Bert Natter, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: De ironie van Kellendonk volgens Vaessens

“Na lezing van ‘IJzeren agaven’ (1936) van F. Bordewijk is Kellendonk tot een nieuwe definitie van het begrip ironie gekomen. Hij verwondert zich erover dat Bordewijk zich staande heeft weten te houden bij het schrijven van dit verhaal – waarvan de moraal lijkt te zijn: wie de werkelijkheid probeert af te beelden, gaat er zelf aan ten onder. Volgens Kellendonk kon Bordewijk dat alleen doordat hij, in een kunstmatige stijl, een nadrukkelijk verzonnen verhaal schreef. De schrijver weet dus dat zijn verhaal ‘niet echt’ is en de lezer weet dat ook – en toch doen ze allebei alsof het wel zo is.
Voor dit mechanisme bedenkt Kellendonk een nieuwe definitie van het begrip ironie: ‘oprecht veinzen’. Hij legt uit wat hij daarmee bedoelt: ‘We doen net of we weten waar we het over hebben, en we vergeten geen moment dat we doen alsof.’
Geeft deze particuliere invulling van het woord ironie soms blijk van afstandelijkheid, zoals Vaessens suggereert, laat staan van het idee dat Kellendonk daar genoeg van had?
Nee, want deze ironie is helemaal niet afstandelijk, de schrijver lijkt ironie te omarmen als een heilzame afspraak tussen schrijver en lezer over het verschil tussen enerzijds de onbegrijpelijke, mysterieuze werkelijkheid en anderzijds door mensen gemaakte kunst.
Tegen het eind van ‘Idolen’ levert Kellendonk zijn credo af, dat ondubbelzinnig het tegengestelde uitdrukt van wat Vaessens erin leest: ‘Van ironie moeten onze beelden doordesemd zijn. De lucht van het voorbehoud moet er overal in zitten. Dat is de dikke dogmatische punt die ik achter deze overwegingen zou willen zetten. Kunst moet nadrukkelijk onecht zijn. Ze mag niet meer geloof eisen dan ze voor zichzelf nodig heeft. Ze mag zich nooit beroepen op “het leven”, anders ontstaat er een gesloten systeem, een vicieuze draaikolk die haar opslokt. Als het goed is probeert het kunstwerk de geheimzinnige werkelijkheid te gehoorzamen, maar dat gebeurt in een sfeer die zelf niet de werkelijkheid is.’
Kellendonk zoekt juist ruimte tussen de literatuur en wat Vaessens benoemt als ‘het leven’ en ‘het werkelijke gevoelen van mensen’ en hij geeft er bepaald geen blijk van dat hij bezig was zich aan zijn ironie te ontworstelen; die was in feite zijn modus scribendi en eigenlijk ook – maar dat is een ander verhaal – zijn modus vivendi.
Eerder in zijn essay heeft Kellendonk een briljante omkering gedaan, door te stellen: ‘Het realisme veinst een weerspiegeling van de werkelijkheid te zijn, maar stiekem gaat het afbeelden precies andersom.’ De beelden beïnvloeden de werkelijkheid. Zijn idee laat zich misschien goed illustreren door het feit dat wij vaak herinneringen denken te hebben aan taferelen uit onze vroegste jeugd die toevallig zijn gefotografeerd. Het is andersom: zonder de foto’s bestaan de herinneringen niet. We herinneren ons de foto’s en wat andere mensen later hebben gezegd over wat er op te zien is.”

 

Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968
Bert Natter. Portret door Jean Marie Mersmans. z.j.

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Vroege zondagochtend

Ik spotte altijd met mijn vader en zijn maatjes
Omdat ze op zondagochtend vroeg opstaan
en koffie drinken op een plaatselijke stek
maar nu ben ik een van die dwazen.

Niemand geeft om mijn oude vernederingen
maar ze blijven door mijn slaap sleuren
als een rij lege blikken die ratelen
achter een verlaten auto.

Het is zo: net als je denkt
dat je het roodharige meisje vergeten bent
dat jou op een parkeerplaats liet staan
veertig jaar geleden word je wakker

vroeg genoeg om haar te zien verdwijnen
om de hoek van je droom,
op de motor van iemand anders
ronkend de snelweg op bij zonsopgang.

En dus zit ik nu in een slecht verlicht
café vol met vroege vogels
waar de ramen bedekt zijn met roet
en de koffie warm is en bitter.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Bert Natter, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Ze zullen denken dat we engelen zijn

“De laatste mooie dag van het jaar.
‘Daar moeten we van genieten.’
Ze zet haar spullen bij een tafeltje naast dat van mij. Om ruimte te maken schuif ik mijn tas een stukje opzij.
‘Jammer genoeg is hier alleen plek in de schaduw.’ Op een stoel zakkend wijst de vrouw naar een terras vol loungebanken aan de overkant van het plein. ‘Daar zitten ze lekker in de zon.’
En in het lawaai.
Ik knik vriendelijk en kijk de andere kant op, naar een ober en een serveerster die aan het klieren zijn bij een hoge kast waarin menukaarten, servetten, bestek en servies worden bewaard.
Ik wenk.
De vrouw wijst op de revers van mijn jasje en zegt: ‘Beeldig.’ Het meisje komt en gaat tussen onze tafeltjes in staan. Uit haar schort pakt ze een apparaat. Op haar borst draagt ze een button met haar naam. Ze wil weten of we bij elkaar horen.
‘Nee,’ zeg ik.
De vrouw legt haar telefoon weg en zegt: ‘We kennen elkaar net.’ Ze stelt zich voor als Prunella. Ik weet niet of ik het goed versta.
Ik neem haar hand aan. Liever houd ik mensen op afstand, minstens een armlengte.
In de verte starend vraagt het meisje waar we zin in hebben.
‘Voor mij graag een…’ Wat ze wil ontgaat mij, want terwijl het meisje zich vooroverbuigt om de vrouw beter te kunnen verstaan, verandert het kabbelende gedruis van de grote stad in een verschrikkelijk kabaal.
Een geldwagen raast over het plein, alles wat hem in de weg staat verpletterend of omverkegelend: prullenbakken, parasols, stoelen, tafels, mensen – om zich een ogenblik later met gierende banden in de gevel van het café aan de overkant te boren.
Met mijn ogen volg ik het spoor van lichamen naar de straat waar de wagen vandaan kwam, tussen de bioscoop en het stadhuis in.
De tijd wordt in fracties van seconden gemeten: een vuurbal slaat uit het café, op hetzelfde moment klinkt er een explosie, een donkere rookwolk wordt over de loungebanken geblazen, spullen worden weggeslingerd, mensen rennen door elkaar, kinderen gillen, glas versplintert, brokstukken vliegen door de lucht, papier dwarrelt omlaag en gruis daalt neer, een muur stort in, sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.” 

 

Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

In Memoriam Paul Celan

Leg deze woorden in het graf van de dode
naast de amandelen en zwarte kersen—
schedeltjes en bloeiende druppels bloed, ogen,
en Gij, o bitterheid die zijn hoofd torst.

Leg deze woorden op de oogleden van de dode
als ogentroost, als middeleeuwse trompetbloemen
die zullen bloeien, deze keer in de schaduw.
Laat de onthoofde tulpen glinsteren van de regen.

Leg deze woorden op zijn verdronken oogleden
zoals munten of sterren, troostogen.
Bedek de gezwollen lucht met zonnevlekken,
terwijl de donder de grond aanspreekt.

Syllabe na syllabe, gegrepen en bewerkt,
hebben de woorden zich verenigd in verdriet.
Het is het fantoom-uur van de klaagzang,
de leegte is aan zet, treurig en absoluut.

Leg deze woorden op de lippen van de dode
als een brandende tang, een tong van vlammen.
Een spiedende adelaar cirkelt en krijst.
Laat God tot ons bidden voor deze man.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith

De Engelse schrijver Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.

Uit: The Noise of Time

“And so, it had all begun, very precisely, on the morning of the 28th of January 1936, in Arkhangelsk. He had been invited to perform his first piano concerto with the local orchestra under Viktor Kubatsky; the two of them had also played his new cello sonata. It had gone well. The next morning he went to the railway station to buy a copy of Pravda. He had looked at the front page briefly, then turned to the next two. It was, as he would later put it, the most memorable day of his life. And a date he chose to mark each year until his death.
Except that—as his mind obstinately argued back—nothing ever begins as precisely as that. It began in different places, and in different minds. The true starting point might have been his own fame. Or his opera. Or it might have been Stalin, who, being infallible, was therefore responsible for everything. Or it could have been caused by something as simple as the layout of an orchestra. Indeed, that might finally be the best way of looking at it: a composer first denounced and humiliated, later arrested and shot, all because of the layout of an orchestra.
If it all began elsewhere, and in the minds of others, then perhaps he could blame Shakespeare, for having written Macbeth. Or Leskov for Russifying it into Lady Macbeth of Mtsensk. No, none of that. It was, self-evidently, his own fault for having written the piece that offended. It was his opera’s fault for being such a success—at home and abroad—it had aroused the curiosity of the Kremlin. It was Stalin’s fault because he would have inspired and approved the Pravda editorial—perhaps even written it himself: there were enough grammatical errors to suggest the pen of one whose mistakes could never be corrected. It was also Stalin’s fault for imagining himself a patron and connoisseur of the arts in the first place. He was known never to miss a performance of Boris Godunov at the Bolshoi. He was almost as keen on Prince Igor and Rimsky-Korsakov’s Sadko. Why should Stalin not want to hear this acclaimed new opera, Lady Macbeth of Mtsensk?
And so, the composer was instructed to attend a performance of his own work on the 26th of January 1936. Comrade Stalin would be there; also Comrades Molotov, Mikoyan and Zhdanov. They took their places in the government box. Which had the misfortune to be situated immediately above the percussion and the brass. Sections which in Lady Macbeth of Mtsensk were not scored to behave in a modest and self-effacing fashion.
He remembered looking across from the director’s box, where he was seated, to the government box. Stalin was hidden behind a small curtain, an absent presence to whom the other distinguished comrades would sycophantically turn, knowing that they were themselves observed.”

 


Julian Barnes (Leicester, 19 januari 1946)

 

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Hoe staat het met de liefde?

“Begin opnieuw. Steek de sleutel in het slot. Open de voordeur.
Ga het halletje binnen. Vermoed niets. Hoor buiten het geronk van de bus wegsterven. Luister niet naar het gebonk binnen.
Geniet van het onverwachte vrije uur. Voel hoe lekker behaaglijk het is.
Ga verder. Sluit de deur. Stamp op de mat. Gooi die kapotte schooltas onder de kapstok. Doe die wanten uit. En die muts af. Vergeet school, vergeet de kou. Verlies nooit deze onschuld. Trek uit die dikke winterjas.
Duw tegen de deur naar de gang. Baal ervan dat die klemt. Blijf in het halletje staan.
Bedenk wie hier achter zit. Duw nog eens. Sla op de deur. Roep. Schop tegen de deur. Scheld en vloek.
Laat ook maar.
Ga zonder jas, zonder wanten en zonder muts de kou in. Trek de deur in het slot.
Kijk niet naar de overkant van het kruispunt. Weiger daarheen te gaan. Kruip daar niet weg.
Loop om door het gangetje.
Zucht diep.
Hoop dat alles goed komt.
Zie dat aan het huis niets te zien is.
Sta in de tuin. Probeer te glimlachen om de inzakkende sneeuwpop. De fietspomp in zijn hoofd. Goed idee van pap. Denk aan mooie momenten. Bewaar herinneringen. Koester alles wat gebeurde tot wat straks gebeurt.”

 


Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edgar Allen Poe werd geboren op 19 januari 1809 in Boston. Zie ook alle tags voor Edgar Allen Poe op dit blog

Uit: The Devil in the Belfry

“Everybody knows, in a general way, that the finest place in the world is–or, alas, was–the Dutch borough of Vondervotteimittiss. Yet as it lies some distance from any of the main roads, being in a somewhat out-of-the-way situation, there are perhaps very few of my readers who have ever paid it a visit. For the benefit of those who have not, therefore, it will be only proper that I should enter into some account of it. And this is indeed the more necessary, as with the hope of enlisting public sympathy in behalf of the inhabitants, I design here to give a history of the calamitous events which have so lately occurred within its limits. No one who knows me will doubt that the duty thus self-imposed will be executed to the best of my ability, with all that rigid impartiality, all that cautious examination into facts, and diligent collation of authorities, which should ever distinguish him who aspires to the title of historian.
By the united aid of medals, manuscripts, and inscriptions, I am enabled to say, positively, that the borough of Vondervotteimittiss has existed, from its origin, in precisely the same condition which it at present preserves. Of the date of this origin, however, I grieve that I can only speak with that species of indefinite definiteness which mathematicians are, at times, forced to put up with in certain algebraic formulae. The date, I may thus say, in regard to the remoteness of its antiquity, cannot be less than any assignable quantity whatsoever.
Touching the derivation of the name Vondervotteimittiss, I confess myself, with sorrow, equally at fault. Among a multitude of opinions upon this delicate point–some acute, some learned, some sufficiently the reverse–I am able to select nothing which ought to be considered satisfactory. Perhaps the idea of Grogswigg–nearly coincident with that of Kroutaplenttey–is to be cautiously preferred.–It runs:- “Vondervotteimittis- Vonder, lege Donder- Votteimittis, quasi und Bleitziz- Bleitziz obsol:- pro Blitzen.” This derivative, to say the truth, is still countenanced by some traces of the electric fluid evident on the summit of the steeple of the House of the Town-Council. I do not choose, however, to commit myself on a theme of such importance, and must refer the reader desirous of information to the “Oratiunculae de Rebus Praeter-Veteris,” of Dundergutz. See, also, Blunderbuzzard “De Derivationibus,” pp. 27 to 5010, Folio, Gothic edit., Red and Black character, Catch-word and No Cypher; wherein consult, also, marginal notes in the autograph of Stuffundpuff, with the Sub-Commentaries of Gruntundguzzell.
Notwithstanding the obscurity which thus envelops the date of the foundation of Vondervotteimittis, and the derivation of its name, there can be no doubt, as I said before, that it has always existed as we find it at this epoch. The oldest man in the borough can remember not the slightest difference in the appearance of any portion of it; and, indeed, the very suggestion of such a possibility is considered an insult. The site of the village is in a perfectly circular valley, about a quarter of a mile in circumference, and entirely surrounded by gentle hills, over whose summit the people have never yet ventured to pass. For this they assign the very good reason that they do not believe there is anything at all on the other side.”

 


Edgar Allen Poe (19 januari 1809 – 7 oktober 1849) 
Cover

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Edwidge Danticat werd geboren in Port-au-Prince op Haïti op 19 januari 1969. Zie ook alle tags voor Edwidge Danticat op dit blog.

 

Boat People

We are all in a drowning boat
Happened before at St. Domingue
We are the ones called boat people

We all died long ago
What else can frighten us ?
Let them call us boat people

We fight a long time with poverty
On our islands, the sea, everywhere
We never say we are not boat people

In Africa they chased us with dogs
Chained our feet, piled us on
Who then called us boat people?

Half the cargo perished
The rest sold at Bossal Market
It’s them who call us boat people

We stamp our feet down, the earth shakes
Up to Louisiana, down to Venezuela
Who would come and call us boat people?

A bad season in our country
The hungry dog eats thorns
They didn’t call us boat people yet

We looked for jobs and freedom
And they piled us on again: Cargo—Direct to Miami
They start to call us boat people

We run from the rain at Fort Dimanche
But land in the river at the Krome Detention Center
It’s them who call us boat people

Miami heat eats away our hearts
Chicago cold explodes our stomach
Boat people boat people boat people

Except for the Indians—
What American didn’t get here somehow
But they only want to call us boat people

We don’t bring drugs in our bags
But courage and strength to work
Boat people—Yes, that’s all right, boat people

We don’t come to make trouble
We come with all respect
It’s them who call us boat people

We have no need to yell or scream
But all boat people are equal, the same
All boat people are boat people

One day we’ll stand up, put down our feet
As we did at St. Domingue
They’ll know who these boat people really are

That day, be it Christopher Columbus
Or Henry Kissinger—
They will know us
We who simply call ourselves
People

 

 
Edwidge Danticat (Port-au-Prince, 19 januari 1969)

 

De Amerikaanse schrijfster Patricia Highsmith werd geboren als Mary Patricia Plangman in Fort Worth (Texas) op 19 januari 1921. Zie ook alle tags voor Patricia Highsmith op dit blog.

Uit:Sauce For The Goose

“The incident in the garage was the third near-catastrophe in the Amory household, and it put a horrible thought into Loren Amory’s head: his darling wife Olivia was trying to kill herself. Loren had pulled at a plastic clothesline dangling from a high shelf in the garage — his idea had been to tidy up, to coil the clothesline properly — and at that first tug an avalanche of suitcases, an old lawnmower, and a sewing machine weighing God-knows-how-much crashed down on the spot that he barely had time to leap from. Loren walked slowly back to the house, his heart pounding at his awful discovery. He entered the kitchen and made his way to the stairs. Olivia was in bed, propped against pillows, a magazine in her lap. ‘What was that terrible noise, dear?’ Loren cleared his throat and settled his black-rimmed glasses more firmly on his nose. ‘A lot of stuff in the garage. I pulled just a little bit on a clothesline —’ He explained what had happened. She blinked calmly as if to say, ‘Well, so what? Things like that do happen.’ `Have you been up to that shelf for anything lately?’ `Why, no. Why?’ `Because — well, everything was just poised to fall, darling.’ `Are you blaming me?’ she asked in a small voice. `Blaming your carelessness, yes. I arranged those suitcases up there and I’d never have put them so they’d fall at a mere touch. And I didn’t put the sewing machine on top of the heap. Now, I’m not saying —’ ‘Blaming my carelessness,’ she repeated, affronted. He knelt quickly beside the bed. ‘Darling, let’s not hide things any more. Last week there was the carpet sweeper on the cellar stairs. And that ladder! You were going to climb it to knock down that wasps’ nest! What I’m getting at, darling, is that you want something to happen to you, whether you realize it or not. You’ve got to be more careful, Olivia — Oh, darling, please don’t cry. I’m trying to help you. I’m not criticizing.’ ‘I know, Loren. You’re good. But my life — it doesn’t seem worth living any more, I suppose. I don’t mean I’m trying to end my life, but —’ ‘You’re still thinking — of Stephen?’ Loren hated the name and hated saying it. She took her hands down from her pinkened eyes. ‘You made me promise you not to think of him, so I haven’t. I swear it, Loren.’ ‘Good, darling. That’s my little girl.’ He took her hands in his. ‘What do you say to a cruise soon? Maybe in February? Myers is coming back from the coast and he can take over for me for a couple of weeks.”

 


Patricia Highsmith (19 januari 1921 – 4 februari 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith, Marie Koenen, Gustav Meyrink, Eugénio de Andrade, Thomas Gsella

De Engelse schrijver Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.

Uit: Nothing to Be Frightened Of

“The change from teeth to dentures struck my brother and me as both grave and ribald. But my grandmother’s life had contained another enormous change, never alluded to in her presence. Nellie Louisa Machin, daughter of a labourer in a chemical works, had been brought up a Methodist; while the Scoltocks were Church of England. At some point in her young adulthood, my grandmother had suddenly lost her faith and, in the smooth narration of family lore, found a replacement: socialism. I have no idea how strong her religious faith had been, or what her family’s politics were; all I know is that she once stood for the local council as a socialist and was defeated. By the time I knew her, in the 1950s, she had progressed to being a communist. She must have been one of the few old-age pensioners in suburban Buckinghamshire who took the Daily Worker and—so my brother and I insisted to one another—fiddled the housekeeping to send donations to the newspaper’s Fighting Fund.
In the late 1950s, the Sino-Soviet Schism took place, and com-munists worldwide were obliged to choose between Moscow and Peking. For most of the European faithful, this was not a difficult decision; nor was it for the Daily Worker, which received funding as well as directives from Moscow. My grandmother, who had never been abroad in her life, who lived in genteel bungalowdom, decided for undisclosed reasons to throw in her lot with the Chinese. I welcomed this mysterious decision with blunt selfinterest, since her Worker was now supplemented by China Reconstructs, a heretical magazine posted direct from the distant continent. Grandma would save me the stamps from the biscuity envelopes. These tended to celebrate industrial achievement—bridges, hydroelectric dams, lorries rolling off production lines—or else show various breeds of dove in peaceful flight.
My brother did not compete for such offerings, because some years previously there had been a Stamp-Collecting Schism in our home. He had decided to specialize in the British Empire. I, to assert my difference, announced that I would therefore specialize in a category which I named, with what seemed like logic to me, Rest of the World. It was defined solely in terms of what my brother didn’t collect. I can no longer remember if this move was aggressive, defensive, or merely pragmatic. All I know is that it led to some occasionally baffling exchanges in the school stamp club among philatelists only recently out of short trousers. “So, Barnesy, what do you collect?” “Rest of the World.

 
Julian Barnes (Leicester, 19 januari 1946)
Cover

Lees verder “Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith, Marie Koenen, Gustav Meyrink, Eugénio de Andrade, Thomas Gsella”

Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith, Marie Koenen, Gustav Meyrink, Eugénio de Andrade, Thomas Gsella

De Engelse schrijver Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.

Uit:Het tumult van de tijd (Vertaald door Ronald Vlek)

“Het gebeurde midden in de oorlog, op een perron, even vlak en stoffig als de eindeloze steppe die het omringde. De wachtende trein was twee dagen geleden uit Moskou vertrokken, in westelijke richting; nog twee of drie dagen te gaan, afhankelijk van kolenvoorraad en troepenbewegingen. Het was kort na zonsopgang, maar de man – in werkelijkheid maar een halve man – was al bezig zich op een platte lorrie met houten wielen naar de slaaprijtuigen te stuwen. Er was geen andere manier om het geval voort te bewegen dan aan de voorkant te wrikken, en om te voorkomen dat hij zijn evenwicht verloor had hij een touw onder de lorrie door gehaald en door zijn broeksband gestoken. De handen van de man waren omzwachteld met smerige repen stof en zijn huid was gehard door het bedelen op straten en stations.
Zijn vader was een overlevende geweest van de vorige oorlog. Hij was vertrokken met de zegen van de dorpspriester om te gaan vechten voor het vaderland en de tsaar. Toen hij terug was gekomen waren de priester en de tsaar inmiddels verdwenen, en was zijn vaderland niet meer hetzelfde geweest. Zijn vrouw had gegild toen ze zag wat de oorlog met haar man had gedaan. Nu woedde er opnieuw een oorlog, en was dezelfde indringer weer terug, al waren de namen veranderd; de namen aan beide kanten.
Maar verder was er niets veranderd: jonge mannen werden nog steeds door kanonnen aan flarden geschoten en vervolgens door chirurgen ruw opengesneden. Zijn eigen benen waren afgezet in een veldhospitaal te midden van kapotgeschoten bomen. Allemaal voor een hoger doel, zoals dat de vorige keer ook het geval was geweest. Het liet hem koud. Laat anderen daar maar over twisten; zijn enige zorg was het einde halen van de volgende dag. Hij was verworden tot een techniek om te overleven. Beneden een bepaald niveau werden alle mannen dat: een techniek om te overleven.
Enkele passagiers waren uitgestapt om zich even te vertreden in de stoffige lucht; andere zaten met hun gezicht voor de ramen van de rijtuigen. Terwijl de bedelaar naderbij kwam, hief hij luidkeels een obsceen soldatenlied aan. Sommige passagiers zouden hem misschien een paar kopeken toewerpen als dank voor het vertier; andere hem betalen om zich te verwijderen.”

 
Julian Barnes (Leicester, 19 januari 1946)

Lees verder “Julian Barnes, Bert Natter, Edgar Allen Poe, Edwidge Danticat, Patricia Highsmith, Marie Koenen, Gustav Meyrink, Eugénio de Andrade, Thomas Gsella”

Bert Natter

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Hij doorliep het Baarnsch Lyceum en zat een jaar op de Werkplaats Kindergemeenschap te Bilthoven. In 1988 ging hij Neerlandistiek studeren aan de Universiteit van Amsterdam, een studie die hij niet heeft afgemaakt. In 1990 ging hij als redacteur werken bij Uitgeverij Kwadraat te Utrecht, waar hij toen woonde. In 1995 verhuisde hij terug naar Baarn en werd hij uitgever bij de aldaar gevestigde Uitgeverij De Prom/De Fontein, die onder leiding stond van schrijver/biograaf Wim Hazeu. In 2001 werd hij hoofdredacteur van het treintijdschrift Rails, waar hij na ruim een jaar vertrok om freelance journalist te worden. Hij schreef onder andere columns, essays en artikelen over kunst en cultuur voor het Utrechts Nieuwsblad, AD Magazine, Oog en De Revisor. Sinds de middelbare school werkte hij met zijn vriend Ronald Giphart aan diverse boeken en publicaties. Ze houden samen, met nog een aantal andere schrijvers, een weblog bij dat door Natter werd geïnitieerd: de papieren wereld. In 2004 publiceerde hij “Het Rijksmuseum Kookboek”, waarvoor tien meester-koks zich lieten inspireren door Hollandse zeventiende-eeuwse schilderijen. In 2005 verscheen de historische roman “Rembrandt, mijn vader”. Zijn debuutroman “Begeerte heeft ons aangeraakt” is bekroond met de Selexyz Debuutprijs 2009 en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2010 en kreeg een vermelding op de longlist van de Academica Debutanten Prijs 2009, een eervolle vermelding voor de Anton Wachterprijs 2008 en een nominatie voor de Halewijnprijs 2008. Deze roman is door Tom Blokdijk (tekst) en Theu Boermans (regie) in 2011 bewerkt voor het toneel, een productie van Het Nationale Toneel en Het Derde Bedrijf. De tweede roman van Bert Natter, “Hoe staat het met de liefde?” verscheen in 2012, drie jaar later gevolgd door “Remington” en “Goldberg”.

Uit: Remington

“Mijn vader is er niet meer. In de achteruitkijkspiegel verdwijnt de Poolse vrachtwagen. Ik moet mee met de rest van het verkeer.
Is er een moment geweest waarop mijn vader zich voorstelde hoe ik me zou voelen? Heeft hij mij zien zitten, zonder hem, achter het stuur van zijn auto, op weg naar zijn huis?
Ik zou de wagen op de vluchtstrook tot stilstand moeten brengen, met knipperende alarmlichten achteruitrijden, maar ik raas door, want ik ben alweer een paar kilometer verder. Het gebeurde zo snel, voor ik het wist was mijn vader uit het zicht verdwenen.
Met honderddertig per uur vis ik mijn telefoon uit mijn broekzak.
Bijna leeg. Morgen zal mijn telefoon zijn opgeladen, de zon komt op, ik smeer een boterham en zet koffie, een nieuwe dag.
Ik bel het alarmnummer en ik vertel wat er is gebeurd, blijkbaar zo kalm en waardig dat de vrouw aan de andere kant van de lijn niet eens mijn gegevens vraagt. Ze bedankt mij vriendelijk voor de melding, meneer.
Alsof ik een ooggetuige ben.
Aan het eind van de Afsluitdijk bedenk ik dat het weinig zin heeft door te rijden naar mijn vaders huis. Niemand zal daar ooit meer thuiskomen. Ik draai de snelweg af. Voor de bijrijdersstoel rolt de kartonnen beker over de vloer heen en weer.
Ik moet stoppen en op de politie wachten. Die zal uit Friesland komen, neem ik aan. Dat duurt me te lang. Of uit Den Helder? Ja, eerder uit Noord-Holland. Beter kan ik omkeren en over de Afsluitdijk oostwaarts gaan naar de plek waar ik mijn vader voor het laatst heb gezien.
Het verkeer uit de richting Zurich dunt uit, terwijl het op mijn wegheft juist drukker wordt en ik moet afremmen. Ik kan onmogelijk meer terug. Pas aan het eind van de dijk, met nog ruim dertig kilometer voor de boeg, zal ik weer een keuze hebben.”

 
Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)