Rainer Maria Rilke

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

Die zweite Elegie

JEDER Engel ist schrecklich. Und dennoch, weh mir,
ansing ich euch, fast tödliche Vögel der Seele,
wissend um euch. Wohin sind die Tage Tobiae,
da der Strahlendsten einer stand an der einfachen Haustür,
zur Reise ein wenig verkleidet und schon nicht mehr furchtbar; (Jüngling dem Jüngling, wie er neugierig hinaussah).
Träte der Erzengel jetzt, der gefährliche, hinter den Sternen
eines Schrittes nur nieder und herwärts: hochauf-
schlagend erschlüg uns das eigene Herz. Wer seid ihr?
Frühe Geglückte, ihr Verwöhnten der Schöpfung, Höhenzüge, morgenrötliche Grate
aller Erschaffung, – Pollen der blühenden Gottheit,
Gelenke des Lichtes, Gänge, Treppen, Throne,
Räume aus Wesen, Schilde aus Wonne, Tumulte
stürmisch entzückten Gefühls und plötzlich, einzeln, Spiegel, die die entströmte eigene Schönheit
wiederschöpfen zurück in das eigene Antlitz.
Denn wir, wo wir fühlen, verflüchtigen; ach wir
atmen uns aus und dahin; von Holzglut zu Holzglut

geben wir schwächern Geruch. Da sagt uns wohl einer: ja, du gehst mir ins Blut, dieses Zimmer, der Frühling
füllt sich mit dir . . . Was hilfts, er kann uns nicht halten,
wir schwinden in ihm und um ihn. Und jene, die schön sind,
o wer hält sie zurück? Unaufhörlich steht Anschein
auf in ihrem Gesicht und geht fort. Wie Tau von dem Frühgras hebt sich das Unsre von uns, wie die Hitze von einem
heissen Gericht. O Lächeln, wohin? O Aufschaun:
neue, warme, entgehende Welle des Herzens -;
weh mir: wir s i n d s doch. Schmeckt denn der Weltraum,
in den wir uns lösen, nach uns? Fangen die Engel wirklich nur Ihriges auf, ihnen Entströmtes,
oder ist manchmal, wie aus Versehen, ein wenig
unseres Wesens dabei? Sind wir in ihre
Züge soviel nur gemischt wie das Vage in die Gesichter
schwangerer Frauen? Sie merken es nicht in dem Wirbel ihrer Rückkehr zu sich. (Wie sollten sie’s merken.)
Liebende könnten, verstünden sie’s, in der Nachtluft
wunderlich reden. Denn es scheint, dass uns alles
verheimlicht. Siehe, die Bäume sind; die Häuser,
die wir bewohnen, bestehn noch. Wir nur ziehen allem vorbei wie ein luftiger Austausch.
Und alles ist einig, uns zu verschweigen, halb als
Schande vielleicht und halb als unsägliche Hoffnung.

Liebende, euch, ihr in einander Genügten,
frag ich nach uns. Ihr greift euch. Habt ihr Beweise? Seht, mir geschiehts, dass meine Hände einander

inne werden oder dass mein gebrauchtes
Gesicht in ihnen sich schont. Das gibt mir ein wenig
Empfindung. Doch wer wagte darum schon zu sein?
Ihr aber, die ihr im Entzücken des anderen zunehmt, bis er euch überwältigt
anfleht: nicht m e h r -; die ihr unter den Händen
euch reichlicher werdet wie Traubenjahre;
die ihr manchmal vergeht, nur weil der andre
ganz überhandnimmt: euch frag ich nach uns. Ich weiss, ihr berührt euch so selig, weil die Liebkosung verhält,
weil die Stelle nicht schwindet, die ihr, Zärtliche,
zudeckt; weil ihr darunter das reine
Dauern verspürt. So versprecht ihr euch Ewigkeit fast
von der Umarmung. Und doch, wenn ihr der ersten Blicke Schrecken besteht und die Sehnsucht am Fenster
und den ersten gemeinsamen Gang, e i n m a l durch den Garten:
Liebende, seid ihrs dann noch? Wenn ihr einer dem andern
euch an den Mund hebt und ansetzt -: Getränk an Getränk:
o wie entgeht dann der Trinkende seltsam der Handlung. Erstaunte euch nicht auf attischen Stelen die Vorsicht
menschlicher Geste? war nicht Liebe und Abschied
so leicht auf die Schultern gelegt, als wär es aus amderm
Stoffe gemacht als bei uns? Gedenkt euch der Hände,
wie sie drucklos beruhen, obwohl in den Torsen die Kraft steht. Diese Beherrschten wussten damit: so weit sind wirs,
dieses ist unser, uns so zu berühren; stärker
stemmen die Götter uns an. Doch dies ist Sache der Götter.
Fänden auch wir ein reines, verhaltenes, schmales
Menschliches, einen unseren Streifen Fruchtlands zwischen Strom und Gestein. Denn das eigene Herz übersteigt uns
noch immer wie jene. Und wir können ihm nicht mehr
nachschaun in Bilder, die es besänftigen, noch in
göttliche Körper, in denen es grösser sich mässigt.

 

HERFSTDAG

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
en laat de wind over de velden komen.

Gebied de vruchten vol te zijn,
verleen hun nog twee zuidelijke dagen,
stuw ze naar de voldragenheid en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,
wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos de lanen op en neer
gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Anya Slonim, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Kristina Sandberg, Arthur Sze

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: Zorgen voor het gezin (Vertaald door Wendy Prins)

“We zitten op het beglaasde balkon, op imitatierotan stoelen die kraken – het is midden jaren negentig, in Örnsköldsvik. Na het eten – een warme maaltijd met aardappelpuree, kabeljauw en een romig sausje van wortelen en prei – heeft Maj rabarbertaart met vanillesaus bij de koffie geserveerd. Het is vast moeilijk, zegt ze, ja, mijn nachtwerk als persoonlijk begeleider lijkt haar zwaar. Dan kijkt ze op, staart me enige tijd aan.
Trouw een rijk man, zegt ze onverwacht en glimlacht, jij die zo goed kunt koken en bakken. Jarenlang studeren en je grote schulden op de hals halen… Schiet ik in de lach? Meent ze dat nu serieus – ik wil toch geen huisvrouw worden, zeg ik snel, maar hou me dan in. Probeer te bedenken wat ik eigenlijk had moeten zeggen. Maar in de stilte die volgt vraag ik niet of zij had willen studeren, een opleiding had willen volgen, een eigen inkomen had willen hebben. Haar blik dwaalt af naar de loodgrijze voorjaarslucht boven het water en dan komt ze wat moeizaam uit haar stoel overeind, leunt tegen de balustrade, met haar rug naar mij toe. Ze schuift een ruit opzij en zwaait naar de kinderen op de binnenplaats, zegt dat hun moeder, die in het naastgelegen pand woont, ook op andere kinderen past, dan hoeven die van haar niet naar de crèche nu ze nog klein zijn. Voltijds werken terwijl je thuis kleine kinderen hebt, hoe… Ze onderbreekt zichzelf en loopt zonder iets te zeggen naar binnen – gaat ze nu al afwassen? Ik had de koffie toch ook wel kunnen halen, probeer ik als ze terugkomt om nog een kopje in te schenken. Ik vind dat er niet echt smaak aan zit, verzucht ze, knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt me haar geopende hand toe – is dit werkelijk een zoetje?
Voordat ik naar het busstation ga, wil ze me een donkerblauwe rok en een gestreepte tuniek laten zien. Ze vertelt dat ze de kleren heeft gekregen van een vermogende vriendin die haar garderobe heeft opgeruimd. Ook een zwarte lange broek – denk je dat je moeder die wil hebben? Op maat
gemaakt… Ja, economie interesseert haar. Niet de wereldeconomie, maar de persoonlijke bezittingen en schulden van mensen. Een goede vriend heeft een dochter die met een kolonel is getrouwd en in de hoofdstad in een villa met twaalf kamers en een eigen park hier midden in de stad.
Zelf verstaat ze de kunst haar leven welgesteld te doen lijken, hoewel ze iedere maand minder te besteden heeft dan wij studenten die klagen dat de studiefinanciering te laag is. Gierig zijn is slecht en ze is niet gierig.
Moet je nu al weg, zegt ze als we elkaar onhandig omhelzen. Terwijl ik door het trappenhuis naar beneden loop hoor ik dat ze de voordeur pas sluit als ik bij de buitendeur ben.
Als ik buiten vanaf de parkeerplaats langs de gevel omhoog had gekeken, had ik gezien dat ze achter het slaapkamerraam stond te wachten tot ik me zou omdraaien. Had ik echt zo’n haast?”

 

Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Onvermurwbaar

Herten snuffelen bij zonsopgang in een appelboomgaard,
terwijl valse christusdoornbladeren het voetpad bevuilen.
Een buurman hoort geweerschoten in het galerijbos

en vraagt zich af wie er van dichtbij schiet;
Ik ontdek berensporen bij de Pojoaque-rivier
maar zie geen teken van de gerapporteerde bergleeuw.

Terwijl chlorofyl in de wortels van een populier glijdt
en de bladeren in geel goud uitbarsten , vraag ik me af,
waar onze dodelijke gloed is? Je kunt reizen

naar waar de Tigris en de Eufraat samenvloeien
en de uitvindingen van mensen bewonderen die leven
op drijvende eilanden van riet; je kunt reizen

langs een archipel en wandelen tussen vulkanische
meertjes die stomen van water en zwavelzuur;
maar je kunt niet het eindige, onvermurwbare lichaam veranderen.

Hoewel de dood misschien niet als een genezing komt,
een giftige pijl, uit een koker geblazen, of je hard
raakt, zoal branding breekt op zwarte lavasteen,

hij zal komen – hij zal komen – en hij verenigt ons –
broer, zus, bokser, spinner – in dit verbond,
terwijl je met trillende hand een letter kerft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

Frédéric Leroy, Arthur Sze

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

ZIJ BREEKT
(IN ZES FRAGMENTEN)

voor Efi Leontopoulou

1.
Zij breekt de fetakaas in twee en drijft scabreus de spot
met Belgische tomaten, grof versneden circusneuzen
tussen het komkommerzaad, ach geeft niet, fluistert ze
en slaat een kruis (want goede olie kan mirakels doen).

2.
Zij is mooi als sneeuw en breekt het ijs in januari,
als we samen met het nieuwe jaar ineengestrengeld
en woordeloos naar dode bomen turen, fabelachtig
veinst ze dat ze van de winter houdt (en kust me zacht).

3.
Zij breekt me soms in hele kleine stukjes als de maan
vol is en er moordende horden door haar aders jagen,
als ik door de badkamerdeur naar haar borsten staar,
ze likken wil, dan laat ze honden los en gooit met tanden.

4.
Zij breekt naar oeroud ritueel en met een vloek haar ei
hard op het mijne, synthetisch rood en niet langer gedoopt
in bloed van pasgeborenen, vóór ons een versneden karkas
ter meerdere glorie van een pas herrezen lentegod.

5.
Zij breekt de ritmische adem van het grote, blauwe lichaam
dat ze meedraagt in het hart, waar ze zorgen in laat zouten,
ze beseft maar ziet niet dat er vissen in haar leven,
– ik wel, zie ze soms wanneer ik in haar ogen duik.

6.
Zij breekt vandaag wat morgen, in soepel ochtendlicht
onverwoestbaar lijken zal, weet steeds van de dingen
de wezenlijke kern te vinden, dat wat theoretici
hadden uitgesloten, en knijpt dan hard, genadeloos.

 

Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Ochtendgeweien

Kopervleugelige merels in de lisdoddenvijver—
vandaag trapte ik op een vleugel en draaide
hem om in het zand en zag dat hij was afgescheurd
van een specht. De regen van gisteren liet

sneeuw achter op Tesuque Peak en de rivier
zal breder worden en dan versmallen. Wij stappen
een huis in en zien geweien bevestigd
aan de muur achter ons; een kind van tien dagen oud

kijkt, verpleegt en slaapt; zijn moeder
lacht maar zegt dat ze huilt en huilt dan

terwijl de leegte zich opvult en overloopt.
En aangezien acties geworteld zijn in gevoelens,

zie ik hoe het plukken van spinazie in een veld
de plukker laat opbloeien, hoe door een ondoordachte handeling
een vleugel afscheurt. Als we naar buiten lopen
naar de auto, is het daglicht helderder

dan we ons realiseerden. Wij geloven niet
dat vlammen uit een ketel van dagen opschieten
maar, kijkend naar de horizon, zien we
vlammen overspringen en kronen boom na boom.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York,1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e december ook mijn blog van 2 december 2018.

Garth Risk Hallberg

De Amerikaanse schrijver Garth Risk Hallberg werd geboren op 1 december 1978 in Louisiana en groeide op in Noord-Carolina. Zie ook alle tags voor Garth Risk Hallberg op dit blog.

Uit: Stad in brand (Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema)

“Terwijl ik aan de eettafel met deze prologische opmerkingen zit te worstelen, daalt buiten achter de hoge ramen de schemering neer, waardoor de asbakken en de stapel paperassen voor me eruit gaan zien alsof ze van iemand anders zijn. Mijn lievelingsplekje bevindt zich echter achter een zijdeur van de keuken, een veranda op palen die zo hoog zijn dat ze van een strandhuis op Nantucket zouden kunnen zijn. Houtwerk in de kleur groen van parkbankjes met daaronder een tapijt van bladeren van twee stakerige Japanse notenboompjes. ‘Binnenplaats’ is het woord dat zich aan me opdringt, al zou ‘luchtkoker’ ook dienst kunnen doen. Hoge flatgebouwen sluiten de ruimte in zodat niemand anders er kan komen. De witte verf bladdert van de bakstenen aan de overkant af, en op avonden waarop ik geneigd ben mijn project maar helemaal op te geven loop ik in plaats daarvan naar buiten om het licht te zien opklimmen en verzachten naarmate de zon verder wegzakt aan alweer een regenloze hemel. Ik laat mijn mobiel trillen in mijn broekzak en kijk hoe de schaduwen van takken naar dat verre blauw reiken, waarover een zich verdikkende condensatiestreep trekt. De sirenes en de verkeers- en radiogeluiden die vanaf de drukke avenues komen aangewaaid klinken als de herinneringen aan sirenes, verkeers- en radiogeluiden. Achter de ramen van andere flats worden tv’s aangezet, maar niemand neemt de moeite de jaloezieën dicht te doen. En opnieuw krijg ik het gevoel dat de scheidslijnen van mijn leven — die tussen verleden en heden, buiten en binnen — bezig zijn te vervagen. Dat ik wellicht nog verlossing zal vinden. Er is op deze binnenplaats immers niets wat er niet ook al in 1977 was. Misschien is het niet het jaar van nu, maar dat van toen, en moet alles wat volgt nog komen. Misschien flitst er een molotovcocktail door het donker, misschien schiet er een journalist van een tijdschrift over een kerkhof, misschien zit de dochter van de vuurwerker nog op een besneeuwd bankje haar eenzame wake te houden. Want als de feiten ergens op wijzen, is het op het feit dat er niet zoiets bestaat als één stad. En als die wel bestaat, is hij de som van duizend variaties, die zich allemaal om dezelfde plek verdringen. De wens is daarbij misschien de vader van de gedachte, maar toch stel ik me onwillekeurig voor dat de raakpunten tussen deze plek en de stad die ik ben kwijtgeraakt nog steeds een gevoelige lading hebben en de littekens hebben achtergelaten waarnaar ik tast wanneer ik mijn hoofd langs de brandladder omhoog laat gaan, naar het blauwe vierkant vrijheid daarboven. En jij, die zich daar ergens bevindt: ben jij niet op de een of andere manier hier bij me? Ik bedoel, wie blijft er niet dromen van een andere wereld dan deze? Wie van ons is — als dat betekent dat we de krankzinnigheid, de onbegrijpelijkheid, de volslagen nutteloze schoonheid van de miljoen ooit-mogelijke New Yorks loslaten — zelfs nu bereid alle hoop te laten varen?”

 

Garth Risk Hallberg (Louisiana, 1 december 1978)

Pierre Kemp, Arthur Sze

De Nederlandse dichter en schilder Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

AKTE VAN BEROUW

De appels slapen in het blauwe licht.
Er roert geen kind meer aan de witte winde.
De ziel beschildert nu haar grijs gezicht
en vraagt: hoe God haar nog zal vinden
en of Hij niet verstoord zal langs haar gaan,
omdat zij heeft zoo dwaas met verf gedaan.

 

Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei.
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

 

Eieren

Ik eet geen eieren zonder zon,
eieren van de lopende band.
Ik eet ze alleen als de kip ze kon
leggen op het open land.
Dan eet ik meteen het rode licht
gefronst in lel en kam
en blijft het ei dat klein gedicht
van een kip en met of zonder ham.

 

Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

De vormen van bladeren

Ginkgo, populier, moeraseik, amberboom, tulpenboom:
onze emoties lijken op bladeren en levend
naar hun vormen worden we gevoed.

Heb je de uitgestrektheid en contouren van verdriet gevoeld
langs de randen van een grote Noorse esdoorn?
Heb je gehuiverd bij de oranje gloed

die de rondingen van een krullende kornoelje verschroeit?
Ik heb vanuit de lucht leeg gekapte eilanden gezien,
elk met een netwerk van vertakkende grindwegen,

en voelde een moment van pure woede, espengoud.
Ik heb prairiekraanvogels zien rondstappen in een open veld,
een enkele witte schreeuwende kraanvogel in de zwerm.

En ik heb gereisd langs de contouren
van bladeren die geen naam hebben. Hier
waar de lucht nat is en het licht koel,

voel ik wat anderen denken en niet zeggen,
heb ik plezier in de aderen van een suikeresdoorn,
leef ik aan de rand van een nieuw blad.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York,1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e december ook mijn blog van 1 december 2020 en eveneens mijn blog van 1 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.  

Dennis Gaens, Arthur Sze

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

WIJ ZIJN POP

Ze zei:
‘Onder hoe je loopt ligt een baslijn;
er zitten drums in hoe je danst.
Er klinkt een riff in je stem en een
songtekst door in wat je zegt.’

Meer dan soundtrack is dit waar we
vandaan komen en als de muziek stopt
gaan wij mee.

 

Arnhem

Ik ben in die andere stad geweest, ben er uitgestapt en heb er rondgelopen
Ik kende de verhalen, maar wist niet of ze mocht geloven

En ja, ze geven de straten daar rare namen,
Leggen aan alsof ze graag rondjes draaien.
Als het regent vind je bijna geen afdaken,
In de zomer te weinig zon.

Die stad heeft de schijn tegen, totdat je zijn mensen ziet

Net als bij ons hebben de meisjes mooie benen, die je blijft volgen
Tot ze om de hoek zijn verdwenen – meisjes die weten
Hoe ze moeten staan op feestjes, hoe te bewegen.
Net als bij ons zijn de jongens langzaam
Liggen ze ’s nachts wakker of dromen ze van hard gaan.

Het is alsof je voor een spiegel staat, alsof alles andersom,
Maar in wezen hetzelfde gaat.

Ik was gewaarschuwd dat ik zou verdwalen,
Maar ik volgde gewoon de kabels terug naar het station.

En ik dacht dit, we zouden vrienden moeten worden.
Maar als dat niet lukt zouden we broers en zussen kunnen zijn,
Want die schreeuwen terwijl ze ergens wel beter weten.

 

Hoeveel steden deze stad is

III
Dan is er nog de stad waar de Italiaan bij de Turk zijn inkopen doet
Waar goed volk elkaar gedag zegt Waar de buurtwinkel nog bestaansrecht heeft.

Er staan hier genoeg bomen, alsof we ze verza melen. De waarheid is:
we vinden het leuk om naar dingen te kijken. Eén keer per jaar trekken we meubels naar buiten, al was het maar om elkaar te zien lachen en de bezoekers te begroeten.

Waar ’s zomers de kampvuren op het strand de boten de weg naar de kade wijzen.

Meer dan dat is het de stad die als een decor achter de Waal staat gestapeld. Waar we niet terugkomen naar de mensen, maar naar de verhalen die er wonen.

Het is de stad die ik elke dag dwars door het centrum verlaat en van een afstand welterusten wens.

 

Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze  op dit blog.

 

Kriskras

Meanderend over een veld met wilde asperges,
schrijf ik met mijn lichaam de lettertekens voor gras,

water, transformatie, pijn om één te zijn met de lente.
In watermeloen bijtend, zwarte zaden uitspugend
op een bord, kijk ik naar de ogen van een Armeense
accordeonist, en voordat ik een paar euro
in zijn bruine pet laat vallen, ruik ik zweet en angst.
Ik blijf op mijn hoede voor het rode paard, Relámpago, sluit
de poort achter mij; een doornige Russische olijf-
tak hangt gebogen over het pad onder mijn voorhoofd,
en terwijl ik de rivier de Pojoaque nader, herinner ik me:
het bord, pas op voor zakkenrollers, zoek graafmachinesporen,
water in een sloot geleid. kriskras door
de stroom, vat ik als in een flits, de witte,
gevlekte beekforel, achteraan, naar het oosten en in
het interval tussen bliksem en donder,
als sneeuw zich ophoopt op zwarte takken,
de kloof tussen wat ik voor ogen heb en wat ik doe.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2018 en eveneens mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Mario Petrucci

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

let us

talk
lip to lip as
though morning

just made us –
parted these
mouths

wan
as clay to
make way for

words that are
for us to
try

first
time on air
deft as dew on its

leaf – so let me
speak as an
adam

might
whose moment
is under a kind god

who looks on a half-
made garden
& come

eve
-ning will
change his mind

 

BUNSHOP

Startle-eyed, me and she, in the bunshop
where fourth-formers tried on cool

like over-sized blazers, lipsticked
with doughnut sugar and jam, and girls

gave little swivels in checked skirts,
dipping liquorice in lemon sherbet.

I peered into the deep pile of her mop,
saw white crumbs of scalp.   Smelt sulphur.

First detention ever, for using perchlorate
to singe her initials in benchwood.

Mr Grant: pissy lab coat, jaundiced
coot, grimace in a dough of face, thread

of custard forever stranded between
dummy lips – Use your loaf boy.

Too late.   Hovering behind the homework
each night: her marooned complexion, those

small white teeth.   That sulphurous perfume.
End of term.   Her hand in my pocket

my éclair in the other, I blew it.
Three stupid words.   I’m a Catholic.

The shop – a delicatessen now.   The school
long since converted.   Yet, hanging round

the drains, something still of Mr Grant
and her – that whiff of coconut mat

in her blouse, his nicotined lard of finger
and thumb, the spatula pinched between

dipped in the tart yellow of that test tube:
Make a note boys.   Sulphur.   Flowers of.

 

JIJ

Met jou hier beleefde ik een zoölogische tijd.
Bij de gootsteen kwijlde ik achter in je nek

met bloedhondkussen, poot op elke schouder.
Was een en al stokstaartje bij je sleutel in de deur
.
Onder de douche zou ik een roodborstje zijn, mijn hart
uitpiepen uit een van stoom druipende borst .

Onder donsdekens bij dageraad was ik eekhoornbesnord –
woelde en groef je uit, met kriebel-
tenen en al.

Op koude avonden, leguaan, zou ik langzaam lippen
likken, op handen en knieën rond je romp.

En toen je zei dat ik je man was
balkte ik zo hard dat ze het in Bosotoland hoorden.

Nu je weg bent, hurken ze achter slot en grendel.
Kom terug. Haal de dieren in mij naar boven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2018 en eveneens mijn blog van 29 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Advent (Inge Boulonois), Erwin Mortier

 

Bij de Eerste Advent

 

Kerstmarkt in Wenen door Helen Bellart, 2013

 

Advent

Natuur maakt zich weer op, verft bruin
wat naar omlaag moet tussen bomen
die hun jas van hout weer dichtknopen
en traag naar binnen keren. Vallend blad

dat aan de tongen van de wind kleeft,
rochelt over het terras, rolt perken in,
het draaihek van de weken door
waarna het tot zichzelf verzacht.

Maar dennen, sparren houden hun groen
hoog alsof het vastgenageld is,
de bessen van de hulst zijn onderweg
naar koningsrood terwijl de Schoonvrucht
paarse trosjes aan zijn takken gordt.

De wind keert naar het oosten.
De stilte wacht en wacht
op wie verdween om weer te komen

 

Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)
Alkmaar in de Adventstijd

 

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Uit: De onbevlekte

“Vannacht heb ik gedroomd dat hij weer thuis was.
Ik stond in de achterkeuken aan het fornuis. Op de pot met aardappelen danste het deksel. De kat loerde naar het spek op het aanrecht. Rond mijn kuiten jengelden mijn dochters, nijdig van de honger.
Ik hoorde hem bij de achterdeur de aarde uit de zolen van zijn schoeisel trappen, het gestamp van een kalf dat de kracht in zijn poten beproeft.
Hoelang al had ik dat niet meer gehoord? Zijn tomeloosheid, zijn jeugd, die ik nimmer heb getemperd, die ik zelfs heb aangevuurd.
Het kan niet, dacht ik, maar hij stond al in de lage nauwe hal tussen de achterkeuken en de rest van het huis, met zijn struise lijf tussen de muren en de zoldering geprangd.
‘Andrea,’ zei hij toen hij me zag. ‘Mijn zuster en mijn moeder.’
Ik omarmde hem, zoende hem. Op zijn wangen proefde ik aarde. In zijn haar, zijn stugge blonde lokken, koekten kluiten uitgedroogde modder.
Ik zei, zo luchtig als ik maar kon, dat het eten bijna klaar was.
Hij schudde het hoofd.
‘Ik wil me wassen,’ zei hij.
Ik warmde ketels water en vulde de zinken badkuip.
Toen hij uit zijn kleren stapte, eerst de veters van zijn laarzen losmaakte, dan zijn sokken uittrok, en dan zijn broek, draaide ik me om.
Mijn dochters joelden toen hij zich neerliet in de kuip en speelden met hun vingers in het lauwe water. Hij nam hun handen, zacht en mollig als speldenkussens, tussen zijn duim en wijsvinger.
Hij bleef maar over hun handpalmen wrijven.
‘De kinders die ik nooit heb gezien,’ zei hij.”

 

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november ook mijn blog van 28 november 2020 en eveneens mijn blog van 28 november 2018 en eveneens mijn blog van 28 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Navid Kermani, Nicole Brossard

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Zwischen Koran und Kafka

„Gott-Atmen. Goethe und die Religion
Stellen wir uns vor, wir würden nichts tun. Wir lägen bequem, die Hände neben dem Körper, hätten die Augen geschlossen, ringsum keinerlei Geräusche, fühlten keinen Schmerz, nicht einmal die Verspannung dieses oder jenes Muskels, frören weder, noch schwitzten wir. Wir würden sofort merken, daß wir nicht nichts tun können.
Wir würden immer noch atmen. Wir hörten, wie die Luft hauchend in die Nasenlöcher oder mit einem leisen Zischen zwischen Lippen und Zähne strömt; wir bemerkten, wenn wir genau darauf achte¬ten, das Kribbeln in der Kehle beim Durchzug der Luft; wir spürten je nachdem, wohin wir atmen, die Brust oder den Bauch sich wei¬ten, bevor der Atem wendet und die Kehle hinauf wieder aus dem Mund oder der Nase strömt, Brust oder Bauch sich senken. Wir
könnten die Luft anhalten, allerdings nur für einige Sekunden, bei sportlicher Konstitution etwas länger, eine Minute vielleicht oder zwei. Danach atmeten wir umso kräftiger wieder aus. Wir bestimmen nicht den eigenen Atem – nicht einmal über den eigenen Atem bestimmen wir. Über die elementarste Tätigkeit des Lebens haben wir – ich will nicht sagen: keine, aber nur minimale, nur einige Sekunden oder ein, zwei Minuten Verfügungsgewalt. Sind wir es dann überhaupt selbst, die atmen?
Es gibt wahrscheinlich keine andere Frage, an der sich der Unter¬schied zwischen einem religiösen und einem Bewußtsein, das die Welt rein immanent erklärt, präziser, anschaulicher, auch grundlegender festmachen ließe als die Frage nach dem eigenen Atem. Gott ist im Vergleich ein nachrangiger, vor allem ein zu abstrakter, letzt¬lich nicht erklärbarer Begriff – man kann religiös sein, ohne Gott im Munde zu führen; man muß das Wort nicht einmal kennen oder mag es für den Sprachgebrauch verwerfen. Erst recht amorph sind alle anderen Begriffe, die die monotheistischen Traditionen der Re¬ligion zuweisen: die Offenbarung, das Heilige, die Schöpfung. Selbst wenn wir uns, etwa auf der Grundlage langjähriger Spekulation oder einer spirituellen Erleuchtung, im klaren darüber zu sein meinten, was genau wir darunter verstehen, hätten wir keinen An¬halt, daß andere dasselbe verstehen oder vor zweihundert oder zweitausend Jahren verstanden haben. Es sind Begriffe, die eine lange, nicht nur in den Glaubens¬, mehr noch in den Sprachgemein¬schaften je spezifische Geschichte angereichert haben, mithin weit davon entfernt sind, etwas unmittelbar Angeschautes zu bezeich¬nen, wie man es für das Wort ‹Holz› sagen könnte oder für ‹Milch›, selbst für das Kulturgut ‹Brot›. Einen Laib Brot, ein Stück Holz, ein Glas Milch könnten wir jedem Menschen auf der Welt zeigen, und er wüßte es in aller Regel präzise in seine Sprache zu übersetzen –
nicht so mit der Offenbarung, dem Heiligen, der Schöpfung, erst recht nicht mit Gott.“

 

Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Weerklinkende steden

steden met het woord koraal
om de schaduw van de aderen
van binnenuit te observeren

galopperend met het schuim en de weerklank
van woorden en luchtspiegelingen in onze mond

ik zou graag terugkomen

zo vaak dat de horizon
van hitte beeft

verrast door kleine herhalingen van tederheid
door verwondingen keer op keer

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.

Luisa Valenzuela, Mohamed Al-Harthy

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: Dark Desires And The Others (Vertaald door Susan E. Clark)

“Further along the dates will have to be erased, but at the end of ’78, the person I was then was getting ready to jump, knowing her absence will be a long one. She’s been invited to be Writer in Residence at Columbia University for a semester, and that will be — she intuits already — the longest semester of her life. She breathes in huge gulps of her city’s air, the verb a lie at the time, because the air had become unbreathable. With vandal-like delight she is disemboweling her library. Some books will have to disappear — the word alone produces goose bumps — others are simply dismantled in order to preserve this story or that essay or those three chapters that she knows she’ll need for her course, or that she wants to keep with her in spite of the weight limit on planes. Get rid of everything to be able to leave as lightly as possible. She knows that if she stays in her own country, she won’t write anymore. She can’t show her latest work to anyone. She’s afraid of putting those readers in danger. She also has notebooks and notebooks — disheveled, awkward diaries with no continuity at all. From those she likewise vandalizes — or, in this case, rescues — some fragments that will later form the microstories of a volume titled precisely Libro que no muerde (Book that Doesn’t Bite). And it didn’t, really, unless we say that irony has a bite. Those were certainly times that lent themselves to furious biting. She did what she could with regard to the situation; she got involved and she wrote and later she wrote partly about her involvement. These pages however, only took in the shrapnel — shrapnel that was noted down in new and multiple foreign notebooks. So that all that’s left is to write the good-bye bite:
Her loved one of the time, ex-loved one now because of his abandoning her when everything seemed to promise the opposite, reappears after almost a year of absence in order to declare his passion and his anguish and to confess his error. The woman I was then has one foot already in the stirrup and treats him with disdain, and when he desperately swears that he will never stop searching for her, and asks, using these exact words, “Now what do I do?” she answers, “Become a man,” and turns right around.
So that’s where, in New York, and without realizing it, her notes about herself, about her efforts to become a woman, begin.”

 

Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Omaanse dichter Mohamed Al-Harthy werd geboren in al-Mudhayrib, Oman, in 1962. Zie ook alle tags voor Mohamed Al-Harthy op dit blog.

 

PAUSING IN THE GARDEN

Pauses are a bit like resting, and you cannot do without them when reading if you want to fully experience the poetic moment that flows from every verse, and that is carried by the overall harmony of the poem; for the pause is not some typographical device, but rather a psychological state. And sometimes it is more important than the verse that precedes it.
– the Peruvian poet Alberto Hidalgo

I will rest, poet, I will rest . . .
I will follow the signposts,
whether or not I stumble on the road,
and I will add more stumbling blocks
once I’ve crossed the threshold:
 
a small stone on which to pause and catch my breath
between the gasping verses;
or a rock still on its way to the abyss,
teetering now on the brink of the void
that the painter’s brush forgot to color in,
between Yeats’ stone and the rock on which they displayed
the poetry of Imru al-Qays . . .
where every poem before it’s born
carries within itself
descendants and ancestors, whether the stumbling
between one verse
and another
takes forever
or no time at all.
 
For some reason
 —or none at all—
a parenthesis
shone in the verse:
it might ruin the flow, might slow things down,
unless the (opening and closing) parentheses snatch up the verse—
if they even exist, that is.
And if they don’t exist, then the trap
is hidden between the lines,
and will conceal
or reveal
a sudden interruption
in the rhythm.
 
Forget about the dotted lines
(that say nothing)
…………………………….
…………………………….
although they say everything in this garden
where I’m pausing
—that which can be dispensed with,
and that which cannot—
because they are the poem’s guardian angel
in eternal wagers that do not settle
for the permanence of rock or stone,
so that the poem might live each day, so that it might live
its endless life
between the pages of a book. 

 

Vertaald door Kareem James Abu-Zeid

 

Mohamed Al-Harthy (al-Mudhayrib, 1962) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e november ook mijn blog van 26 november 2018 en eveneens mijn blog van 26 november 2017 deel 1 en eveneens deel 2.