Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Charles Frazier, Klabund

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Hiernamaals

Als ik, nadat ik dood ben, nog
ergens rond mag dolen, laat het dan
op de markt zijn, in geur en kleur.
En mag die markt dan open zijn
onder de blote hemel. En mag ik dan
als vroeger met mijn moeder
zo’n puntzak gloeiend hete frites
(met veel zout uit zo’n gebutste
strooibus) met haar delen.

 

Kauwtje II

Hij vindt het rot om in een kooi te slapen.
Wanneer de avond op komt zetten en gaat waaien
wil hij de wolken in, maar weet niet
dat hij niet kan vliegen, alleen
dat hij vliegen wil. Wil vliegen. Zijn wakker
kraaloog houdt de tralies in de gaten
zodra hij kans ziet gaat hij, maar
weet niet dat de katten onder lage
takken liggen, wachten. Zijn harde snavel
staat half open, hij wil niet eten.
Kwaad hakt hij stukken uit de tak waarop hij zit.
Hij is alleen, zwart, vreemd
zoals de Griek, met zijn gebroken been,
die ook de warme kamer met stapelbedden
uit zou willen, de lucht in, meisjes zien,
nu op het draagbare radiootje naast zijn bed
ondraaglijk verre muziek heeft aangezet
even meeslepend en kleinerend als het kauw! kauw!
van torenkraaien hangend op de wind.

 

Het doorgestreepte blijft te lezen

Zo zijn het vaak onze meest eigene gedachten
de meest nabije, de meest schrijnende,
die wij door moeten strepen,
uit moeten krassen.

Wij praten, een gat in de nacht.

Dit is het schrikkeluur, de uitgesponnen
schrikseconde. Als honden
zetten wij de tanden in het vod
dat ons zo dierbaar is.

 

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

Lees verder “Judith Herzberg, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Charles Frazier, Klabund”

Willem van Toorn

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Willem van Toorn werd geboren in Amsterdam op 4 november 1935. Van Toorn werkte als chemisch analist, onderwijzer en als redacteur bij een uitgeverij. Hij is redacteur van Raster en was medewerker aan de literaire tijdschriften De Vlaamse Gids, Maatstaf, Hollands Maandblad, New Found Land en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Als vertaler vertaalde hij werk uit het Engels en Duits van uiteenlopende auteurs als John Updike en Franz Kafka. Van Toorn is ook de auteur van twee jeugdboeken: het met een Zilveren Griffel bekroonde “Rooie” (1991) en “Heer Doos” (1997). Op het terrein van de jeugdliteratuur was Van Toorn ook actief als vertaler, onder andere van het werk van Aidan Chambers en Marilyn Sachs. Hij werkte mee aan het standaardwerk over de historie van het kinderboek in België en Nederland: De hele Bibelebontse berg (1989).

Fabrique

Is dit nog wel een tuin? Wat moet ik met
deze pagode zonder goden, obelisk
die slechts zichzelf gedenkt, een niks
met niks verbindende brug uit Tibet.

Vijvers waar je ook kijkt. Wolken erin
maar van een mens geen spiegelbeeld. Ik buig
mij over leegte. Een jachthuis
waar nooit een jager in woonde. Onzin.

Vond ik je hier, was je een herderin
met valse blossen. Nagespeeld. Niet pluis.

 

Nieuwbouw

Zwevend achter de ruit
zijn wij in onze slaapkamer
vissen in lamplichtwater,
kleden ons schichtig uit.

Betasten angstig het lichaam,
buiken, ruggen en benen:
nog niets gebeurd. Behoedzaam
durven wij ons weer te kleden.

Op een avond, vroeger of later,
als we ons lichaam zien
is het zover: vinnen, water-
vingers. De eerste kieuw.

 
Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935)

Jan Boerstoel, Ann Scott, André Malraux, Joe Queenan

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Boerstoel werd geboren in Den Haag op 3 november 1944. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Jan Boerstoel op dit blog.

 

Het oude liedje

Het is weer herfst, de bollenvelden worden toegedekt
als kind’ren voor de nacht, maar déze nacht gaat maanden duren.
En aan de einder zie ik, hoe de rook van verre vuren
in paarse wolken langs de bleke najaarshemel trekt.
De zomer is voorbij en jij voorgoed van mij genezen.
Morgen zal het winter wezen.

De blaad’ren sterven en de laatste oogst wordt ingehaald.
Nog even en het vee gaat weer verdwijnen uit de weidden
en nu al lijkt het, door de flarden ochtendmist, bij tijden
tot wangedrochten uit het schimmenrijk te zijn vervaald.
Maar wie of wat geen warmte wacht, begint de kou te vrezen.
Morgen zal het winter wezen.

Alles wat in de kamer is herinnert nog aan jou,
als ik mijn ogen dicht doe, kan ik haast je stem nog horen.
Het bed heeft zelfs je warmte nog niet helemaal verloren,
alsof het zich verzet tegen de naderende kou.
Hoe zal ik ooit nog éne dag gelukkig zijn na dezen?
Morgen zal het winter wezen.

 

Souvenirs

Er wordt weer heel wat prachtigs mee naar huis genomen:
een asbak waar een wulpse Lorelei op prijkt,
een blikken Eiffeltoren die van koper lijkt,
een echte imitatiezijdensjaal uit Rome,

Manneke Pis in zakformaat dat ook kan plassen,
een heilige uit Benidorm (made in Taiwan)
van plastic en waarvan het lichtje branden kan
en stapels leuk bedrukte T-shirts, petjes, tassen.

Om maar te zwijgen over ziektes en de rest…
Wat dacht u van de Afrikaanse varkenspest?

 

 

Jan Boerstoel (Den Haag, 3 november 1944)

Lees verder “Jan Boerstoel, Ann Scott, André Malraux, Joe Queenan”

Oodgeroo Noonuccal, Dieter Wellershoff, Hanns Heinz Ewers, William Cullen Bryant

De Australische dichteres en schrijfster Oodgeroo Noonuccal (eig. Kathleen Jean Mary Ruska) werd geboren op 3 november 1920 in Minjerribah (Stradbroke Island) in Moreton Bay. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Oodgeroo Noonuccal op dit blog.

 

 

Namatjira

 

Aboriginal man, you walked with pride,

And painted with joy the countryside.

Original man, your fame grew fast,

Men pointed you out as you went past.

But vain the honour and tributes paid

For you strangled in rules the white man made:

You broke no law of the your own wild clan

Which says, “Share all with your fellow-man.”

What did their loud acclaim avail

Who gave you honour, then gave you jail?

Namatjira, they boomed your art,

They called you genius, then broke your heart.

 

 

The Bunyip

 

You keep quiet now, little fella,

You want big-big Bunyip get you?

You look out, no good this place.

You see that waterhole over there?

He Gooboora, Silent Pool.

Suppose-it you go close up one time

Big fella woor, he wait there,

Big fella Bunyip sit down there,

In Silent Pool many bones down there.

He come up when it is dark,

He belong the big dark, that one.

Don’t go away from camp fire, you,

Better you curl up in the gunya.

Go to sleep now, little fella,

Tonight he hungry, hear him roar,

He frighten us, the terrible woor,

He the secret thing, he Fear,

He something we don’t know.

Go to sleep now, little fella.

Curl up with the yella dingo.

 

 

Oodgeroo Noonuccal (3 November 1920—16 September 1993)

Cover 

Lees verder “Oodgeroo Noonuccal, Dieter Wellershoff, Hanns Heinz Ewers, William Cullen Bryant”

Am Allerseelentage (Annette von Droste-Hülshoff)

Bij Allerzielen

 

 

 

Allerseelentag auf dem Hedwigskirchhof door Franz Skarbina, 1896

 

 

 

Am Allerseelentage

“Es kömmt die Stunde, in welcher Alle,
die in den Gräbern sind, die Stimme des Sohnes
Gottes hören werden”

Die Stunde kömmt, wo Tote gehn,
Wo längst vermorschte Augen sehn.
O Stunde, Stunde, größte aller Stunden,
Du bist bei mir und läßt mich nicht,
Ich bin bei dir in strenger Pflicht,
Dir atm’ ich auf, dir bluten meine Wunden!

Entsetzlich bist du, und doch wert;
Ja meine ganze Seele kehrt
Zu dir sich, in des Lebens Nacht und Irren
Mein fest Asyl, mein Burggebiet
Zu dem die zähe Hoffnung flieht,
Wenn Angst und Grübeln wie Gespenster irren.

Wüßt’ ich es nicht, daß du gewiß
In jener Räume Finsternis
Liegst schlummernd wie ein Embryo verborgen,
Dann möcht’ ich schaudernd mein Gesicht
Verbergen vor der Sonne Licht,
Vergehn wie Regenlache vor dem Morgen.

Verkennung nicht treibt mich zu dir;
Mild ist die strengste Stimme mir,
Nimmt meine Heller und gibt Millionen.
Nein, wo mir Unrecht je geschehn,
Da ward mir wohl, da fühlt’ ich wehn
Dein leises Atmen durch der Zeit Äonen.

Doch Liebe, Ehre treibt mich fort
Zu dir als meinem letzten Port,
Wo klar mein Grabesinnre wird erscheinen.
Dann auf der rechten Waage mag
Sich türmen meine Schuld und Schmach
Und zitternd nahn mein Kämpfen und mein Weinen.

Vor dir ich sollte Trostes bar
Zergehen wie ein Schatten gar;
Doch anders ist es ohne mein Verschulden.
Zu dir als zu dem höchsten Glück
Wie unbeweglich starrt der Blick,
Und kaum, kaum mag die Zögerung ich dulden.

Doch da sich einmal Hoffnung regt,
So wird die Hand, die sie gelegt
In dieses Busens fabelgleichen Boden,
Sie wird den Keim, der willenlos
Und keinem Übermut entsproß,
Nicht wie ein Unkraut aus dem Grunde roden.

Wenn kömmt die Zeit, wenn niederfällt
Der Flitter, den gelegt die Welt,
Talent und Glück, ums hagere Gerippe:
Da steht der Bettler, schaut ihn an!
Dann ist die Zeit, um Gnade dann
Darf zitternd flehen des Verarmten Lippe.

Dann macht nicht schamrot mich ein Tand,
Dann hat gestellt die rechte Hand
Mich tief und ärmlich, wie ich es verdienet,
Dann trifft mich wie ein Dolchstoß nicht
Hinfort ein Aug’ voll Liebeslicht:
Ich bin erniedriget und bin gesühnet.

 

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Burg Hülshoff

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Désanne van Brederode, E. du Perron, Odysseas Elytis, Kees van den Heuvel, Thomas Mallon

De Nederlandse schrijfster Désanne van Brederode werd op 2 november 1970 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Désanne van Brederode op dit blog.

 

Uit: Stille zaterdag

 

“De straat die Sara had willen oversteken, leidde niet naar de overdekte winkelstraat, waar de bakker zat, de supermarkt, de groentezaak. Bovendien had ze haar grote canvas boodschappentas thuisgelaten. Het kon goed zijn dat ze wat verstrooid was geweest. Ze had in geen jaren meer een viergangendiner bereid.
‘Nerveus?’
‘Dat niet. Ik geloof wel dat ze er zin in had. Maar een perfectioniste als zij… Ze was die ochtend al om half zeven opgestaan, om het zilver te poetsen, dat soort dingen. Noem het een inhaalslag.’ Iedereen wist waar de weduwnaar op doelde. Bijna zeven jaar lang was hij huisman geweest, misschien tegen wil en dank, maar toch in elk geval zonder morren. Zijn Sara moest haar roeping kunnen volgen.
In de schoudertas van het slachtoffer waren sleutels gevonden. Van haar fiets, de auto, van het woonhuis aan de rand van het centrum en het tweede huis in Gelderland. Haar portemonnee en paspoort zaten erin, haar rijbewijs, een blikje anijssnoepjes, een opgevouwen zakdoek, een etui met daarin een lippenstift, een poederdoos, een oogpotlood. Verder de boodschappenlijst voor twee paasdagen, een gidsje over wijnen, en een boek met de titel Navolging van de Duitse theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer, in een Nederlandse vertaling.
Let wel: geen afscheidsbrief. Om geruchten dat het hier mogelijk een geslaagde zelfmoordpoging betrof de kop in te drukken, werd een paar dagen later in alle artikelen uitvoerig beschreven wat Sara Mijland ten tijde van het ongeluk op haar lichaam droeg. Niets wees erop dat ze met plannen rondliep. In haar jaszak zat alleen een kassabon van de chocolaterie die ze twee dagen eerder had bezocht. Vierhonderd gram paaseitjes, gemengd, en een ‘Luxe Geschenkhaas, wit, pralinevulling’. Bij elkaar opgeteld nog geen twintig euro. Waarom iemand zulke vertrouwelijke informatie had gelekt, werd in weer andere stukken aan de orde gesteld.”

 

 

Désanne van Brederode (Utrecht, 2 november 1970)

Lees verder “Désanne van Brederode, E. du Perron, Odysseas Elytis, Kees van den Heuvel, Thomas Mallon”

Bilal Xhaferri, Augusta Peaux, Jules Barbey d’Aurevilly, Leo Perutz, Daniil Andreyev

De Albanese dichter en schrijver Bilal Xhaferri werd geboren op 2 november 1935 in Ninat bij KonispolZie ook alle tags voor Bilal Xhaferri op dit blog en ook mijn blog van 2 november 2010

 

 

Janina in the Fall

 

Watery vale – the lake of Janina
Slouches in the morning mist,
Curved like tumuli, gull wings skit o’er the islet,
The wind bedecks the lanes and alleys with broad leaves,
Exotic mosques, neglected daughters of the Orient,
Pose sadly before Western tourists.
Come from beyond barb-wired border, the sons of Pyrrhos
Pace the port, heads bowed, under the lofty planes.

 

Autumn as bare as mini-skirted maidens
Rubs against the bearded, mossy walls,
There, where Frosina once fled from Ali Pasha
And plunged into the lake’s frigid waters.
Janina, too, timeworn and abandoned,
Sinks slowly into the lake
In its former, now forgotten glory,
To the muffled beat of war drums.
It subsides, as will new Joannina with its neon lights,
Under streams of cars careening down the asphalt streets,
Under its fresh hotels, the Xenia, Paladion,
To the ringing of bells and the chanting of psalms.

 

Watery vale – the lake of Janina,
Sways softly in the morning haze.
Come from beyond barb-wired border, the sons of Pyrrhos
Pace, heads bowed, in the plane-treed alleys,
Pensive their thoughts, seething their sorrow.

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

Bilal Xhaferri (2 november 1935 – 14 oktober 1986)
Detail van een momument

Lees verder “Bilal Xhaferri, Augusta Peaux, Jules Barbey d’Aurevilly, Leo Perutz, Daniil Andreyev”

Charlotte Mutsaers

De Nederlandse schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942 als dochter van de kunsthistoricus Barend Mutsaers, die werkzaam was aan de Universiteit Utrecht. Na haar gymnasiumopleiding ging ze eerst Nederlands studeren in Amsterdam, waarna ze docente Nederlands werd aan het Hoger beroepsonderwijs. Ondertussen doorliep ze de avondopleiding tekenen en schilderen aan de Gerrit Rietveld Academie, eveneens in Amsterdam. Kort na haar eindexamen in schilderen en vrije grafiek werd ze vrijwel onmiddellijk als docente schilderen aan deze academie benoemd. Ze heeft er meer dan tien jaar les gegeven. Behalve schilderijen en grafiek heeft Mutsaers ook postzegels ontworpen, illustraties gemaakt voor de Boekenbijlage van Vrij Nederland en talloze boeken van een omslag voorzien. Haar schilderijen werden onder meer geëxposeerd bij Piet Clement, in het Frans Hals Museum te Haarlem, het Gemeentemuseum van Arnhem, de Nieuwe Kerk te Amsterdam en Museum de Beyerd te Breda. In 2008 kreeg zij een grote overzichtstentoonstelling in de Venetiaanse Galerijen van Oostende. Op de tentoonstelling Paraat met pen en penseel in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag in 2010 werd Mutsaers’ dubbeltalent belicht. Rond haar veertigste begon Mutsaers met schrijven. In 1983 was ze te gast bij de eerste uitzending van Hier is… Adriaan van Dis. Op 7 juni 1992 trad zij op in het VPRO-programma Zomergasten. Op 2 april 2010 heeft de NPS de documentaire De wereld van Charlotte Mutsaers uitgezonden, een film van Suzanne Raes. In mei 2010 kreeg Mutsaers voor haar literaire verdiensten de P.C. Hooftprijs uitgereikt.

 

Uit: Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal ik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.
Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet Maurice Maillot. Aangenaam.
Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening”.

 

 

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

Am Allerheiligentage (Annette von Droste-Hülshoff)

Bij Allerheilgen

 

 

 

Allerheiligen door Albrecht Dürer,1511

Altaarstuk in Landau

 

 

 

Am Allerheiligentage

“Selig sind die Armen im Geiste”

Selig sind im Geist die Armen,
Die zu ihres Nächsten Füßen
Gern an seinem Licht erwarmen
Und mit Dienerwort ihn grüßen,
Fremden Fehles sich erbarmen,
Fremden Glückes überfließen:
Ja, zu ihres Nächsten Füßen
Selig, selig sind die Armen.

Selig sind der Sanftmut Kinder,
Denen Zürnen wird zum Lächeln
Und der Milde Saat nicht minder
Sprießt aus Dorn und scharfen Hecheln,
Deren letztes Wort ein linder
Liebeshauch durch Todesröcheln,
Wenn das Zucken wird zum Lächeln:
Selig sind der Sanftmut Kinder.

Selig sind, die Trauer tragen
Und ihr Brot mit Tränen tränken,
Über eigne Sünde klagen
Und der fremden nicht gedenken,
An den eignen Busen schlagen,
Fremder Schuld die Blicke senken:
Die ihr Brot mit Tränen tränken,
Selig sind, die Trauer tragen.

Selig, wen der Durst ergriffen
Nach dem Rechten, nach dem Guten
Mutig, ob auf morschen Schiffen,
Mutig steuernd nach den Fluten,
Sollte unter Strand und Riffen
Auch das Leben sich verbluten:
Nach dem Rechten, nach dem Guten,
Selig, wen der Durst ergriffen.

Die Barmherzigen sind selig,
So nur auf die Wunde sehen,
Nicht erpressend kalt und wählig
Wie der Schaden mocht’ entstehen,
Leise schonend und allmählich
Lassen drin den Balsam gehen:
So nur nach der Wunde sehen,
Die Barmherzigen sind selig.

Überselig reine Herzen,
Unbefleckter Jungfraun Sinnen,
Denen Kindeslust das Scherzen,
Denen Himmelshauch das Minnen,
Die wie an Altares Kerzen
Zündeten ihr klar Beginnen:
Unbefleckter Jungfraun Sinnen,
Überselig reine Herzen.

Und des Friedens fromme Wächter
Selig, an den Schranken waltend
Und der Einigkeit Verfechter
Hoch die weiße Fahne haltend,
Mild und fest gen den Verächter,
Wie der Daun die Klinge spaltend:
Selig, an den Schranken waltend,
Selig sind des Friedens Wächter.

Die um dich Verfolgung leiden,
Höchster Feldherr, deine Scharen,
Selig, wenn sie Alles meiden,
Um dein Banner sich zu wahren!
Mag es nie von ihnen scheiden,
Nicht in Lust noch in Gefahren!
Selig, selig deine Scharen,
Selig, die Verfolgung leiden!

Und so muß ich selig nennen
Alle, denen fremd mein Treiben,
Muß, indess die Wunden brennen,
Fremden Glückes Herold bleiben.
Wird denn nichts von dir mich trennen,
Wildes, saftlos, morsches Treiben?
Muß ich selber mich zerreiben,
Wird mich Keiner selig nennen?

 

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Burg Hülshoff

 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn vorige blog van vandaag.

80 Jaar Huub Oosterhuis, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Ilse Aichinger

80 Jaar Huub Oosterhuis

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Huub Oosterhuis viert vandaag zijn 80e verjaardag. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog en  ook mijn blog van 1 november 2010

 

 

Tijd van leven

 

Tijd van vloek en tijd van zegen

tijd van droogte tijd van regen

dag van oogsten tijd van nood

tijd van stenen tijd van brood.

Tijd van liefde, nacht van waken

Uur der waarheid dag der dagen

Uur de waarheid dag der dagen

Toekomst die gekomen is

woord dat vol van stilte is.

 

Tijd van troosten tijd van tranen

tijd van mooi zijn tijd van schamen

tijd van jagen nu of nooit

van hopen dat nog ooit.

Tijd van zwijgen zin vergeten

van nergens blijven niemand weten

tijd van kruipen angst en spijt

zee van tijd en eenzaamheid.

 

Wie aan dit bestaan verloren

nieuw begin heeft afgezworen

wie het houdt bij wat hij heeft

sterven zal hij ongeleefd.

Tijd van leven om met velen

Brood en ademtocht te delen

wie niet geeft om zelfbehoud

leven vindt hij honderdvoud.

 

 

 

Lied aan het licht

 

Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan.

koud, één voor één, en ongeborgen, licht overdek mij, vuur mij aan.

Dat ik niet uitval, dat wij allen zo zwaar en droevig zijn

niet uit elkaars genade vallen en doelloos en onvindbaar zijn.

 

Licht, van mijn stad de stedehouder, aanhoudend licht dat overwint.

Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik jouw kijkend kind.

Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt

waar mensen waardig leven mogen en elk z´n naam in vrede draagt.

 

Alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt.

Taal zal alleen verwoesting zaaien en van ons doen geen daad beklijft.

Veelstemmig licht, om aan te horen zolang ons hart nog slagen geeft.

Liefste der mensen, eerstgeboren licht, laatste woord van Hem die leeft.

 

 

 

Zijn onvergankelijk testament

 

Zijn onvergankelijk testament:
Dat Hij ons in de dood nog kent
de dagen van ons leven
ten dode opgeschreven
ten eeuwig leven omgewend.

 

 

 

Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

Lees verder “80 Jaar Huub Oosterhuis, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Ilse Aichinger”