Emily Brontë


Emily Brontë werd geboren in Thornton in Yorkshire op 30 juli 1818. In 1821 verhuisde de familie naar Haworth waar haar vader dominee was. Hier bloeide het literaire talent van de drie zusters op. Als kind al creëerden zij imaginaire landen die voorkwamen in verhalen die zij schreven. Slechts weinig werk van Emily uit deze tijd is bewaard gebleven. Samen met Charlotte ging Emily naar school in Brussel. Emily Brontë schreef poëzie en een roman, Wuthering Heights uit 1847. Dit boek behoort tot de klassiekers van de Engelse literatuur.

Uit: Wuthering Heights, laatste hoofdstuk:

 

 

“…

I distinguished Mr. Heathcliff’s step, restlessly measuring the floor, and he frequently broke the silence by a deep inspiration, resembling a groan. He muttered detached words also; the only one I could catch was the name of Catherine, coupled with some wild term of endearment or suffering; and spoken as one would speak to a person present; low and earnest, and wrung from the depth of his soul. I had not courage to walk straight into the apartment; but I desired to divert him from his reverie, and therefore fell foul of the kitchen fire, stirred it, and began to scrape the cinders. It drew him forth sooner than I expected. He opened the door immediately, and said – ‘Nelly, come here – is it morning? Come in with your light.’

‘It is striking four,’ I answered. ‘You want a candle to take up- stairs: you might have lit one at this fire.’

‘No, I don’t wish to go up-stairs,’ he said. ‘Come in, and kindle ME a fire, and do anything there is to do about the room.’

‘I must blow the coals red first, before I can carry any,’ I replied, getting a chair and the bellows

He roamed to and fro, meantime, in a state approaching distraction; his heavy sighs succeeding each other so thick as to leave no space for common breathing between.

‘When day breaks I’ll send for Green,’ he said; ‘I wish to make some legal inquiries of him while I can bestow a thought on those matters, and while I can act calmly. I have not written my will yet; and how to leave my property I cannot determine. I wish I could annihilate it from the face of the earth.’

‘I would not talk so, Mr. Heathcliff,’ I interposed. ‘Let your will be a while: you’ll be spared to repent of your many injustices yet! I never expected that your nerves would be disordered: they are, at present, marvellously so, however; and almost entirely through your own fault. The way you’ve passed these three last days might knock up a Titan. Do take some food, and some repose. You need only look at yourself in a glass to see how you require both. Your cheeks are hollow, and your eyes blood- shot, like a person starving with hunger and going blind with loss of sleep.’

‘It is not my fault that I cannot eat or rest,’ he replied. ‘I assure you it is through no settled designs. I’ll do both, as soon as I possibly can. But you might as well bid a man struggling in the water rest within arms’ length of the shore! I must reach it first, and then I’ll rest. Well, never mind Mr. Green: as to repenting of my injustices, I’ve done no injustice, and I repent of nothing. I’m too happy; and yet I’m not happy enough. My soul’s bliss kills my body, but does not satisfy itself.’

…”

 

 

 

 

Shall earth no more inspire thee

 

Shall earth no more inspire thee,
Thou lonely dreamer now?
Since passion may not fire thee,
Shall nature cease to bow?

Thy mind is ever moving,
In regions dark to thee;
Recall its useless roving,
Come back, and dwell with me.

I know my mountain breezes
Enchant and soothe thee still,
I know my sunshine pleases,
Despite thy wayward will.

When day with evening blending,
Sinks from the summer sky,
I’ve seen thy spirit bending
In fond idolatry.

I’ve watched thee every hour;
I know my mighty sway:
I know my magic power
To drive thy griefs away.

Few hearts to mortals given,
On earth so wildly pine;
Yet few would ask a heaven
More like this earth than thine.

Then let my winds caress thee
Thy comrade let me be:
Since nought beside can bless thee,
Return–and dwell with me.

 

 

 

 

Emily Brontë (30 juli 1818 – 19 december 1848)

 

 

Hilde Domin

De Duirse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zij was van Joodse afkomst en vluchtte daarom tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar toekomstige echtgenoot weg uit Duitsland waarnaar ze achtereenvolgens in Italië, Groot-Brittannië en de Dominicaanse Republiek (haar pseudoniem “Domin” verwijst naar de hoofdstad Santa Domingo) belandden. In 1954 keerde ze weer terug naar het toenmalige West-Duitsland. Na de oorlog begon ze met schrijven en dichten en één van haar bekendste gedichten was De moeilijkste wegen. Hilde Domin overleed op ruim 96-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heidelberg aan de complicaties van een beenbreuk ten gevolge van een val.

Frage

Nach dem kleinen Zusammenstoß
– ein Druck der Lippe genügt -,
wenn ich eine Wolke werde
oder ein Schiff ohne Anker
auf deinem Meer
oder, ganz einfach,
eine andere Form
für dich,
was wird aus dir?
Und wie vermeidest du’s,
am nächsten Morgen
ein wenig befangen zu sein?

 

 

Heckenrose

mit blassen Blättern
über dem engen Kelch.
Du gingst vorbei.
Da war ich eine Hagebutte,
bunt und voll Samen.

 

Ich träumte von einem gepflügten Feld,
du wie quellendes Korn
in der Furche.
Doch wie ich erwachte
da war mein Leib
kaum gewölbt
und unsere Stimmen
leichter als Wind
der mit dem Laub einer Birke spielt.

 

 

 

Schöner

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

 

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

 

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

 

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

 

Hilde Domin (27 juli 1909 –  22 februari 2006)

Charles Baudelaire en Elias Canetti

Nog meer Franse poëzie tijdens deze zwoele zomeravonden. Ditmaal van Charles Baudelaire.

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L’homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l’observent avec des regards familiers.

Comme de longs échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

II est des parfums frais comme des chairs d’enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d’autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l’expansion des choses infinies,
Comme l’ambre, le musc, le benjoin et l’encens,
Qui chantent les transports de l’esprit et des sens.

 

 

Correspondenties

 

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen

Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;

De mens doorkruist dit woud waarin symbolen schuilen

Die hem er met vertrouwde blikken gadeslaan.

 

Als langgerekte echo’s die van verre mengen

Tot eenheid vol van duister  en diepzinnigheid

Ontzaglijk als de nacht en als het zonnezengen,

Zijn geuren, kleuren, klanken tot één zin herleidt.

 

En zulke geuren zijn er, fris als kinderhuid,

Mild klinkend als hobo’s en groen zoals de steppen,

En andere – bedorven, zat van winst en buit,

 

Die onverholen van oneindigheden reppen,

Waaronder amber, muskus, mirre, wierookwalmen,

Die zins- en geestvervoering zingen in hun psalmen.

 

 

 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d’une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l’ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son oeil, ciel livide où germe l’ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair… puis la nuit ! – Fugitive beauté
Dont le regard m’a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l’éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d’ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j’ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j’eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

 

 

 

In het voorbijgaan

 

Rondom mij kreet de straat haar oorverdovend leven.

Een vrouw, lang, slank in rouwkleed, triest als een vorstin,

Schreed mij voorbij: vol luister was de hand, waarin

Festoen en rokzoom deinden in balans, geheven;

 

Als beeldsnijwerk de benen, adellijk en vlot:

Ik dronk, als een uitzinnige die krampen kwellen,

Uit ogen, bleek als lucht waarin orkanen zwellen.

Naast tederheid die kluistert dodelijk genot.

 

Een weerlicht… Dan de nacht! – O pracht die mij ontglijdt,

Die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,

Zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?

 

Niet hier, ver weg van hier! Te laat! Nooit meer misschien!

Want jóúw weg ken ik niet en jij volgt niet míjn sporen,

Jij die ik minnen zou, jij, die het hebt gezien!

 

 

 

De vertalingen zijn van Petrus Hoosemans en ze zij te vinden in:
Dichters van de avant-garde – de moderne Franse poëzie,

Samengesteld en ingeleid door Guus Luijters,

L.J. Veen, Amsterdam, 2003

Charles Baudelaire

 

Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Hij is vooral bekend geworden door ‘Het Martyrium’, zijn eerste en enige roman, en de sociaalfilosofische studie ‘Massa en Macht’.
Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld. Canetti ontving in 1981 de Nobelprijs voor de literatuur.

 

Citaten:

 

„Man mag drei- oder viertausend Menschen gekannt haben, man spricht aber immer nur von sechs oder sieben.“

 

„Feig, wirklich feig ist nur, wer sich vor seinen Erinnnerungen fürchtet“.

 

„Wie wenig du gelesen hast, wie wenig du kennst – aber vom Zufall des Gelesenen hängt es ab, was du bist.“

 

„Ich habe noch nie von einem Menschen gehört, der die Macht attackiert hat, ohne sie für sich zu wollen.“

 


Elias Canetti (25 juli 1905 – 14 augustus 1994)

 

 

Heinrich Böll


Rustige vakantiedagen, ook het warme weer en stroomstoringen spelen me parten. Moet ik hier vermelden dat Erle Stanley Gardner geboren werd op 17 juli 1889, de schepper van detective en advocaat Perry Mason? Die tv- serie was voor mijn tijd. Niet alleen Couperus stierf op een 16e juli, laat ik het daar maar op houden.

 

Zijn meest bekende werken zijn onmiskenbaar het uitzichtloze Billard um halb zehn, vervolgens ook Ansichten eines Clowns uit ’63 waarin hij, via een rebelse hoofdfiguur, grondig afrekent met allerlei vormen van burgerlijke pose met conservatieve waarden als gezin, staat en kerk. Bölls verhouding met de katholieke kerk is altijd erg problematisch geweest. Hoewel hij wel gelovig was, verwierp hij de onfeilbaarheid van de paus. Bovendien stond hij erg wantrouwig tegenover de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het (Nazi)regime, wel integendeel, en dus mee verantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in een miserabele Duitse maatschappij en ten slotte Gruppenbild mit Dame, waarin hij allerlei ambitieuze typetjes, notabele burgermannetjes en arrivisten met de billen bloot zet. Heinrich Böll stierf op 16 juli 1985. De herinnering aan hem leeft nog steeds, onder andere in de Heinrich-Böll-Foundation en het speciale Heinrich-Böll-Archief in de bibliotheek van Keulen.

 

 

Uit: Ansichten eines Clowns

 

„Es war schon dunkel, als ich in Bonn ankam, ich zwang mich, meine Ankunft nicht mit der Automatik ablaufen zu lassen, die sich in fünfjährigem Unterwegssein herausgebildet hat: Bahnsteigtreppe runter, Bahnsteigtreppe rauf, Reisetasche abstellen, Fahrkarte aus der Manteltasche nehmen, Reisetasche aufnehmen, Fahrkarte abgeben, zum Zeitungsstand, Abendzeitungen kaufen, nach draußen gehen und ein Taxi heranwinken. Fünf Jahre lang bin ich fast jeden Tag irgendwo abgefahren und irgendwo angekommen, ich ging morgens Bahnhofstreppen rauf und runter und nachmittags Bahnhofstreppen runter und rauf, winkte Taxis heran, suchte in meinen Rocktaschen nach Geld, den Fahrer zu bezahlen, kaufte Abendzeitungen an Kiosken und genoß in einer Ecke meines Bewußtseins die exakt einstudierte Lässigkeit dieser Automatik. Seitdem Marie mich verlassen hat, um Züpfner, diesen Katholiken, zu heiraten, ist der Ablauf noch mechanischer geworden, ohne an Lässigkeit zu verlieren. Für die Entfernung vom Bahnhof zum Hotel, vom Hotel zum Bahnhof gibt es ein Maß: den Taxameter. Zwei Mark, drei Mark, vier Mark fünfzig vom Bahnhof entfernt. Seitdem Marie weg ist, bin ich manchmal aus dem Rhythmus geraten, habe Hotel und Bahnhof miteinander verwechselt, nervös an der Portierloge nach meiner Fahrkarte gesucht oder den Beamten an der Sperre nach meiner Zimmernummer gefragt, irgendetwas, das Schicksal heißen mag, ließ mir wohl meinen Beruf und meine Situation in Erinnerung bringen. Ich bin ein Clown, offizielle Berufsbezeichnung: Komiker, keiner Kirche steuerpflichtig, siebenundzwanzig Jahre alt, und eine meiner Nummern heißt: Ankunft und Abfahrt, eine (fast zu) lange Pantomime, bei der der Zuschauer bis zuletzt Ankunft und Abfahrt verwechselt; da ich diese Nummer meistens im Zug noch einmal durchgehe (sie besteht aus mehr als sechshundert Abläufen, deren Choreographie ich natürlich im Kopf haben muß), liegt es nahe, daß ich hin und wieder meiner eigenen Phantasie erliege: in ein Hotel stürze, nach der Abfahrtstafel ausschaue, diese auch entdecke, eine Treppe hinauf- oder hinunterrenne, um meinen Zug nicht zu versäumen, während ich doch nur auf mein Zimmer zu gehen und mich auf die Vorstellung vorzubereiten brauche. Zum Glück kennt man mich in den meisten Hotels; innerhalb von fünf Jahren ergibt sich ein Rhythmus mit weniger Variationsmöglichkeiten, als man gemeinhin annehmen mag – und außerdem sorgt mein Agent, der meine Eigenheiten kennt, für eine gewisse Reibungslosigkeit. Was er “die Sensibilität der Künstlerseele” nennt, wird voll respektiert, und eine “Aura des Wohlbefindens” umgibt mich, sobald ich auf meinem Zimmer bin: Blumen in einer hübschen Vase, kaum habe ich den Mantel abgeworfen, die Schuhe (ich hasse Schuhe) in die Ecke geknallt, bringt mir ein hübsches Zimmermädchen Kaffee und Kognak, läßt mir ein Bad einlaufen, das mit grünen Ingredienzien wohlriechend und beruhigend gemacht wird. In der Badewanne lese ich Zeitungen, lauter unseriöse, bis zu sechs, mindestens aber drei, und singe mit mäßig lauter Stimme ausschließlich Liturgisches: Choräle, Hymnen, Sequenzen, die mir noch aus der Schulzeit in Erinnerung sind. Meine Eltern, strenggläubige Protestanten, huldigten der Nachkriegsmode konfessioneller Versöhnlichkeit und schickten mich auf eine katholische Schule. Ich selbst bin nicht religiös, nicht einmal kirchlich, und bediene mich der liturgischen Texte und Melodien aus therapeutischen Gründen: sie helfen mir am besten über die beiden Leiden hinweg, mit denen ich von Natur belastet bin: Melancholie und Kopfschmerz.“

 

 

 

Heinrich Böll
(21  december 1917 – 16 juli 1985)

 

 

WK Finale: Twee voetbalgedichten


Ter gelegenheid van de WK Voetbalfinale vanavond twee gedichten uit de bundel Ook wij waren winnaars van Pascal Delheye en Willie Verhegghe (De Geus, Breda, 2005)

 

 

Napoli

 

Aan de baai

bewegen de wijken

onder het ritme

van de armen.

 

Van bovenaf vallen wij

in het onderwater

en betreden de stad.

 

Maradona op elke straathoek.

Schrijnen en altaren bewieroken

de man die het Noorden vernederde.

De stad voor altijd aan zijn voeten.

 

Een bedelaar draagt nummer tien.

 

De stad van chaos,

de stad vol contrast.

De stad als vulkaan,

de stad als kloppend hart.

 

Maradonapoli.

 

Boven alles verheven

San Diego,

niet alleen zijn hand is heilig.

 

Een muurschildering,

gehuld in lichtblauw,

bal aan de linkervoet,

fonkeldonker de oogopslag.

 

Niemand hier

noemt hem Pluisje.

 

 

Zeger van Herwaarden

 

* Zeger van Herwaarden (1972) is (sport)journalist bij Het Parool en dichter. Hij publiceerde onder meer in Tijdschrift Schrijven, Ninive, Mens en Gevoelens en Nymph. Hij debuteerde in 2000 met zijn bundel Zoon van alle schrijvers en trad in de jaren negentig veelvuldig op in het Amsterdamse podiumcircuit. Hij schrijft naar Sleutelaars adagium: minder is meer.

 

 

 

 

 

Diego Maradona op een muur in Napels

 

 

 

 

Jan Mulder, Belgische mustang

 

Over reïncarnatie gesproken

gaf Johanna nadenkend te kennen

dat zij graag
terugkomen wilde

als een leuk heggetje.

Haar man Jan had een andere wens:

een wilde mustang leek hem het einde,

maar, zei hij, bij voorbaat teleurgesteld,

het zal wel uitdraaien op een Belgische knol.

 

Werken als een paard lag in zijn karakter,

altijd op het doel af, langs de kortste weg,

sjouwend met hangend hoofd

en harde hoge flanken.

Tot het tijd was voor de trap,

oerhard, een uithaal met de hoef,

rechts of links – geen probleem,

want deze midvoor was vierbenig,

bslagen door zijn vader, schoenmaker,

die zoonliefs voeten maatgevoel meegaf.

 

Winschoten, waar hij geboren werd

en zichzelf schoolde op de tegels

achter huis, bracht hem

als woord misschien op het idee

dat je alleen door te schieten kon winnen.

maar dan moest wel het veld

een groen laken zijn, de kalklijnen strak,

graag nog wat boomtoppen zichtbaar

om soms even over te dromen

en een voetbalbroek die hem geestelijk

niet hinderde, anders nam hij er zelf een mee

van huis, gewassen en gestreken.

 

In de vertrekhal van vliegveld Zaventem,

met Anderlecht onderweg

voor een uitwedstrijd ergens in het Oostblok,

bracht Johanna hem op het nippertje

de jobstijding van zijn vaders dood.

Hij ging toch en zette zijn verstikkend

verdriet om in onwerkelijke voetbalhandelingen.

gedragen door zijn vader

draafde hij voort, scoorde, scoorde…vier keer.

 

 

Theun de Winter

 

 

*Theun de Winter is schrijver, dichter en journalist en publiceerde o.a. Het gras voor mijn voeten: gedichten (2000). Hij groeide op op Texel. Om te studeren verruilde hij het eiland met Amsterdam. Toch bleef hij verlangen naar de plek van zijn jeugd. Op een zolderkamer in de hoofdstad schreef hij het bekende lied ‘Terug naar de kust’.

 

 

 

 

Jan Mulder en Tonnie van Leeuwen in de kleedkamer

 

 

Hans Verhagen en Anna Achmatova


Op deze slotavond van Poetry International nog een Nederlandse dichter, die daar afgelopen zondag al optrad.

 

Hans Verhagen (Vlissingen, 3 maart 1939) volgde een muzikale en journalistieke opleiding en werkte vanaf zijn zeventiende in de dag- en weekbladjournalistiek. Van 1962 tot 1966 was hij redacteur van de tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. In zijn eerste cyclische bundel, Rozen & motoren (1963), neemt hij afstand van de experimentele poëzie van de Vijftigers. De nadruk ligt bij hem op de combinatie van het onpoëtische en het romantische, zoals dat uit de titel spreekt. In zijn geserreerde, compacte verzen maakt hij gebruik van een weinig poëtische terminologie, vaak ontleend aan de techniek, waardoor deze het karakter krijgen van de `ready made’. Behalve als schrijver werd hij bekend door films en televisieprogramma’s, waaronder ‘Hoepla’ en ‘Het gat van Nederland’.  

 

 

 

Spiraal

 

Toekomst, onze troef van vroeger, wordt als heden

met een waterhoofd uit het verleden leeggeroofd en

in ontelb’re piepkleine stukjes met humbug versneden

gelijk een lijkwade in kwistig stromend rood

over de miljoenen uitgesnowd

 

Een uitverkoren testpiloot haalt z’n

uitzicht binnen, schort z’n inzicht op

en bestelt gregoriaans gezang

alvorens zich te boren in de picknick op de lawn

 

Vrijwel naadloos is zijn overgang,

maar met zo’n neerwaartse spiraal als inspiratiebron

zie je steeds meer loslopende profeten hoopvol

kopje-onder gaan in stilstaand water

Om daar stil te blijven staan.

 

 

 

 

Portret

 

Man, 21ste eeuw

Oogopslag vol woede, kinnenbak met kloten van de

bok, maar woorden

die te lang alleen maar lol hebben getrapt in molshopen

 

Heeft zich in zijn zwijgen een loodgrijze wijsaard aangeschaft

die ook maar één boek heeft gelezen

daarom doet geportretteerde eerder denken aan een duif

dan aan een totaler wezen

 

Zou per vleugel door betoverende verten kunnen fascineren

maar prefereert gescharrel aan de grond

en, verkerend met de mens, op 2 poten potverteren



© 2004, Hans Verhagen
Uit: Moeder is een rove
Nijgh & van Ditmar, 2004

 

 

 

 

Hans Verhagen (Vlissingen, 3 maart 1939)  

 

 

 

De Russische schrijfster Anna Andrejevna Achmatova was de echtgenote van de tijdens het schrikbewind van Stalin in 1921 omgekomen schrijver Nikolai S. Gumiljov. Het dichtwerk van Anna Andrejevna Achmatova is zeer symbolisch van aard. Het werk van Achmatova was verboden tijdens de Stalintijd. In 1956 werd de schrijfster gerehabiliteerd, waarna er verschillende werken in Rusland konden verschijnen. Het werk “Requiem” (1963) is gewijd aan de offers van het stalinisme. Haar belangrijkste publicatie “Gedicht zonder held” verscheen in 1977 en geeft een poëtische weergave van de Russische geschiedenis.

 

 

 

Waardoor is deze eeuw slechter dan de vorige?

Is het misschien omdat zij in een roes van droefheid

En angst de zwartste zweer heeft aangeraakt,

Die zij echter niet genezen kon?

 

In het westen schijnt nog een aardse zon

En de daken van de steden glanzen in haar stralen.

Hier echter merkt de witte dood de huizen met kruisen

En wenkt de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

 

 

 

1919

Vertaling Miriam Van hee

Uit; En de nacht belooft geen dageraad

 

 

 

Aan de dood

 

Je komt toch ooit – waarom dan niet direct? Ik wacht,

Ik ga hier bijna aan ten onder.

De deur heb ik ontgrendeld, uitgedoofd het licht,

Voor jou, voor dit eenvoudig wonder.

Hoe je er uit wilt zien – dat laat ik aan jou over.

Je kunt me met een kogel vellen,

Je kunt mijn hoofd inslaan, als een ervaren rover,

Of in een walm van tyfus hullen.

Of haal me met een sprookje dat je elf verzon

– Het is berucht en het wekt weerzin –

Zodat ik bij de deur de blauwe muts zal zien

En, doodsbenauwd, de huisbeheerder.

Het is me allemaal gelijk. De poolster schijnt,

En van de Jenisej stijgt damp omhoog,

En de verschrikking die nog achterbleef verdwijnt

In blauwe, teer-beminde ogen.

 

 

 

Vertaling Hans Boland

Uit; In andermans handen, Amsterdam 1981

 

 

 

 

 

Anna  Achmatova (23 juni 1889 – 5 maart 1966)

 

 

 

 

W. B. Yeats


William Butler Yeats  was een Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus. Hij was ook een Iers senator in de 20er jaren. In 1923 won hij de Nobelprijs voor Literatuur. Aan het eind van de winter in 1938 verliet hij Ierland in slechte gezondheid. Hij overleed te Roquebrune, met uitzicht op Monaco, op 28 januari 1939, en werd daar begraven. In september 1948 werd zijn stoffelijk overschot naar Ierland gebracht en hij werd opnieuw begraven, nu op de begraafplaats van zijn grootvaders parochie in Drumcliff, county Sligo. Een steen met inscriptie zoals Yeats had aangegeven markeert de plaats: Cast a cold Eye; on Life, on Death. Horseman pass by!

The Second Coming  

TURNING and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

 

O Do Not Love Too Long

SWEETHEART, do not love too long:
I loved long and long,
And grew to be out of fashion
Like an old song.
All through the years of our youth
Neither could have known
Their own thought from the other’s,
We were so much at one.
But O, in a minute she changed –
O do not love too long,
Or you will grow out of fashion
Like an old song.

 

No Second Troy

WHY should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great.
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?

 

William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)

Portret van Gavin Bloor.

 

 

Thomas Hardy en Markies de Sade


De Engels romanschrijver en dichter Thomas Hardy werd geboren in Higher Bockhampton, bij Dorchester in het graafschap Dorset. Hij was de zoon van een steenhouwer en volgde van 1862 – 1867 een opleiding tot architect. Na enige jaren als architect te hebben gewerkt, besloot hij zich geheel toe te leggen op het schrijven. In zijn werk put hij regelmatig uit deze achtergrond en ervaring.

 

Tussen 1871 en 1895 schreef hij 13 romans. Zijn eerste werk, ‘The Poor Man and the Lady’, werd geweigerd door de uitgevers, waarop Hardy het manuscript vernietigde. Hij kreeg echter de nodige adviezen en aanmoediging en hij besloot door te gaan. Zijn twee volgende werken verschenen anoniem. Na drie gepubliceerde romans bleek hij de juiste vorm en toon gevonden te hebben en bereikte hij zijn doorbraak met ‘Far from the Madding Crowd’. Hij werd vervolgens een gevierd auteur, die zijn plaats in de literaire wereld had veroverd.

Hardy stopte met zijn prozawerk na ‘Jude the Obscure’ (1895), omdat hij voor dit werk, evenals voor ‘Tess’, veel kritiek had gekregen op de kennelijke antihuwelijks-houding en de voor die tijd als immoreel geziene inhoud. Hierna richtte hij zich op zijn grote liefde, de poëzie, waarmee hij opnieuw veel succes oogstte.  

 

 

The man he killed

 

“Had he and I but met

By some old ancient inn,

We should have sat us down to wet

Right many a nipperkin!

 

“But ranged as infantry,

And staring face to face,

I shot at him as he at me,

And killed him in his place.

 

“I shot him dead because —

Because he was my foe,

Just so: my foe of course he was;

That’s clear enough; although

 

“He thought he’d ‘list, perhaps,

Off-hand like — just as I —

Was out of work — had sold his traps —

No other reason why.

 

“Yes; quaint and curious war is!

You shoot a fellow down

You’d treat if met where any bar is,

Or help to half-a-crown.”

 

 

 

The wind blew words
 

 The wind blew words along the skies,
And these it blew to me
Through the wide dusk: “Lift up your eyes,
Behold this troubled tree,
Complaining as it sways and plies;
It is a limb of thee.

“Yea, too, the creatures sheltering round –
Dumb figures, wild and tame,
Yea, too, thy fellows who abound –
Either of speech the same
Or far and strange–black, dwarfed, and browned,
They are stuff of thy own frame.”

I moved on in a surging awe
Of inarticulateness
At the pathetic Me I saw
In all his huge distress,
Making self-slaughter of the law
To kill, break, or suppress.      

 

 

 

 

Thomas Hardy (2 juni 1840 – 11 januari 1928)

 

Donatien Alphonse François, markie
s de Sade 
werd geboren op 2 juni 1740 in Parijs. Lange tijd werden zijn werken als pornografie beschouwd. Sades libertijnse en atheïstische levensopvattingen brachten hem vaak in conflict met de overheid, maar zouden evenmin als een aantal seksuele vergrijpen tot veroordeling geleid hebben, als zijn schoonfamilie hem niet door middel van een ‘lettre de cachet’ zou hebben aangeklaagd. Sinds 1768 bracht hij vele jaren door in verschillende gevangenissen (o.a. Vincennes, Bastille), tot hij door de Franse Revolutie in 1790 werd bevrijd. Zijn gedurende zijn gevangenschap geschreven roman Justine werd samen met het vervolg, Juliette, in tien delen gepubliceerd (1791–1797). Napoleon liet hem in 1801 arresteren en veroordelen tot opsluiting in het krankzinnigengesticht te Charenton. Daar verbleef De Sade tot zijn dood, waarna een koffer met manuscripten gevonden werd. 

Naar aanleiding van De Sades werken lanceerde Richard von Krafft-Ebing in zijn Psychopathia sexualis (1889) de term sadisme. 

 

 

Citaten:

 

  “Sans les lois et les religions, on n’imagine pas le degré de gloire et de grandeur où seraient aujourd’hui les connaissances humaines ; il est inouï comme ces indignes freins ont retardé les progrès ; telle est la seule obligation qu’on leur ait”.

 

  “Que l’on compare les siècles d’anarchie avec ceux où les lois ont été le plus en vigueur, sous tel gouvernement que l’on voudra, on se convaincra facilement que ce n’est que dans cet instant du silence des lois qu’ont éclaté les plus grandes actions”.

 

“Je ne m’adresse qu’à des gens capables de m’entendre et ceux-là me liront sans danger”.  

 

 

 

 

Markies De Sade (2 juni 1740    2 december 1814)

 

 

 

De Coninck, Spinoy en Pope


Herman de Coninck werd op 21 februari 1944 te Mechelen geboren. Na een periode als lesgever (1966-1970), onderbroken door zijn militaire dienst in Duitsland (1967), werd hij vanaf augustus 1970 redacteur bij het weekblad Humo. Samen met Piet Piryns verzamelde hij de voor dit blad verzorgde interviews in Woe is woe in de Nedderlens (1972). De Coninck werkte voor poëzie mee aan Ruimte, De Standaard en Tirade. In 1983 verliet hij het weekblad Humo om hoofdredacteur te worden van het Nieuw Wereldtijdschrift. De relativerende en vaak ironiserende gedichten in zijn debuut Lenige liefde (1969) verraden invloed van o.a. de Tirade-dichters. Voor zijn debuutbundel ontving De Coninck de Yang-prijs (1969) en de Prijs van de Provincie Antwerpen (1971).

Bundels: Zolang er sneeuw ligt (1975), Met een klank van hobo (1980, De hectaren van het geheugen (1985), De flaptekstlezer (1992), Intimiteit onder de melkweg (1994).

Prijzen: o.a. Prijs van de Vlaamse Provincieën (1978), Prijs van de Vlaamse Gids (1982), Campertprijs (1986), Gouden Uil (1995). Op 22 mei 1997 overleed De Coninck in de Portugese hoofdstad Lissabon tijdens een congres over literatuur plots aan een hartstilstand. Hij was 53 jaar oud.   

 

 

Sneeuwstorm

 

In mijn streek zegt men ‘ver’ in de zin van 
‘bijna’. Het is al ‘ver’ winter. 
En zo ver is het inderdaad. Sneeuw is eeuwig leven 
op een wit blad zonder letters geschreven, 

niets is nog hier, alles is ginder. 
Zoals dat boerderijtje, tien vadem 
onder de sneeuw. Sneeuw doet het landschap 
wat longen doen bij het inhouden van adem, 

wat ik doe door niet te zeggen 
hoe ik me tastend op alle plaatsen 
en duizend keer per minuut en amechtig 

en toch zoekend en bijna plechtig, 
en lief en definitief, op jou wil neerleggen 
als sneeuw, van de eerste vlok tot de laatste.  

 

 

 

Poëzie

 

Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:

zo helpt poëzie.     

 

 

Uit: Met een klank van hobo (1980) 

 

 

 

Herman de Coninck
(21 februari 1944 – 22 mei 1997)

 

Erik Spinoy (22 mei 1960) werkt als docent moderne Nederlandse literatuur aan de universiteit van Luik. Hij publiceerde eerder de gedichtenbundels De jagers in de sneeuw (1986, Vlaamse poëzieprijs), Susette (1990, Hugues C. Pernathprijs), Fratsen (1993) en De smaak ervan (1995) en Boze wolven (2002).

 

De muur

Een composthoop en, erboven,
slierten traag vervluchtigende rook. Op
het erf een kar met groenvoer. Groene halve
staldeuren. En op de strakke, spiegelende beek
lichtbruine vlekken, bladerdek. Roerloos

wou je zijn, onbewogen blijven. Maar het
is het rood, het rood van de klimop,
dat, hoe onmerkbaar ook, vijfhoekig blad
na blad verliest, en neervalt. Blik

na blik wordt alles weggeplukt, totdat
hij zelf verschijnt. De muur is
zuiver muur. Als hij zich toont,
zinkt ook je moed. Je kunt niet spreken

in zijn ondraaglijk gezicht. Je kunt pas spreken
na het camoufleren.


 

Isis en haar goddelijke vriendinnen

 

Van hoge rotsen druipt het
avondrood.

De wind waait

door uw kleren heen.

Het lied klinkt vals en

bodemloos.


Bij de citroenboom zingt een ezel uit

antieker tijd. Verblind is hij

waar hij gebiedt:


‘Knielt! Ik ben alles wat

ooit was en is en zijn zal.

Mijn sluier heeft geen sterveling gelicht.’


Waarop, verheven, niets gebeurt.

Geen voorhang scheurt.

Geen kruis wordt opgericht.  

 

 

Erik Spinoy         

 

 

              

Erik Spinoy (22 mei 1960)

 

De Engelse dichter Alexander Pope was een zoon van katholieke ouders en kreeg voornamelijk huisonderwijs. Hij had een zwakke gezondheid en, mogelijk als gevolg van tuberculose in zijn jeugd, een verstoorde lichaamsgroei. Hij werd slechts 1,37 m lang. Al sinds zijn twaalfde jaar schreef hij verzen, vaak imitaties van andere schrijvers. Zijn meest originele werk uit die tijd was Pastorals (1709).

Zijn eerste echt grote werk was An Essay on Criticism uit 1711. Andere bekende werken uit die tijd waren The Rape of the Lock (1712, herziene versie 1714) en zijn vertalingen van Homerus’ Ilias en Odyssee (1715-1726). Deze laatste werken leverden hem het geld op om zich terug te kunnen trekken in een landhuis in Twickenham, waar hij de rest van zijn omvangrijke werk schreef
.

Hij schreef voornamelijk in de vorm van ‘heroic couplets’: series van meestal tien-lettergrepige op elkaar rijmende regels. Hierin ontwikkelde hij zich tot een ware meester.

 

 

ODE ON SOLITUDE

Happy the man, whose wish and care
A few paternal acres bound,
Content to breathe his native air,
In his own ground.

Whose herds with milk, whose fields with bread,
Whose flocks supply him with attire,
Whose trees in summer yield him shade,
In winter fire.

Blest! who can unconcern’dly find
Hours, days, and years slide soft away,
In health of body, peace of mind,
Quiet by day,

Sound sleep by night; study and ease
Together mix’d; sweet recreation,
And innocence, which most doth please,
With meditation.

Thus let me live, unseen, unknown;
Thus unlamented let me dye;
Steal from the world, and not a stone
Tell where I lye.  

 

 

 

 

Alexander Pope (21/22 mei 1688 – 30 mei 1744)  

 

Friedrich Rückert en Miguel Declercq


Friedrich Rückert werd op 16 mei 1788 in Schweinfurt geboren. Hij was een taalgenie en een veelschrijver die zijn gelijke niet kent, maar dat heeft zijn blijvende roem eerder tegengewerkt dan bevorderd. Ook een zeer vlijtige hedendaagse lezer stuit dan al gauw op de grenzen van zijn opnamecapaciteit. Bovendien heeft veel van zijn werk een didactisch karakter (waar de omstandigheid dat hij 10 kinderen had niet vreemd aan zal zijn). Zin beroemdste werk in dit verband is  de Weisheit des Brahmanen dat in de periode 1836 – 38 verscheen in zes delen.

 

Populair werd hij met zijn Geharnischten Sonetten die hij onder het pseudoniem Freimund Reimar schreef tegen de napoleontische bezetting. Deze sonnetten werden echter pas later, na de beeindiging van de “ Befreiungskriege“ gepubliceerd. Aangrijpend zijn de Kindertotenlieder waarin hij klaagt over de vroegtijdige dood van twee van zijn lievelingskinderen in 1833/34. Verschillende van deze gedichten zijn door Mahler op muziek gezet en zo bij een groter publiek bekend gebleven. Wat echter minder mensen weten is dat hij wel meer dan 400 van deze Kindertotenlieder schreef. Rückert stierf op 31 januari 1866.

 

Uit de Kindertotenlieder:

Du bist ein Schatten am Tage
Und in der Nacht ein Licht;
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht.

Wo ich mein Zelt aufschlage
Da wohnst Du bei mir dicht;
Du bist mein Schatten am Tage
Und in der Nacht mein Licht.

Wo ich auch nach Dir frage
Find ich von Dir Bericht,
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht.

Du bist ein Schatten am Tage
Und in der Nacht ein Licht;
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht. 

                 *

 Wenn dein Mütterlein

 tritt zur Tür herein,

 Und den Kopf ich drehe,

 ihr entgegen sehe,

 Fällt auf ihr Gesicht

 erst der Blick mir nicht,

 Sondern auf die Stelle,

 näher nach der Schwelle,

 Dort, wo würde dein

 lieb Gesichten sein,

 Wenn du freudenhelle

 trätest mit herein,

 Wie sonst, mein Töchterlein.

 

 Wenn dein Mütterlein

 tritt zur Tür herein,

 Mit der Kerze Schimmer,

 ist es mir, als immer

 Kämst du mit herein,

 huschtest hinterdrein,

 Als wie sonst ins Zimmer!

 O du, des Vaters Zelle,

 Ach, zu schnelle

 erloschn
er Freudenschein!

 

Uit de Geharnischte Sonnette:

 

Was schmiedst du, Schmied? »Wir schmieden Ketten, Ketten!«
Ach, in die Ketten seid ihr selbst geschlagen.
Was pflügst du, Bau’r? »Das Feld soll Früchte tragen!«
Ja, für den Feind die Saat, für dich die Kletten.
   

Was zielst du, Schütze? »Tod dem Hirsch, dem fetten.«
Gleich Hirsch und Reh wird man euch selber jagen.
Was strickst du, Fischer? »Netz dem Fisch, dem zagen.«
Aus eurem Todesnetz wer kann euch retten?
   

Was wiegest du, schlaflose Mutter? »Knaben.«
Ja, dass sie wachsen und dem Vaterlande,
Im Dienst des Feindes, Wunden schlagen sollen.
   

Was schreibest, Dichter, du? »In Glutbuchstaben
Einschreib’ ich mein und meines Volkes Schande,
Das seine Freiheit nicht darf denken wollen.«   

 

 

Dit werd vertaald door ons aller Nicolaas Beets, maar hij vermocht de vorm van het sonnet daarbij niet te behouden!

Onder ’t vreemde juk

(Uit Rückert’s Geharnischte Sonnette, verechenen ten jare 1814.)

 

Wat smeedt gij, Smid? „Wij smeden enkel keetnen.”
Helaas, uw eigen hand omklemt een boei.”
Wat ploegt gij Boer?
„Opdat de veldvrucht groei!”
Ja, voor den vijand tarw, voor u brandneetlen

 

Wat zoekt gij, Weiman? „Haar en veer, ten buit.”
Hoor ’t jachtrumoer van die Uw leven zoeken.
Wat doet gij, Visscher?
„’t Watervolk verkloeken.”
Wie breekt het net; dat om uw leden sluit?

 

Wat wiegt gij, Moeders! en verbiedt u ’t slapen ?
„Een frissche teelt van forsch gespierde knapen.”
Ja om, in ’s Vreemdlings dienst, hun Vaderland
Ten bloede toe te slaan met eigen hand.

 

Wat schrijft gij, Dichter? „’k Grif in gloênde letteren
Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand,
Dat wij aan onzen kerkerwand
De onteerde hoofden niet verpletteren!”  

 

Nicolaas Beets

 

 

Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866)

En zomaar, omdat ik hem door een typfout in Google ineens tegen kwam:

Miguel Declercq (Oostende 1976) publiceerde gedichten in de meest diverse literaire tijdschriften; van kleine, soms gefotokopieerde blaadjes, over Deus Ex Machina en Yang, tot Nederlandse bladen als De Revisor, Maatstaf en Parmentier. Vooral Yang speelde een belangrijke rol in de ‘ontdekking’ van Declercq. Behalve poëzie publiceerde hij in Yang ook een fragment uit de roman waaraan hij werkte. Dat werd opgemerkt door uitgeveri
j De Arbeiderspers. Redacteur Peter Nijssen belde Declercq op en nodigde hem uit voor een gesprek in Amsterdam. Bij die afspraak had Declercq zijn poëziebundel Person@ges meegebracht. De Arbeiderspers besliste om die poëziebundel eerst uit te geven. Pas later vernam Miguel Declercq dat Bart Vanegeren, toen scout voor De Arbeiderspers, de uitgever op zijn tijdschriftenpublicaties gewezen had. Na Person@ges in 1997 verschijnt de roman Wat Chloé overkwam in het voorjaar 1999 bij De Arbeiderspers. Person@ges werd bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs.

 


Condomen, geld, placebo’s, sigaretten, keelgeluid,
een yoghurtwitte ladyshave, meringueputti, vier
oranjeschillen, chips, prothesen, een injectiespuit,
frambozen door een blik omarmd, een glitterjurk, papier,
pantoffelhouten kelkenbakjes, hasjiesj, nagellak,
een jampot die bonbons bevat, een serpentinepruik,
madonna van de sites, gelei, Flaubert, een lip, Balzac,
een watertrampolinebed, een glazen onderbuik,
muziek, ivoren oorringen, een linnenkist, een leeg
aquarium met kalkaanslag, rood ondergoed, een blauw
tapijt, een rocking chair, gebak, omhuld met bladerdeeg,
een dobbelsteen, bottines, snippers, as en vliegertouw
verblijven hier onaangetast. Er is geen hand die duidt.
Quarkmatig zwermt het avondlicht over de kamer uit.

 

 

Miguel Declercq  ( uit: Person@ges (1997)  

 

 

 

Miguel Declercq