Ingeborg Bachmann en George Orwell

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann, de dochter van een onderwijzer,  was een vooraanstaande exponent van de Duitstalige literatuur na de Tweede Wereldoorlog. Geboren werd ze in Klagenfurt (Oostenrijk) op 25 juni 1926. Zij studeerde in Innsbruck, Graz en Wenen tussen 1945 en 1950, waar ze zich vooral op de filosofie en psychologie toelegde. Zij doctoreerde met een proefschrift over Martin Heidegger, en ging vervolgens voor de radio werken. In 1952 las ze haar eigen gedichten voor op een bijeenkomst van de Gruppe 47: dit luidde een snelle opmars van haar carrière in. Reeds een jaar later ontving ze de prijs van de Gruppe, voor haar dichtbundel Die gestundete Zeit, een grimmig, pessimistisch werk, met de beroemd geworden frase: „es kommen härtere Zeiten“ (hardere tijden komen eraan).

 

Die gestundete Zeit

Es kommen härtere Tage.
Die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.
Bald musst du den Schuh schnüren
und die Hunde zurückjagen in die Marschhöfe.
Denn die Eingeweide der Fische
sind kalt geworden im Wind.
Ärmlich brennt das Licht der Lupinen.
Dein Blick spurt im Nebel:
die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.

Drüben versinkt dir die Geliebte im Sand,
er steigt um ihr wehendes Haar,
er fällt ihr ins Wort,
er befiehlt ihr zu schweigen,
er findet sie sterblich
und willig dem Abschied
nach jeder Umarmung.

Sieh dich nicht um.
Schnür deinen Schuh.
Jag die Hunde zurück.
Wirf die Fische ins Meer.
Lösch die Lupinen!

Es kommen härtere Tage.   

 

Herbstmanöver

Ich sage nicht: das war gestern. Mit wertlosem
Sommergeld in den Taschen liegen wir wieder
auf der Spreu des Hohns, im Herbstmanöver der Zeit.
Und der Fluchtweg nach Süden kommt uns nicht,
wie den Vögeln, zustatten. Vorüber, am Abend,
ziehen Fischkutter und Gondeln, und manchmal
trifft mich ein Splitter traumsatten Marmors,
wo ich verwundbar bin, durch Schönheit, im Aug.

In den Zeitungen lese ich viel von der Kälte
und ihren Folgen, von Törichten und Toten,
von Vertriebenen, Mördern und Myriaden
von Eisschollen, aber wenig, was mir behagt.
Warum auch? Vor dem Bettler, der mittags kommt,
schlag ich die Tür zu, denn es ist Frieden
und man kann sich den Anblick ersparen, aber nicht
im Regen das freudlose Sterben der Blätter.

Laßt uns eine Reise tun! Laßt uns unter Zypressen
oder auch unter Palmen oder in den Orangenhainen
zu verbilligten Preisen Sonnenuntergänge sehen,
die nicht ihresgleichen haben! Laßt uns die
unbeantworteten Briefe an das Gestern vergessen!
Die Zeit tut Wunder. Kommt sie uns aber unrecht,
mit dem Pochen der Schuld: wir sind nicht zu Hause.
Im Keller des Herzens, schlaflos, finde ich mich wieder
auf der Spreu des Hohns, im Herbstmanöver der Zeit.

 

Alle Tage

Der Krieg wird nicht mehr erklärt,
sondern fortgesetzt. Das Unerhörte
ist alltäglich geworden. Der Held
bleibt den Kämpfen fern. Der Schwache
ist in die Feuerzonen gerückt.
Die Uniform des Tages ist die Geduld,
die Auszeichnung der armselige Stern
der Hoffnung über dem Herzen.

Er wird verliehen,
wenn nichts mehr geschieht,
wenn das Trommelfeuer verstummt,
wenn der Feind unsichtbar geworden ist
und der Schatten ewiger Rüstung
den Himmel bedeckt.

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)

 

De Britse schrijver George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair) werdop 25 juni 1903 geboren in India. Als auteur van fictie had hij aanvankelijk niet veel succes, maar vanaf 1939 kreeg hij meer bekendheid. De dierensatire Animal Farm
wordt als zijn beste boek beschouwd. Het is een parabel over de Russische revolutie en hoe ze totaal gedegenereerd geraakt onder invloed van Stalin.

De meeste bekendheid kreeg hij echter met zijn toekomstroman 1984 (Nineteen-eighty-four) waarin hij in 1949 een somber beeld schetste van hoe de samenleving er in zijn ogen 35 jaar later uit zou zien: een totalitaire wereld waarin de menselijke vrijheid geheel aan banden gelegd zou zijn, gecontroleerd door het alziende oog van Big Brother.

Citaten:

” Serious sport has nothing to do with fair play. It is bound up with hatred, jealousy, boastfulness, disregard of all rules and sadistic pleasure in witnessing violence. In other words: it is war minus the shooting. “

” Speaking the Truth in times of universal deceit is a revolutionary act. “

” Political language. . . is designed to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind. “

George Orwell (25 juni 1903 – 21 januari 1950)

 

Yves Bonnefoy

De Franse dichter, schrijver en vertaler Yves Bonnefoy werd in Tours geboren op 24 juni 1923. Zijn eerste belangrijke werk Mouvement et de l’immobilité de Douve verscheen in 1953. Bonnefoy schreef studies over Nerval, Baudelaire en Rimbaud, maar ook over Shakespeare en Leopardi en over schilders uit de Renaissance en de Barok. Hij schreef bovendien over Delacroix en Giacometti, en dan zijn nog niet genoemd de vele hedendaagse kunstenaars met wie hij samen geïllustreerde edities van zijn werk publiceerde. Bonnefoy vertaalde een aantal dichters waaronder Keats, Donne, Leopardi en bovenal Shakespeare, waarvan hij een dozijn toneelstukken in het Frans vertaalde, waarbij elke vertaling begeleid werd door een kritische studie. Ook is hij uitgever van de Dictionnaire des mythologies (1981).  In 1981 werd hij ook in het Collège de France gekozen. 

 

Ô poésie,
Je ne puis m’empêcher de te nommer
Par ton nom que l’on n’aime plus parmi ceux qui errent
aujourd’hui dans les ruines de la parole.
Je prends le risque de m’adresser à toi, directement,
Comme dans l’éloquence des époques
Où l’on plaçait, la veille des jours de fête,
Au plus haut des colonnes des grandes salles,
des guirlandes de feuilles et de fruits.

Je le fais, confiant que la mémoire,
enseignant ses mots simples à ceux qui cherchent
à faire être le sens malgré l’énigme,
Leur fera déchiffrer, sur ses grandes pages,
Ton nom un et multiple, où brûleront
en silence, un feu clair,
Les sarments de leurs doutes et de leurs peurs.

 

La maison natale

I

 

Je m’éveillai, c’était la maison natale,
L’écume s’abattait sur le rocher,
Pas un oiseau, le vent seul à ouvrir et fermer la vague,
L’odeur de l’horizon de toutes parts,
Cendre, comme si les collines cachaient un feu
Qui ailleurs consumait un univers.
Je passai dans la véranda, la table était mise,
L’eau frappait les pieds de la table, le buffet.
Il fallait qu’elle entrât pourtant, la sans-visage
Que je savais qui secouait la porte
Du couloir, du côté de l’escalier sombre, mais en vain,
Si haute était déjà l’eau dans la salle.
Je tournais la poignée, qui résistait,
J’entendais presque les rumeurs de l’autre rive,
Ces rires des enfants dans l’herbe haute,
Ces jeux des autres, à jamais les autres, dans leur joie.

 

 

II

 

Je m’éveillai, c’était la maison natale.
Il pleuvait doucement dans toutes les salles,
J’allais d’une à une autre, regardant
L’eau qui étincelait sur les miroirs
Amoncelés partout, certains brisés ou même
Poussés entre des meubles et les murs.
C’était de ces reflets que, parfois, un visage
Se dégageait, riant, d’une douceur
De plus et autrement que ce qu’est le monde.
Et je touchais, hésitant, dans l’image
Les mèches désordonnées de la déesse,
Je découvrais sous le voile de l’eau
Son front triste et distrait de petite fille.
Étonnement entre être et ne pas être,
Main qui hésite à toucher la buée,
Puis j’écoutais le rire s’éloigner
Dans les couloirs de la maison déserte.
Ici rien qu’à jamais le bien du rêve,
La main tendue qui ne traverse pas
L’eau rapide, où s’efface le souvenir.



© 2001, Yves Bonnefoy
Uit : Les planches courbes, 2001

Mercure de France, Paris

Yves Bonnefoy (Tours, 24 juni 1923)



Willem Thies en Erich Maria Remarque

Willem Thies heeft op het 37e Poetry International Festival in Rotterdam de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie 2006 gekregen voor zijn debuut Toendra.Dit heeft de jury, bestaande uit Albertina Soepboer, Anton Korteweg en Michaël Vandenbril, woensdag bekendgemaakt.

De Nederlandse dichter Willem Thies (1973) woont en werkt in Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis te Groningen, was oprichter van het literaire punkrockmagazine Zeroxat en redacteur van en schrijver voor cultureel jongerenmagazine Simpel. Gedichten van zijn hand verschenen in de literaire tijdschriften Passionate, Nymph, De Tweede Ronde en De Brakke Hond. “De publikatie van deze gedichten, mijn semi-autonome beeldenwereld, is een eerste zege van een lange triomftocht naar de ondergang.”  

Eb

het water trekt zich terug van de kust
de woestijn treedt buiten haar oevers
de wind blust het blauwe kaarslicht
de wijn zinkt in de gouden kelk


Vloed

het water trekt zich terug van de kust
de woestijn treedt buiten haar oevers
de wind blust het blauwe kaarslicht
een mot verdrinkt op de in melk gewitte kerkmuren 

 

Elegie

ik ga lichtgewapend en in zomeruniform
ik proef hitte en hechtdraad en bloed

het verdriet is donker op mijn gezicht geschminkt
drinkend verworden mijn lippen
tot litteken

ik zend mijn regimenten van rancune en legers van vergelding
de scharen van mijn kreeft woekeren de aarde zwart
anderen wacht een wreder lot: het botte zwaard
van verwaarlozing.

m.a.w.
ik ben de wet & mijn wet is willekeur

ik ben de pijl van venijn & de pil
van onverschilligheid

ik ben de zwartgehelmde engelen met haak in het hart
de weeklacht van de weerloze is mijn overwinningshymne 

 

De onmacht van Michelangelo

De wind neemt happen van het gras.
Iemand legt bloemen op een onbemand graf.


Een wit kind wuift met een wijde arm
en begint stil te zingen.


Een reepje stof hangt omlaag
van de stomp van een tak.


De wind haalt zijn hand door het gras.
Tandeloze kam.


Een bij harpoeneert mijn arm
en verliest lijf en leven.
Zoals eenieder die tot in de kern
tracht door te dringen,
in de huid steken blijft.


Er is een steen die men niet vormen kan naar zijn hand.

Willem Thies (Nijmegen, 17 februari 1973)

 

 
De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) Op 31 januari 1929 verscheen zijn eerste echte roman: Im Westen nichts Neues, waarin hij zijn ervaringen uit WO I verwerkte. De eerste uitgever aan wie hij het boek aanbood, weigerde het te publiceren. Ondanks de enorme politieke controverse werden er het eerste jaar al reeds 1,2 miljoen exemplaren van verkocht. Het vervolg Der Weg Zurück verscheen in 1931. Zijn boeken werden in het openbaar verbrand in 1933 en zijn werk werd verboden in Duitsland. In 1938 werd hem zijn Duits staatsburgerschap ontnomen, maar hij verbleef al sinds 1932 in Zwitserland. In 1939 emigreerde hij naar de Verenigde Staten en hij verkreeg de Amerikaanse nationaliteit in 1947. Later woonde hij afwisselend in Zwitserland en de Verenigde Staten. 

Citaten:

“Erfüllung ist der Feind der Sehnsucht.”

„Erst wenn man genau weiß, wie die Enkel ausgefallen sind, kann man beurteilen, ob man seine Kinder gut erzogen hat… „

 „Vergessen können ist das Geheimnis ewiger Jugend. Wir werden alt durch Erinnerung.”

Erich Maria Remarque
(22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

Sartre, Gerbrandy en van Haren

De Franse schrijver en filosoof Jean Paul Sartre werd geboren op 21 juni 1905 in Parijs. Hij volgde middelbaar onderwijs op het Henri IV Lyceum in Parijs, waar hij Paul Nizan leerde kennen. Van 1922 tot 1924 doorliep hij de voorbereiding op het Louis-de-Grand lyceum. In 1924 werd hij toegelaten aan de École normale supérieure. Daar ontmoette hij Simone de Beauvoir, die zijn levensgezellin werd. Na een aanvankelijke uitsluiting werd hij in 1929 toegelaten tot de studie filosofie. Sartre was een tijd leraar in het Franse middelbaar onderwijs, maar hij is nooit universiteitsprofessor geweest. Dat wilde hij ook niet. Hij publiceerde filosofische essays en ontwikkelde zich als voortrekker van het toenmalige Franse existentialisme. Tegelijkertijd raakte hij publiekelijk bekend door zijn roman La Nausée (1938), novelles (Le Mur 1939) en theaterstukken (Les Mouches 1943). Daarmee won hij een groot publiek voor zijn ideeën; hij kon zijn intellectuele imago tevens gebruiken om zich uit te spreken inzake politieke kwesties.

 

Citaten: 

 

« Il y a deux espèces de pauvres, ceux qui sont pauvres ensemble et ceux qui le sont tout seuls. Les premiers sont vrais, les autres sont des riches qui n’ont pas eu de chance. « 

 

(Le diable et le bon dieu, p.122, Folio n° 52)

 

« Pas besoin de gril : l’enfer, c’est les Autres.»

 

(Huis Clos, Livre de Poche n° 1132, p.75)

 

« L’homme n’est rien d’autre que son projet, il n’existe que dans la mesure où il se réalise, il n’est donc rien d’autre que l’ensemble de ses actes, rien d’autre que sa vie. « 

 

(L’existentialisme est un humanisme, p.55, Éd. Nagel, 1968)  

 

 


Jean-Paul Sartre (21 juni 1905 –  15 april 1980)

 

De twee dichters op Poetry International die vandaag live via internet te zien waren:

 

De Nederlandse dichter Piet Gerbrandy is classicus, dichter en essayist. Ook schrijft hij beschouwingen voor De Groene en poëziekritieken voor de Volkskrant. Zijn debuut Weloverwogen en onopgemerkt werd bekroond met de Van der Hoogtprijs 1997; Nors en zonder haten werd genomineerd voor de VSB poëzieprijs.

 

 

Zes vrouwen delven een hol

 

De hut van de eerste? Kast in een muur

leger in kindhoge netels haar brieven

dwaaltuin van lagen papier met een lint.

 

De tweede beschouwde nacht als dag

hulde haar denderend lijf in dekens achtte geen

pad haar voeten waardig dan rails.

 

Een kus van de derde bracht schade toe

aan haar lippen die proefden van al wat aarde

voortbracht het keurden versmaadden.

 

De vierde was eenoog in maanden van licht

van vlekloos het goede betrachten in krap

ledikant voor tederheid bittere ernst werd.

 

Wie was vijf dan het wicht zonder oren?

Dan wie niet in zijn kon geloven? Niet

wist van geboorte ontdane beloften van pijn?

 

Onbeholpen tastte straks de hand van de laatste

onder dierloos tentdoek naar zaklamp

om te zien of woorden woorden bleven.

 

Zes weduwen dragen de kist.

 

 

© 2001, Piet Gerbrandy
Uit: De zwijgende man is niet bitter
Meulenhoff, Amsterdam, 2001

 

 


Piet Gerbrandy (Den Haag, 17 september 1958)

 

De Nederlandse dichteres Elma van Haren werd geboren in Roosendaal. Op haar zeventiende behaalde Van Haren haar gymnasiumdiploma, daarna studeerde ze vijf jaar aan de kunstacademie in Den Bosch en vertrok korte tijd later naar Amsterdam.
Elma van Haren debuteerde in 1988 met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht ‘Het schitterende’ uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000.
Van Harens poëzie kenmerkt zich door los rijm en een eigenzinnige typografie, alsof impressies en fragmenten op willekeurige wijze met elkaar verbonden zijn.

 

 

Er was eens…

 

 

Zuiver belletjesschrift; zeepbel,

                                                          tinkelende bellenblazerij.

De lucht vol grijze vochtigheid,

een nevellucht boven blauwe velden met

             een gloeiende kern van aandachtig licht

             dat probeert door te breken.

Dan vallen er gaten in de lucht, verglaasd van kou,

elke glinstering om je heen een brandend wit.

Zeepbellen, samengebald tot iets dat zich op wil richten;

             een messcherpe gedachte,

             zonder hart en tong en handen.

 

Die ’s nachts door het open raam

langs je gezicht komt waaien als een vrieskou,

waarin een brandgeur hangt.

                                                                       Indringend.

Een ijskoude brandlucht.

Ergens moet vuur woeden, ergens

stijgt een kolom hitte op die niet meer kan dalen,

             vanwege de koude zware lucht eronder.

 

De dag daarop voel je een PING!

als je in iemands ogen kijkt en

             de kassa springt open.

Daar ligt al het goud en zilver te rinkelen.

Je kan het zo pakken, maar het vervaagt,

wanneer het in je handpalm ligt,

             want licht in de morgen is dik en wit

             met onverbloemd zicht op wat levend is.

 

Nu probeer je er alleen ’s nachts naar te raden.

Je kunt het ruiken, je meent dat het beweegt.

Donker is heimelijk en al wat

steels is maakt het steelser

(en angsten scherper, pijn gemarmerd),

             maar dit grenzeloze tovert de ruimte open,

             wijd en weidser en al wat je ooit voor ogen zag,

             of in je handen had of dacht of sprak,

             zal onbesproken blijven,

             want plaatsgevonden heeft het niet.

© 2005, Elma van Haren
Uit: Zacht gat in broekzak

 De Harmonie, 2005

 


Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954) 

Schwitters, Baderoon, Mungoshi


De Duitse schrijver, dichter en kunstenaar Kurt Schwitters werd geboren op 20 juni 1887 in Hannover..Schwitters volgde een opleiding aan de kunstacademie in Dresden. Hij wordt gerekend tot de dadaïsten, hoewel hij zich niet bij een bestaande stroming wilde aansluiten. Door het nazisme verkeerde hij een deel van zijn leven in ballingschap.  

Die Blume Anna is een zogenaamd Merz gedicht. Zo noemde Schwitters de techniek om uit reclame, krantenartikelen en papierafval collages samen te stellen. Dit gedicht ontstond in 1919 en werd door Schwitters op een heel aktieve manier verspreid. Er bestaan meerdere versies van. Een daarvan hing hij zelf als reclame voor zijn nieuwe dichtbundel in 1920 op aan de reclamezuilen in Hannover waar hij toen woonde. Het gedicht inspireerde in de 20e eeuw talloze dichters en schrijvers om op hun beurt Anna gedichten te schrijven of er in hun werken toespelingen op te maken.

Die Blume Anna

O du Geliebte meiner 27 Sinne, ich liebe
dir – du deiner dich dir, ich dir, du mir,
– Wir?
Das gehört (beiläufig) nicht hierher.
Wer bist du, umgewühltes Frauenzimmer?
Du bist – – bist du? Die Leute sagen,
du wärest. – Laß sie sagen, sie wissen
nicht, wie der Kirchturm steht. Du trägst
den Hut auf deinen Füßen und wanderst
auf die Hände, auf den Händen wanderst du.
Halloh deine roten Kleider in weiße Falten
zersägt, rot liebe ich Anna Blume, rot liebe
ich dir. – Du deiner dich dir, ich dir, du
mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) wohl hierher.
Rote Blume, rote Anna, wie sagen die Leute?
“Du wärest?” – Preisfrage:
1. Anna Blume hat ein Vogel.
2. Anna Blume ist rot.
3. Welche Farbe hat der Vogel.
Blau ist die Farbe seines gelben Haares.
Rot ist das Girren deines grünen Vogels.
Du schlichtes Mädchen im Alltagskleid, du
liebes grünes Tier, ich liebe dir. – Du
deiner dich dir, ich dir, du mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) in die kalte Glut.
Anna Blume, Anna, A-N-N-A, ich kaue
deinen Namen. Wenn ich dich kaue, über-
quellen meine 27 Sinne. Dein Name tropft
wie weiches Rindertalg. Weißt du es
Anna, weißt du es?
So wisse: Man kann dich auch von hinten
lesen, und Du, du herrlichste von allen,
du bist von hinten wie von vorne: A-N-N-A.
Du deiner dich dir, ich dir, du mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) in die Glutenkiste.
Rindertalg träufelt streicheln über meinen
Rücken. Anna Blume, du tropfes Tier, ich
liebe deine Einfalt, ich liebe dir! 

Kurt Schwitters
(20 juni 1887 – 8 januari 1948)

 

Tijdens het 37e Poetry International Festival is er opnieuw ruime aandacht voor poëzie uit Afrika: zo zijn er acht Afrikaanse dichters te gast, wordt de Defence of Poetry-lezing uitgesproken door de Ugandese Taban Lo Lyiong en is er een speciaal programma gewijd aan de orale tradities in de poëzie. Hieronder twee van de dichters uit Afrika.

Gabeba Baderoon publiceerde wereldwijd in diverse tijdschriften en debuteerde in 2005 met ‘The Dream in the Next Body’. Ze is literatuur- en mediawetenschapper en wijdde haar proefschrift aan de representatie van de Islam in Zuid-Afrikaanse kunst en media. De jury van de Daimler-Chrysler Poëzieprijs 2004 prees haar respect voor traditionele Zuid-Afrikaanse poëzie. Haar werk kenmerkt zich door helderheid en eenvoud van taal. Onlangs verscheen haar tweede bundel ‘A Hundred Silences’.  

 

The Dream in the Next Body

From the end of the bed, I pull
the sheets back into place.

An old man paints a large sun striped
by clouds of seven blues.
Across the yello
w centre each
blue is precisely itself and yet,
at the point it meets another,
the eye cannot detect a change.
The air shifts, he says,
and the colours.

When you touched me in a dream,
your skin an hour ago did not end
where it joined mine. My body continued
the movement of yours. Something flowed
between us like birds in a flock.

In a solitude larger than our two bodies
the hardening light parted us again

But under the covering the impress
of our bodies is a single, warm hollow.  

Gabeba Baderoon (Kaapstad 1969)

 

Charles Mungoshi werd geboren op een boerderij in de buurt van de Zimbabwaanse plaats Chivu. Na zijn schooltijd werkte hij aanvankelijk in de bosbouw. Later werd hij redacteur bij het Literature Bureau en bij het Zimbabwe Publishing House. Van 1985-1987 was hij als Writer in Residence verbonden aan de Universiteit van Zimbabwe. Tegenwoordig leeft hij van het schrijven en redigeren van boeken en scenarios’s. Mungoshi is, zoals zoveel Afrikaanse schrijvers, tweetalig. Hij schrijft en publiceert zowel in het Shona als in het Engels. Als dichter is Mungoshi minder bekend. Hij publiceerde slechts één dichbundel: The Milkman Doesn’t Only Deliver Milk (1981) en leverde verder incidenteel bijdragen aan collectieve bloemlezingen als And Now the Poets Speak (1981)

Dotito is our brother

Dotito is our brother
He is strange
He will not play with us on the streets.
He doesn’t want to go with us to the community centre.
He doesn’t want to play the hoola-hoop.
He likes to sit under the mango-tree
all day long
all alone
drawing strange things that look like people
but aren’t really people.

He is at the bottom of his class
and each time we go for games
in the play-ground, he disappears.
He loves the rain.

He could walk for hours in a heavy downpour
and never notice. Father caned him for it once.
And now when it rains he just sits by the window
looking out. Sometimes talking,
opening his mouth and saying strange things
to the rain.

When he is tired of talking to the rain,
he blows breath onto the glass pane,
and draws the same weird things
on scraps of paper.

People who don’t know him
think he is deaf. He isn’t although we
aren’t sure he won’t be. Soon.

Behind the closed door of their bedroom
father and mother whisper about him in the dark,
but we aren’t supposed to hear it,
we know what they have begun to think
about Dotito.

We are a little afraid.

Strange people point and stare at us in the street –
even when Dotito isn’t with us.
We know what they are saying too,
even when we don’t see them open their mouths.
They are talking about how we are
Dotito’s people.



© 1988 Charles Mungoshi
From: The Milkman Doesn’t Only Deliver Milk
Publisher: Baobab Books, Harare
ISBN 1 77909 006 4

Charles Mungoshi (Chivu, 1947)

 

TIP: Piet Gerbrandy en Elma van Haren lezen op woensdagavond om 20.15 uur en rond 21.30 uur voor uit hun werk. Dit is via een livestream op internet te volgen.

 

 

 

Rushdie, Ahmadi en Sepehri

De Indiase essayist Salman Rushdie werd op 19 juni 1947 geboren in Bombay. Op vroege leeftijd verliet hij India en hij woont nu al meer dan dertig jaar buiten zijn geboorteland. De rode draad in zijn werk is zijn haat-liefdeverhouding met India en zijn vertrek naar het Westen. Rushdie zegt door zijn schrijven zijn geboorteland te willen beschrijven en doorgronden. Rushdie groeide op in een anglofiel Indiaas middle-class milieu. Zijn vader was een in Cambridge geschoolde islamitische zakenman die de Britse beschaving als superieur beschouwde. Rushdie begon zijn opleiding aan Bombay’s Cathedral School en ging vooral om met kinderen van verschillende nationaliteiten. De goede herinneringen die hij heeft aan Bombay komen terug in het beeld dat hij van de stad schetst in zijn werk. Zijn vierde boek, De duivelsverzen (The Satanic Verses), won The Whitbread Novel Award in 1988. Dit boek was aanleiding voor Ayatollah Khomeini van Iran een fatwa uit te roepen over Rushdie in 1989. Hij werd beticht van het beledigen van de islam, de profeet en de koran. De Ayatollah loofde een bedrag uit van drie miljoen dollar voor zijn leven en Rushdie moest zich een aantal jaren terugtrekken uit het publieke leven.

Citaten: 

“The idea of the sacred is quite simply one of the most conservative notions in any culture, because it seeks to turn other ideas — uncertainty, progress, change — into crimes.”

 

(Herbert Reade Memorial Lecture (February 6, 1990)

 

“I’ve been worrying about God a little bit lately. It seems as if he’s been lashing out, you know, destroying cities, annihilating places. It seems like he’s been in a bad mood. And I think it has to do with the quality of lovers he’s been getting. If you look at the people who love God now, you know, if I was God, I’d need to destroy something.”

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

Een dezer dagen kreeg ik een Iraanse felicitatiekaart waarop een gedicht stond van Sohrab Sepehri. Reden om daar eens nader mee kennis te maken.

Sohrab Sepehri werd 1928 in Kashan, Iran geboren en studeerde schilderkunst. Na zijn studies was hij enige tijd in dienst van de staat maar gaf in 1964 zijn betrekking op om zich uitsluitend aan de poëzie en de schilderkunst te wijden. Sepehri reisde veel en verbleef ook enige tijd in the Verenigde Staden en in Parijs. In 1979 werd vastgesteld dat hij kanker had. Zijn reis naar Engeland voor behandeling was tevergeefs. Hij stierf een jaar later in Teheran en werd in Kashan, zijn geliefde geboortestad, begraven.

Adres

Waar is de woning van de Vriend?
vroeg de ruiter bij het opgaan van de zon.
Even verwijlde de hemel toen
en een voorbijganger die een takje licht tussen zijn lippen had
schonk het aan het duistere zand,
wees met zijn vinger naar een populier en sprak:

”Op enkele passen van de boom
is er een paadje met bomen
groener dan de droom van God,
en de liefde is daar zo blauw
als de veren van de rechtschapenheid.
Als je het paadje ten einde loopt
ben je de puberteit voorbij.
Wat verder kom je bij de bloem van de eenzaamheid,
op twee stappen van de bloem blijf je staan,
aan de voet van de eeuwige bron,
waaruit de legenden van de aarde ontstaan.
Een doorzichtige, panische angst zal je daar overvallen
en in de intieme vloeibaarheid van de ruimte
zal je een geritsel vernemen:
je zal een kind zien dat in een hoge pijnboom klom
en uit het nest van het licht een jong neemt
vraag dan het kind:
”Waar is de woning van de Vriend?”    

 

Op de denkwijze van een Vriend

                                                        voor K. Tuna

De maan
bootste de kleur van koper na
en kwam op als droefheid om een verklaring.
De cipres
was als een duidelijk gehinnik van de aarde.
Zoals een welwillend begrip
beschaduwde de gesnoeide pijnboom
de eenvoudige pagina van het seizoen
en las van de hagendoorn het Koefisch schrift.
Uit de duistere gronden
steeg van de kosmos de geur op van het begrip.
De Vriend
raakte de dingen aan,
de sluier van het verstand
ervoer de zin van de stromende rivier
en alsof hij tot zichzelf sprak zei hij:
er bestaat geen duidelijker woord.
Aan de oever van het stroompje
dacht ik:
Hoe onverhinderd is deze nacht de weg
naar de opgang der dingen.

 

Sohrab Sepehri (7 oktober 1928 – 20 april 1980)
Zelfportret

Poetry International


Drie dichters die gisteravond optraden tijdens de opening van Poetry International in Rotterdam.

F. van Dixhoorn (Hansweert, 1948) woont en werkt in Middelburg. Hij publiceerde gedichten in Raster en De Revisor. Voorjaar 1994 debuteerde Van Dixhoorn bij De Bezige Bij met de bundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit. Deze drie reeksen poëzie bestaan uit gedichten van zestien regels ieder, waarin korte spreektaalzinnen in verrassende, raadselachtige verbindingen bij de lezer wisselende emoties oproepen. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I, in 2000 gevolgd door de bundel Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon. In 2003 verscheen de meest recente bundel Dan op de zeevaartschool. (bron: de Bezige Bij) 

Loodswezen I (fragment)

  1. even alleen
    in blad komen
    bloeien verkleuren
    blad verliezen
  2. pas dood
  3. voor degenen die verder
    naar het westen reizen
    blijf ik
    twintig minuten staan
  4. aldus stormt het
    vallen de bladeren
    uit de bomen
    in het water
    en leef ik op
  1. ik jij wij in het voorjaar
    word ik rustiger
    komen de bladeren
    aan de bomen
    kan ik haar niet meer zien
  2. voor mij zeker
    een loods
    houdt onregelmatig werk
    dan: eeuwige grijns
  3. alleen vervangen
    door meteen
    wanneer je straks
    op de boulevard
    amorata tegenkomt
    doe haar dan de groeten
    van mij en zeg haar dat
    loods zwart
    weer naar zee is

 

Voor een internetleeservaring van deze poëzie ga je naar deze site van F. van Dixhoorn.

F. van Dixhoorn

 

August Kleinzahler publiceerde een tiental poëziebundels en won enkele belangrijke literaire prijzen, o.a. in 2004 de Canadese Griffin Poetry Prize voor zijn meest recente bundel ‘The Strange Hours Travelers Keep’. Hij woont sinds 25 jaar in San Francisco en is tegenwoordig muziekrecensent bij een Californisch dagblad.

Ruined Histories   

You so love these photographs, too well perhaps,
and rush to frame the moment, press the shutter,
and get along with this dollhouse saga
you had rehearsed before it ever came to be.

Ah, Little Girl Destiny, it’s sprung a leak
and the margins are bleeding themselves away.
You and I and the vase and stars won’t stay still.
Wild, wild, wild–kudzu’s choked the topiary.

Looks like your history is about to turn
random and brutal, much as an inch of soil or duchy.
Not at all that curious hybrid you had in mind:
Jane Austen, high-tech and a measure of Mom.

You’re lost, desolate as Savannah after Sherman.
The lavender sachet, marbled storybooks,
the ring Grandma left you, poor Damien’s love letters . . .
It’s just your eyes, ass, me and a broken Nikon.   

 

High School Confidential

Maria I love you Jesus
Your red lips you . . . Better
Than Angela but don’t say
can I walk you home later
Or maybe we could meet at Tito’s
So no one will see I like your
New shoes and blouse I notice
You every day talking with
Your friends before lunch
Did you see Felipe with those
guys last week I can’t believe
You ever really liked him

My mother works till 8
And her ugly boyfriend’s
Down in Fresno (I hope
Maybe he drops dead) so
Would you like to stop by
I could put on some music
Special favorites I think you
Would like them too you seem
So nice I mean when I look
At you you seem so nice so
Kind and pretty big brown eyes
Maria I love you Jesus

August Kleinzahler
 

 

Jaan Kaplinski werd in 1941 in de Estische universiteitsstad Tartu geboren, zijn moeder was danseres en later vertaalster, zijn vader lector Pools aan de universiteit. Na zijn studie Frans en taalkunde werkte Kaplinski aan de universiteit in Tartu, in de botanische tuin in Tallinn en als freelance schrijver. In de jaren 1992-1995 was hij lid van het Estische parlement, in 1997 gasthoogleraar in Tampere in Finland en Writer in residence in Wales. Sindsdien woont hij als freelancer op een boerderij in Zuid-Estland. 

Vertaling van “Õhtu toob tagasi kõik” (Evening brings everything back), fragment



*
The snow’s melting. The water’s dripping.
The wind’s blowing (gently).
The boughs are swaying. There’s a fire in the stove.
The radiators are warm.
Anu is doing exercises on the piano.
Ott and Tambet are making a snowman.
Maarja is preparing a lunch.
The wooden horse is looking in from the window.
I am looking out of the window.
I am writing a poem.
I am writing that today is Sunday.
That the snow’s melting. That the water’s dripping.
That the wind’s blowing, etc., etc.


*
Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmender Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: der gestirnte Himmel über, und das moralische Gesetz in mir.
Kant


Through the cellar ceiling
I hear the shouts of the children,
their feet trampling, sometimes
a buildingblock falling and sometimes
mother’s nagging voice.
Above these voices there are
some more ceilings,
the roof with chimneys and areals,
and heaven that actually begins
here at this very place
beside us, around us
and reaches these same
awe-inspiring stars.
We too are heaven-dwellers,
the contemplating (nachdenkender) philosopher
as well as a child throwing its wood blocks onto floor
and the writer who doesn’t know
whether he feels more awe (
Ehrfurcht)
for the stars in heaven, castles built of wood blocks,
or the heavenly sandstone
outside the cellar walls and below its floor. 

 

Vertaald door de auteur samen met Fiona Sampson

Jaan Kaplinski

 

In Trouw van gisteren een inleiding op het thema van de slotavond op 23 juni.

Dendermonde, Rosei, Ruyslinck

Zijn debuut maakte Max Dendermonde in 1941 met de dichtbundel Tijdelijk isolement. Korte tijd was hij radiopresentator maar ging daarna weer in de journalistiek (o.a. bij Het Parool en de Groene Amsterdammer). Zijn bekendste boek is De wereld gaat aan vlijt ten onder uit 1954. In 1968 schreef hij het boekenweekgeschenk, Kom eens om een keizer.

Bij Eylders, 16 mei 1942

Wie eenzaam is , moet niet naar Eylders gaan :
te midden van de dichters en de dwazen.
Ziet men zich daar gespiegeld in de glazen ,
Een dwaas , zich schamend zonder kleren aan
.

Maar wie niet eenzaam is ,durft naakt te staan ,
Durft dapper mee te drinken en te dazen,
En die verstaat achter de grote frazen
Het zuur van afzonderlijk bestaan.

Wie altijd naakt is zal nooit eenzaam zijn,
die kent zichzelf,is met zichzelve samen ,
een vriendenpaar,te sterk voor het venijn,

te krachtig voor de hatelijke namen,
die daar bij Eylders op het Leidseplein ,
zich vaak bij bier op listig leed beramen;


Een ander leven

Ik droomde vannacht sinds lange tijd van mollige Puck
Die als zo’en eeuwige tijd dood is en begraven
En onze dochter (te jong) nu ook; ze kwam vragen
Geheimzinnig helder, toch los en menselijk,

Of ik goed voor Liset had gezorgd al die jaren
Was het mij die zes en dertig zomers gelukt
Diep te begrijpen waar de moeilijkheden lagen?
Had ik me niet- schrijvend en reizend- te vaak uitgedrukt?
Boos riep ik: je hebt me vies in de steek gelaten
In dat rot jaar toen ik nog maar een jongen was
Het was jou kind ook. Ik miste je. Ik ben verraden

Je hebt nu, zei ze lachend, een andere slager
Melkboer, moed, bomen, vrouw, nageslacht, plicht en gras,
Begrijp je dat? Ik huilde schuldig, maar ontladen.  

Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Peter Rosei is de zoon van een spoorwegambtenaar en een winkelierster. Hij groeide op in Wenen waar hij het gymnasium bezocht en het baccalaureaat behaalde. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Wenen. In 1968 promoveerde hij. Van 1969 tot 1971 was hij de secretaris en manager van de Weense schilder Ernst Fuchs. Daarna leidde hij korte tijd een uitgeverij van schoolboeken. Sinds 1972 werkt en woont hij als schrijver in Wenen. In de jaren 1975 tot 1981 woonde hij in Bergheim bij Salzburg.

Werk: o.a Verzauberung (1997), Naturverstrickt (1998), Liebe & Tod (2000), Dramatisches (2002 – 2004), Wien Metropolis (2005)

 

 

 

Viel Früher

 

Wenn du mit der Hand den Tuchzipfel über
die Schulter ziehst, die Brust li
egt auf
dem Arm, faßt die andre Hand nach unten,
dort das Tuch gut festzuhalten.
Wissen
möchte ich, woran ich hänge, was es ist.

 

Gestern brach ein Baum entzwei, es stürmte; ja.
Sei so freundlich: Töte mich! – In den Wolken
öffnet sich kein Loch, aber hinten hebt sich
groß das Grün des Landes, die fernren Schalen
glänzten rot, die Morgenhäutchen; dann Meeres-
wellen.

 

Ich gäb’s gern; was gäb’ ich drum?
Alles. Fische sinken abwärts, schwimm ich
mit. Dort, da unten, brennen Burgen, rot und lautlos.
Deine Finger tauchen auf:
korallrot. – Plötzlich endet das Gedicht.

 

 

 

 

Frage

 

Was denn drinnen ist? Rotes Spritzen?
Die Windhosen ziehn vorüber: Dies zur
Warnung, Passagier! Bei Gott, mein Mes-
ser trifft dich! Mus zerrinnt um den
Mund, an dem Kindsgesicht waren Haare,
einstmals tranken wir heiße Milch mit
Preiselbeeren, Blättchen klebten an
der Schale, in ders dampfte.

 

Wenn der Wellenkiel sich spannt, seine
Knochenstege zeigt am Grat: Wie das
Boot drüberspringt! Bewahr den Mut!
Aus dem Amper schwappt es hoch, mein
Freund: Mit dem Knöchel klopf ich ans
Gehäuse! Wieviel? Aus dem Gang trat
dieser Mann hervor, zielte kurz und
schoß den Sperling tot.

 

Die Kappen der Schuhe sind nicht
aufgedreht: so stehen die Schuhe fest
auf ihren Sohlen.
Sie werfen einen
Schatten: Prima Schuhwerk!

 

 

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1046)

 

Ward Ruyslinck is een pseudoniem voor Raymond Karel Maria de Belser. Hij werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, vlakbij Antwerpen. Hij is opgegroeid in een veilig Katholiek gezin. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, vluchtten ze naar Frankrijk om de Duitsers te ontlopen. Na een paar weken keerden ze echter weer terug. Toen werd in 1943 hun huis gebombardeerd, maar niemand raakte gewond. Toen overleed zijn 19 jarige broer. Hoewel hij nog een kind was, werd hij al vroeg uit de kinderwereld weggerukt. Door de wrede gebeurtenissen en de zinloosheid van de oorlog begon hij aan het bestaan van een rechtvaardige God te twijfelen.

Ward Ruyslinck is vooral geliefd bij jongeren met zijn eerste twee boeken, De ontaarde slapers (1957) en Wierook en tranen (1958)

Citaten: 

“Je kunt misschien wel aan de greep van mensen ontsnappen, maar niet aan de greep van een stuk papier waarop je je handtekening hebt gezet. Gezegeld papier is machtiger dan de loop van een geweer.” 

 

‘Ik heb ooit gezegd dat ik de illusie koester dat de mens voor verbetering vatbaar is, maar in de afgelopen zeven jaar ben ik tot een andere conclusie gekomen.'(Hervormd Nederland, 28-8-1999)

 

“Als je één enkele verlustigt, ben je koningin van de wellust, maar als je velen genot geeft, ben je een hoer.”

Ward Ruyslinck (17 juni 1929)

Ulysses, Willemsen, Bart, café de Plak II

 

Eerste pagina uit Ulysses van James Joyce, een roman die speelt binnen het tijdsbestek van een dag: 16 juni.

 

 

– I —

 

“STATELY, PLUMP BUCK MULLIGAN CAME FROM THE STAIRHEAD, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. A yellow dressinggown, ungirdled, was sustained gently behind him by the mild morning air. He held the bowl aloft and intoned:

–INTROIBO AD ALTARE DEI.

Halted, he peered down the dark winding stairs and called out coarsely:

–Come up, Kinch! Come up, you fearful jesuit!

Solemnly he came forward and mounted the round gunrest. He faced about and blessed gravely thrice the tower, the surrounding land and the awaking mountains. Then, catching sight of Stephen Dedalus, he bent towards him and made rapid crosses in the air, gurgling in his throat and shaking his head. Stephen Dedalus, displeased and sleepy, leaned his arms on the top of the staircase and looked coldly at the shaking gurgling face that blessed him, equine in its length, and at the light untonsured hair, grained and hued like pale oak.

Buck Mulligan peeped an instant under the mirror and then covered the bowl smartly.

–Back to barracks! he said sternly.

He added in a preacher’s tone:

–For this, O dearly beloved, is the genuine Christine: body and soul and blood and ouns. Slow music, please. Shut your eyes, gents. One moment. A little trouble about those white corpuscles. Silence, all.

He peered sideways up and gave a long slow whistle of call, then paused awhile in rapt attention, his even white teeth glistening here and there with gold points. Chrysostomos. Two strong shrill whistles answered through the calm.

–Thanks, old chap, he cried briskly. That will do nicely. Switch off the current, will you? “

 

 

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

August Willemsen is een Nederlandse vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Daarnaast heeft hij essays, dagboeken en brieven gepubliceerd. Willemsen staat bekend om zijn krachtige gebruik van het Nederlands en zijn puntgave stijl.

Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. In 1986 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Braziliaanse brieven. Op het moment werkt August Willemsen aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Hier een gedicht van Pessoa in de vertaling van Willemsen:

 

 

Abdicatie

 

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht

Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.

’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.   

 

 

August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Bart, café de Plak II

 

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

 

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

 

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

 

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 

 

 

Frans Roumen, Uit: Navel van ’t land, Nijmegen in Gedichten,

Uitgeverij 521, Amsterdam 2005

 

Frans Roumen (16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

 

 

Volker Braun / Bomans voetbalt

Volker Braun werd op 7 mei 1939 in Dresden geboren. Omdat hij niet meteen een studieplaats kon krijgen werkte hij eerst in een drukkerij en als mijnwerker en machinist. Van 1960 tot 1964 studeert hij filosofie in Leipzig. In 1965 haalt Helene Weigel hem naar het Berliner Ensemble waar zijn eerste stuk wordt opgevoerd, om daarna verboden te worden. Van 1972 tot 1977 werkt hij voor het Deutsche Theater in Berlijn en van 1979 tot 1990 is hij opnieuw medewerker van het Berliner Ensemble.  In 1993 is hij gast van de Villa Massimo in Rome en een jaar later gast van de University of Wales. Hij houdt lezingen over poezie aan de universiteiten Heidelberg, Zürich en Kassel. Braun is lid van de Akademie der Künste Berlin-Brandenburg, de Sächsische Akademie der Künste, de Deutschen Akademie der darstellenden Künste in Frankfurt/Main en de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt. Volker Braun leeftt in Berlijn.

Das Eigentum

 

Da bin ich noch: mein Land geht in den Westen.

KRIEG DEN HÜTTEN FRIEDE DEN PALÄSTEN.

Ich selber habe ihm den Tritt versetzt.

Es wirft sich weg und seine magre Zierde.

Dem Winter folgt der Sommer der Begierde.

Und ich kann bleiben wo der Pfeffer wächst.

Und unverständlich wird mein ganzer Text

Was ich niemals besaß wird mir entrissen.

Was ich nicht lebte, werd ich ewig missen.

Die Hoffnung lag im Weg wie eine Falle.

Mein Eigentum, jetzt habt ihrs auf der Kralle.

Wann sag ich wieder mein und meine alle.

 

 

Der 9. November

Das Brackwasser stachellippig, aufgeschnittene Drähte

Lautlos, wie im Traum, driften die Tellerminen        

Zurück in den Geschirrschrank. Ein surrealer Moment:

Mit spitzem Fuß auf dem Weltriß, und kein Schuß fällt.

Die gehetzte Vernunft, unendlich müde, greift

Nach dem erstbesten Irrtum … Der Dreckverband platzt.

Leuchtschriften wandern okkupantenhaft bis Mitte.

    BERLIN

NUN FREUE DICH, zu früh. Wehe, harter Nordost.

 


Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

 

Aan de vooravond van Nederland – Ivoorkust een voetballende Godfried Bomans.

Godfried Bomans, eind jaren zestig, voetballend in de tuin. Bomans’ dochter Eva bewaart goede herinneringen aan het voetballen met haar vader. ‘Met mij was hij altijd aardig. Wij voetbalden vaak in de gang en een tijdje geleden speelden wij wedstrijdjes op het landje achter in de tuin. Hij interesseerde zich wel voor voetballen en we keken ook elke zondag naar de sport. Als we op zondagochtend koffie zaten te drinken vroeg ik altijd: “Papa, wat is er vanavond op de tv?” Dan antwoordde hij: “Sporrrt”, en hij zette dan het wekkertje van zijn horloge op half acht.’
(Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 30-31)