Freya North, R. S. Thomas

De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Freya North op dit blog.

Uit: Home Truths

`How do you say goodbye to a mountain?’

From her vantage point, Cat York looked across to the three Flatirons, to Bear Peak and Green Mountain. She gazed down the skirts of Flagstaff, patting the snow around her and settling herself in as though she was sitting on the mountain’s lap. ‘It’s like a giant, frozen wedding dress,’ she said. ‘It probably sounds daft, but for the last four years, I’ve privately thought of Flagstaff as my mountain.’ `There’s a lot of folk round here who think that way,’ Stacey said. ‘You’re allowed to. That’s the beauty of living in Boulder.’ The sun shot through, glancing off the crystal-cracked snow on the trees, the sharp, flat slabs of rust-coloured rock of the Flatirons soaring through all the danling white at their awkward angle. `When Ben and I first arrived and I was homesick and insecure, I’d walk to Chautauqua Meadow and just sit on my own. It felt like the mountains were a giant aim around my shoulders.’ Cat looked around her with nostalgic gratitude. ‘Then soon enough we met you lot, started hiking and biking the trails and suddenly the mountain showed me its other side. You could say it’s been my therapist’s couch and it’s been my playground. It’s now my most favourite place in the world.’ Stacey looked at Cat, watched her friend cup her gloved hands over her nose and mouth in a futile bid to make her nose look less red and her lips not so blue. ‘This time next week, the only peaks I’ll be seeing are Victorian rooftops,’ Cat said, ‘grimy pigeons will replace bald eagles and there’ll just be puddles in place of Wonderland Lake. Next week will be a whole new year.’ `Tell me about Clapham,’ Stacey asked, settling into their snow bunker. `Well,’ said Cat, ‘it’s a silent “h” for a start.’ They laughed. `God,’ Cat groaned, leaning forward and knocking her head against her knees, ‘I’m still not sure we’re doing the right thing — but don’t tell Ben I said so. I can’t tell you about Clapham, I don’t think I’ve ever been.’ She paused and then continued a little plaintively. `God, Stacey, I have no job, my two closest friends don’t even live in the city any more and I’m moving to an opposite side of London to where I used to live, where my sisters still live.’ `It’s exciting,’ Stacey said, ‘and if you don’t like it, you can always come back.’ She tore into a pack of Reese’s with her teeth, her chilled fingers unfit for the task. ‘And there’s some stuff that’s really to look forward to.’ Placated and sustained by the pack of peanut butter, the comfort of chocolate, Cat agreed. ‘I’ve missed my family — by the sound of it, my middle sister Fen is having a tough time at the moment. And it’s going to be a big year for Django — he’ll be seventy-five which will no doubt warrant a celebration of prodigious proportions.’ `I’d sure like to have met him,’ Stacey said and she laughed a little. ‘I remember when I first met you, I thought you were like, so exotic, because you came to Boulder with your English Rose looks and a history that Brontë couldn’t have made up. You with the mother who ran off with a cowboy, you who were raised by a crazy uncle called Django, you and your sisters brought up in the wilds of Wherever.’

 

Freya North (Londen, 21 november 1967)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas werd geboren op 29 maart 1913 in Cardiff. Zie ook alle tags voor R. S. Thomas op dit blog.

 

Poste Restante

Ik wil dat je weet hoe het was,
of het kruis vergruist tot stof
onder mensenwielen of helder schijnt
als monument voor een nieuw tijdperk.

Er was een kerk en een man
diende haar, en weinigen gingen ter kerke
daar in het rauwe licht op de heuvel
in de winter, zich voortbewegend tussen de stenen,
om hen heen gevallen als ruïnes
van een cultuur waar ze te zwak voor waren
om haar te vervangen, zelf te arm
om iets anders te doen dan wachten
op het aflopen van een leven
waar ze niet om hadden gevraagd.
Dan kwam de priester
en luidde de gebarsten klok die niemand
hoorde, en betrad die plaats
van duisternis, zuur van de schimmel
van jaren. Dan rende de spin
uit de kelk, en lag de wijn
daar een tijdje, koud en ongewenst
door iedereen behalve hem, terwijl de kaarsen
flikkerden wanneer de wind
aan het dak plukte. En hij zou
over dat karige maal zijn gezicht
naar hem zien staren door het gebarsten glas
van het raam, de lippen in beweging
als van een bewoner van
een wereld daarbuiten.
En zo terug
naar de vochtige sacristie naar het boek
waarin hij zijn naam en de datum zou krassen,
die hij zich nauwelijks kon herinneren, zondag
na zondag, terwijl de plek
op zijn knieën zonk en de aarde draaide
van seizoen tot seizoen als het wiel
van een grote gieterij om jou, vriend,
voort te brengen, die zal weten wat er is gebeurd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2020 en ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Isaac Bashevis Singer, Wouter Steyaert, Marilyn French, Freya North, P. A. de Génestet, Voltaire, Garth Risk Hallberg

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook alle tags voor Margriet de Moor op dit blog.

Uit: Kreuzersonate

“Tien jaar later ontmoette ik de blinde criticus opnieuw, de patriciërszoon Marius van Vlooten die zich als student om een ongelukkige liefde een kogel door het hoofd had gejaagd. Hij stond als laatste in de rij voor een van de incheckbalies op Schiphol en doordat er rond zijn enorme, gebogen gestalte iets woedends hing, herkende ik hem meteen. Zijn schedel glansde. Gehuld in de donkerblauwe regenjas die hij ondanks het mooie zomerweer had aangetrokken, schuifelde hij tikkend met zijn blindenstok met de rij mee naar voren. Ik herinnerde me dat ik me er destijds over verbaasd had hoe onhandig hij vaak onder het voortgaan met zijn stok de grond aftastte, alsof hij verzuimd had in het begin van zijn blindheid, in de jeugd ervan, dit speciale zintuig te trainen en het de juiste gewoonten bij te brengen. Ik sloot achter hem aan. Aannemend dat hij net als ik onderweg was naar de Festspiele in Salzburg, besloot ik mij bekend te maken.
Ik kuchte. ‘Meneer Van Vlooten…’ Daarna legde ik even mijn vingers op zijn arm. Ik wist nog dat voor een blinde de mensen door hun stem en hun aanrakingen plotseling uit het niets te voorschijn komen.
Ik noemde mijn naam. ‘Misschien herinnert u zich mij niet meer, maar wij hebben elkaar ontmoet…’
Zich abrupt naar mij toekerend, legde hij me met een gebaar van zijn hand het zwijgen op. Ik keek hem recht in het gezicht. Met een schok zag ik hoe het veranderd was en kon amper geloven dat het de tijd was geweest die deze ravage had aangericht. Onder zijn ogen lagen zwarte kringen en een krachtige spier trok een mondhoek omlaag. De put die het revolverschot van toen boven zijn oor had achtergelaten, kende ik al en hij wekte in plaats van schrik enkel een vlugge herinnering aan zomeravonden, aan uitgelezen maaltijden onder kroonluchters en aan de kleine canon van viool en cello op het motief cis d cis b cis fis-d cis b: de omstandigheden van onze eerste ontmoeting.
‘Natuurlijk herinner ik me u!’ onderbrak hij mijn klankvisioen en ik herkende zijn hese bekakte stem. ‘U bent de jongeman in wiens gezelschap ik ooit naar Bordeaux ben gevlogen.’
‘Ja,’ zei ik meteen. ‘We hadden een lange tussenstop in Brussel.’
Hij stak zijn nek naar voren.
‘Óf ik me u herinner, u en uw soort!’ Zijn gezicht werd rood. ‘Pienter, belangstelling voor veel te veel dingen tegelijk en dus zonder enige ware hartstocht. Studie aan het Musicologisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Een beurs, een bijbaantje, geen cent van thuis, afgestudeerd op Schönberg.’
Onwillekeurig knikte ik.
‘Een aantal kortstondige liefdesverhoudingen die jullie relaties noemen met vrouwen die jullie vriendinnen noemen. Ten slotte trouwen jullie er eentje na voor jezelf logisch en goed beargumenteerd uiteengezet te hebben waarom zij de ware is, en wordt er een hypotheek op beider naam afgesloten. Ik zou u willen vragen: wat richt dit alles in godsnaam uit?’

 

 
Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Gerard Koolschijn werd op 21 november 1945 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Gerard Koolschijn op dit blog.

Uit: Geen sterveling weet

“Gelukzalig onwetend was ze nog van de zwarte wolken die zich in een verafgelegen land samenpakten. Wat wist ze ook van het christendom? Ja, de plantage was een keer bezocht door dominee Kostelijk, maar het prentje dat hij Jettie gaf, van een Hollands boerenlandschap waarin jonge meisjes vrolijk spelen met gieter en schep boven de tekst Gedenk uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap — dat kleurige plaatje kon slecht als voorbereiding op de Waarheid dienen. De wolken hingen in Den Haag. Daar zit het jongetje dat ons leven zou overheersen, Jan, op een gebloemde divan naast zijn moeder. Haar neus is groot, haar voorhoofd een berghelling. Haar verleden rust, ingelijst, op de ombouw van een opklapbed: een zwaargebouwd meisje naast een met bloemen versierde fiets op een Delftse gracht, voor de apotheek waar ze werkte. `Ap-teek,’ zei oma later, wanneer ze ons trots en met spijt aan haar opgegeven betrekking herinnerde. `Ap-teekassistente.’ Het ventje zelf lijkt met zijn speelgoedbeer nog heel normaal, al kijkt hij ernstig. Op tafel staat een glas melk. Op een platje voor opengeslagen deuren is het hele gezin vereeuwigd, Jan en zijn broertje Koos ook al in matrozenpak. Boven het viertal hangt beddengoed te drogen. Of is het vooroorlogs ondergoed? In een ruimte vol ordnerkasten ziet de vader toe op zestien andere keurige heren, die aan een lange tafel ijverig lderkenwerk verrichten. Fietsen, bolhoeden. Somber en kouwelijk staat Jan als puber op het station van Ede, met plusfours en pet, op weg naar zijn dominee in Bennekom, waar diens grote vlucht begon. Voorlopig was de afstand tussen de toekomstige gehuwden nog veilig groot, wekenlang varen. Zij zou in de tropenhitte moeten afdalen naar Belawan, de haven van Medan. Het schip zou haar door Straat Malakka onder India langs naar Aden voeren, en dan door de Rode Zee, het Suezkanaal en de Middellandse Zee tot aan Genua, waar de trein naar het land van de Elfstedentocht wachtte. Ze was zes toen haar reis naar de botsing van genen begon. Jan was tien.”

 


Gerard Koolschijn (Den Haag, 21 november 1945)

 

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook alle tags voor Isaac Bashevis Singer op dit blog.

Uit: More Stories from My Father’s Court (He Wants Forgiveness From Her)

“I closed my eyes and contemplated the strangeness of human relationships. Because a young man in Lodz or Kolish can’t sleep at night for thinking about his former fiancée, I, a young boy from Krochmalna Street, have to be in a droshky on a Wednesday noon. I passed through the elegant gate of the woman’s building, climbed up a marble staircase to her apartment, and rang the bell. A maid clad in a white apron opened the door and asked me what I wanted.
“The lady of the house is being called to the rabbi’s courtroom.” The woman soon appeared. She was in her late thirties, still pretty, but her high bosom was heavy, and she had scattered strands of gray hair. She looked as imposing in her womanliness as did her former fiance in his manliness. She asked me why I had come. “Your former fiance is summoning you to see the rabbi—my father,” I said. The woman’s big dark eyes widened. “What fiance? And what rabbi?” As I told the woman everything I had heard, I noticed the color changing on her face—now pale, now red. One moment she was about to burst into laughter, the next she turned sad. At one point I thought she was going to yell at me and drive me from the apartment. Then she seemed to soften. “Do you already understand these matters?” she asked. “I understand everything,” I said with boyish boastfulness. “Wait. I’m going to phone my husband.” After I had waited for a long time in the corridor, the young woman came out wearing a coat and hat. “Let’s go.” I told her I had money for a droshky, but she said she’d pay for the droshky herself. Soon I was sitting next to her—a lady from Khlodna Street going to meet her former fiance, accompanied by a boy with red sidecurls, who knew bizarre secrets, was mixed up in the affairs of strangers, and was thinking wild thoughts. The woman herself did not interest me that much, but I couldn’t take my eyes off the horse. I sat to the side, where I could observe the horse’s broad hindquarters and long tail, which swayed and seemed to tell me mutely: I don’t care who I carry or where I go. I don’t know anything. I’m a horse’s rear and I’ll always be one. When I eat oats, I have the strength to pull this droshky. I don’t care whether a priest, a rabbi, or a Turk is sitting in it. From time to time the horse’s tail swished, a sign that its hindquarters were satisfied. As I climbed the stairs to our apartment with the woman, I noticed that her dress was narrow and long. She had to take small steps and was unable to negotiate two stairs at a time. The heels of her shoes were high and shiny. Pharmacy fragrances clung to her. She took me by the sleeve, as if to lean on me for protection.”

 

 
Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)
Standbeeld in Biłgoraj, Polen

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Marilyn French werd geboren op 21 november 1929 in New York. Zie ook alle tags voor Marilyn French op dit blog.

Uit: Beyond Power

“It is therefore extremely ironic that patriarchy has upheld power as a good that is permanent and dependable, opposing it to the fluid, transitory goods of matricentry. Power has been exalted as the bulwark against pain, against the ephemerality of pleasure, but it is no bulwark, and is as ephemeral as any other part of life. Coercion seems a simpler, less time-consuming method of creating order than any other; yet it is just as time-consuming and tedious and far more expensive than personal encounter, persuasion, listening, and participating in bringing a group into harmony. None of this is unknown, unfamiliar, unperceived. Yet so strong is the mythology of power that we continue to believe, in the face of all evidence to the contrary, that it is substantial, that if we possessed enough of it we could be happy, that if some “great man” possessed enough of it, he could make the world come right”
(…)

.For it is not enough either to devise a morality that will allow the human race simply to survive. Survival is an evil when it entails existing in a state of wretchedness. Intrinsic to survival and continuation is felicity, pleasure. Pleasure has been much maligned, diminished by philosophers and conquerors as a value for the timid, the small-minded, the self-indulgent. “Virtue” involves the renunciation of pleasure in the name of some higher purpose, a purpose that involves power (for men) or sacrifice (for women). Pleasure is described as shallow and frivolous in a world of high-minded, serious purpose. But pleasure does not exclude serious pursuits or intentions, indeed, it is found in them, and it is the only real reason for staying alive.”

 


Marilyn French (21 november 1929 – 2 mei 2009)

 

De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Freya North op dit blog.

Uit: The Turning Point

“Alone in his truck on an empty stretch of road in the middle of Thompson Country, Scott cursed out loud though no one could hear him. For the previous half an hour, as he drove from the belly of Kamloops and through the entrails of its suburbs, his phone signal had been off and the radio had played crystal clear everything he wanted to hear. His own personal play-list, beamed telepathically back through the radio, providing company and a soundtrack to the three hours remaining of the journey home. And now, as the road climbed and the scenery most deserved a rousing score, the music had gone and, instead, the cell-phone networks were polluting this immaculate part of British Columbia. His phone rang, his voicemail beeped, his phone rang again, his voicemail beeped. The sound wasn’t dissimilar from some god-awful plastic Europop. A barrage of text-message alerts now chimed in like a truly crap middle eight before the calls started again. The phone was in his bag, in the footwell. Whatever risks Scott had taken in his life, he’d only ever driven with two hands on the wheel and both eyes on the road ahead. He pulled over. What, for Christ’s sake, what?The voicemail icon with its red spot as angry as a boil. The envelope signifying text messages bursting with four unread. Missed calls. Managing his phone was the only thing in life that Scott was prepared to multitask,  because to minimize the time spent on it, was time well spent. He accessed the voicemail whilst clicking into the texts. Before he’d heard a thing he knew what was wrong from Jenna’s two words:
I’m fine x
But by then, a recorded voice was filling the car with the details.‘Hi Scott – it’s Shelley. I’ve been trying to contact you – Jenna’s had a seizure. She’s OK now but it lasted near enough five minutes. She hit her head, she has a concussion so they’ve taken her to Squamish just to be sure. It’s just gone two. You have my number so feel free to call me.’Scott only vaguely listened to the later messages, all from Jenna’s friend Shelley repeating the information in different tones of voice: tired, upbeat, reassuring, pseudo-medical. He stamped on the gas and drove fast, without looking at the view and with the radio off. There was no quick route. Too many mountains in the way”

 


Freya North (Londen, 21 november 1967)

 

De Vlaamse dichter Wouter Steyaert werd geboren in Gent op 21 november 1982. Zie ook alle tags voor Wouter Steyaert op dit blog.

 

Ik doe het stof af. Ik schuur de tegelvloer. Ik ga bij de kapper en vermink iemand
met een haardroger. Ik vermoord een klant. Ik schiet een agent neer. Ik snijd het
hoofd van een kapster af.
Wij worden ouder. Wij worden zieker. Wij willen altijd alles beter doen.
Ik mis een leidende hand om in te bijten.
Ik mis de tijd waarin slurpen sociaal was aanvaard.
Onze inhoud loopt leeg over een diamanten steenweg. Wij dansen, wij zingen, wij
zijn cirkelzagen in ons verdriet. Wij mijmeren. Wij liggen slapeloos in een bed.

*

In het hakselhout liggen wij te kotsen. Op onze oprit plassen wij uw naam weg,
die wij daar in krijt hadden neergeschreven: om u hier te houden! Is een paard dat
huppelt in een laan in het donker dan niet goed genoeg voor u? Kan ik mijn gelaat
overschilderen en zingen in de molsgangen van de rooms-katholieke Kerk?
U bent niets, precies zoals wij het hebben gewild.

 

 
Wouter Steyaert (Gent, 21 november 1982)

 

De Nederlandse dichter en theoloog Petrus Augustus de Génestet werd geboren in Amsterdam op 21 november 1829. Zie ook alle tags voor P. A. de Génestet op dit blog.

 

Toen ik een knaap was

Toen ik een knaap was in ’t zorgloze leven,
Gordde ik mij-zelve en liep naar mijn lust;
Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,
Vrij in mijn reizen, mijn dromen, mijn rust.

Straks ook voor mij is een ure gekomen,
Ure van roeping, van ernst, van genâ,
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen
Hebt gij mij lief? – en mijn ziele sprak : Ja.

Sinds mij dat uur uit mijn dromen kwam wekken,
Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,
Leert mij de handen steeds williger strekken,
Volgen en dragen, ach, vrolijk of stil.

Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
Vinde ik, trots banden en zielstrijd en smart,
Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven:
Vrijheid en vrede voor ’t rusteloos hart.

 

De mailbrief

XXI
Toch, als de tovervonk langs wonderdraad gevlogen,
– Snel als de Laster vliedt en ’t praatje van de Logen –
De tijding brengt in ’t land: de Mail, de Mail is aan!
Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levenstekenen, de lange, dierbre Brieven!

 

Weemoed en hope

Op de bodem van het leven,
In de diepte van het hart
Rust de Weemoed
En de Smart;
Maar de Hope rijst er neven,
In ’t geslingerd mensenhart.

Tussen weemoed, strijd en hope
Vliedt het leven snel voorbij;
Waakzaam, werkzaam
Wachten wij
Dat het Raadsel zich ontknope,
Wat ons korte leven zij.

 

 
P. A. de Génestet (21 november 1829 – 2 juli 1861)

 

De Franse schrijver Voltaire, (pseudoniem van François-Marie Arouet)werd werd op 21 november 1694 geboren in Parijs. Zie ook alle tags voor Voltaire op dit blog.

Uit: Essai sur les moeurs et l’esprit des nations

«Quand le Cid eut chassé les musulmans de Tolède et de Valence, à la fin du XIe siècle, l’Espagne se trouvait partagée entre plusieurs dominations. Le royaume de Castille comprenait les deux Castilles, Léon, la Galice, et Valence. Le royaume d’Aragon était alors réuni à la Navarre. L’Andalousie, une partie de la Murcie, Grenade, appartenaient aux Maures. Il y avait des comtes de Barcelone qui faisaient hommage aux rois d’Aragon. Le tiers du Portugal était aux chrétiens.

Ce tiers du Portugal, que possédaient les chrétiens, n’était qu’un comté. Le fils d’un duc de Bourgogne, descendant de Hugues Capet, qu’on nomme le comte Henri, venait de s’en emparer au commencement du XIIe siècle.
Une croisade aurait plus facilement chassé les musulmans de l’Espagne que de la Syrie ; mais il est très-vraisemblable que les princes chrétiens d’Espagne ne voulurent point de ce secours dangereux, et qu’ils aimèrent mieux déchirer eux-mêmes leur patrie, et la disputer aux Maures, que la voir envahie par des croisés.
(1114) Alfonse, surnommé le Batailleur, roi d’Aragon et de Navarre, prit sur les Maures Saragosse, qui devint la capitale d’Aragon, et qui ne retourna plus au pouvoir des musulmans.
(1137) Le fils du comte Henri, que je nomme Alfonso de Portugal, pour le distinguer de tant d’autres rois de ce nom, ravit aux Maures Lisbonne, le meilleur port de l’Europe, et le reste du Portugal, mais non les Algarves. (1139) Il gagna plusieurs batailles, et se fit enfin roi de Portugal.
Cet événement est très-important. Les rois de Castille alors se disaient encore empereurs des Espagnes. Alfonse, comte d’une partie du Portugal, était leur vassal quand il était peu puissant ; mais, dès qu’il se trouve maître par les armes d’une province considérable, il se fait souverain indépendant. Le roi de Castille lui fit la guerre comme à un vassal rebelle ; mais le nouveau roi de Portugal soumit sa couronne au saint-siége, comme les Normands s’étaient rendus vassaux de Rome pour le royaume de Naples, Eugène III confère, donne la dignité de roi à Alfonse et à sa postérité, à la charge d’un tribut annuel de deux livres d’or (ll47). Le pape Alexandre III confirme ensuite la donation moyennant la même redevance.”

 

 
Voltaire (21 november 1694 – 30 mei 1778)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Garth Risk Hallberg werd geboren in Louisiana in november 1978 en groeide op in Noord-Carolina. Zie ook alle tags voor Garth Risk Hallberg op dit blog.

Uit: City on Fire

“Good,” she said. “That’s great. Except can you try not to look at the camera, dumbass?”

All it took was the voice. It was her: the girl from the ballfield. The hair was different, or maybe it was that the headphones were gone, but her features were still larger than life: the pierced nose, the wide, expressive mouth. He flipped through some nearby records. Quick glances took in more of the boys across the shop. Or men, possibly, in a kind of uniform. Slogans in various hues covered their black jackets, superseded by an identical logo freshly painted on the back of each. The white guy’s hair was short and uneven, as if cut by lawn- mower. The black one wore a stocking cap. The camera would make them look lost in contemplation of the record stacks; click, click, it went, a devouring sound, or so Charlie imagined. In reality it was impossible to hear over the deep-dish bass thumping off every surface. Then the white one, the giant one, announced he was bored. “Are we done yet?”
“Are you kidding? You do this like every day, Sol.”
“Yeah, but not in front of a camera. You didn’t tell us that would make it be so boring. Plus Nicky would kill me if he found out. No more cameras, he says.”
“Nicky, Nicky, Nicky. Why should I listen to someone who refuses to even meet—”
“—only ’cause you never put down the fucking camera! Anyway, I got to get to work.”
“Fine, whatever,” the girl said. “I’m out of film anyway. Go screw.” But once the guys drifted out the door, she started aiming her lens around at the perfunctory record store crap, the posters on the wall, the smoldering joss sticks, the caged ferret, et cetera, et cetera. It landed, eventually, on Charlie. The eye not blocked by the camera opened and then narrowed, as if to bring a memory into focus. “Hey, wait a minute. I know you. How do I know you?”

 

 
Garth Risk Hallberg (Louisiana, november 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Isaac Bashevis Singer, Wouter Steyaert, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark, Voltaire, Garth Risk Hallberg

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook alle tags voor Margriet de Moor op dit blog.

Uit:Van vogels en mensen

“Op een vroege juni-ochtend komt hij thuis. Hij rijdt de straat in. Vredige stilte, zij het bedrieglijk. De auto’s staan nog allemaal onder de meidoorns langs de stoepranden geparkeerd. De jonge bomen bloeien. Witroze bloemetjes.
Het is even na zessen. In deze straat, de Mozartstraat te Schalkwijk, zal het dagelijks leven op zijn vroegst pas over een half uur beginnen. Schalkwijk is een tussen weilanden en water gelegen dorp, het heeft een middeleeuws verleden maar hoort tegenwoordig tot de gemeente Haarlem.
Als hij uitstapt valt het uitzinnige kabaal van de vogels in de meidoorns hem niet speciaal op. Dit gejubel is hem vertrouwd. Rinus Caspers, van huis uit hovenier, werkt als vogelverjager op de luchthaven, zo’n kilometer of tien verderop. Een onverstoorbare, vriendelijke man. Gewend solitair te werken en nooit te beroerd om een nachtdienst van een collega over te nemen. Alleen-zijn, ’s nachts onder de sterrenhemel of onder een pak regenwolken, hij zou niet weten wat daar voor eenzaams aan is.
Hij steekt de straat over naar de nieuwbouwwoning, een tussenhuis van vier-onder-een-kap, waar hij met zijn vrouw en zoon woont. Zodoende vallen de in neutrale kleding gestoken man en vrouw op de voorbank van een Volkswagen hem net zomin op als het vogelgetsjilp. De twee hebben dienst. Straks zullen ze zo netjes mogelijk een arrestatie verrichten, op zichzelf niets bijzonders, alleen is het dit keer een vrouw. Ook niet echt ongehoord in hun vak.
Hij duwt de voordeur achter zich dicht. De hond, een bordercollie, staat dan al intens zijn laarzen en broek te besnuffelen. Het dier dat deze keer niet mee mocht naar de vliegtuigen wil zich op de hoogte stellen. De opgaande zon schijnt door het zijraam van de erker via de huiskamer het halletje in. Rinus hangt zijn jekker tussen de jassen en sjaals van Marie Lina, zijn vrouw, en zijn zoon Olivier. Hij gaat ervan uit dat de twee nog een lekker uurtje mogen blijven liggen, warm in hun slaapgeur, van niets wetend.
‘Naar je mand,’ beveelt hij zachtjes de collie.
Hij trekt zijn laarzen uit en brengt ze via de keuken naar de achterplaats om ze later op de dag met de tuinslang schoon te spuiten.”

 
Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)

Lees verder “Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Isaac Bashevis Singer, Wouter Steyaert, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark, Voltaire, Garth Risk Hallberg”

Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Isaac Bashevis Singer, Wouter Steyaert, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark, Voltaire

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook alle tags voor Margriet de Moor op dit blog.

Uit:De schilder en het meisje

“Daarop had de schilder gevoeld hoe ze ontspanden. Hoe de anderen begrepen dat ze het dus goed hadden gezien. Alle vier keken nu van het schilderij naar hem, maar hij zei niets, knikte alleen vaagjes. De vernedering kwam eraan, maar was nog abstract. Had nog niet de gedaante aangenomen van een brik, normaal in gebruik voor biertransport, die met een hoop lawaai de Rozengracht op komt rollen en stilhoudt voor nummer 184. Dat zou pas over een paar dagen gebeuren.
Nog voordat er zou worden geklopt zou zijn vrouw opendoen.
‘Lieve help! Ze hebben het al gebracht!’
Hij en zij zouden elkaar halverwege de trap tegemoet zijn gehold, hij vanaf de eerste verdieping waar hij aan het werk was, zij vanuit de open voordeur waardoorheen je op straat het paard kon zien, de lege bok en een stuk van de gênante, tot aan de dissel naar voren geschoven lading, een slordige grijsgrauwe rol, dubbelgeklapt tot een paar meter doorsnee.
Nog niet. Geen sprake van zelfs. De grijsgrauwe rol hing op dit moment nog magnifiek uitgespreid, al zijn kleuren naar buiten, op een van de eervolste plekken waar hij maar hangen kon. Eigenlijk tweede keus, zeker, maar niettemin. Intussen kwam de commissie met kritische opmerkingen over de woeste stijl van het werk, argumenten die zonder meer relevant waren, maar die de maker ervan een lachje ontlokten – dit is verdorie mijn beste groep, beter nog dan die schutters die nu toch al zo’n jaar of twintig zonder noemenswaardig gezeur in De Doelen hangen!
Zijn lachje kwam irritant over.
‘Een penseel is geen hakbijl,’ klonk het kwaad.
‘Soms wel,’ zei de schilder.
‘U rotzooit maar wat aan.’
De schilder boog.
Een van de burgemeesters opende nu een bleekgroene map, haalde er een tekening uit en wilde hem die toesteken. Maar de schilder verroerde geen vin.”

 
Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)

Lees verder “Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Isaac Bashevis Singer, Wouter Steyaert, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark, Voltaire”

Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark

De Vlaamse dichter Wouter Steyaert werd geboren in Gent op 21 november 1982. Zie ook alle tags voor Wouter Steyaert op dit blog.

Mijn diepste gevoelens

Ik bid. Ik richt mij tot de Schepper. Ik vraag Hem
om een meisje. Ik vraag Hem om ontmaagd te
worden. Misschien hoort Hij mij.

Ik ben niet tevreden. Ik ben alles kwijt. Mijn meisje
en moeke. Zij hebben mij verlaten. En vake ook.

Ik woon alleen. Ik heb geen geld. Ik heb niets.

 

Het wenende meisje

Jammer toch, een wenend meisje,
en nog zo jong. Meent ze dat wel,
zo’n groot verdriet? Want tussen haar tranen
kan ik niet goed zien.

Zie ze staan, zo beteuterd,
en waarom? Heeft haar vriendje
haar daar zo afgezet? Of heeft ze soms
een hele zware kwaal? 

Ik weet niet wat er scheelt
met dit bleke meisje. Ze zegt
helemaal niets, en vanwaar
zou ik haar beter moeten kennen dan hier? 

Het is hard om nu mijn ogen
te moeten sluiten voor haar verdriet,
maar helpen kan ik toch niet,
ze weent altijd even fel.

 
Wouter Steyaert (Gent, 21 november 1982)

Lees verder “Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Carl-Henning Wijkmark”

Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Voltaire

De Vlaamse dichter Wouter Steyaert werd geboren in Gent op 21 november 1982. Zie ook alle tags voor Wouter Steyaert op dit blog.

 

het wordt wettelijk geregeld

er kruipen mieren door me heen
maar niet als kogels – als hele kleine
dames die daar niets te zoeken hebben

het is echter niet verboden – niet van mij
noch van hen – mij te betreden

zonder sleutel of slot – zelfs een kijkgat
is hen te veel – en dat mag allemaal

er kruipen mieren door mijn hoofd
en ik word er wit van
ik word er ovaal en theatraal van

anderzijds kruip ik ook als een mier
dus als een hele grote dame
met een wit hoofd, ovaal en theatraal

die niets te zoeken heeft dan kogels
en dat mag ook

 

Kassa

Ik kocht zeep in Delhaize.
Aan de kassa struikelde ik
over mijn schoenveters.

Ik probeerde mij
vast te klampen
aan de knieën
van de dame voor mij.

Zij schrok hevig
en vond dat ik stonk.
Zij reed met haar karretje over mij.

Ik had pijn en riep om hulp.

Nadien raapte een kassierster
mij op. Zij was lief.

Zij had geen diploma.
Daarom weigerde ik
verder contact.

 
Wouter Steyaert (Gent, 21 november 1982)

Lees verder “Wouter Steyaert, Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn, Marilyn French, Freya North, Voltaire”

Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn Marilyn French, Freya North, Voltaire

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook alle tags voor Isaac Bashevis Singer op dit blog.

Uit: Hanka

“When the ship approached the equator, I stopped going out on deck in the daytime. The sun burned like a flame. The days had shortened and night came swiftly. One moment it was light, the next it was dark. The sun did not set but fell into the water like a meteor. Late in the evening, when I went out briefly, a hot wind slapped my face. From the ocean came a roar of passions that seemed to have broken through all barriers:’We mus procreate and multiply! We must exhaust all the powers of lust!’ The waves glowed like lava, and I imagined I could see multitudes of living beings – algae, whales, sea monsters – reveling in an orgy, from the surface to the bottom of the sea. Immortality was the law here. The whole planet raged with animation. At times, I heard my name in the clamor: the spirit of the abyss calling me to join them in their nocturnal dance.”
(…)

“Yes, I lay in my grave. But if you lie in a grave long enough, you get accustomed to it and you don’t want to part from it. He had given me a pill of cyanide, He and his wife and their son also carried such pills. We all lived with death, and I want you to know that one can fall in love with death. Whoever has loved death cannot love anything else any more. When the liberation came and they told me to leave, I didn’t want to go. I clung to the threshold like an ox being dragged to the slaughter.”

 
Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)
Portret door Anna Barry, 1980

Lees verder “Isaac Bashevis Singer, Margriet de Moor, Gerard Koolschijn Marilyn French, Freya North, Voltaire”

Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Kerstin Preiwuß, Veza Canetti, Freya North

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook alle tags voorIsaac Bashevis Singer op dit blog.

Uit: Der Büßer (Vertaald door Gertrud Baruch)

„Im Jahre 1969 hatte ich zum ersten Mal Gelegenheit, die Klagemauer zu sehen, über die ich schon so viel gehört hatte. Sie sah etwas anders aus als die auf den Holzdeckel meines Gebetbuches geschnitzte Klagemauer. Da waren Zypressen zu sehen, hier jedoch konnte ich keinen einzi­gen Baum entdecken. Jüdische Soldaten bewachten den Zugang. Es war hellichter Tag, und zahlreiche Juden ver­schiedenster Art hatten sich hier eingefunden. Aschkena­sim und Sefardim waren da. Jugendliche mit schulterlan­gen Schläfenlocken, bekleidet mit Kniehosen, rabbini­schen Hüten und flachen Schuhen, unterhielten sich in ungarisch gefärbtem Jiddisch miteinander. Umringt von Neugierigen, hielt ein weiß gekleideter sefardischer Rabbi­ner in hebräischer Sprache eine Predigt über den Messias. Manche Besucher sagten das Totengebet auf, manche psalmodierten das Achtzehngebet. Einige schlangen sich Gebetsriemen um den Arm, andere wiegten den Ober­körper, während sie Psalmen rezitierten. Bettler baten mit ausgestreckter Hand um Almosen, manche feilschten sogar mit ihren Wohltätern. Vierundzwanzig Stunden am Tag betrieb hier der Allmächtige sein Geschäft.
Ich stand da und betrachtete die Mauer und die benach­barten, von Arabern bewohnten Straßen. Die Häuser, so schien es mir, hielten sich wie durch ein Wunder aufrecht, eins überragte das andere, und alle reckten sich und drän­gelten, um eine bessere Aussicht auf die Steinmauer zu haben, die als Erinnerung an den heiligen Tempel stehen­geblieben ist. Die Sonne brannte, er herrschte eine trockene Hitze, und überall roch es nach Wüste, uralter Zerstörung und jüdischer Ewigkeit.

Plötzlich kam ein schmächtiger Mann, der einen Kaftan und einen Samthut trug, auf mich zu. Dort, wo sein Man­tel auseinanderklaffte, war ein breiter Gebetsschal zu se­hen, dessen Fransen ihm fast bis zu den Knien reichten. Er hatte einen weißlichen Bart, aber ein jugendliches Ge­sicht. Seine Augen, so dunkel wie schwarze Kirschen, bezeugten, daß er ein junger, früh ergrauter Mann war.“

 

Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)

Portret door Sylvia Ary, 1935

Lees verder “Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Kerstin Preiwuß, Veza Canetti, Freya North”

Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Veza Canetti, Freya North

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook mijn blog van 21 november 2006 en ook mijn blog van 21 november 2007 en ook mijn blog van 21 november 2008 en ook mijn blog van 21 november 2009.

Uit: Fool’s Paradise

 

„Somewhere, sometime, there lived a rich man whose name was Kadish. He had an only son who was called Atzel. In the household of Kadish there lived a distant relative, an orphan girl, called Aksah. Atzel was a tall boy with black hair and black eyes. Aksah was somewhat shorter than Atzel, and she had blue eyes and golden hair. Both were about the same age. As children, they ate together, studied together, played together. Atzel played the husband; Aksah, his wife. It was taken for granted that when they grew up they would really marry.

But when they had grown up, Atzel suddenly became ill. It was a sickness no one had ever heard of before: Atzel imagined that he was dead.

How did such an idea come to him? It seems it came from listening to stories about paradise. He had had an old nurse who had constantly described the place to him. She had told him that in paradise it was not necessary to work or to study or make any effort whatsoever. In paradise one ate the meat of wild oxen and the flesh of whales; one drank the wine that the Lord reserved for the just; one slept late into the day; and one had no duties.

Atzel was lazy by nature. He hated to get up early in the morning and to study languages and science. He knew that one day he would have to take over his father’s business and he did not want to.

Since his old nurse had told Atzel that the only way to get to paradise was to die, he had made up his mind to do just that as quickly as possible. He thought and brooded about it so much that soon he began to imagine that he was dead.

Of course his parents became terribly worried when theysaw what was happening to Atzel. Aksah cried in secret. The family did everything possible to try to convince Atzel that he was alive, but he refused to believe them. He would say, “Why don’t you bury me? You see that I am dead. Because of you I cannot get to paradise.”

Many doctors were called in to examine Atzel, and all tried to convince the boy that he was alive. They pointed out that he was talking, eating, and sleeping. But before long Atzel began to eat less and he rarely spoke. His family feared that he would die.“

 

 

 Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)

 Portret door Sylvia Ary, 1935

 

Lees verder “Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Veza Canetti, Freya North”

Isaac Bashevis Singer, Marilyn French, Margriet de Moor, Veza Canetti, Freya North, Arthur Quiller-Couch, Voltaire, Franz Hessel

De Amerikaans-Poolse schrijver Isaac Bashevis Singer werd geboren op 21 november 1904 als Isaac Hertz Singer in Radzymin, Polen. Zie ook mijn blog van 21 november 2006 en ook mijn blog van 21 november 2007 en ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Uit: Shadows on the Hudson (Vertaald door Joseph Sherman)

Stanislaw Luria, Ann’s husband, was trying to win over his host’s nephew Herman. While Herman remained a staunch Communist, Luria was bitterly opposed. His only grievance against America was its failure to drop the atomic bomb on Moscow instead of Hiroshima. Luria and Herman had one thing in common, however: they both spoke eloquent Polish. Luria had trained as a lawyer in Warsaw, and Herman had studied in the jurisprudence faculty before going off to defend Madrid.

Now Luria reasoned: “Prosze pana, I know exactly what you think. I know more Marxism than all the Marxists put together. To my regret, I too made a fool of myself for a while. There was a time I even believed in Lenin. Ah, in one’s youth one makes mistakes. When a young man doesn’t make mistakes, there’s something wrong with him. But one thing I hope you’ll grant me: that without Uncle Sam’s help, without lend-lease, your Comrade Stalin would never have marched into Berlin. This, I expect even the most ardent Stalinist will concede …”

Luria spoke as if he was begging Herman to see reason. Luria, past fifty, was short and broad-shouldered, and had an enormous head, no neck to speak of, a disheveled shock of brown hair streaked with gray, and a face that was either bloated or swollen by self-importance. His thick eyebrows overhung yellow eyes set in blue pouches flaked with crud. His nose had unusually large nostrils. There was something brutish and wild about him, yet he seemed sluggish, half-asleep. His narrow forehead was deeply cloven–whether with a wrinkle or a scar it was difficult to say.

Herman was barely thirty three, but he looked older. He was short like his uncle but not so homely. He had a square head with hair cropped short in military fashion–in Spain he had been promoted to the rank of either captain or major–and cold, steel-gray eyes behind a pince nez. Herman spoke slowly and with the deliberation of a diplomat watching every word.

His voice beat woodenly. “No one can know what would have happened without lend-lease. That is an academic question. One thing is beyond doubt: America delayed opening a second front until the Soviet Union was on the verge of decisive victory.”

“Are you suggesting that the invasion of France was superfluous?” Luria demanded.

“By that time the fascists had already been smashed.”

“If we let Stalin write world history, he would more than likely record that the Allies fought on Hitler’s side,” Luria retorded acidly.

“Until Stalingrad, the Allies always hoped for a Soviet defeat.”

Luria raised his eyebrows. His yellow eyes kindled with fury. His right hand–broad, heavy, with swollen veins and fingernails resembling claws twitched as though about to strike a blow. But it never left his knee. Instead, he countered ponderously: “Oh God, look at the might of falsehood! How incredibly vast and powerful it is! Like a bottomless pit.”

Boris was not a scholar, not a learned man, but he loved both Torah and knowledge. Although he had been successful in business, he regretted more than once that he had not become a rabbi, a scholar, or simply a hack writer. Short, stocky, with hands and feet too big for his small frame, large black eyes, a crooked nose, and thick lips, he wore a goatee and spoke in a booming voice. He
persisted in speaking Warsaw Yiddish, having never learned either German or English properly.“

 

singer184

Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991)

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Marilyn French werd geboren op 21 november 1929 in New York. Zie ook mijn blog van 21 november 2007  en ook mijn blog van 21 november 2008. Marilyn French overleed op 2 mei van dit jaar op 79-jarige leeftijd.

 

Uit: De minnaar (Vertaald door Jeanette Bos)

“Henry nam een slok en minachting verdreef al zijn gedachten. Hij staarde naar Hawkes en wist dat het hem goed afging, dat zijn gezicht zijn gevoelens nooit verried, dat Hawkes dacht dat Henry geïmponeerd was en ingespannen luisterde om tussen de regels Hawkes’ geheim te zoeken. Henry voelde zich net een zalm die per ongeluk naar een zee vol haaien was gezwommen en alleen in leven was gebleven door zijn slimheid, door zich listig zozeer als de andere haaien te gedragen dat ze hem voor een van hen hielden. En hij had het overleefd. Maar toch, dacht hij terwijl hij Hawkes mond en wenkbrauwen zag bewegen maar geen woord hoorde, was er een probleem. Hij was een zalm, door de natuur voor iets beters bestemd, gezegend met het vermogen een heldhaftige prestatie te leveren en tegen de stroom op te tornen, de rivier op te zwemmen naar de bron om zijn eieren te leggen. Of deden alleen de vrouwtjes dat? Zwomme mannetjeszalmen ook stroomopwaarts? Hoe dan ook, hij had dat vermogen, dat iets in zich, maar kon er niets meer doen.”

marilynfrench

Marilyn French (New York, 21 november 1929 – 2 mei 2009)

 

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.

 Uit: Witte Liefde

 

Op officiële recepties van de gouverneur luister ik naar iemand. Dan merk ik ineens dat ik alleen nog maar het gelijkmatige roezemoezen in de ruimte hoor, de sprekersstem is veranderd in een klank, een motorboot, een wiekslag. Mijn voeten raken los van de grond, mijn hoofd zweeft enkele millimeters boven mijn nek en kantelt langzaam als een poppenhoofd naar alle kanten, wat niemand merkt. Het is een aangenaam gevoel, niets betekent meer iets, niets hoeft. Het is wegglijden in de beslotenheid van mijn eigen gedachten. Mij is wel eens gezegd dat ik op zo’n moment bijna devoot kijk, misschien moet je het bête noemen. Maar als ik zo ben, niks versta van wat ze zeggen, dan ben ik eigenlijk tevreden, dan weet ik dat er nog een wereld bestaat buiten die pratende monden, die patio, die receptie waar ik elegant hangend aan Rudi’s arm de mensen begroet en iedereen iedereens avondjurken met de exact bijpassende juwelen, tasjes en schoenen bewondert.’

(…)

 

“Hij staat op van het plankier, mijn kant zakt wat naar beneden, hij loopt een eindje weg, steekt zijn hand op en zwaait nog als hij van me af loopt. Bij de lichtblauwe Chrysler draait hij zich naar me om en lacht. Als hij wegrijdt, maakt de motor een lekker licht, ronkend geluid. Van de pomp, een meter of tien naast de ijskiosk, komt de geur van verse benzine gedreven, ik hoor het belletje en het zoemen van de meter.’

 

margriet_demoor

Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)

 

De Oostenrijkse schrijfster en vertaalster Veza Canetti werd als Venetiana Taubner-Calderon geboren op 21 november 1897 in Wenen. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.

 Uit: Die Schildkröten

 

Diese vielen Braunhemden in der Allee! Er steigt in den Garten wie ein Mensch, der nicht mehr hier wohnt. Der hier fremd ist und kein Recht hat. Zum ersten Mal war er unsicher in diesem Haus, obwohl doch eben die Frau, der es gehört, sich freundlich gezeigt hat, fast mit einer Miene, als beschütze sie ihn. Sie ist sonst klar im Kopf und gar nicht weich. Südtirol hat er ihr versprochen, sie tat ihm leid. Mein Gott, wie klein sind ihre Schmerzen, und seine haben in dem Garten nicht Platz. Man muß weglaufen, wenn auch mitten hinein in die braune Rotte. Denn, wenn man nicht läuft, bricht man zusammen. Nur nicht die Haltung verlieren. Schwer, sie zu bewahren, wenn man den Berg hinunterrast, mit großen Schritten ins Dorf hineinläuft.

(…)

 

Die Schildkröte lebt in einem harten Panzer, aber er wird ihr geraubt, weil er so schön ist, er schützt sie nicht und sie bleibt nackt.
Ihr Geheimnis ist Gleichmut. Sie lebt von nichts, von Luft, von Blättern, sie läßt sich zerschneiden, zerstückeln, zerreißen, und sie lebt weiter, stumm und schwer. Aber sie braucht Wärme.
Ohne Wärme muß sie sterben.
Erspäht sie der Geier, muß sie sterben. Er trägt sie hoch in die Luft, in seinen grausamen Krallen, und läßt sie am Felsen zerschmettern. Jetzt ist ihr Fleisch sein Fleisch, jetzt verzehrt er ihr Fleisch.
Erspäht sie der Tiger, muß sie sterben. Er legt sie um und nun ist sie verloren. Er zerfetzt sie und verzehrt ihr Fleisch. Er rast um sich und in wilder Kraft legt er alle um, alle, die er findet. Er läßt sie auf dem Rücken liegen und die Schildkröte auf dem Rücken muß verhungern. Es sei denn, es erspäht sie der Mensch. Er bewundert ihren Panzer, er glänzt so schön. Der Mensch bringt das Tier zum Glühen, damit der Panzer sich löst und sein Wunsch sich erfüllt. Ist es denn ein großer Wunsch? Der Mensch ist behutsam, er sieht bald, daß das Feuer den Glanz vermindert. Er wirft das Tier doch lieber in siedendes Wasser, damit der Panzer keinen Schaden nimmt. Das Gehäuse ist gerettet und das Tier kriecht todwund davon.“

 

VezaCanetti

Veza Canetti (*21 november 1897 – mei 1963)
Met haar echtgenoot Elias Canetti

 

De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Uit: Pillow Talk

 

By day, Petra Flint is a talented jeweller working in a lively London studio. By night, she sleepwalks. She has 40 carats of the world’s rarest gemstone under her mattress but it’s the skeletons in her closet that make it difficult for her to rest. The insomniac. At one time a promising song-writer, Arlo Savidge now teaches music at a boys’ boarding school in North Yorkshire. He assumes he’s happy with his isolated lifestyle. But, like Petra, ghosts from his past disturb his sleep. Putting the past to bed. Petra and Arlo loved each other from afar during their schooldays. Now, seventeen years later, in a tiny sweetshop one rainy day, they stand before each other once more. Could this be their second chance?”

North

Freya North (Londen, 21 november 1967)

 

De Engelse schrijver en crticus Sir Arthur Thomas Quiller-Couch werd geboren op 21 november 1863 in Bodmin, Cornwall. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Uit: Dead man’s Rock

 

Whatever claims this story may have upon the notice of the world, they will rest on no niceties of style or aptness of illustration. It is a plain tale, plainly told: nor, as I conceive, does its native horror need any ingenious embellishment.  There are many books that I, though a man of no great erudition, can remember, which gain much of interest from the pertinent and appropriate comments with which the writer has seen fit to illustrate any striking situation.

From such books an observing man may often draw the exactest rules for the regulation of li
fe and conduct, and their authors may therefore be esteemed public benefactors.  Among these I, Jasper Trenoweth, can claim no place; yet I venture to think my history will not altogether lack interest–and this for two reasons.  It deals with the last chapter (I pray Heaven it be the last) in the adventures of a very remarkable gem–none other, in fact, than the Great Ruby of Ceylon; and it lifts, at least in part, the veil which for some years has hidden a certain mystery of the sea.  For the moral, it must be sought by the reader himself in the following pages.

To make all clear, I must go back half a century, and begin with the strange and unaccountable Will made in the year of Grace 1837 by my grandfather, Amos Trenoweth, of Lantrig in the County of Cornwall. The old farm-house of Lantrig, heritage and home of the Trenoweths as far as tradition can reach, and Heaven knows how much longer, stands some few miles N.W. of the Lizard, facing the Atlantic gales from behind a scanty veil of tamarisks, on Pedn-glas, the northern point of a small sandy cove, much haunted of old by smugglers, but now left to the peaceful boats of the Polkimbra fishermen.

In my grandfather’s time however, if tales be true, Ready-Money Cove saw many a midnight cargo run, and many a prize of cognac and lace found its way to the cellars and store-room of Lantrig.  Nay, there is a story (but for its truth I will not vouch) of a struggle between my grandfather’s lugger, the Pride of Heart, and a certain Revenue cutter, and of an unowned shot that found a Preventive Officer’s heart.  But the whole tale remains to this day full of mystery, nor would I mention it save that it may be held to throw some light on my grandfather’s sudden disappearance no long time after.  Whither he went, none clearly knew.  Folks said, to fight the French; but when he returned suddenly some twenty years later, he said little about sea-fights, or indeed on any other subject; nor did many care to question him, for he came back a stern, taciturn man, apparently with no great wealth, but also without seeming to want for much, and at any rate indisposed to take the world into his confidence.”

 

Quiller

Arthur Quiller-Couch (21 november 1863 – 12 mei 1944)

 

De Duitse dichter en schrijver Wilhelm Friedrich Waiblinger werd geboren op 21 november 1804 in Heilbron. Zie ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Kunsturtheil

 

Kommen Sie doch, welch Gepinsel ist das, das ist ja erbärmlich,
Welch eine Farbe! – “Mein Herr, das ist ein Tizian doch!” –
Richtig – ein Tizian – es ist wahr – ich erkenn’ es, ja freilich –
Ja ’s ist ein Tizian – ist ein vortreffliches Bild.

 

 

Späte Einsicht

 

Die Lieb’ ist wie die Sonne,
Verwegner Uebermuth,
Der schaudernd in der Wonne
Der heißen Lebensgluth,
Den Lichtquell zu ergründen,
In seine Tiefe blickt,
Muß da zuletzt erblinden
Wo sich sein Herz entzückt.

Doch wer nur still bescheiden
Das sanfte Licht genießt,
Woraus ein Meer von Freuden
Für alle Wesen fließt,
Wer nie die letzte Quelle,
Nur ihre Wirkung sucht,
Den labt die Sonnenhelle,
Der keine Thräne flucht.

So denk’ ich oft und meine,
Daß ich wohl gut gedacht.
Doch wenn ich trostlos weine
Hinaus in all’ die Nacht,
Wenn sich mein Auge wendet
Zu Morgensternes Glanz,
Da fühl’ ich’s nicht geblendet,
Wohl aber blind es ganz

 

wilhelm_waiblinger

Wilhelm Waiblinger (21 november 1804 – 17 januari 1830)

 

De Franse schrijver Voltaire, (pseudoniem van François-Marie Arouet) werd werd op 21 november 1694 geboren in Parijs. Zie ook mijn blog van 21 november 2006 en ook mijn blog van 21 november 2007 en ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Uit: L’Ingenu

 

Un jour, saint Dunstan, Irlandais de nation et saint de profession, partit d’Irlande sur une petite montagne qui vogua vers les côtes de France, et arriva, par cette voiture, à la baie de Saint-Malo. Quand il fut à bord, il donna la bénédiction à sa montagne, qui lui fit de profondes révérences, et s’en retourna en Irlande par le même chemin qu’elle était venue. 

Dunstan fonda un petit prieuré dans ces quartiers-la, et lui donna le nom de prieuré de la Montagne, qu’il porte encore, comme un chacun sait. 

En l’année 1689, le 15 juillet au soir, l’abbé de Kerkabon, prieur de Notre-Dame de la Montagne, se promenait sur le bord de la mer avec Mlle de Kerkabon, sa soeur, pour prendre le frais. Le prieur, déjà un peu sur l’âge, était un très bon ecclésiastique, aimé de ses voisins, après l’avoir été autrefois de ses voisines. Ce qui lui avait donné surtout une grande considération, c’est qu’il était le seul bénéficier du pays qu’on ne fût pas obligé de porter dans son lit quand il avait soupé avec ses confrères. Il savait assez honnêtement de théologie; et, quand il était las de lire saint Augustin, il s’amusait avec Rabelais: aussi tout le monde disait du bien de lui. 

Mlle de Kerkabon, qui n’avait jamais été mariée, quoiqu’elle eût grande envie de l’être, conservait de la fraîcheur à l’âge de quarante-cinq ans. Son caractère était bon et sensible: elle aimait le plaisir, et était dévote. 

Le prieur disait à sa soeur, en regardant la mer: « Hélas! c’est ici que s’embarqua notre pauvre frère avec notre chère belle-soeur Mme de Kerkabon, sa femme, sur la frégate l’Hirondelle, en 1669, pour aller servir en Canada. S’il n’avait pas été tué, nous pourrions espérer de le revoir encore. 

— Croyez-vous, disait Mlle de Kerkabon, que notre belle-soeur ai
t été mangée par les Iroquois, comme on nous l’a dit? — Il est certain que, si elle n’avait pas été mangée, elle serait revenue au pays… Je la pleurerai toute ma vie… C’était une femme charmante; et notre frère, qui avait beaucoup d’esprit, aurait fait assurément une grande fortune. » 

 

voltaire
Voltaire (21 november 1694 – 30 mei 1778)
Beeld van Jean-Fracois Houdon, 1773

 

 

De Duitse schrijver en vertaler Franz Hessel werd geboren op 21 november 1880 in Stettin. Zie ook mijn blog van 21 november 2006. en ook mijn blog van 21 november 2008.

 

Uit: Spazieren in Berlin (1929)

 

„Lerne Gegenwart, sei nicht immer unterwegs. Es sieht ja reizend aus, wenn du beschwingten Schrittes an den noch Langsamen vorübergleitest und sicher durch die Menge zum Schaufenster steuerst, genau an der Stelle, an der du etwas Bestimmtes zu konstatieren hast. Aber mir geht der Atem aus, wenn ich deinen Knöcheln nachsehe, meine unverwandelbare Verehrung für dich bekommt

etwas Asthmatisches. Verweile doch … Nicht so faustisch, Fräulein! Bitte flaniere!

Das ist ein Fremdwort und wird ein fremder Begriff bleiben, bis du dich so bewegst, daß ein neues Wort von deinem schönen Gange redet. Lustwandeln ist zu kleinstädtisch. Berlinerin, schaff’ ein neues Wort. Mach’ einen Korso aus deinem westlichen Boulevard Tauentzienstraße- Kurfürstendamm.“

(…)

 

„Verfolge im Vorübergehn die Lebensgeschichte der Läden und der Gasthäuser. […] Wieviel Schicksal, Gelingen und Versagen kannst du aus Warenauslagen und ausgehängten Speisekarten ablesen, ohne daß du durch Türen trittst und Besitzer und Angestellte siehst. Da ist wieder das große Vorrecht des Spaziergängers. Er braucht nicht einzutreten, er braucht sich nicht einzulassen. Er liest die Straße wie ein Buch, er blättert in Schicksalen, wenn er an Hauswänden entlang schaut.“

 

Hessel

Franz Hessel (21 november 1880 – 6 januari 1941)