Lucebert

Lucebert (luce = licht, bert = helder) was het pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk. Deze dichter – ook actief als beeldend kunstenaar – werd geboren op 15 september 1924 in Amsterdam. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw trad hij op als voorman van de Beweging van Vijftig, de groep experimentele dichters die destijds veel stof deed opwaaien. Hij debuteerde in 1949 met het gedicht ‘minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’ – het was de tijd van de Politionele Acties – en zijn eerste bundel, triangel in de jungle, gevolgd door de dieren der democratie, verscheen in 1951. Vele bundels volgden, waaronder apocrief; de analfabetische naam (1952) en van de afgrond en de luchtmens (1953).   Hij ontving o.a.  de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, de Constantijn Huygensprijs, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Lucebert overleed op 10 mei 1994.

School der poëzie

Ik ben geen lieflijke dichter
Ik ben de schielijke oplichter
Der liefde, zie onder haar de haat
En daarop een kaaklende daad.

Lyriek is de moeder der politiek,
Ik ben niets dan omroeper van oproer
En mijn mystiek is het bedorven voer
Van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

Ik bericht, dat de dichter van fluweel
Schuw en humanisties dood gaan.
Voortaan zal de ijzeren keel
Der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

Nog ik, die in deze bundel woon
Als een rat in de val, snak naar het riool
Van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
Hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

Lucebert “Bachus”

 

er is alles in de wereld het is alles
de dolle hondenglimlach van de honger
de heksenangsten van de pijn en
de grote gier en zucht de grote
oude zware nachtegalen

het is alles in de wereld er is alles
allen die zonder licht leven
de in ijzeren longen gevangen libellen
hebben van hard stenen horloges

de kracht en de snelheid
binnen het gebroken papier van de macht
gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede
gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog
de leeggestolen schedel
de erosie

er is alles in de wereld het is alles
arm en smal en langzaam geboren
slaapwandelaars in een koud circus alles
is in de wereld het is alles
slaap

Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

K. Schippers en Friedrich Schiller

De Libris Literatuurprijs is dit jaar door de schrijver K. Schippers in de wacht gesleept met de roman Waar was je nou? Dat maakte juryvoorzitter Guusje ter Horst maandagavond bekend tijdens een diner in het Amsterdamse Amstel Hotel. K. Schippers is een pseudoniem van de 59-jarige Gerard Stigter. Hij ontvangt vijftigduizend euro. Hij richtte, samen met Gerard Bron, Hendrik JAN Marsman (beter bekend als J. Bernlef) en Frits Jacobsen, in 1958 het tijdschrift Barbarber op. In 1975 werd hij redacteur van Hollands Diep. K. Schippers introduceerde de ready-made als poëzievorm.

 

Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als de
zon.    

 

No No Nanette

 

Tea for two heeft voor de oorlog

Iets voor mijn vader gedaan.

en ook voor mij.

Hij liep langzaam om

het langer uit een huis

te kunnen horen

En miste zo lijn 2.

In de volgende zat mijn moeder.

 

 

 

Een paar verschillen en een paar overeenkomsten

Donkerblauw: een Frans pakje Gauloises.
Lichtblauw: een Nederlands pakje Gauloises.

De Franse Gauloise is losser gestopt,
maar pittiger dan de Nederlandse.

Trek een Franse Gauloise uit een pakje
en je leest meteen: Gauloise.

Trek een Nederlandse Gauloise uit een pakje.
even wachten tot onderaan.

Gauloise staat op iedere sigaret,
Gauloises op de beide pakjes.

 

K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1938)

 

Het jaar 2005 was het Friedrich Schiller jaar. Vandaag is hij 201 jaar dood, maar zoals vorig jaar wel bleek, in Duitsland nog steeds springlevend. (En niet alleen dankzij het inmiddels Europese Ode an die Freude)

 

Die Gunst des Augenblicks     

 

Und so finden wir uns wieder
In dem heitern bunten Reihn,
Und es soll der Kranz der Lieder
Frisch und grün geflochten sein.

 

Aber wem der Götter bringen
Wir des Liedes ersten Zoll?
Ihn vor allen laßt uns singen,
Der die Freude schaffen soll.

 

Denn was frommt es, daß mit Leben
Ceres den Altar geschmückt?
Daß den Purpursaft der Reben
Bacchus in die Schale drückt?

 

Zückt vom Himmel nicht der Funken,
Der den Herd in Flammen setzt,
Ist der Geist nicht feuertrunken,
Und das Herz bleibt unergötzt.

 

Aus den Wolken muß es fallen,
Aus der Götter Schooß, das Glück,
Und der mächtigste von allen
Herrschern ist der Augenblick.

 

Von dem allerersten Werden
Der unendlichen Natur
Alles Göttliche auf Erden
Ist ein Lichtgedanke nur.

 

Langsam in dem Lauf der Horen
Füget sich der Stein zum Stein,
Schnell, wie es der Geist geboren,
Will das Werk empfunden sein.

 

Wie im hellen Sonnenblicke
Sich ein Farbenteppich webt,
Wie auf ihrer bunten Brücke
Iris durch den Himmel schwebt,

 

So ist jede schöne Gabe
Flüchtig wie des Blitzes Schein;
Schnell in ihrem düstern Grabe
Schließt die Nacht sie wieder ein         

 

Friedrich Schiller (10 november 1759 – 9 mei 1805)

Truman Capote

Een heel andere post dan gewoonlijk. Het afgelopen weekend heb ik namelijk de schitterende film Capote gezien van regisseur Bennett Miller. Deze film beschrijft de episode uit het leven van de Amerikaanse schrijver Truman Capote (1924 – 1984) vanaf het moment dat hij besluit te gaan schrijven over de twee moordenaars van een familie uit Kansas tot aan de voltooiing van het boek dat hem rijk en beroemd zou maken: In cold blood.

 

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)  

 

In 1959 wordt Capote, die toen al onder andere de roman Breakfast at Tiffany’s had geschreven en een graag geziene gast was in de New Yorkse cultuurkringen, aangetrokken door een sinistere gebeurtenis die een plattelandsdorp in Kansas op zijn kop gezet heeft. Een familie van vier is er op beestachtige wijze vermoord en Capote stelt de krant The New Yorker voor er een artikel over te schrijven. De verschijning van Capote, een nogal verwaande, extreem geaffecteerde homo (met een stem waarvan je de eerste tien minuten van de film licht onpasselijk wordt – maar je verzoent je ermee naarmate je geboeider raakt door het personage dat de acteur Philip Seymour Hoffman neerzet) , in het ruwe boerendorp Holcomb, wekt aanvankelijk argwaan en gefrons. Harper Lee, Capote’s jeugdvriendin (die enkele jaren later To Kill a Mockingbird zou schrijven) functioneert zo een beetje als tussenpersoon, maar dat wordt snel overbodig. Zelfs de inwoners van Holcomb hebben van Capote gehoord en zien snel in dat hij met veel respect en ernst over de zaak wil berichten. Wanneer de daders gepakt worden, raakt Capote nog meer geïnspireerd. Hij laat zijn uitgever weten dat hij een roman wil schrijven over de feiten, een zogenaamde non-fictie roman.

Capote is een behoorlijk complex personage. We leren hem kennen als een ijdele, zelfgenoegzame en nichterige succesjournalist. Maar later komen meer facetten van zijn persoonlijkheid aan bod. Zo slaagt Capote er in de sympathie van de bevolking te winnen zonder compromissen te sluiten. Zijn trots en zelfrespect zijn gehard door jarenlang met vooroordelen en verwijten te zijn geconfronteerd. Maar Capote is ook ijdel en ambitieus. Wanneer hij zich gaat hechten aan Perry Smith (gespeeld door Clifton Collins jr.), een van de twee moordenaars waar hij intussen vrienden mee is geworden, komt hij voor een dilemma te staan. Perry helpen met zijn verdediging, in de onrealistische hoop hem vrij te krijgen en wie weet te kunnen beminnen? Of hopen dat het tweetal zo snel mogelijk veroordeeld wordt, zodat de roman een einde krijgt, gepubliceerd kan worden en Capote zijn applaus kan krijgen?
Die worsteling tussen ambitie en passie zou Capote geen goed doen.

In de ‘oral biography’ Truman Capote (1998), opgetekend door George Plimpton, herinneren intimi zich Capotes reactie toen hij vernam dat Hickock en Smith daadwerkelijk ter dood zouden worden gebracht. De schrijver Kenneth Tynan vertelt aan Plimpton over een feestje waar Capote verscheen op de dag dat het nieuws over de executie bekend werd: ‘Truman (…) hopped up and down with glee, clapping his hands, saying “I’m beside myself! beside myself with joy!” ’

Toen In Cold Blood  na zes jaar eindelijk af was hielp het succes Capote, samen met zijn drankverslaving, ook de vernieling in. De film  houdt het echter bij de periode 1959-1965 en is dus geen volledige biografie. Niettemin krijgen we een diepgaande kijk op wie Capote was. Philip Seymour Hoffman heeft er terecht een Oscar voor gekregen.

Clifton Collins jr. en  Philip Seymour Hoffman in “Capote”

Bien étonné de se trouver ensemble

Gisteren terzijde geladen wegens de ronde verjaardag van Sigmund Freud, maar ik was hem niet vergeten. Willem Kloos, ook geboren op 6 mei.

Van de Zee
Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet.

Zij wist zichzelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zichzelven uit in duizenderlij lijning,
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dàn zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dán had ik eerst geen lust naar menselijke belustheid
Op menselijke vreugd en menselijke pijn;

Dan wàs mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid
Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn.


Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

Omdat mij de afgelopen week het verzoek bereikte om wat meer aandacht te besteden aan jong talent plaats ik vandaag alvast ook een van mijn favoriete gedichten van Mustafa Stitou. Deze dichter debuteerde in 1994. Hij werd in 1974 geboren in Marokko. Maar als baby verhuisde hij al naar Nederland: naar Lelystad. In 2004 ontving hij de VSB Poëzieprijs Uit het juryrapport:

 “Met anekdotes en bezweringen, klanknabootsingen en lange slingerzinnen, tragische ernst en haast hilarische grappen is Varkensroze ansichten van Mustafa Stitou (De Bezige Bij) een ongelofelijk gevarieerde dichtbundel. En dan gáán de gedichten ook nog ergens over. Zij brengen het snijpunt in beeld van islamitische, westers-darwinistische en literaire culturen en identiteiten, nu eens gezien vanaf de straat, dan weer vanuit de studeerkamer. Wat de gedichten spannend maakt, is dat cultuur en identiteit voor Stitou geen vaste gegevens zijn, maar begrippen die steeds opnieuw worden gedefinieerd, kritisch en met terugwerkende kracht, liefdevol en provocerend tegelijk. Kortom: een interessante, rijke, zeg maar gerust: duizelingwekkende bundel.”.


Zomaarcafé

Zomaarcafé op Rembrandtsplein:
concrete warmte, goddeloze gezelligheid

vóór elk biertje roep ik
gewoontegetrouw gewichtslooslauw
binnensmonds bismillah

ik ben de jonge Marokkaan
en zijn anderstalige gedachten

Het van vroombloed kleinerwordend
zitbeeld in mijn vader

en moeder herinnert mij
steeds marginaler aan mijn stamland:
rotshol sinds ik hier gewoon ben

Let niet tweejaarlijks in de zomer
maand van kleine betekenis

strand oranje parasollenbezaaid
en duizenden ouders

die menen dat ik onherkenbaar
een man geworden ben, waarover

ik fantaseer

 

Mustafa Stitou, Mijn Vormen & Mijn Gedichten,
(Amsterdam, De Bezige Bij, 2000)


Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

Honderdvijftig jaar Freud

Sigmund Freud ( 6 mei 1856 – 23 september 1939)

Precies 150 jaar geleden werd Sigmund Freud geboren. Behalve dat zijn eigen stilistische meesterschap tegenwoordig alom wordt erkend heeft hij natuurlijk ook een enorme invloed gehad op de literatuur en de literatuurwetenschap. Daarover zijn dan ook inmiddels bibliotheken volgeschreven. Al grasduinend op internet kwam ik in Orbis Linguarum een artikel tegen over Freud en Rainer Maria Rilke, dat als een illustratie kan gelden van de ontelbare artikelen, studies en verhandelingen die de kruisbestuiving tussen literatuur en psychologie sinds Freud heeft opgeleverd. Het blijkt dat Freud en Rilke elkaar in september 1913 zelfs ontmoet hebben op een psychoanalytisch congres in Mûnchen, waar ook Lou Andreas-Salomé aanwezig was. Rilke vertelt erover in twee brieven. In de eerste van 15 september 1913 aan Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe bericht hij, „daß er fast neben Freud gesessen habe und von allen ausgezeichnet behandelt worden sei”, in de tweede aan Magda von Hatting­berg vom 21 februari 1914 schrijft hij, „daß er eigens nach München gekommen sei, „um Freud zu sehen”.  Beide brieven verraden iets over het respect dat Rilke had voor de grondlegger van de psychoanalyse.

In 1921 verscheen in het tijdschrift Imago Lou Andreas-Salomés verhandeling Narzißmus als Doppelrichtung, waain zij ook Rilkes gedicht Narziss citeert. Zij vatte hierin zowel het religieuze als het artistieke als specifiek narcistische levensuitingen op. Het staat vrijwel vast dat zij met haar diepgaande belangstelling voor het fenomeen narcisme zowel aanknopingspunten heeft gevonden bij Freuds artikel uit 1914, Zur Einführung des Narzißmus,  als ook bij de discussies die ze met Rilke heeft gehad gedurende de vroegste en intensiefste fase van hun vriendschap.

Narziss

Dies also. dies geht von mir aus und löst
sich in der Luft und im Gefühl der Haine,
entweicht mir leicht und wird nicht mehr das Meine
und glänzt, weil es auf keine Feindschaft stößt.

Dies hebt sich unaufhörlich von mir fort,
ich will nicht weg, ich warte, ich verweile;
doch alle meine Grenzen haben Eile,
stürzen hinaus und sind schon dort.

Und selbst im Schlaf. Nichts bindet uns genug.
Nachgiebig Mitte in mir, Kern voll Schwäche,
der nicht sein Fruchtfleisch anhält. Flucht, o Flug
von allen Stellen meiner Oberfläche.

Was sich dort bildet und mir sicher gleicht
und aufwärts zittert in verweinten Zeichen,
das mochte so in einer Frau vielleicht
innnen entstehn; es war nicht zu erreichen,

wie ich danach auch drängend in sie rang.
Jetzt liegt es offen in dem teilnahmslosen
zerstreuten Wasser, und ich darf es lang
anstaunen unter meinem Kranz von Rosen.

Dort ist es nicht geliebt. Dort unten drin
ist nichts, als Gleichmut überstürzter Steine,
und ich kann sehen, wie ich traurig bin.
War dies mein Bild in ihrem Augenscheine?

Hob es sich so in ihrem Traum herbei
in süßer Frucht? Fast fühl ich schon die ihre.
Denn, wie ich mich in meinem Blick verliere:
ich könnte denken, dass ich tödlich sei.

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) 

 

De Engelse dichter W. H. Auden schreef naar aanleiding van het overlijden van Freud in 1939 een indrukwekkend in memoriam. Het is weliswaar niet Freuds sterfdag, maar als dichterlijk eresaluut misstaat het ook niet op zijn 150e verjaardag. 

In Memory of Sigmund Freud  

 

When there are so many we shall have to mourn,

when grief has been made so public, and exposed

     to the critique of a whole epoch

   the frailty of our conscience and anguish,


of whom shall we speak? For every day they die

among us, those who were doing us some good,

     who knew it was never enough but

   hoped to improve a little by living.


Such was this doctor: still at eighty he wished

to think of our life from whose unruliness

     so many plausible young futures

   with threats or flattery ask obedience,


but his wish was denied him: he closed his eyes

upon that last picture, common to us all,

     of problems like relatives gathered

   puzzled and jealous about our dying.


For about him till the very end were still

those he had studied, the fauna of the night,

     and shades that still waited to enter

   the bright circle of his recognition


turned elsewhere with their disappointment as he

was taken away from his life interest

     to go back to the earth in London,

   an important Jew who died in exile.


Only Hate was happy, hoping to augment

his practice now, and his dingy clientele

     who think they can be cured by killing

   and covering the garden with ashes.


They are still alive, but in a world he changed

simply by looking back with no false regrets;

     all he did was to remember

   like the old and be honest like children.


He wasn’t clever at all: he merely told

the unhappy Present to recite the Past

     like a poetry lesson till sooner

   or later it faltered at the line where


long ago the accusations had begun,

and suddenly knew by whom it had been judged,

     how rich life had been and how silly,

   and was life-forgiven and more humble,

 

able to approach the Future as a friend

without a wardrobe of excuses, without

     a set mask of rectitude or an

   embarrassing over-familiar gesture.


No wonder the ancient cultures of conceit

in his technique of unsettlement foresaw

     the fall of princes, the collapse of

   their lucrative patterns of frustration:


if he succeeded, why, the Generalised Life

would become impossible, the monolith

     of State be broken and prevented

   the co-operation of avengers.


Of course they called on God, but he went his way

down among the lost people like Dante, down

     to the stinking fosse where the injured

   lead the ugly life of the rejected,


and showed us what evil is, not, as we thought,

deeds that must be punished, but our lack of faith,

     our dishonest mood of denial,

   the concupiscence of the oppressor.


If some traces of the autocratic pose,

the paternal strictness he distrusted, still

     clung to his utterance and features,

   it was a protective coloration


for one who’d lived among enemies so long:

if often he was wrong and, at times, absurd,

     to us he is no more a person

   now but a whole climate of opinion


under whom we conduct our different lives:

Like weather he can only hinder or help,

     the proud can still be proud but find it

   a little harder, the tyrant tries to


make do with him but doesn’t care for him much:

he quietly surrounds all our habits of growth

     and extends, till the tired in even

   the remotest miserable duchy


have felt the change in their bones and are cheered

till the child, unlucky in his little State,

     some hearth where freedom is excluded,

   a hive whose honey is fear and worry,


feels calmer now and somehow assured of escape,

while, as they lie in the grass of our neglect,

     so many long-forgotten objects

   revealed by his undiscouraged shining


are returned to us and made precious again;

games we had thought we must drop as we grew up,

     little noises we dared not laugh at,

   faces we made when no one was looking.


But he wishes us more than this. To be free

is often to be lonely. He would unite

     the unequal moieties fractured

   by our own well-meaning sense of justice,


would restore to the larger the wit and will

the smaller possesses but can only use

     for arid disputes, would give back to

   the son the mother’s richness of feeling:


but he would have us remember most of all

to be enthusiastic over the night,

     not only for the sense of wonder

   it alone has to offer, but also


because it needs our love. With large sad eyes

its delectable creatures look up and beg

     us dumbly to ask them to follow:

   they are exiles who long for the future


that lives in our power, they too would rejoice

if allowed to serve enlightenment like him,

     even to bear our cry of ‘Judas’,

   as he did and all must bear who serve it.


One rational voice is dumb. Over his grave

the household of Impulse mourns one dearly loved:

     sad is Eros, builder of cities,   

   and weeping anarchic Aphrodite.  

 


W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973)

4 Mei

Stadsdichters zijn een steeds  meer voorkomend fenomeen. In België is die van Antwerpen wel de bekendste (zeker in het buitenland van België). In Roermond, de stad van mijn middelbare schooltijd, heeft men er ook een. Vorig jaar was dat Hans van Bergen. Ter gelegenheid van Dodenherdenking schreef hij toen onderstaand gedicht.Het is opgedragen aan het naamloze kind, door Charles Vos in brons gegoten als onderdeel van de beeldengroep van het Limburgs verzetsmonument in Roermond.

Kind van brons

Kind van brons,
wie legde op jouw kleine schouders
de loden taak te waken over vrijheid
en te vechten tegen de weerwil
van de wereld om te leren
van het falen?

Wie was je
voor je als muze binnendrong
in het hart van de kunstenaar?
Wie hoor je roepen om woorden
als oktoberwinden razen om je sokkel,
als de regens van het voorjaar
resoneren in de holte
van jouw beeltenis?
Aan wie denk je wanneer je rood oplicht
in de hoop van nieuwe morgens
en het licht van ochtendzon,
fel als ooit het ovenvuur
van jouw geboorte?

Je gezicht is tijdloos
en keert terug
in elke foto van elke oorlog,
en op elke straathoek
waar vrijheid wordt getreden
door zinloze onmacht en geweld.

Toen men jou goot in brons
en daarna je lippen verstarden
in afkoelend metaal,
doofden de zachte woorden
van jouw eigen dialect
en gaven ze geluidloos stem aan het verdriet
en de hoop van een verwarde wereld.

Elke blik omhoog naar jou
laat onze doden weer aanspoelen
op de kustlijn van het geheugen
en laat hun vragende stemmen klinken
in het haperende metrum
van het vrije woord.

Kind van brons,
hoe lang nog
zullen wij jou ontnemen jouw recht
om eindelijk je ogen
te sluiten in de rust van het weten
dat alles goed is.  

 


Hans van Bergen  (Roermond, 1958) 

 

 

Beroemder is natuurlijk het gedicht  Het Carillon dat Ida Gerhardt in 1941 schreef. Zelfs de huidige middelbare scholieren weten het te vinden, wanneer zij op zoek zijn naar teksten over oorlog en bevrijding.

Ida Gerhardt wordt op 11 mei 1905 wordt in Gorichem geboren. Vanuit deze plaats verhuist het gezin Gerhardt naar Rotterdam, waar Ida naar het Erasmusgymnasium gaat. Daar wordt zij in de klassieke talen onderwezen door de dichter J.H. Leopold, die sindsdien haar grote voorbeeld en leermeester is. Gerhardt studeerde zelf klassieke talen in Leiden en Utrecht, en werd lerares klassieke talen in achtereenvolgens Groningen, Kampen en aan De Werkplaats van Kees Boeke. In 1942 promoveert zij op een gedeeltelijke vertaling van Lucretius’ De rerum natura. Later publiceert zij een vertaling van de Georgica van Vergilius, en samen met haar levensgezellin Marie van der Zeyde de psalmen, waarvoor ze speciaal Hebreeuws leerde. In 1968 krijgt ze de Martinus Nijhoff Prijs voor haar vertalingen. Als dichter debuteert zij in 1940 met de bundel Kosmos. Bekendheid verwerft ze echter pas met haar tweede bundel Het Veerhuis, die haar de Van der Hoogtprijs oplevert. Ze publiceert in totaal zestien dichtbundels, waarvan De Adelaarsvarens in 1988 de laatste is. Na tal van andere literaire prijzen krijgt ze in 1980 de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.

Het Carillon

Ik zag de mensen in de straten
hun armoe en hun grauw gezicht,-
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ‘t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius:- een statig zingen,
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
“Wij slaan het oog tot U omhoog.”

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen,
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –

Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.   

 

Ida Gerhardt, 1941. 


Ida Gerhardt
 (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)  

K. P. Kaváfis

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd in Alexandrië geboren uit Griekse ouders, afkomstig uit Constantinopel. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Constantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kaváfis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. In 1933 sterft Kaváfis in Alexandrië, waar hij nog dezelfde dag wordt begraven in de familietombe op de begraafplaats van de Griekse Gemeenschap te Alexandrië. Pas na zijn dood kreeg Kaváfis zijn plaats in  de canon van de wereldliteratuur. Tijdens zijn leven was hij zeer terughoudend met de publicatie van zijn poëzie. Hij liet af en toe een gedicht afdrukken in een literair tijdschrift en gaf enkele bundels met een stuk of twintig gedichten in eigen beheer uit. Het grootste deel van zijn poëzie, dat hij op losse bladen schreef, vertrouwde hij uitsluitend aan goede vrienden toe.

 

September 1903

Laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies,
opdat ik niet de leegte van mijn leven merk.

Zovele keren ben ik zo nabij geweest.
En hoe verlamd, hoe schuchter, was ik,
waarom hield ik mijn lippen op elkaar
terwijl mijn lege leven in mij weende
en mijn begeerte zwarte kleren droeg.

Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest,
bij de ogen, bij de zinnelijke lippen,
bij het gedroomde, geliefde lichaam.
Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest.

 

K. P. Kaváfis, Gedichten.
In de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf
(Amsterdam: Bert Bakker, 2002).

K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1933)

1 Mei Dichters

Niet het gebruikelijke programma op de Duitse televisie vandaag want het is daar een echte feestdag. Vergeleken met de oosterburen doet men er In Nederland nauwelijks iets aan. Het poldersocialisme kent echter wel twee grote dichtersnamen: Herman Gorter en Henriette Roland Holst.

Herman Gorter studeerde klassieke talen. Onder invloed van Willem Kloos schreef hij Mei, waarmee hij pas echt onsterfelijk is geworden. De eerste zang van Mei verscheen in 1889 in een nummer van De Nieuwe Gids. In het voorjaar van datzelfde jaar verscheen het gedicht in boekvorm. Hier echter een gedicht dat beter past bij de eerste dag van mei.

De arbeidersklasse danst een groote reidans

De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan der wereld, zooals kindren
die men ’s avonds op strandmuur bij de zee,
bij het geel der lantarens en ’t licht
der zon, ziet huppelen op muziek. Hun lichte
dunne gestaltetjes dragen al dansend
hoop en gedachten gaand op de oceaan,
gaand in den hemel, gaand diep in de aarde —
zoo danst de arbeidersklasse aan de zee.
Hoop en verwachting stroomt hun van de zee,
hoop en verwachting straalt van uit de lucht,
hoop en verwachting rijst van uit de aard.
Hoe klinkt nu alles helder, ’t aard-metaal
klinkt, en de lucht is sonoor, ’t handgeklap
van mannen en vrouwen volgt op breeden zwaai
van armen door de zachte helle lucht.
Jongens en meisjes stuiven om hen heen.
Deze zullen ’t beleven dat de lichte
lichamen der menschen overal dansen
in vrijheid.
De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan.


Herman Gorter (26 november 1864 – 15 september 1927)

 

Henriette Roland Holst  groeide op in het welgestelde, liberaal-christelijke gezin van een notaris. Ze trouwt in 1896 met de beeldende kunstenaar Richard Roland Holst (Rik) en raakt bevriend met Gorter, die haar aanzet tot het lezen van Das Kapital van Karl Marx. In diezelfde tijd wordt ze politiek actief en begint haar carrière als schrijfster op politiek, historisch en filosofisch gebied. Ze schreef onder andere de Nederlandse tekst voor het strijdlied De Internationale.

“….

De staat verdrukt, de wet is gelogen,

De rijkaard leeft zelfzuchtig voort;

Tot merg en been wordt de arme uitgezogen

En zijn recht is een ijdel woord

…… “

Hier toch maar een ander gedicht:

 

De zachte krachten zullen zeker winnen

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind — dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.


Henriette Roland Holst (24 december 1869 – 21 november 1952)

 

En dan nog, speciaal voor onze Vlaamse vrienden, want Guido Gezelle is geboren op 1 mei 1830.

 

MEIZANG

Herhaalt mij nu weêrom dat
schoone lied,
’n laat geen lieve leise ervan
verloren,
want op en af uw’ lippen
loopt er iet,
dat in of om den biekorve is
geboren !

’t Is honing dat gij zingt, en
al te zoet,
om nóg eenmaal mij niet te zijn
geschonken;
mij lust hoe meer ik drinke, en
drinken moet
ik meer, hoe meer ik drinke en heb
gedronken.

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

In memoriam Tip Marugg

De Antilliaanse schrijver en dichter Silvio Alberto Marugg, beter bekend als Tip Marugg, is zaterdag, 22 april, op 82-jarige leeftijd overleden. Marugg werd vooral bekend door zijn boeken Weekendpelgrimage, In de straten van Tepalka en De morgen loeit weer aan. Ook schreef hij nog een dichtbundel, Afschuw van licht, en een woordenboek met erotische termen uit het Papiamento. Zijn werken werden onder meer in het Engels en Russisch vertaald.  Een doorbraak naar een groot lezerspubliek bereikte hij met zijn nominatie voor de AKO Literatuurprijs in 1988 voor De morgen loeit weer aan.

Uit Het Parool:

De verteller uit “De morgen loeit weer aan”, een oudere man die op de stoep van zijn huis zit te drinken en te mijmeren over het leven, valt bijna geheel met hem samen, zegt hij. Pessimisme, dronkenschap, zelfmoord en vervreemding zijn termen die opduiken als de stemming in zijn romans moet worden gekarakteriseerd. ”Alleen met drank valt het leven door te komen. Ik ben niet gelovig, daarom drink ik.” En het helpt hem bij het schrijven. ”Alcohol kan je meevoeren naar sferen die je nuchter niet kunt bereiken.” Ten slotte is er de troost van de in zijn boeken altijd aanwezige zelfmoord. ”De mogelijkheid om zelfmoord te plegen, stelt de mens bijna gelijk aan God.”’

Cartomantica

Ik heb melk gedronken
en een berg beklommen
maar vond niet het hazenpad
waar Eros had gesluimerd.

Tussen twee paardenpoten door
had de avondwind gewaaid
tot op mijn ruige borst.

Zo te sterven.

Tussen de harde rotsen
Met het zonlicht in mijn ogen.

Tip Marugg (16 december 1923 – 22 april 2006) 

 

VSB Poëzieprijs 2006 voor Mark Boog

De jaarlijkse VSB Poëzieprijs is afgelopen vrijdagavond in De Rode Hoed in Amsterdam uitgereikt aan Mark Boog (1970) voor zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden (2005). De prijs bedraagt 25 duizend euro.

Mark Boog studeerde korte tijd Kunstmatige Intelligentie in zijn geboorteplaats Utrecht en werkte daarna even bij de PTT. In 1995 debuteerde hij als dichter in het tijdschrift De Appel. Daarna was hij actief in een schrijverscollectief dat onder meer het tijdschrift Mondzeer en de Reuzenkreeft uitgaf. In 2000 verscheen Boogs eerste dichtbundel “Alsof er iets gebeurt” (2000), waarvoor hij de C. Buddingh’-Prijs won. Later verschenen de bundels “Zo helder zagen we het zelden”  (2002), “Luid overigens de noodklok (2003)“, “Seizoenen” (2005) en “Landman” (2006). Daarnaast publiceerde hij de romans “De Vuistslag” (2001), “De warmte van het zelfbedrog” (2002) en “De helft van liefde” (2005).

Zinloosheid

De zinloosheid staat als een kerk
om me heen. Natuurlijk niemand
op de kansel, of misschien een
wereld, generatie, wat dan ook.

Het zegt me niets. Toch vind ik
zin in het bekijken van de lege
nissen waar de beelden stonden.
Werkeloze kaarsen wachtend.

IJl de kerk, gewichtloos het dak,
en hoog, hemelhoog het licht,
bijna doorzichtig. Luchtspiegeling,

toevallig vormgegeven niets dat
in andere tijdsgangen slapend
was gebleven. Huis van mensen.

 

© Mark Boog, 2000   Alsof er iets gebeurt

 

LIEFDE

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

© Mark Boog, 2005   De encyclopedie van de grote woorden

Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)