Max Goldt

De Duitse schrijver en muzikant Max Goldt (pseudoniem van Matthias Ernst) werd geboren op 23 november 1958 in Weende (nu Göttingen). Na zijn afstuderen trok Goldt in 1977 naar West-Berlijn, waar hij aan een opleiding tot fotograaf begon. Hij brak het af, echter, en richtte zich op de muziek. In 1981 richtte hij samen met Gerd Pasemann het duo Foyer des Arts op, waarvoor hij de teksten schreef en liedjes zong. Al eerder werkte Goldt samen met Gerd Pasemann aan een project genaamd AromaPLUS. Het werd gevolgd door talrijke platen, deze keer ook solo, bijvoorbeeld in 1984 “Die majestätische Ruhe des Anorganischen”.Met Stephan Winkler, produceerde hij in 1998 als duo NUUK de LP/CD “Nachts in schwarzer Seilbahn nach Waldpotsdam. Tegenwoordig is hij vooral bekend als schrijver. Nadat hij met humoristische columns in het onafhankelijke Berlijn tijdschrift “Ich und mein Staubsauger” in een kleine kring ontdekt werd, werd hij aangenomen door het satirische tijdschrift Titanic. Tussen 1989 en 1998 publiceerde hij in het tijdschrift 108 columns onder de titel„Aus Onkel Max’ Kulturtagebuch, Diese Kolumne hat vorübergehend keinen Namen, Manfred Meyer berichtet aus Stuttgart und Informationen für Erwachsene“. Goldt publiceerde compilaties van zijn proza ​​in boekvorm, inclusief columns, foto’s, teksten, dialogen en dagboekaantekeningen. In 2008 werd aan Goldt op voordracht van Daniel Kehlmann de Kleist-prijs toegekend. Sinds 1996 werkt hij als stripverhaalschrijver met cartoonist Stephan Katz samen.

Uit: Vom Zauber des seitlich dran Vorbeigehens (Das süße Nichts)

„(Ich weiß noch, über was wir  gestern abend geredet haben)
Ob er mich geweckt habe, fragte am Telefon der Freund mit einem Deut gezierter Anteilnahme zur Mittagszeit,  nachdem wir einen Abend bei mir zusammengesessen hatten,  den  zu  kennzeichnen  er  den  Begriff  «Gelage» wählte, was ich zu dramatisch fand, denn, so erklärte ich ihm, zu zweit innert sechs Stunden drei Flaschen Wein zu leeren, sei durchaus europäisch maßvoll, mit anderen Worten, ich sei schon länger auf und guter Dinge.
«Sei’s drum, laß gut sein», erwiderte der Freund. «Fragst du  dich,  wenn  du  nach  solchen  längeren  Sitzungen morgens  aufwachst,  eigentlich  auch  manchmal:  Über was haben wir gestern eigentlich die ganze Zeit geredet?
Gewiß,  man  saß  behaglich  im  Scheine  wohlüberlegt verteilter Lampen und in angenehmer Entfernung zum jeweils anderen, anderthalb Meter etwa, so daß keiner brüllen mußte, man trank und biß auf Nüsse, mal ging der eine aufs Klo, mal der andere, und man redete ohne quälende Pausen, aber über was bloß?»
«Man könnte versuchen, und sei es nur zum Spaß, eine solche Unterhaltung zu rekonstruieren.»
«Ich könnte es nicht! Ich erinnere mich bloß noch an Pfeffermühlen und Herrenunterhosen.»
«Dann laß mich mal.»
Du kamst kurz nach acht, und wir gingen erst einmal in die Küche, weil das eben so Sitte ist, erst mal kurz in die Küche zu gehen mit Gästen, bevor man anregt,  «rüberzugehen», also in den gastlich präparierten Wohn-bereich. Dein erster mir erinnerlicher Gesprächsbeitrag bestand aus einer lobenden Erwähnung meines sauber abgewischten  Küchentisches.  Ich  erwiderte,  daß ich schon aus anspruchsvolleren  Gründen  gelobt  worden sei, und hoffte, daß dir Gewichtigeres einfallen würde,wenn sich dir einst nach meinem Tode Mikrophone entgegenschöben, deren Benutzer von dir wissen wollten, was an mir bemerkenswert gewesen sei. Daraufhin griffst du zu meiner Pfeffermühle und meintest: Ja, du würdest sagen, toll an mir sei gewesen, daß ich eine angenehm ungroße Pfeffermühle gehabt hätte und nicht, wie heutzutage beinah alle anderen, ein Ungetüm im Maßstab einer Grabbeigabe aus phallokratischer Vorzeit.“

 
Max Goldt (Weende, 23 november 1958)

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: Si le grain ne meur

“Roger Martin du Gard, à qui je donne à lire ces Mémoires leur reproche de ne jamais dire assez et de laisser le lecteur sur sa soif. Mon intention pourtant a toujours été de tout dire. Mais il est un degré dans la confidence que l’on ne peut dépasser sans artifice, sans se forcer ; et je cherche surtout le naturel. Sans doute un besoin de mon esprit m’amène, pour tracer plus purement chaque trait, à simplifier tout à l’excès ; on ne dessine pas sans choisir ; mais le plus gênant c’est de devoir présenter comme successifs des états de simultanéité confuse. je suis un être de dialogue ; tout en moi combat et se contredit. Les Mémoires ne sont jamais qu’à demi sincères, si grand que soit le souci de vérité : tout est toujours plus compliqué qu’on ne le dit. Peut-être même approche-t-on de plus près la vérité dans le roman.
(…)

Nos actes les plus sincères sont aussi les moins calculés ; l’explication qu’on en cherche après coup reste vaine. Une fatalité me menait ; peut-être aussi le secret besoin de mettre au défi ma nature ; car, en Emmanuèle, n’était-ce pas la vertu même que j’aimais ? C’était le ciel, que mon insatiable enfer épousait ; mais cet enfer je l’omettais à l’instant même : les larmes de mon deuil en avaient éteint tous les feux ; j’étais comme ébloui d’azur, et ce que je ne consentais plus à voir avait cessé pour moi d’exister. Je crus que tout entier je pouvais me donner à elle, et le fis sans réserve de rien. A quelque temps de là nous nous fiançâmes.”

 

 
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
Op ongeveer 20-jarige leeftijd

Lees verder “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi”

Endre Ady, William Kotzwinkle, George Robert Gissing, Elisabeth Maria Post

De Hongaarse dichter Endre Ady werd geboren op 22 november 1877 in het huidige Adyfalva. Zie ook alle tags voor Endre Ady op dit blog en ook mijn blog van 22november 2010.

 

I Should Love To Be Loved

I am neither infant nor happy grandfather
Nor parent, nor lover
Of anyone, of anyone.
I am, as every man is, Majesty,
The North Pole, the Secret, the Stranger,
The will-o’-the-wisp in the distance, the will-o’-the-wisp in the distance.
But alas! I cannot remain this way.
I should like to show myself to the world,
So that someone sees me, so that someone sees me.

This is why I sing and I torment myself.
I should love to be loved.
I wish to be of someone, I wish to be of someone.

 

The Magyar Messiahs

More bitter is our weeping,
different the griefs that try us.
A thousand times Messiahs
are the Magyar Messiahs.
A thousand times they perish,
unblest their crucifixition,
for vain was their affliction,
oh, vain was their affliction.

 

 
Endre Ady (22 november 1877 – 27 januari 1919)
Hier met zijn vrouw Csinszka (Berta Boncza)

Lees verder “Endre Ady, William Kotzwinkle, George Robert Gissing, Elisabeth Maria Post”

Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Voltaire

De Vlaamse dichter Wouter Steyaert werd geboren in Gent op 21 november 1982. Zie ook alle tags voor Wouter Steyaert op dit blog.

 

het wordt wettelijk geregeld

er kruipen mieren door me heen
maar niet als kogels – als hele kleine
dames die daar niets te zoeken hebben

het is echter niet verboden – niet van mij
noch van hen – mij te betreden

zonder sleutel of slot – zelfs een kijkgat
is hen te veel – en dat mag allemaal

er kruipen mieren door mijn hoofd
en ik word er wit van
ik word er ovaal en theatraal van

anderzijds kruip ik ook als een mier
dus als een hele grote dame
met een wit hoofd, ovaal en theatraal

die niets te zoeken heeft dan kogels
en dat mag ook

 

Kassa

Ik kocht zeep in Delhaize.
Aan de kassa struikelde ik
over mijn schoenveters.

Ik probeerde mij
vast te klampen
aan de knieën
van de dame voor mij.

Zij schrok hevig
en vond dat ik stonk.
Zij reed met haar karretje over mij.

Ik had pijn en riep om hulp.

Nadien raapte een kassierster
mij op. Zij was lief.

Zij had geen diploma.
Daarom weigerde ik
verder contact.

 

 
Wouter Steyaert (Gent, 21 november 1982)

Lees verder “Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Voltaire”

Ada Cambridge

De Australische dichteres en schrijfster Ada Cambridge werd geboren op 21 november 1844 in St Germans, Norfolk als tweede kind van Thomasine en Henry Cambridge, een herenboer. Zij werd opgeleid door gouvernantes, een ervaring die zij verafschuwde. Het was in feite een ongetrouwde tante die het meest heeft bijgedragen aan haar intellectuele ontwikkeling. Op 25 april 1870 trouwde zij met dominee George Frederick Cross en een paar weken later vertrok zij met haar man naar Australië, waar zij 30 jaar zouden blijven. Zij beschrijft hun ervaringen in “Thirty Years in Australia”. Cambridge leidde in eerste instantie het typische leven van een hardwerkende vrouw van een geestelijke op het platteland, maar haar gezondheid ging achteruit, om een aantal redenen, waaronder een bijna-fatale miskraam en ernstig ongeluk, maar zij bleef wel schrijven. In 1893 verhuisden zij en haar man verhuisde naar hun laatste parochie, Williamstown, in de buurt van Melbourne, en bleven daar tot 1909. In 1913 keerden zij terug naar Engeland, waar Cambridge bleef wonen tot zijn dood op 27 februari 1917. Daarna keerde zij naar Australië terug. Terwijl Cambridge begon te schrijven in de jaren 1870 om geld te verdienen waarmee zij haar kinderen kon ondersteunen, omspant haar carrière een periode vanaf 1865 toen “Hymns on the Litany” verscheen tot 1922, met het artikel ‘Nightfall’ in Atlantic Monthly. In 1875 verscheen haar eerste roman “Up the Murray” verscheen in de “Australasian” maar pas in 1890 met de publicatie van “A Marked Man”vestigde zij haar naam als schrijfster. Ondanks regelmatige goede recensies, waren er velen die haar bekritiseerden omdat zij niet schreef in de literaire traditie van die tijd. Zij was de eerste president van de Women Writers Club en had veel vrienden in de literaire wereld, waaronder Grace ‘Jennings’ Carmichael, Rolf Boldrewood, Ethel Turner en George Robertson. In 2005 werd de Ada Cambridge Prize in het leven geroepen die wordt toegekend voor het beste biografische verhaal van een lokale volwassen schrijver.

Faith

And is the great cause lost beyond recall?
Have all the hopes of ages come to naught?
Is life no more with noble meaning fraught?
Is life but death, and love its funeral pall?
Maybe. And still on bended knees I fall,
Filled with a faith no preacher ever taught.
O God — MY God — by no false prophet wrought —
I believe still, in despite of it all!

Let go the myths and creeds of groping men.
This clay knows naught — the Potter understands.
I own that Power divine beyond my ken,
And still can leave me in His shaping hands.
But, O my God, that madest me to feel,
Forgive the anguish of the turning wheel!

 

The Dawn Of God’s Sabbath

The dawn of God’s dear Sabbath
Breaks o’er the earth again,
As some sweet summer morning
After a night of pain;
It comes as cooling showers
To some exhausted land,
As shade of clustered palm trees
’Mid weary wastes of sand.

Lord, we would bring for offering
Though marred with earthly soil,
Our week of earnest labor,
Of useful daily toil;
Fair fruits of self denial,
Of strong, deep love to Thee,
Fostered by Thine own Spirit
In our humility.

And, we would bring our burden
Of sinful thought and deed,
In Thy pure presence kneeling,
From bondage to be freed;
Our heart’s most bitter sorrow
For all Thy work undone;
So many talents wasted!
So few bright laurels won!

And with that sorrow mingling,
A steadfast faith, and sure,
And love so deep and fervent,
That tries to make it pure;
In His dear presence finding
The pardon that we need;
And then the peace so lasting,
Celestial peace indeed!

 
Ada Cambridge (21 november 1844 – 19 juli 1926)

Sheema Kalbasi , Nadine Gordimer, Viktoria Tokareva, Thomas Chatterton, Don DeLillo, Zinaida Hippius

De Iraanse dichteres, vertaalster en mensenrechten-advocate Sheema Kalbasi werd geboren op 20 november 1972 in Teheran. Zie ook alle tags voor Sheema Kalbasi op dit blog.

 

Middle East

I dreamt that I was innocent
my naked skin
in touch with reality
and my soul was in search
to hear your -worldly- murmur: Peace

I offered you my love
wrapped in honesty
(pure to catch up with you)
shrunk with disbelief

I -asking you: Know me

with your gorgeousness
as you played with the waves
breaking one after another
taking them into your hands
touching them one after another

I wanted to be called with your name: just

what color was Peace?
the one you chose to paint me?
the one you narrowed into my heart and nested in my grave,
what color was it?

I am longing in my grave
to receive the flowers
with your hand written note: rest-in-peace- Middle East

 

5.7

I don’t care if you are you and I am I. I am not some exotic flower. Whatever coat you have on, I will put it on to warm me… and the shoes however small… I will walk in them to balance our height difference. You don’t need to convert for me; I have already converted to you. You see I never had a religion to begin with. I was born naked from all religions but your love.

I know that was not the point. I know there is no conversion. There is no coat, no balance, no shoes but the naked truth of me finding you first, not you finding me. You, whom will never know who I was when I was sitting on the white sheets.

Y o u, not b e s i d e m e.

And the words that are already written. The words that are already said, are already felt, and are already gone.

And I try to take them back into my empty bowl of hands. To put my hands on the chest. The chest into rest. The rest in to the heart. The beat back to the soul. The soul, back to what it was before you.

Alas! I am 5.7

 

 
Sheema Kalbasi (Teheran, 20 november 1972)

Lees verder “Sheema Kalbasi , Nadine Gordimer, Viktoria Tokareva, Thomas Chatterton, Don DeLillo, Zinaida Hippius”

Scott Cairns, Sharon Olds, Mark Harris, Karel van den Oever, Christoph Wilhelm Aigner, Alan Tate

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Imperative

The thing to remember is how
Tentative all of this really is.
You could wake up dead.

Or the woman you love
Could decide you’re ugly.
Maybe she’ll finally give up
Trying to ignore the way
You floss your teeth as you
Watch television. All I’m saying
Is that there are no sure things here.

I mean, you’ll probably wake up alive,
And she’ll probably keep putting off
Any actual decision about your looks.
Could be she’ll be glad your teeth
are so clean. The morning could
be full of all the love and kindness
you need. Just don’t go thinking
you deserve any of it.

 

Possible Answers to Prayer

Your petitions—though they continue to bear  
just the one signature—have been duly recorded.  
Your anxieties—despite their constant,

relatively narrow scope and inadvertent  
entertainment value—nonetheless serve  
to bring your person vividly to mind.

Your repentance—all but obscured beneath  
a burgeoning, yellow fog of frankly more  
conspicuous resentment—is sufficient.

Your intermittent concern for the sick,  
the suffering, the needy poor is sometimes  
recognizable to me, if not to them.

Your angers, your zeal, your lipsmackingly  
righteous indignation toward the many  
whose habits and sympathies offend you—         

these must burn away before you’ll apprehend  
how near I am, with what fervor I adore
precisely these, the several who rouse your passions.

 

 
Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

Lees verder “Scott Cairns, Sharon Olds, Mark Harris, Karel van den Oever, Christoph Wilhelm Aigner, Alan Tate”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Uit: Chaos en Rumoer

“En er veranderde niets. Je blééf slap en laf en bang – met dit verschil dat aan de andere kant van de lijn iemand aan je stem kon horen hoe slap en laf en bang je was. Een antwoordapparaat leek het perfecte redmiddel. Maar vrijwel iedereen die een boodschap insprak, eindigde met het verzoek om terug te bellen. Zo schoot je nóg niets op. Als het aan hem had gelegen, waren Karin en hij indertijd telefoonloos gaan samenwonen. Maar kennissen hadden hem bezworen dat je dat een vrouw niet kon aandoen.
Uiteindelijk bleek Otto’s bekentenis over zijn beschamende improductiviteit toch nog ergens goed voor te zijn, want Karin en hij bereikten een compromis inzake de telefoon. Het toestel ging niet de deur uit – dat weigerde Karin – maar wel vroegen zij een geheim nummer aan. Verder annuleerde Karin namens Otto, die zich al drukbezet en geclaimd voelde met één afspraak in het verschiet, de twee lezingen die hij had staan voor de komende maanden. Zo vielen ook de laatste drukkende verplichtingen weg, en Otto had goede moed dat het schrijven alsnog zou gaan lukken.
Maar toen de telefoon stil bleef en zijn agenda bevrijdend leeg was, begon hij zich te ergeren aan het zoemen van de ventilator in zijn computer. Bovendien was het licht in zijn werkkamer niet goed.
Tussen tien en twaalf uur viel een hinderlijke streep ochtendlicht diagonaal over zijn tafelblad en ’s middags scheen de zon vol op het raam. Zo zou het niemand lukken iets van belang te schrijven. En hij moest ook nodig een nieuwe bureaustoel.
Otto bevestigde een donkerblauw rolgordijn voor het raam. Nu kwam er een onheilspellende duisternis in zijn werkkamer te hangen. Dat was ook weer niet de bedoeling. Hij kocht tweedehands lamellen. Maar die maakten een hinderlijk flappend geluid wanneer het tochtte in huis.”

 


Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees verder “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo”

Thomas Möhlmann

De Nederlandse dichter en schrijver Thomas Möhlmann werd geboren in Baarn op18 november 1975. Möhlmann studeerde moderne Nederlandse letterkunde in Amsterdam. Hij is gastredacteur van de Avonden van dichtcentrum Perdu en medewerker van het poëzietijdschrift Awater. Ook werkt Möhlmann voor het Nederlands Letterenfonds. Verder is Möhlmann redacteur van Poetry International Web en Lyrikline. Als docent Creative Writing is hij verbonden aan de ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem.Möhlmann was medeoprichter van poëzietijdschrift ‘Zanzibar’ en de website Literair Nederland. Hij trad op bij Crossing Border, het Poëziecircus, Lowlands en De Nacht van de Poëzie. Zijn debuutbundel uit 2005, “De vloeibare jongen”, werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In 2009 volgde de tweede bundel “Kranen open”. Gedichten van zijn hand verschenen onder andere in Het liegend konijn, Nymph, Bunker Hill, Tzum en Die Aussenseite des Elementes (tweetalig).

 

Hij is de man

Hij vouwt bootjes van zijn dromen, blaast zachtjes
om niemand wakker te maken hun papieren zeilen
vol en kijkt ze zachtjes zachtjes na tot uit het raam

hij houdt als de ochtend aan komt rollen de kozijnen
en de lijsten rond de foto’s op hun plaats en wacht
tot alles bedaart en iedereen aan het ontbijten slaat

hij houdt de hele dag de kleine en de grote wijzer
aan de praat, hij houdt de straat tot het schemeren gaat
in de gaten, als een jas passen hem de gang en de wanden

als een spijker hangt aan hem het huis

hij is de man die ’s nachts de vuilniszakken leegt
de lepels in de la legt, de grote en de kleine
jassen aan de kapstok aan hun lusjes hangt.

 

Kranen open

Voor het eerst sinds hij hier zit
neemt hij zijn handen voor zijn ogen weg
neemt hij met de rand van zijn rechtermouw
het vocht van zijn gladde voorhoofd af

er trekt een rimpeling over en in
het water buiten het licht binnen

een muntje in zijn herinnering
in zijn kamer met uitzicht voor

het eerst sinds hij hier zit zoeken losse vormen
hun eigen huid weer op de een keert terug
als kast de ander als koffer als knie

voor het eerst telt hij het aantal gaten
waardoor van onderaf helemaal bovenaan kop
en staart van een van zijn veters elkaar vinden

 

 
Thomas Möhlmann (Baarn, 18 november 1975)

Pauline Genee

De Nederladse schrijfster Pauline Genee werd geboren op 18 november 1968 in Heemskerk. Zij volgde het Pius-X-College in Beverwijk. Na een studie Frans en Russisch werkte Genee in verschillende functies bij Buitenlandse Zaken. Ook volgde zij de vierjarige opleiding van Schrijversvakschool Amsterdam in de richting proza. Sinds 2011 combineert ze het schrijven met werk als freelancer. Haar verhaal ‘Russische stilte’ werd in Tirade gepubliceerd. Haar romandebuut “Duel met paard” verscheen in 2014.

Uit: Duel met paard

“Weinig schoft, een lage staartinzet, de zwaanachtige hals van een arabier: kenners zouden in het dier een Orlov-draver hebben herkend. Een Russisch sledepaard, zeer geschikt voor de lange afstand, elegant op zijn snelle, gespierde benen. Expressieve ogen in een groot, edel hoofd.
Het publiek dat op de binnenplaats om het dier samendromde, zag niks geen Russisch raspaard. Wat voor draver? Voor hen stond een heel gewoon dier, mooi dofglanzend in zijn vacht, dat wel, maar verder: niets bijzonders. Een Berlijns rijtuigbeest, de stad wemelde ervan. Was dit hem nou?
De dames en heren die de binnenplaats van Griebenowstrasse 10 op liepen kwamen niet voor een stamboekoverzicht. Zij hadden het middagblad gelezen een paar dagen geleden. ‘Berlijns eigen wonderpaard! Exclusief in de Allgemeine!’ De krantenjongen had de kop luid over de Friedrichstrasse geschald. In de cafés was het dier boven de bierpullen over de tong gegaan. In de Zionskirche was er tot op de voorste banken over gefluisterd – zelfs tijdens de preek. En in korte tijd nam het verhaal zulke fantastische proporties aan dat niemand meer wist wat te geloven.
Het was zaak zelf te gaan kijken.
Op de binnenplaats, voor zijn getimmerde stalhok, stond het paard verveeld aan zijn strootjes te knabbelen. Voor wie niet beter wist, verschilde het in niets van de duizenden viervoeters die dag na dag hun vrachtjes door de stad trokken: de bierwagen van Aschinger’s Bierquelle, de melkkar, de overvolle omnibus. Geduldig deden de Berlijnse paarden hun werk, hun dienstbaarheid leek wel aangeboren en protesteren deden ze nooit, al zag wie goed keek hun loom schuddende hoofden soms bedenkingen aantekenen: bij het groeiend aantal automobielen in de stad . hinderlijk, dat ronkend gespuis voor je benen. En die elektrische trams — sinds kort met bovenleidingen uitgerust, dat gaf flitsen waar je vreselijk van kon schrikken. Wat was er mis met stoom. en accuaandrijving? Waar waren al die nieuwigheden voor nodig?”

 
Pauline Genee (Heemskerk, 18 november 1968)