In 1972 werd hem het burgerschap van de Sovjetunie ontnomen. In 1977 kreeg Brodsky de Amerikaanse nationaliteit. 1987 werd hem de Nobelprijs voor literatuur toegekend. Behalve docent aan de universiteit van Colombia en Mount Holyoke College was Brodsky in 1991 en 1992 “Poet Laureate” van de Verenigde Staten. Hoewel zijn gedichten later ook in Rusland verschenen heeft hij nooit naar zijn geboorteland terug willen keren. Hij stierf op 28 januari 1996 in New York en ligt begraven op het eiland San Michele bij Venetië.

 

May 24, 1980

I have braved, for want of wild beasts, steel cages,
carved my term and nickname on bunks and rafters,
lived by the sea, flashed aces in an oasis,
dined with the-devil-knows-whom, in tails, on truffles.
From the height of a glacier I beheld half a world, the earthly
width. Twice have drowned, thrice let knives rake my nitty-gritty.
Quit the country the bore and nursed me.
Those who forgot me would make a city.
I have waded the steppes that saw yelling Huns in saddles,
worn the clothes nowadays back in fashion in every quarter,
planted rye, tarred the roofs of pigsties and stables,
guzzled everything save dry water.
I’ve admitted the sentries’ third eye into my wet and foul
dreams. Munched the bread of exile; it’s stale and warty.
Granted my lungs all sounds except the howl;
switched to a whisper. Now I am forty.
What should I say about my life? That it’s long and abhors transparence.
Broken eggs make me grieve; the omelette, though, makes me vomit.
Yet until brown clay has been rammed down my larynx,
only gratitude will be gushing from it.

 

Dutch Mistress

A hotel in whose ledgers departures are more prominent than arrivals.
With wet Koh-i-noors the October rain
strokes what’s left of the naked brain.
In this country laid flat for the sake of rivers,
beer smells of Germany and the seaguls are
in the air like a page’s soiled corners.
Morning enters the premises with a coroner’s
punctuality, puts its ear
to the ribs of a cold radiator, detects sub-zero:
the afterlife has to start somewhere.
Correspondingly, the angelic curls
grow more blond, the skin gains its distant, lordly
white, while the bedding already coils
desperately in the basement laundry.

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

 

De Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan werd als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota,  wordt beschouwd als een van de grootste liedjesschrijvers van Amerika. Zijn oeuvre wordt op een lijn gesteld met dat van Stephen Foster, Irving Berlin, Woody Guthrie en Hank Williams, die deel uitmaken van het Amerikaanse culturele erfgoed. Er gaan steeds meer stemmen op om zijn (song)teksten tot de poëzie te rekenen. Een heuse Oxford Professor, Christopher Ricks, schreef een boek waarin hij een pleidooi houdt voor Dylan als dichter. Het boek heet “Visions of Sin”. Dat boek heb ik niet gelezen, maar ik neig er wel toe hem gelijk te geven, al blijven de “lyrics” mét muziek natuurlijk mooier.

 

the times they are a-changin

Come gather ‘round people
Wherever you roam
And admit that the waters
Around you have grown
And accept it that soon
You’ll be drenched to the bone.
If your time to you
Is worth savin’
Then you better start swimmin’
Or you’ll sink like a stone
For the times they are a-changin’.

Come writers and critics
Who prophesize with your pen
And keep your eyes wide
The chance won’t come again
And don’t speak too soon
For the wheel’s still in spin
And there’s no tellin’ who
That it’s namin’.
For the loser now
Will be later to win
For the times they are a-changin’.

Come senators, congressmen
Please heed the call
Don’t stand in the doorway
Don’t block up the hall
For he that gets hurt
Will be he who has stalled
There’s a battle outside
And it is ragin’
It’ll soon shake your windows
And rattle your walls
For the times they are a-changin’.

Come mothers and fathers
Throughout the land
And don’t criticize
What you can’t understand
Your sons and your daughters
Are beyond your command
Your old road is
Rapidly agin’.
Please get out of the new one
If you can’t lend your hand
For the times they are a-changin’.

The line it is drawn
The curse it is cast
The slow one now
Will later be fast
As the present now
Will later be past
The order is
Rapidly fadin’.
And the first one now
Will later be last
For the times they are a-changin’.
 

 


Bob Dylan (Duluth, Minnesota, 24 mei 1941)

 

Adriaan Roland Holst en Ibsen

Adriaan Roland Holst werd op 23 mei 1888 geboren in Amsterdam. Hij bezocht na de lagere school in Hilversum, waar het gezin zich in 1896 gevestigd had, eerst de gemeentelijke HBS in Amersfoort en vervolgens de in 1903 geopende gem. HBS in zijn woonplaats. Met het in 1906 behaalde diploma vertrok hij naar Lausanne, waar hij gedurende acht maanden als toehoorder colleges in geschiedenis en Franse literatuur volgde. In de zomer van 1908 ging de jonge Roland Holst naar Oxford. Na enig aftasten van de mogelijkheden liet hij zich inschrijven als student in Political Economy. Nog in hetzelfde jaar debuteerde hij met gedichten in De XXe Eeuw. Zijn verblijf in Oxford is door de ontdekking van lers-Keltische literatuur van principiële betekenis geweest voor zijn dichterschap. Hij was reeds eerder onder de indruk gekomen van schrijvers als William Morris en W.B. Yeats. Zijn eerste bundel Verzen verscheen in oktober 1911.

In 1920 werd hij redacteur voor poëzie bij De Gids, een functie die hij tot 1933 zou vervullen. De bundels die hij in deze periode publiceerde, laten zien hoe poëzie en leven bij hem in groeiende mate en op volstrekt persoonlijke wijze met elkaar verbonden waren. Uit brokstukken van Keltische (en in mindere zin Griekse) verhalen schiep hij zich een eigen mythe. De kern daarvan is te vinden in De afspraak (1925). In 1937 verschijnt Een winter aan zee. Al in 1938 werd deze bundel bekroond met de D.A. Thieme-prijs voor poëzie. Het uitbreken van de oorlog kwam voor hem niet onverwachts, al had hij zich politiek nooit zo geëngageerd als zijn vrienden M. ter Braak en E. du Perron, die in de meidagen van 1940 stierven. Mogelijk heeft de weigerende houding van die beiden zijn standvastigheid tegenover de bezetter en zijn trawanten verstevigd.

 

Poëzie: De wilde kim (1925); In memoriam Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak (1940); In ballingschap [1948]; Onderhuids (1963). Proza: Over den dichter Leopold (1926); Het elysisch verlangen (1928); Tusschen vuur en maan (1932); Een winter aan zee (1937); Uit zelfbehoud (1938); Eigen achtergronden [1944]; Bezielde dorpen (1957); Omtrent de grens (1960); Onder koude wolken (1962); Onderhuids (1963); Uitersten (1967); Met losse teugel (1970); Voorlopig (1976)

 

Verdere prijzen: de Constantijn Huygens-prijs (1948), de P.C. Hooft-prijs (1956), de Prijs der Nederlandse Letterkunde (1958) en de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961 en 1963). Wellicht was de grootste hulde de titel van ‘Prins der dichters’, die hij als eerste na Vondel door brede waardering kreeg toegekend.  Sinds een depressie in 1964 hem noodzaakte tot tweemaal kuren in de Amsterdamse Valeriuskliniek, kwam hij niet meer in zijn Bergense woning terug. Ten slotte vestigde hij zich in de verzorgingsflat Frankenstate te Bergen, waar hij op 6 augustus 1976 overleed.

 

Voorzang

 

I.

Het najaar waait de duisterende landen
regenend over, en oneindig groot
zijn de verlatenheden van den dood.
Bleek schuimt de zee over de lage stranden.

En aan het raam, denkend aan al wat vlood,
hoor ik de klacht dier eeuwen om mijn wanden.
De laatste daad viel uit mijn moede handen:
ik zie hen bleek en roerloos in mijn schoot.

Laten wij niet meer hopen, laten wij
nimmermeer smeken, en o, niet meer smaden –
Dit is het eind, het duisterend getij
van lage wolken en de storm der bladen
Uit onze handen zijn de laatste daden
gevallen, en de regen waait voorbij.

 

II.

Dwazen, die duur van aardsch geluk bedongen,
dat zingend op geen sterven zich bezint:
waar het nu ritselt, da
ar werd eens bemind,
waar nu de raaf krast werd eenmaal gezongen

Wij bouwen, tot het woord ons wordt ontwrongen:
de steden staan op graven in den wind.
En als vergeefschheid zich bevestigd vindt
moet nog de dood ons worden opgedrongen.

Maar wat dan van den droom? Duizenden zwerven
voorbij de wegen naar de bronzen poorten
van gindschen steilen, nooit ontsloten tempel.
Doch daar ook waait de wind en heerscht het sterven,
en harten, eenmaal ruischend van geboorten,
ritselen schuw daar over duistren drempel.

 

III.

De zilvren wind waait door den open nacht
golvend en als een zee: de schuimen slaan
op, waar de gouden duizeling blijft staan
der maan in ’t deinzen van der sterren wacht.

En de aarde is leeggewaaid; naakt en veracht
teruggeworpen als een oude waan;
tusschen haar leegten en de ronde maan
waaien nog schaduwen in schuwe jacht.

Want wervelende werd van overal
zaad en het leven weggewaaid naar ’t hoog en
stralend ijseinde, en nu – oneindigheid –
is er geen ding meer in dit koud heelal
dan maan en wind en mijn wijd open oogen
duizelende langs steilten van den tijd.  

 

Uit: Voorbij de wegen (1920)

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)  

 

 2006 is naast het Mozartjaar en Rembrandtjaar tevens het Ibsenjaar. Op 23 mei is het precies 100 jaar geleden dat de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen overleed. Deze gebeurtenis wordt wereldwijd gemarkeerd met tentoonstellingen, congressen, opvoeringen van zijn toneelstukken en lezingen over zijn leven en werk. Het Scandinavisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam organiseert op 1 en 2 juni in samenwerking met de Noorse ambassade een internationaal congres waarbij zowel Ibsens stukken zelf als de opvoeringspraktijk en de ontvangst van deze stukken in het buitenland centraal staan. 

Ibsen heeft gedurende zijn gehele schrijverschap gedichten geschreven, maar vooral tijdens de eerste helft daarvan, tot 1875. Daarna liet hij de poëzie als literatuurvorm praktisch voor wat het was. Voor wie het Noors machtig is valt er op internet wel het een en ander te vinden. Voor de rest van de wereld hier een gedicht in een Engelse vertaling.

 

Burnt ships

 

To skies that were brighter

Turned he his prows;

To gods that were lighter

Made he his vows.

 

The snow-land’s mountains

Sank in the deep;

Sunnier fountains

Lulled him to sleep.

 

He burns his vessels,

The smoke flung forth

On blue cloud-trestles

A bridge to the north.

 

From the sun-warmed lowland

Each night that betides,

To the huts of the snow-land

A horseman rides.   

 

 

‘Burnt Ships’ werd oorspronkelijk geschreven in 1871. De Engelse vertaling is een herdruk uit: Lyrics & Poems from Ibsen. Trans. Fydell Edmund Garrett. New York: E.P. Dutton & Co., 1912. 

  

Henrik Ibsen (20 maart 1828 – 23 mei 1906)

Emile Verhaeren en P.C. Hooft

De Franstalige Belgische schrijver Emile Adolphus Gustavus Verhaeren werd geboren te Sint-Amands a.d. Schelde op 21 mei 1855. Zijn familie behoorde tot de gegoede burgerij van het scheldedorp. De jonge Verhaeren sprak het plaatselijk dialect, maar bij hem thuis was de voertaal Frans.Na de middelbare school studeerde Verhaeren rechten aan de universiteit van Leuven. Daarna deed hij stage bij de Brusselse balie. In de hoofdstad kwam Verhaeren in contact met schrijvers en kunstenaars van de avant-garde, waarvan sommigen meewerkten aan het tijdschrift” Moderne?.
Verhaeren werkte als dichter en kunstcriticus mee aan verschillende Belgische en buitenlandse tijdschriften. Hij schreef ondermeer voor “L’Art Moderne” en werd redacteur van het progressieve “La Jeune Belgique”. In 1883 verscheen dan Verhaerens eerste dichtbundel ‘Les Flamandes’.  De eerste bundels veroorzaakten nogal wat rumoer. Een bijkomende geloofscrisis en de dood van zijn ouders in 1888 resulteerden in een zware psychische depressie. In deze periode verscheen de “Trilogie Noire”, waarin Verhaerens getormenteerde gedachten gepaard gaan met het fin de siècle-gevoel.
In oktober 1889 ontmoette de 34-jarige Emile Verhaeren de vijf jaar jongere Marthe Massin, op wie hij smoorverliefd werd. Op 24 augustus 1891 trouwden zij en vestigden zich in Brussel. Verhaeren uitte zijn huwelijksgeluk in drie bundels liefdespoëzie: ‘Les Heures Claires’ (1896), ‘Les Heures d’après-midi’ (1905) en ‘Les Heures du Soir’ (1911).
Verdere dichtbundels : ‘Les Campagnes Hallucinées’ (1893), ‘Les Villes Tentaculaires’ (1895) en ‘Les Villages Illusoires’ (1895).
In zijn dichtbundels ‘La Belgique sanglante’, ‘Parmi les Cendres’ en ‘Les Ailes rouges de la Guerre’, de waanzin van de oorlog aan.
Op 25 november 1916 gaf Verhaeren een voordracht te Rouen. De volgende ochtend probeerde hij op de nog rijdende trein naar Parijs te springen. Dit werd hem fataal want hij kwam onder de wielen terecht. Uiteindelijk vond de dichter op 9 oktober 1927 de laatste rust in zijn praalgraf te Sint Amands aan de Schelde… 

 

Pour que rien de nous deux n’échappe à notre étreinte

 

Pour que rien de nous deux n’échappe à notre étreinte,

Si profonde qu’elle en est sainte

Et qu’à travers le corps même, l’amour soit clair ;

Nous descendons ensemble au jardin de la chair.

 

Tes seins sont là ainsi que des offrandes,

Et tes deux mains me sont tendues ;

Et rien ne vaut la naïve provende

Des paroles dites et entendues.

 

L’ombre des rameaux blancs voyage

Parmi ta gorge et ton visage

Et tes cheveux dénouent leur floraison,

En guirlandes, sur les gazons.

 

La nuit est toute d’argent bleu,

La nuit est un beau lit silencieux,

La nuit douce, dont les brises vont, une à une,

Effeuiller les grands lys dardés au clair de lune. 

                  

 

Pour que rien de nous deux n’échappe à notre étreinte

Wij kunnen niet aan onze omhelzing ontkomen,
Omdat ze intens is en volkomen
Opdat in het lichaam heldere liefde ruste,
Dalen wij samen af in jouw tuin van lusten.

Jouw borsten zijn daar als offergaven

En je handen, alles wat me bekoort;

Niets gaat boven dit naïeve laven

Van teder woord aan wederwoord.

 

De schaduw van de bloesemtwijgen gaat

Tussen je boezem en je gelaat

En je losgemaakte haren spreiden

Als bloemenslingers op de weiden.

 

De nacht is een blauw-zilver land,

De nacht is een stil ledikant,

De zoete nacht, wiens briesjes langzaamaan

Lelies plukken in het licht van de maan.

 

 

Uit: Les heures claires (1896)  

 

Emile Verhaeren (21 mei 1855 – 27 november 1916)

 

De Nederlandse dichter en schrijver P.C. Hooft (15/16 maart 1581, Amsterdam) was een veelzijdig schrijver: hij heeft onder andere een grote beschrijving van de Nederlandse geschiedenis geschreven geïnspireerd door de Romeinse historieschrijver Tacitus (de Nederlandse Historiën), maar ook enkele toneelstukken, een groot aantal gedichten en een overweldigende hoeveelheid brieven. Daarnaast was hij politicus en ook een belangrijk organisator in het literaire leven. Hooft was het middelpunt van de onderlinge correspondenties en spelletjes rond de Muiderkring. Hij stierf op 21 mei 1647 in Den Haag.


Al troont geleerde hand, met vingren wis en snel,
Vloeizoete wijzen uit het zangrig snarenspel;
Al lokt uw sneêge zang, met streelend lief geluid,
De vlotte ziele tot het zwijmend ligchaam uit:

In strikjes van uw hair mijn geest niet is verwart.
Uw blinkend aangezigt sticht mij geen brand in ’t hart.
Van ’t schittren uwes oogs en word ik niet verblind.
Noch stem, noch kunstig spel mijn zacht gemoed verwint.

 

Maar wijze goedheids kracht, en ’t needrig braaf gelaat
Dat teedre borst verkwikt en trotsche borst verslaat;
Maatwijze geestigheên, bevalliglijk vertaald:
Deez’ hebben op mijn ziel verwinnings roem behaald.     

 


Sonnet

 

Geswinde grijsaert die op wackre wiecken staech,
De dunne lucht doorsnijt, en sonder seil te strijcken,
Altijdt vaert voor de windt, en ijder nae laet kijcken,
Doodtvyandt van de rust, die woelt bij nacht bij daech;
Onachterhaelbre Tijdt, wiens heten honger graech
Verslockt, verslint, verteert al watter sterck mach lijcken
En keert, en wendt, en stort Staeten en Coninckrijcken;
Voor ijder een te snel, hoe valtdij mij soo traech?
Mijn lief sint ick u mis, verdrijve’ jck met mishaeghen
De schoorvoetighe Tijdt, en tob de lange daeghen
Met arbeidt avontwaerts; uw afzijn valt te bang.
En mijn verlangen can den Tijdtgod niet beweghen.
Maer ’t schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,
Dat jck den Tijdt, die jck vercorten wil, verlang.  

 


P.C. Hooft (15/16 maart 1581 – 21 mei 1647)

Schmidt, Achterberg, Balzac, Malot

Een rijke oogst aan literaire verjaardagen vandaag. Wie kent haar niet, Annie M.G. Schmidt?

 

De snob

Ik dank de hemel voor het woord niveau,
want met dat woord kan ik me distantiëren.
Ik kan mij niet … dat is nu eenmaal zo …
met Jan en Piet en Klaas gaan occuperen,

want mijn niveau is steeds omhoog gegaan,
het is nu zoetjesaan zó hoog geworden:
Ik kan er zelf niet bij. Ik hang er áán!
Van uit die hoogte kijk ik op de horde.

En voor mijn naaste buurman voel ik niets,
mijn buurman mag dan nog zo’n nobel mens zijn,
mijn buurman heeft nog nooit gehoord van Keats,
ik ben geen snob, maar ergens moet een grens zijn.

Dat ik de dichter Piet persoonlijk ken
en zelfs twee worstjes met hem heb gegeten,
dat maakt dat ik iets heel bijzonders ben,
dat moet de wereld dan ook maar eens weten.

Voor ik iets mooi vind, kijk ik om me heen,
ik laat me niet ontroeren, voor het safe is.
Vindt Simon Vestdijk het ook mooi? O, neen?
Dan weet ik dus al zeker dat het scheef is.

Ik hang hier al zo lang. Ik word wèl moe.
Ik zou zo graag eens Hollands Glorie lezen…
maar mijn niveau laat dat volstrekt niet toe,
dus moet het maar weer Joyce of Huxley wezen.

 

Annie M.G. Schmidt

uit: Invers, poëzie moet uit haar boeken treden, Erik Heyman, Koen Stassijns , Ivo van Strijtem, NV Standaard Uitgeverij 1994   

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Er zijn van die dichtregels die je voorgoed anders naar de werkelijkheid doen kijken:

“Den Haag, je tikt er tegen en het zingt” is er zo een van Gerrit Achterberg.

 

Passage

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt.

Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden in ene teug.

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt
In de passage krijgt de klank een hoog
weergalmen en omlaag een fluistering
tussen de voeten over het graniet;
rode hartkamer die in elleboog
met drie uitmondingen de stad geniet.  

 

Achterberg
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 –  17 januari 1962)

 

Een prozaschrijver is niet gemakkelijk in een paar regels te representeren. Van Honoré de Balzac blijven talloze citaten voortleven:

  

« Oublier est le grand secret des existences fortes et créatrices. »

 

« L’amour est la poésie des sens »       

 

« Ce qui rend les amitiés indissolubles et double leur charme est un sentiment qui manque à l’amour : la certitude.»

   

 

“Entre la poire et le fromage Bianchon arriva, par d’habilles préparations, à parler de la messe, en la qualifiant de momerie et de farce.
– Une farce, dit Desplein, qui a coûté plus de sang à la chrétienté que toutes les batailles de Napoléon et que toutes les sangsues de Broussais !
La messe est une invention papale qui ne remonte pas plus haut que le VIe siècle, et que l’on a basé sur Hoc est corpus. Combien de sang n’a-t-il pas fallu établir la Fête-Dieu par l’institution de laquelle la cour de Rome a voulu constater sa victoire dans l’affaire de la Présence Réelle, schisme qui pendant trois siècles a troublé l’Eglise ! Les guerres du conte de Toulouse et des Albigeois sont la queue de cette affaire. Les Vaudois et les Albigeois se refusaient à reconnaître cette innovation.”

 

Honoré de Balzac / La Messe de l’Athée / 1836   

 

 
Honoré de Balzac (20 mei 1799 – 18 augustus 1850)    

 

 

Net als met Robinson op zijn verlaten eiland kon ik als kind helemaal opgaan in de wereld van Remi uit “Alleen op de wereld” van Hector Malot.

Toch maar een fragment uit “Alleen op de wereld”:

“We gingen terug, tegen de scherpe wind in en ik begreep, dat we verdwaald waren. Vreselijk! verdwaald in ’n stikdonkere, koude nacht…..
Onwillekeurig bleef ik staan, doch Vitalis trok me mee. “Kom,” zei hij, “volhouden!”
We liepen een eind de weg terug, die we pas waren langs gekomen.
“Zie je nu een bosje bomen?”
“Ja, daar links van de weg, zie ik ze.”
“En lopen er wagensporen door de weg?”
“Nee, wagensporen kan ik niet ontdekken!”
“’t Schijnt wel, dat ik blind ben,” mompelde Vitalis, terwijl hij zich over de ogen streek. “Kom Remi, laten we dan recht op die bomen aanlopen!”
Zo deden we en toen riep ik opeens: “Ik zie een muur!”
“Je zult een hoop stenen zien,” meende Vitalis.
Maar ik hield vol, dat het een muur was en toen hij met de handen langs de muur had getast, moest hij toegeven, dat ik gelijk had.
“Zoek nu eens naar de wagensporen.”
Ik kroop over de grond en zocht naar de sporen, maar te vergeefs.
“Dan is de toegang tot de steengroeve dichtgemetseld!” stelde Vitalis vast, “houd maar op met zoeken, we komen er niet in.”
“Maar wat moeten we dan beginnen?” vroeg ik angstig.
“Ik denk, dat we hier moeten sterven, Remi….”
“Sterven?”
“Ja, jongen, dat is vreselijk voor jou, want je bent nog zo jong. Kom, laten we proberen Parijs weer te bereiken, dan gaan we naar het politiebureau. Ik had ons dat willen besparen, maar het moet.”
We sloften verder, maar al spoedig kon hij niet meer.
Ons pad liep nu langs een schutting en in die schutting was een deur, die openstond. Daar achter lag een hoge mestvaalt met veel stro, zoals tuinders die ’s winters op hun land hebben liggen.
“Laten we daar gaan zitten,” hijgde Vitalis.
“Maar ’t is zo koud en…”
“De mesthoop beschut ons tegen de wind en de sneeuw en we kunnen onder het stro kruipen”.
Ik haalde het stro zoveel mogelijk op een hoop en we gingen er in zitten, dicht tegen elkaar aan.
“Neem Capi bij je, Remi, het dier zal je verwarmen,” zei Vitalis nog. Ik legde wat stro over ons beiden heen en kroop vlak tegen hem aan. Daarop boog hij zich over mij heen en gaf mij een kus. Het was de tweede maal, dat hij dit deed en het was helaas ook de laatste maal…”   

 


Hector Malot
(20 mei 1830- 17 juli 1907)

P. C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge

Op vrijdag 19 mei 2006 werd in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge voor zijn gehele oeuvre.. H. C. ten Berge (Eigenlijk: Johannes Cornelis) werd geboren in Alkmaar op 24 december 1938. Zie ook alle tags voor H. C. ten Berge op dit blog.

De P.C. Hooftprijs is een jaarlijkse oeuvreprijs die afwisselend bestemd is voor een dichter, een prozaschrijver of een essayist. In 2005 was de belangrijke literaire prijs voor Frédéric Bastet, onder meer biograaf van Louis Couperus. De laatste dichter die de prijs in de wacht sleepte, was H.H. ter Balkt (2003).

Dorp in lentestemming

Nu de wijven
Schutteldoeken uit het telraam
Van hun mager a b c
Hoe innemend de haat kraait, de vliesdunne wrevel

Bij donker alleen met de rook
Het gebaar voor de spiegel
De baltsende vogel vergaat
In het vuur van haar bloot

Ah de muis in haar hand de beminde
Die klautert en klimt
In haar adem

Het lichaam staat groot
Voor zijn beeld, en alleen
Het wordt oud, tot schrikbeeld verkild
Tegen glas aangedrukt

Gekooid in verbeten geween.

 

De laatste modernist

Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen
maar dronk een glas wijn bij het vuur.

Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
maar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

Hij moest nog een meesterwerk scheppen
maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

Hij droomde een mes in de strot van de poolvos
maar priemde een balpen door kringlooppapier.

Hij tartte het weer en de wereld, verachtte de god van de vader
maar zag dat ook zijn naam stilaan verdween.

Hij strooide ze rond, explosies van kleuren, vermetele beelden,
maar hoorde blasfemische echo’s vol spot.

Hij wist zich op weg naar de hemel
maar stuitte op plaksterren aan het plafond.

Hij dacht aan een lichaam volleerd in de liefde
maar lag naast een lijf dat niks wou.

Hij schiep zich een ijstijd, massale sterfte, beelden van leegte
en bijtende kou op de rand van haast niets,

Maar onbegrensd, in zoiets als een ruimte
die iedereen huiverend mijdt.

Hij zocht wat hij vond: het kleinste detail en het grote gebaar,
een zin die versmolt, een beeld dat bevroor –

Elk woord lag volmaakt in de mond
maar verkleumd zocht een hand naar de hand van een vrouw.

O, dat er een eind aan kwam!

De laatste modernist te zijn
die z’n ziel aan een ijzige demon verpandt.

 

Slechtzittend gedicht

Achter brillen met geschilderde pupillen
worden doordeweekse daden uitgedacht.

‘Hoe eensgezind spannen zij samen.’

Blank gebolsterd, ruw van pit
weet men zich op zondag voor de heer
verschoond en opgewit;
de eigen lijven achter eigen borrels, bijbels
en bloedeigen boerenwijven.

‘Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert’

Beter dwalen ten hele
dan weer ten halve gekeerd.

Jij blijft zitten waar je zit
en herinnert je de coca-
coladoppen in de ogen van Egyptische kamelen.

 
H. C. ten Berge (Alkmaar, 24 december 1938)

Ogden Nash

De Amerikaanse dichter  Ogden Nash was een Amerikaanse dichter van light verse. Hij is erg beroemd geworden door zijn humoristische poëzie en zijn gedichten vielen zeer in de smaak bij zowel kinderen als volwassenen. (Frederic) Ogden Nash werd geboren in Rye, New York, op 19 augustus 1902. Hij ging naar school in Newport, Rhode Island. Later bezocht hij de een jaar lang de universiteit van Harvard, maar deze verliet hij toen zijn familie in financiële moeilijkheden kwam. Hij werd leraar op zijn oude school op Rhode Island, de St. George’s School, maar hij gaf zijn baan weer op omdat het lesgeven aan veertienjarigen  hem teveel stress opleverde. Hij werd verkoper, schreef advertenties, werd tenslotte redacteur van de New Yorker in 1932. Toen werd hij als dichter beroemd. Hij verscheen op radio en televisie. Hij stierf op 19 mei 1971 in Baltimore. Een beetje in zijn geest een gedicht voor tussen Pinksteren en Pasen.

 

The Boy Who Laughed at Santa Claus
 

In Baltimore there lived a boy.
He wasn’t anybody’s joy.
Although his name was Jabez Dawes,
His character was full of flaws.

 

In school he never led his classes,
He hid old ladies’ reading glasses,
His mouth was open when he chewed,
And elbows to the table glued.
He stole the milk of hungry kittens,
And walked through doors marked NO ADMITTANCE.
He said he acted thus because
There wasn’t any Santa Claus.

 

Another trick that tickled Jabez
Was crying ‘Boo’ at little babies.
He brushed his teeth, they said in town,
Sideways instead of up and down.
Yet people pardoned every sin,
And viewed his antics with a grin,
Till they were told by Jabez Dawes,
‘There isn’t any Santa Claus!’

 

Deploring how he did behave,
His parents swiftly sought their grave.
They hurried through the portals pearly,
And Jabez left the funeral early.

 

Like whooping cough, from child to child,
He sped to spread the rumor wild:
‘Sure as my name is Jabez Dawes
There isn’t any Santa Claus!’
Slunk like a weasel of a marten
Through nursery and kindergarten,
Whispering low to every tot,
‘There isn’t any, no there’s not!’

The children wept all Christmas eve
And Jabez chortled up his sleeve.
No infant dared hang up his stocking
For fear of Jabez’ ribald mocking

He sprawled on his untidy bed,
Fresh malice dancing in his head,
When presently with scalp-a-tingling,
Jabez heard a distant jingling;
He heard the crunch of sleigh and hoof
Crisply alighting on the roof.
What good to rise and bar the door?
A shower of soot was on the floor.

What was beheld by Jabez Dawes?
The fireplace full of Santa Claus!
Then Jabez fell upon his knees
With cries of ‘Don’t,’ and ‘Pretty Please.’
He howled, ‘I don’t know where you read it,
But anyhow, I never said it!’
‘Jabez’ replied the angry saint,
‘It isn’t I, it’s you that ain’t.
Although there is a Santa Claus,
There isn’t any Jabez Dawes!’

 

Said Jabez then with impudent vim,
‘Oh, yes there is, and I am him!
Your magic don’t scare me, it doesn’t’
And suddenly he found he wasn’t!
From grimy feet to grimy locks,
Jabez became a Jack-in-the-box,
An ugly toy with springs unsprung,
Forever sticking out his tongue.

 

The neighbors heard his mournful squeal;
They searched for him, but not with zeal.
No trace was found of Jabez Dawes,
Which led to thunderous applause,
And people drank a loving cup
And went and hung their stockings up.

 

All you who sneer at Santa Claus,
Beware the fate of Jabez Dawes,
The saucy boy who mocked the saint.
Donner and Blitzen licked off his paint 

 

 

Ogden Nash (19 augustus 1902 – 19 mei 1971)

Omar Khayyam en de paus

 

Omar Khayyám, of zoals zijn arabische naam luidt, al-Imâm Abu Hafs ‘Omar ebn Ebrâhim al-Khayyâmi, werd geboren op 18 mei 1048 te Nishapur, alwaar hij ook stierf op 4 december 1131. Er zijn geen historische documenten zijn die deze feiten bevestigen, maar er bestaat algemene overeenstemming, onder meer op basis van astrologische informatie die door Khayyáms eerste biograaf ‘al-Beihaqi (1154) werd geleverd. Er is niet veel bekend over Omar Khayyám en het gebrek aan feiten laat daarom veel ruimte voor fantasie, veelal gebaseerd op anekdoten van tijdgenoten of latere biografen. Van een andere biograaf, tevens de uitvoerigste, Zahir al-Din ‘al-Beihaqi, weten we dat Khayyám in Nishapur werd geboren, waar zijn familie al generaties lang woonde. Hij meldt dat Khayyám niet veel schreef, slechts enkele natuurwetenschappelijke en filosofische verhandelingen. Ook als leraar was hij niet erg actief. Hij beschrijft zijn karakter als onaangenaam en kort aangebonden.  

 

P.C. Boutens (1870-1943) publiceerde evenals Leopold zijn eerste Khayyám-vertalingen in tijdschriften. De eerste reeks verscheen in ‘Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift’ (1913, afl. 45).  

 

Ontwaak, o vreemde knaap, het daget al!
Vul met robijnen most het klaar kristal.
Want nooit hervindt uw levenlange zoeken
Dit sterflijk leen, dit uur in dit aardsch dal.  

 

                               *

 

Blijf nog een wijl bij wijn en liefde wakker.
Lang volgt de slaap en zonder lief of makker.
Leg weg als goud dit toevertrouwd geheim:
Geen tulp die tweemaal bloeit op dezen akker.  

 

                                *

 

Gij mint robijnen lippen, rooden wijn,
Den klank van harp en fluit en tamboerijn –
’t Is alles bijzaak: God is mijn getuige:
Die iets wil zijn, moet los van alles zijn.  

 

 

J.H. Leopold (1865-1925) publiceerde een eerste reeks van negenentwintig kwatrijnen ‘Uit de Rubaijat’ in de’ ‘Nieuwe Gids’ (november, 1911). Een tweede reeks, ‘Omar Khayam’, werd posthuum   opgenomen in ‘Verzen: werken. Tweede bundel’. (Rotterdam, 1926).

 

X
De wereld gaat en gaat, als lang na dezen
mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen.
Wij werden vóór ons komen niet gemist,
na ons vertrek zal het niet anders wezen.

 

                               *

 

XIII
Ons blijven is vervuld van harteleed,
van raadselen, waarvan geen wijze weet
het in of uit, en evenwel ons scheiden
is aarzelend en nimmermeer gereed.  

 

                               *

 

XVIII
Wat deed u uit den eersten slaap ontwaken
en voerde u met veiligheidsverzaken
tot hem, die bij uw wegzijn brandt als vuur
en beeft als heete lucht bij uw genaken.    

 

Omar Khayyam (18 mei 1048 – 4 december 1131)

 

De man die als paus 27 jaar lang een stempel op de wereld heeft gedrukt zou vandaag 86 jaar zijn geworden. In elke levensbeschrijving wordt er verteld dat hij in zijn jonge jaren ook gedichten heeft geschreven. Ik ben maar eens op zoek gegaan. Twee ervan, uiteraard niet in het Pools, maar in Engelse vertaling. Wie er meer wil lezen – en ook benieuwd is naar een recensie kan hier terecht.   

 

Uit: The place within

Over This, Your White Grave

Over this, your whit grave
the flowers of life in white–
so many years without you–
how many have passed out of sight?
Over this your white grave
covered for years, there is a stir
in the air, something uplifting
and, like death, beyond comprehensio
n.
Over this your white grave
oh, mother, can such loving cease?
for all his filial adoration
a prayer:
Give her eternal peace–

 

 

[Krakow, spring 1939]  

 

 

Girl Disappointed in Love

 

With mercury we measure pain
as we measure the heat of bodies and air;
but this is not how to discover our limits–
you think you are the center of things.
If you could only grasp that you are not:
the center is He,
and He, too, finds no love—
why don’t you see?
The human heart–what is it for?
Cosmic temperature. Heart.
Mercury.   

 

Karol Woytila (18 mei 1920 – 2 april 2005)

Moederdag

Lang niet alle dichters schrijven of schreven over hun moeder. Willem Elsschot en Gerrit Achterberg deden het wel.

 

Aan mijn moeder

Ik heb gedroomd, o moeder,
dat gij op sterven laagt,
en voor het al te sluiten
mij lang in d’oogen zaagt.

Gij spraakt van eerlijk blijven,
van recht door ’t leven gaan;
hebt toen nog eens geglimlacht,
en alles was gedaan.

‘k Wou om vergeving smeken,
waarvoor, ik wist het niet,
en bij u nederknielen;
mijn knieën bogen niet.

Toen wist ik dat ‘k u nimmer
nog iets vergelden kon.
Uw stem deed mij ontwaken
in ’t klare licht der zon.

Daar blonken groote tranen
van heil en droefenis.
En ‘k voelde diep in ’t harte
wat een moeder is.

 

Willem Elsschot

Willem Elsschot

 

Moeder

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:

zij moet de kamer doen; stof beeft;

dan dweilen, voor het eten zorgen,

zien wat van gisteren overbleef.

 

Ik ben in haar liefde geborgen,

die elk verraad der wereld overleefd:

wie ik ook werd, wij eten overmorgen

de koek die zij gebakken heeft.

 

Wanneer de zondagmorgen is ontloken

staat heel haar wezen in de blijde bloei,

waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

 

omdat ik dan niet meer gevoel

hoe door de dood is aangestoken,

wat bij een andere vrouw begon.

 

 

Gerrit Achterberg         

 

Gerrit Achterberg

Dante Gabriel Rossetti en Simon Vestdijk

Dante Gabriel Rossetti, Engels schilder en dichter, werd 12 mei 1828 in Londen geboren. Hij was mede-oprichter van de groep der Pre-Rafaëlieten. Rossetti was de zoon van de Italiaanse dichter Gabriele Rossetti. Rossetti’s familie was cultureel erg actief. Zijn vader gaf les in Italiaanse taal en cultuur in Londen. Hij was politiek vluchteling geworden, hij was in Italië niet welkom meer. De zus van Rossetti werd één van de belangrijkste lyrische schrijfsters uit die tijd en zijn broer was een toonaangevend criticus. Vanaf zijn veertiende jaar stond al vast dat Rossetti kunstenaar zou worden. Rossetti’s belangstelling ging vooral uit naar Dante, Shakespeare en de Arthurlegendes. Ook was hij een groot bewonderaar van Edgar Allen Poe. Rossetti was in de eerste plaats dichter; dat hij zich ook als schilder profileerde had aanvankelijk vooral tot doel in zijn levensonderhoud te voorzien, wat trouwens op den duur heel goed lukte. Maar wie zich ook in zijn gedichten verdiept, en dan vooral in de autobiografische reeks The House of Life, krijgt te zien wat de bronnen van zijn inspiratie waren: de liefde, de smart en alles daartussenin, gecombineerd met de poëtische vorm, het sonnet vooral, die de dichter niet alleen disciplineert, maar die ook onverwachte diepten in hem blootlegt.

The Moonstar

Lady, I thank thee for thy loveliness,
Because my lady is more lovely still.
Glorying I gaze, and yield with glad goodwill
To thee thy tribute; by whose sweet-spun dress
Of delicate life Love labours to assess
My lady’s absolute queendom; saying, “Lo!
How high this beauty is, which yet doth show
But as that beauty’s sovereign votaress.”

Lady, I saw thee with her, side by side;
And as, when night’s fair fires their queen surround,
An emulous star too near the moon will ride,–
Even so thy rays within her luminous bound
Were traced no more; and by the light so drown’d,
Lady, not thou but she was glorified.

dante2

Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
Zelfportret, 1846

 

Simon Vestdijk maakte van bovenstaand gedicht een enigszins vrije vertaling en nam het op in zijn beschouwingen over wezen en techniek van de poëzie in De glanzende kiemcel, een serie lezingen die hij  tijdens de oorlog hield in Sint-Michielsgestel. Hij rekende het toen (het was 1942) tot de negen beste uit de gehele moderne wereldliteratuur. Vestdijk:

“[Rossetti] …bezingt een vrouw , – en tevens een andere vrouw die de dichter als “My Lady”aanduidt, terwijl hij de vrouw die hij bezingt, of toezingt “Lady” noemt. Dit geeft ongeveer de verhouding tussen deze beide figuren aan: de eerste vrouw, de vrouw tot wie hij zich richt, staat bij de andere, die hij alleen maar noemt, in schoonheid en lieftalligheid ten achter. Het merkwaardige is nu, dat, althans voor de oppervlakkige lezer, de eerste vrouw toch de hoofdfiguur is in dit gedicht: zij wordt niet alleen toegezongen, zij wordt ook geroemd en geprezen, – zij is veel reëler a a n w e z i g dan de andere.

De dichter heeft de tactiek gekozen iedere loftuiting te doen volgen door de half afgedwongen bekentenis, dat de andere toch mooier en lieflijker is; hetgeen tenslotte uitloopt op dat prachtige beeld van de “maanster”, een ster die zich te dicht bij de maan waagt en in haar sterker glans verdwijnt.”

 

De Maanster

“Vrouwe, ik dank u voor uw lieflijkheid,

Omdat mijn Vrouwe lieflijker nog is.

Verrukt staar ik u na, volop bereid

Tol te betalen aan uw beeltenis.

 

Welk teeder schoon toch slechts de schoonheid smukt

Van mijner Vrouwe vorstelijke leden;

O zie, hoe de edelvrouw zich dienend bukt

Zodra de koningin komt aangetreden!

 

Vrouwe, ik zag u samen, zij aan zij,

En, zoals soms in ’t nachtelijk lichtgeglij

Een ster vol ijverzucht de maan genaakt

 

En oplost in den zilv’ren krans der stralen,

Zoo kon ook gíj niet bij haar luister halen,

En door ’t verdronken licht werd gíj volmaakt!”

 

Naast The Moonstar behandelde Vestdijk nog een ander gedicht van Rossetti : The Woodspurge. 

 

“Wanneer een grote slag ons heeft getroffen, wordt onze aandacht vaak door kleinigheden in beslag genomen, die ogenschijnlijk niets met de oorzaak van onze droefenis te maken hebben. Zo ook in dit gedicht, [] waarin de dichter zichzelf beschrijft als de wanhoop nabij, zonder echter ook maar iets te verraden van wat deze vernietigende uitwerking op hem heeft gehad. Hij zit in het gras, ziet wat struiken voor zich, en merkt op, dat de “woodspurge” – [] een kelk van drie blaadjes heeft, – en dat is het enige wat hem later van deze ervaring bijblijven zal. [] De eigenlijke “werkelijkheid “ in dit gedicht – het verdriet – wordt op de achtergrond geschoven; een secundaire, volslagen onbelangrijke werkelijkheid ontvangt alle nadruk. Maar juist daardoor bereikt de dichter wat hij bereiken wil, méér dan wanneer hij zich aan retorische exclamaties over een gebroken hart te buiten was geaan.”

 

The Woodspurge

The wind flapped loose, the wind was still,
Shaken out dead from tree and hill:
I had walked on at the wind’s will, —
I sat now, for the wind was still.

Between my knees my forehead was, —
My lips, drawn in, said not Alas!
My hair was over in the grass,
My naked ears heard the day pass[.]

My eyes, wide open, had the run
Of some ten weeds to fix upon;
Among those few, out of the sun,
The woodspurge flowered, three cups in one. /p>

 

From perfect grief there need not be
Wisdom or even memory:
One thing then learnt remains to me, —
The woodspurge has a cup of three.   

 

 Omdat ik zelf benieuwd was naar hoe deze plant er uit zou zien:

 

The Woodspurge

 

En omdat Rossetti tenslotte ook schilderde: 

Dante Gabriel Rossetti   “Ghirlandata”

 

Arnold Sauwen en Ida Gerhardt

Vandaag twee dichters die, toevallig net als ik zelf, allebei een link met de Maas hebben. Arnold Sauwen werd geboren te Stokkem op 22 maart 1857. Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Essene en Rekem, om tenslotte in 1880 in Antwerpen te belanden. Hier behoorde Pol De Mont tot zijn vriendenkring. Hij was medestichter van de kunstkring “Wees U zelf”. In 1882 verscheen zijn eerste dichtbundel “Langs de Maas”.  Hij huwde in 1886, gaf het onderwijs op en begon een succesrijke papierhandel. Na de dood van zijn zoontje verminderde zijn literaire creativiteit. Pas in 1912 verscheen een nieuw dichtwerk: “De stille delling“. Ondertussen had hij zich terug in zijn geboortestreek gevestigd. Sauwen zou men tot de Vlaamse Tachtigers kunnen rekenen. Arnold Sauwen overleed te Brasschaat op 11 mei 1938.

 

Het vaderhuis

Ginder in de delling
onder ‘t blaargeruis
van die hoge beuken,
ligt mijn vaderhuis.

Lang reeds dood is mijn vader,

moeder wordt zo oud,

en de ganse hoeve is

aan mijn zorg vertrouwd.

 

Gij, de bloem der meiden,

knap, van leden struis,

wilt gij met mij wonen

in mijn vaderhuis?

 

Moeder heet u welkom

aan de stille haard;

gans mijn liefde zijt gij,

en haar zegen waard.

 

Ligt de hoeve verre,

van het dorp, zo wijd;

strekken rond de velden

eenzaam, wijd en zijd;

 

‘k Voer u met de huifkar

naar de kerk ter mis,

als de klokken luiden

en het zondag is

 

‘k Leid, bij stille avond

u ter loverbank,

als de velden slapen

van de meidauw blank;

 

Als de hoge beuken

stil, met zacht geruis,

rond de gevel wiegen

van mijn vaderhuis.   

Arnold Sauwen        

 

Arnold Sauwen (22 maart 1857 – 11 mei 1938)

 

Over Ida Gerhardt schreef ik op deze blog al op 4 mei. Omdat zij vandaag 101 zou zijn geworden hier een gedicht dat gevoelens van nostalgie bij mij oproept. Zowel omdat de betreffende radioberichten nu niet meer bestaan, als ook omdat ik twaalf jaar geleden enige tijd vlakbij de sluis van Grave gewoond heb.

 

RADIOBERICHT

Te Grave beneden de sluis
voorbij de zware deuren
mag mij het water sleuren
en kantelen met geruis.
– Grave beneden de sluis.

 

‘Wij geven de waterstand.’

 

O God, hoe kon het gebeuren –
gesloten het venster, de deuren,
gebannen uit liefde en huis.
– Grave beneden de sluis.

 

‘Wij geven de waterstand.’

 

Grave, dat is groen land
en water, dat draagt mij thuis.

 

‘Grave beneden de sluis.’
Grave, beneden de sluis.   

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)

De jonge Ida Gerhardt