Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith, Marie Koenen, Gustav Meyrink, Eugénio de Andrade, Thomas Gsella

De Engelse schrijver Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.

Uit: Het tumult van de tijd (Vertaald door Ronald Vlek)

“Het gebeurde midden in de oorlog, op een perron, even vlak en stoffig als de eindeloze steppe die het omringde. De wachtende trein was twee dagen geleden uit Moskou vertrokken, in westelijke richting; nog twee of drie dagen te gaan, afhankelijk van kolenvoorraad en troepenbewegingen. Het was kort na zonsopgang, maar de man – in werkelijkheid maar een halve man – was al bezig zich op een platte lorrie met houten wielen naar de slaaprijtuigen te stuwen. Er was geen andere manier om het geval voort te bewegen dan aan de voorkant te wrikken, en om te voorkomen dat hij zijn evenwicht verloor had hij een touw onder de lorrie door gehaald en door zijn broeksband gestoken. De handen van de man waren omzwachteld met smerige repen stof en zijn huid was gehard door het bedelen op straten en stations.
Zijn vader was een overlevende geweest van de vorige oorlog. Hij was vertrokken met de zegen van de dorpspriester om te gaan vechten voor het vaderland en de tsaar. Toen hij terug was gekomen waren de priester en de tsaar inmiddels verdwenen, en was zijn vaderland niet meer hetzelfde geweest. Zijn vrouw had gegild toen ze zag wat de oorlog met haar man had gedaan. Nu woedde er opnieuw een oorlog, en was dezelfde indringer weer terug, al waren de namen veranderd; de namen aan beide kanten.
Maar verder was er niets veranderd: jonge mannen werden nog steeds door kanonnen aan flarden geschoten en vervolgens door chirurgen ruw opengesneden. Zijn eigen benen waren afgezet in een veldhospitaal te midden van kapotgeschoten bomen. Allemaal voor een hoger doel, zoals dat de vorige keer ook het geval was geweest. Het liet hem koud. Laat anderen daar maar over twisten; zijn enige zorg was het einde halen van de volgende dag. Hij was verworden tot een techniek om te overleven. Beneden een bepaald niveau werden alle mannen dat: een techniek om te overleven.
Enkele passagiers waren uitgestapt om zich even te vertreden in de stoffige lucht; andere zaten met hun gezicht voor de ramen van de rijtuigen. Terwijl de bedelaar naderbij kwam, hief hij luidkeels een obsceen soldatenlied aan. Sommige passagiers zouden hem misschien een paar kopeken toewerpen als dank voor het vertier; andere hem betalen om zich te verwijderen.”

 

 
Julian Barnes (Leicester, 19 januari 1946)

 

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Goldberg

“Goldberg beschouwde ik als een volkomen oninteressant fenomeen. Niet meer dan een voetnoot bij Bach, de componist op wie ik wilde afstuderen. Een onderzoek naar wat we echt weten over de grootste componist die ooit heeft geleefd, leek mij een prachtig onderwerp voor een scriptie aan de faculteit Muziekwetenschappen te Utrecht, bedacht ik op de fiets naar de afspraak met mijn docent. Als we spreken over wat zeker is met betrekking tot het leven van Johann Sebastian Bach zijn we namelijk snel uitgeluld, dat is ongeveer evenveel als wat bekend is over het bestaan vanwillekeurig welke andere achttiende-eeuwer: vrijwel niets. En nog minder weten we trouwens over Goldberg.
Ik legde mijn docent uit dat ik me aan de feiten wilde houden die we kunnen bewijzen met behulp van bronnen, zoals archiefstukken, brieven, dagboeken, contemporaine publicaties die op Bach betrekking hebben. ‘De rest is ruis,’ zei ik.
Toebos was gematigd enthousiast en zei: ‘Je geeft zelf al aan dat je scriptie aan de magere kant zal zijn, maar vooruit.’ Misschien gaf hij me alleen toestemming om dit onderwerp te nemen omdat hij vond dat ik zo aanstekelijk stond te orakelen aan zijn lege bureau.
Drs. Toebos was zelf in de jaren zeventig afgestudeerd, vast in een vaal en rafelig spijkerpak, met baard en vette haren, een sjekkie achter het oor, op De première van de Bach-Variationen für großes Orchester van Paul Dessau door de Mecklenburg Staatskapelle onder Klaus Tennstedt te Schwerin in 1963. Het is een nog eindeloos veel saaier geschrift dan deze toch al niet sexy omschrijving doet vermoeden. Het werk klinkt ook alsof de toondichter door de Oost-Duitse Stasi onder bedreiging van automatische wapens werd gedwongen deze orkestrale slaappil te schrijven, maar in zijn scriptie wekt Toebos de indruk dat het gaat om een compositorische oerknal die nog in het muzikale universum nadreunt en waarbij vergeleken de première van Stravinsky’s Le Sacre du Printemps een machteloze muggenscheet is”.

 

 
Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edgar Allen Poe werd geboren op 19 januari 1809 in Boston. Zie ook alle tags voor Edgar Allen Poe op dit blog

The Raven (Fragment)

Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
“Surely,” said I, “surely that is something at my window lattice;
Let me see, then, what thereat is, and this mystery explore—
Let my heart be still a moment and this mystery explore;—
’Tis the wind and nothing more!”

Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately Raven of the saintly days of yore;
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door—
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door—
Perched, and sat, and nothing more.

Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,
“Though thy crest be shorn and shaven, thou,” I said, “art sure no craven,
Ghastly grim and ancient Raven wandering from the Nightly shore—
Tell me what thy lordly name is on the Night’s Plutonian shore!”
Quoth the Raven “Nevermore.”

Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning—little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door—
Bird or beast upon the sculptured bust above his chamber door,
With such name as “Nevermore.”

But the Raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing farther then he uttered—not a feather then he fluttered—
Till I scarcely more than muttered “Other friends have flown before—
On the morrow he will leave me, as my Hopes have flown before.”
Then the bird said “Nevermore.”

 

 
Edgar Allen Poe (19 januari 1809 – 7 oktober 1849) 
Cover 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Edwidge Danticat werd geboren in Port-au-Prince op Haïti op 19 januari 1969. Zie ook alle tags voor Edwidge Danticat op dit blog.

 

Tourist

Tourist, don’t take my picture
Don’t take my picture, tourist
I’m too ugly
Too dirty
Too skinny
Don’t take my picture, white man
Mr. Eastman won’t be happy
I’m too ugly
Your camera will break
I’m too dirty
Too black
Whites like you won’t be content
I’m too ugly
I’m gonna crack your Kodak
Don’t take my picture, tourist
Leave me be, white man
Don’t take a picture of my burro
My burro’s load’s too heavy
And he’s too small
And he has no food here
Don’t take a picture of my animal
Tourist, don’t take a picture of the house
My house is of straw
Don’t take a picture of my hut
My hut’s made of earth
The house already smashed up
Go shoot a picture of the Palace
Or the Bicentennial grounds
Don’t take a picture of my garden
I have no plow
No truck
No tractor
Don’t take a picture of my tree
Tourist, I’m barefoot
My clothes are torn as well
Poor people don’t look at whites
But look at my hair, tourist
Your Kodak’s not used to my color
Your barber’s not used to my hair
Tourist, don’t take my picture
You don’t understand my position
You don’t understand anything
About my business, tourist
“Gimme fie cents”
And then, be on your way, tourist.

 

 
Edwidge Danticat (Port-au-Prince, 19 januari 1969)

 

De Amerikaanse schrijfster Patricia Highsmith werd geboren als Mary Patricia Plangman in Fort Worth (Texas) op 19 januari 1921. Zie ook alle tags voor Patricia Highsmith op dit blog.

Uit: Strangers on a Train

“The train rushed along angrily. Guy was thinking about Miriam.
He saw her round pink face, her cruel mouth … he started to hate her.
‘Perhaps Miriam doesn’t want a divorce,’ Guy thought unhap­pily. ‘But she’s pregnant and it’s not my child, and she must want to marry the father. Why does she want to see me, though? She can get a divorce without that. Perhaps she doesn’t want a divorce, only money.’
Miriam sometimes asked him for money and he always sent it because she was good at making trouble and Guy didn’t want his mother to be unhappy. In Metcalf, Guy’s home town, Miriam pretended that Guy lived in New York so he could succeed as an architect before he sent for her.
Guy thought about his girlfriend Anne and how much he loved her, and about the important job he had in Florida. He felt happy.
‘Soon . . .’ Guy said to himself. ‘Soon . . .’ He started to read his book.
After he had read half a page Guy looked up and saw a young man sitting opposite him. The young man was very tall and thin, and he smiled shyly at Guy as if he did not know whether to speak or not. Guy moved in his seat and accidentally touched the young man’s foot.
‘Sorry,’ Guy said.
‘That’s all right,’ the man said. ‘Say, where are we? Do you know?’
‘Texas.’
The young man took a small bottle of whisky from his pocket and offered it to Guy with a friendly smile. He had a very large head, his face did not look stupid or intelligent, or young or old. His eyes were red and tired, but his skin was as smooth as a girl’s.
‘No, thanks,’ Guy said.
The young man drank some of the whisky, then he asked, very politely, ‘Where are you going?’
‘Metcalf.’ Guy wanted to read his book.
‘Nice town, Metcalf,’ the young man said. ‘Are you going on business?’
‘Er, yes.’ Guy turned the page of his book.
‘What business?’ the young man asked, like a child.
‘I’m an architect.’
‘That’s interesting,’ he said. He put his hand forward. ‘My name’s Bruno, Charles Anthony Bruno.’

 

 
Patricia Highsmith (19 januari 1921 – 4 februari 1995)
Bruno Anthony (Robert Walker) en Guy Haines (Farley Granger) in de gelijknamige film van Alfred Hitchcock uit 1951

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marie Koenen werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 19 januari 1879. Zie ook alle tags voor Marie Koenen op dit blog.

Uit: Het Pardon der Heiligen

“Wanneer in den nacht van Maria-Hemelvaart de vreugdevuren en alle kaarsen- en fakkelvlammen van het vigilie gedoofd zijn rondom de kerk van la Clarté, dat in de landstaal Sklerder heet, – als daarbinnen alleen nog de kleine goudster der Godslamp haar schemerschijnen laat spelen over de gouden sterren van Maria’s bruidskleed, over de gouden lelies van haar weidschen blauwen koninginne-mantel, in de edelsteenen van haar kroon en van de kroon van haar lief Kind, den Koning der Wereld, – dan komen, hoog boven de zee en toch lager dan de sterren, die groote witte wolken naderdrijven, een vloot van hemelschepen. Bij den diepen samenzang van den vloed en den nachtwind varen ze aan, recht op Maria’s heiligdom toe, dat op den hoogsten kustheuvel, halverwegen de bocht tusschen Perros en Trégastel, zijn doorzichtigen torenflits opheft tot wegwijzer voor allen te-land of ter-zee.
Rustig en welbestierd zeilen de wolkenschepen over de Zeven-Eilanden en de rotsbaai van Ploumanach heen, om ergens ginds tegen de paarse heideheuvels te landen. Na hun voorbijgang is de nachthemel boven aarde en water van het droomverzonken Bretagne meteen weer helder, groen en blauw maar ijler en doorzichtiger dan de zee bij dag, en véél wijder nog, grenzeloos-wijd en zuiver in den schijn van Godslichtende waaklamp, de maan.
Alleen over de hollewegen, de voetpaden, de breedere banen, die van alle hemelstreken naar de kerk van Sklerder geleiden, bewegen schaduwen voort, bij het geschuifel van vele voeten en het geprevel van vele biddende stemmen. Want dichte scharen van beevaartgangers brachten de wolkenschepen aan, alle Hemelingen, – en geen bleef er achter – die op de altaren, tegen de pilaren of in de portieken der kerken van Bretagne, in veldkapel of deur-nis, bij de bronnen in de bosschen of op de rotsen van de kust hun beeld weten staan.”

 

 
Marie Koenen (19 januari 1879 – 11 juli 1959)
Getekend portret door Jan Bogaerts, 1932

 

De Oostenrijkse schrijver Gustav Meyrink werd op 19 januari 1868 te Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Gustav Meyrink op dit blog.

Uit: Walpurgisnacht

“Ich war unten! In der Welt!” platzte der Hofrat von Schirnding heraus und betupfte seine Stirn mit einem riesigen, rot-gelb-gefleckten Taschentuch. “Und bei der Gelegenheit hab’ ich mir die Haare schneiden lassen.” – er fuhr sich mit dem Finger hinter den Kragen, als jucke ihn der Hals.
Derartige auf einen angeblich nur schwer zu bändigenden Haarwuchs abzielende Bemerkungen pflegte er jedes Vierteljahr zu machen, in dem Wahn, man wisse nicht, daß er Perücken trage – einmal langlockige, dann wieder kurzgeschorene –, und immer bekam er auch in solchen Fällen staunenerfülltes Gemurmel zu hören. Aber diesmal blieb es aus: Die Herrschaften waren zu verblüfft, als sie vernahmen, wo er gewesen sei.
“Was? Unten? In der Welt? In Prag? Sie?” Der kaiserliche Leibarzt Flugbeil war erstaunt herumgefahren. “Sie?”
Den beiden anderen blieb der Mund offen. “In der Welt! Unten! In Prag!”
“Da – da haben Sie ja ieber die Brücke missen!” brachte die Gräfin endlich stockend heraus. “Was denn, wenn sie eingestirzt wäre?!”
“Eingestirzt!! No servus!” krächzte Baron Elsenwanger und wurde blaß. “Unberufen” – er ging zittrig zur Ofennische, vor der noch aus der Winterszeit her ein Scheit Holz lag, nahm es, spuckte dreimal darauf und warf es in den kalten Kamin – “Unberufen.”
Bo¸ena, das Dienstmädchen, in zerlumpten Kittel, ein Kopftuch um und barfuß, wie es in altmodischen Prager Patrizierhäusern üblich ist, brachte eine prunkvolle Schüssel aus schwerem getriebenem Silber herein.
“Aha! Wurstsuppe!” brummte die Gräfin und ließ befriedigt ihre Lorgnette fallen. – Sie hatte die Finger des Mädchens, die in viel zu weiten, weißen Glacéhandschuhen staken und in die Brühe hineinhingen, für Würste gehalten. –
“Ich bin mit – der Elektrischen gefahren”, stieß der Herr Hofrat gepreßt hervor, immer noch voll Aufregung des überstandenen Abenteuers eingedenk.“

 

 
Gustav Meyrink (19 januari 1868 – 4 december 1932)
Walpurgisnacht door Albert Welti, 1896-97

 

De Portugese dichter Eugénio de Andrade (eig. José Fontinhas) werd geboren op 19 januari 1923 in Póvoa de Atalaia. Zie ook alle tags voor Eugénio de Andrade op dit blog.

 

An Lissabons Jacarandabäume

Sie kündigen den Sommer an.
Ich kenne keine andere Pracht, kein weiteres
Paradies: an seinem Eingang stehen die Jacarandabäume
in voller Blüte, einer an jeder Seite.
Und ein Lächeln, ruhige Wohnstatt,
erwartet mich.
Der Raum in ihrer Umgebung
vervielfacht seine Spiegel, öffnet
Balkone zum Meer.
Und wie in den kindlichsten Träumen:
kann ich fliegen und die hohen Wolken
fast berühren – Bruder der Vögel –,
mich in der Luft verlieren

 

Vertaald door Juana und Tobias Burghardt

 

Er was…

Er was
een woord
in het duister.
Minuscuul. Onbekend.

Het hamerde in het duister.
Het hamerde
op de bodem van het water.

Vanuit het diepste van de tijd,
hamerde het.
Tegen de muur.

Een woord.
In het duister.
Dat mij riep.

 

Vertaald door Toon Cappuyns en Germain Droogenbroodt

 

 
Eugénio de Andrade (19 januari 1923 – 13 juni 2005)

 

De Duitse dichter en satiricus Thomas Gsella werd geboren op 19 januari 1958 in Essen. Zie ook alle tags voor Thomas Gsella op dit blog.

 

Karlsruhe

In Karlsruhe leben heißt Trauer und Tod.
Nach Karlsruhe ziehen heißt Schrecken.
Aus Karlsruhe herkommen heißt voller Not
An Herkommen zittend verrecken.

Von Karlsruhe lesen macht Ekel und Wut
Im Erdrund der Menschengemeinde.
Von Karlsruhe Schlechtes zu schreiben tut gut.
Für Karlsruhe sprechen macht Feinde.

In Karlsruhe wüten mit grauem Gesicht
Und blutroten Roben und Tonnengewicht
Die Herren der eisernen Worte.

Sie nennen sich Bundesverfassungsgericht
Und brennen und schänden und schonen dich nicht
Im furchtbarsten Ort aller Orte.

 

Gummersbach

Zehn Männer spielten Fußball nicht
Wie Müller, ich und du.
Die Männer waren nicht ganz dicht:
Sie warfen (!) ihn sich zu.

Das hat die Männer krank gemacht
An Seele, Hirn und Nerven.
Die Armen übten Tag und Nacht
Das Fangen und das Werfen,

Obwohl doch Handball um und um
In blankem Wahnsinn mündet.
Um dieses Irrenhaus herum
Wurd Gummersbach gegründet.

 

 
Thomas Gsella (Essen,19 januari 1958)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn twee blogs van 19 januari 2014.