André Kubiczek, Edward Hirsch

De Duitse schrijver André Kubiczek werd op 20 januari 1969 geboren in Potsdam. Zie ook alle tags voor André Kubiczek op dit blog.

Uit: Der perfekte Kuss

„Als ich Robert nach den großen Ferien wiedersah, traf mich fast der Blitz.
«Alter», rief er, ohne sich mit einer konventionellen Begrüßung aufzuhalten, «warum kommst du so spät?»
Er musste mir aufgelauert haben, denn ich war gerade erst aus dem Fahrstuhl gestiegen in der siebten Etage und hatte meine drei Mitbewohner in 702 begrüßt, denen es gelungen
war, unser gemeinsames Zimmer in eine Halde aus Klamotten, technischen Gerätschaften, feinmechanischen Werkzeugen und Unmengen von Lebensmitteln zu verwandeln. All das
musste im Laufe des Abends aus ihren Koffern und Reisetaschen gequollen sein, und nun war es also da.
Doch statt das Zeug auf Wandschränke, Regalbretter und Schreibtischschubladen zu verteilen, lagen meine drei Kommilitonen in den Doppelstockbetten und lasen: Volker
eine voluminöse Schwarte der Reihe Spannend erzählt, mit einer Karawane im Sonnenuntergang vorne drauf, Bernd die aktuelle Jugend und Technik und Jens eine Broschüre namens The show must go on aus der Reihe nl konkret.

Eine Schrift, wie ich später beim Durchblättern feststellte, die unsere Jugend vor der Zwiegesichtigkeit der westlichen Populärkultur warnte, welche darin bestehe, dem jungen
Publikum zwar echte Gefühle vorzugaukeln, mit diesen aber hauptsächlich Geld verdienen zu wollen, wie jeder andere dahergelaufene Fabrikbesitzer, der Autos herstellte oder meinetwegen Haarbürsten.
Das Ganze war vermutlich nicht mal falsch, aber wann immer ich neuerdings den Eindruck hatte, jemand habe nur zur Feder beziehungsweise Schreibmaschine gegriffen, um mich zu belehren, damit ich am Ende seine abgestandenen Weisheiten zu meinen eignen machte, klappte ich das Buch
sofort wieder zu.
Ab diesem neuralgischen Punkt war für mich regelmäßig Schluss. Keine Ahnung, wann das losgegangen war mit diesem Spleen. Ende der Zehnten, würde ich aus der hohlen Hand schätzen, als wir angefangen hatten, freiwillig Bücher zu lesen, Michael und Dirk und ich, ein halbes Jahr vor den
Prüfungen zirka.
Nicht, wie es weiterging, wollte ich dann wissen, und ob die schiefe Bahn wieder gerade wurde, auf die einer geraten war. Nicht, wer sich in wen verliebte, falls sich denn wer in jemand anderen verliebte, was aber so gut wie immer vorkam, und – straft mich Lügen! – in den langweiligsten Büchern tummelten sich sogar die meisten Verliebten.“

 

André Kubiczek (Potsdam, 20 januari 1969

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Ik heb nooit kunnen bidden

Rijd me naar de kust beneden
waar de vuurtoren werd verlaten
en de maan luidt in de spanten.

Laat me de wind horen suizen door de bomen
en de sterren een voor een uit zien flakkeren,
als de vergeten gezichten van de doden.

Ik heb nooit kunnen bidden,
maar laat me mijn naam schrijven
in het boek van golven

en dan staren naar de koepel
van een hemel die nooit eindigt
en zien hoe mijn stem de nacht in zeilt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2022 en ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Bert Natter, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: De ironie van Kellendonk volgens Vaessens

“Na lezing van ‘IJzeren agaven’ (1936) van F. Bordewijk is Kellendonk tot een nieuwe definitie van het begrip ironie gekomen. Hij verwondert zich erover dat Bordewijk zich staande heeft weten te houden bij het schrijven van dit verhaal – waarvan de moraal lijkt te zijn: wie de werkelijkheid probeert af te beelden, gaat er zelf aan ten onder. Volgens Kellendonk kon Bordewijk dat alleen doordat hij, in een kunstmatige stijl, een nadrukkelijk verzonnen verhaal schreef. De schrijver weet dus dat zijn verhaal ‘niet echt’ is en de lezer weet dat ook – en toch doen ze allebei alsof het wel zo is.
Voor dit mechanisme bedenkt Kellendonk een nieuwe definitie van het begrip ironie: ‘oprecht veinzen’. Hij legt uit wat hij daarmee bedoelt: ‘We doen net of we weten waar we het over hebben, en we vergeten geen moment dat we doen alsof.’
Geeft deze particuliere invulling van het woord ironie soms blijk van afstandelijkheid, zoals Vaessens suggereert, laat staan van het idee dat Kellendonk daar genoeg van had?
Nee, want deze ironie is helemaal niet afstandelijk, de schrijver lijkt ironie te omarmen als een heilzame afspraak tussen schrijver en lezer over het verschil tussen enerzijds de onbegrijpelijke, mysterieuze werkelijkheid en anderzijds door mensen gemaakte kunst.
Tegen het eind van ‘Idolen’ levert Kellendonk zijn credo af, dat ondubbelzinnig het tegengestelde uitdrukt van wat Vaessens erin leest: ‘Van ironie moeten onze beelden doordesemd zijn. De lucht van het voorbehoud moet er overal in zitten. Dat is de dikke dogmatische punt die ik achter deze overwegingen zou willen zetten. Kunst moet nadrukkelijk onecht zijn. Ze mag niet meer geloof eisen dan ze voor zichzelf nodig heeft. Ze mag zich nooit beroepen op “het leven”, anders ontstaat er een gesloten systeem, een vicieuze draaikolk die haar opslokt. Als het goed is probeert het kunstwerk de geheimzinnige werkelijkheid te gehoorzamen, maar dat gebeurt in een sfeer die zelf niet de werkelijkheid is.’
Kellendonk zoekt juist ruimte tussen de literatuur en wat Vaessens benoemt als ‘het leven’ en ‘het werkelijke gevoelen van mensen’ en hij geeft er bepaald geen blijk van dat hij bezig was zich aan zijn ironie te ontworstelen; die was in feite zijn modus scribendi en eigenlijk ook – maar dat is een ander verhaal – zijn modus vivendi.
Eerder in zijn essay heeft Kellendonk een briljante omkering gedaan, door te stellen: ‘Het realisme veinst een weerspiegeling van de werkelijkheid te zijn, maar stiekem gaat het afbeelden precies andersom.’ De beelden beïnvloeden de werkelijkheid. Zijn idee laat zich misschien goed illustreren door het feit dat wij vaak herinneringen denken te hebben aan taferelen uit onze vroegste jeugd die toevallig zijn gefotografeerd. Het is andersom: zonder de foto’s bestaan de herinneringen niet. We herinneren ons de foto’s en wat andere mensen later hebben gezegd over wat er op te zien is.”

 

Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968
Bert Natter. Portret door Jean Marie Mersmans. z.j.

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Vroege zondagochtend

Ik spotte altijd met mijn vader en zijn maatjes
Omdat ze op zondagochtend vroeg opstaan
en koffie drinken op een plaatselijke stek
maar nu ben ik een van die dwazen.

Niemand geeft om mijn oude vernederingen
maar ze blijven door mijn slaap sleuren
als een rij lege blikken die ratelen
achter een verlaten auto.

Het is zo: net als je denkt
dat je het roodharige meisje vergeten bent
dat jou op een parkeerplaats liet staan
veertig jaar geleden word je wakker

vroeg genoeg om haar te zien verdwijnen
om de hoek van je droom,
op de motor van iemand anders
ronkend de snelweg op bij zonsopgang.

En dus zit ik nu in een slecht verlicht
café vol met vroege vogels
waar de ramen bedekt zijn met roet
en de koffie warm is en bitter.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Kristín Marja Baldursdóttir, Edward Hirsch

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Das Echo dieser Tage (Vertaald door Tina Flecken)

„Eine Frau mit einem Koffer, eingesunken im Schnee.
Das Dorf war weiß, der Schnee blauschwarz im dämmrigen Winterlicht, die Häuser auf der Landzunge verteilt, die sich bis hinunter zum Meer und den Hang hinauf erstreckte, wo ich in einer Schneewehe feststeckte und mich fragte, ob jemand meine Ankunft beobachtet hatte. Die Landbevölkerung war neugierig, hatte ich gehört, doch ich sah niemanden zu dem Haus hinaufschauen, das ich in den kommenden Monaten streichen sollte.
Mit einem kräftigen Ruck befreite ich mich, nahm die Haustür ins Visier und watete entschlossen durch den Schnee, nur wenige mühsame Schritte, bis ich den Eingang erreichte. Die Tür war vom Schnee zugeweht, und ich musste ihn mit der Hand wegwischen, damit er nicht ins Haus fiel, wenn ich sie öffnete.
Anstelle des angenehmen Geruchs, der mich beim Betreten meiner eigenen Wohnung empfing, hing ein Mief in der Luft, wie ihn alte Möbel verströmen, die einsam vor sich hin ächzen, doch nachdem ich das Licht eingeschaltet und mich umgeschaut hatte, war ich positiv überrascht. Die Möbel waren verschlissen und abgenutzt, passten jedoch gut in diese Umgebung, ein altes isländisches Holzhaus. Die Wände waren grün, blaugrün bei näherer Betrachtung, und ich musste an die Farbeimer im Kofferraum denken.
Ich zog die Vorhänge auf, die so alt waren, dass sie Gefahr liefen, zu zerreißen, wenn man zu stark an ihnen zerrte. Das Haus war kalt, man hatte mir gesagt, ich solle das Wasser andrehen und die Elektroheizung einschalten, sobald ich ankäme. Nachdem das erledigt war, ließ ich Wasser in einen Kessel laufen, denn ein guter, starker Kaffee war unerlässlich, bevor ich mich einrichtete. Dann hielt ich inne und lauschte, als wollte ich kontrollieren, ob mich jemand beobachtet hatte; die Stille im Haus war beunruhigend.
Ich ging wieder hinaus, spähte in alle Richtungen, nahm die alten Häuser am Hang unter mir in Augenschein, doch nichts regte sich, draußen war es genauso still wie drinnen. Ein Schauder durchfuhr mich, als ich mir vorstellte, dass alle das Dorf verlassen hätten oder tot wären, dass ich ganz alleine wäre. Alleine in den Westfjorden.
Erst später, nachdem ich aus dem Wagen alles ins Haus getragen hatte und nach Atem rang, sah ich Lebenszeichen im Dorf. Es war schon halbdunkel, die Straßenlaternen waren angegangen und beschienen Menschen, die vermutlich von der Arbeit kamen. Vor dem großen Gebäude unten auf der Landzunge herrschte reger Verkehr – ich war mir ziemlich sicher, dass es sich um die Fischfabrik handelte – , und von einem anderen Gebäude, anscheinend der Schule, kamen Kinder gelaufen.“

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Ik ga leven als een mysticus

Vandaag trek ik een groene wollen trui aan
en ga door het park wandelen in een schemerige sneeuwval.

De bomen staan als zevenentwintig profeten in een veld,
elk een halte op een pelgrimstocht – stil, nadenkend.

Blauwe vlokken van licht die over hun bast vallen
zijn het cijferschrift van een geheim, een occultatie.

Ik zal hun bladeren onderzoeken als pagina’s in een tekst
en de belezen duiven beschouwen, studenten van de winter.

Ik zal knielen op het spoor van een verslagen eekhoorn
en in een lege vijver turen naar de figuur van Sophia.

Ik zal beginnen de lucht af te speuren naar tekenen,
als was mijn hele toekomst erin samengeclusterd.

Ik zal alleen naar huis lopen met de diepte alleen,
een discipel van schaduwen, vol lof voor de mysteries.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2021 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Stefan Popa, Edward Hirsch

De Nederlandsche schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Of de oleander de winter overleeft

`Dit is een Adidasbal,’ zei de jongen. Hij legde hem in zijn nek. ‘En niet een uit Turkije.’ ‘Dan zal het wel aan mij liggen.’ Pitu aaide de jongen over zijn hoofd. Het haar bleef in een onverwoestbaar model omhoogsteken. De zijkanten waren weggeschoren, zoals bij de voetballers op tv. Mama Iliç wist wat ze deed. Ze knipte half het dorp. De andere helft knipte zichzelf. Pitu herinnerde zich de woorden van zijn overleden echtgenote: om haren te knippen heb je geen diploma nodig, maar een schaar. `Ik ben echt goed!’ riep het kind nog. Hij wreef over zijn bovenarm, waar hij met blauwe ballpoint zelf tatoeages op had getekend. Het leek op een vlammenzee met daar middenin een wolvenkop. “Je bent de beste,” beaamde Pitu. Met recht een Iliç dacht hij. De jongen schoot de bal meters de lucht in en legde hem vervolgens stil onder zijn tenen. Na Messi misschien,’ zei hij, de bescheidenheid bijna teruggevonden. Daarna danste hij weer over het plein. De bal aan zijn voet draaide zo snel dat deze oranje werd. Pitu bewoog zich in tegengestelde richting, weg van het plein, weg van de jeugd die hij definitief was ontgroeid. Met zijn zakdoek depte hij zijn voorhoofd. Hij kon de hitte zelfs ruiken. Zijn vrouw Melina had de zakdoeken altijd gestreken, zelf had hij dat onzin gevonden. ‘Mijn burgemeester moet onkreukbaar zijn,’ zei ze dan. Ze vouwde een doek in vijven en drukte deze in zijn borstzak, waarna ze de boel nog namodelleerde. Inmiddels snoot hij alweer tien jaar zijn neus in de kreukels. Hij propte de zakdoek in zijn binnenzak en aanschouwde zijn dorp, zijn Crushuva. De huizen waren licht, het merendeel wit, de rest beige of geel, en allemaal telden ze rode dakpannen. Althans, bijna allemaal. Het huis direct voor Pitu droeg nauwelijks meer een dak. Houten steunbalken onthulden de manier waarop de huizen al generaties lang werden gebouwd: steen voor steen. Door een bres onder de schoorsteen ontsnapten twee kitten, een gestreepte en een gevlekte. Een moeder, zo zwart als de dood, sprong hen achterna. Ze pakte de gestreepte bij zijn nekvel en tilde hem terug naar binnen. De gevlekte bleef diezelfde behandeling voor door de twee zo snel als hij kon te volgen. Pitu nam zich voor om de volgende keer een plak worst mee te brengen. Hij haalde de pijp uit zijn borstzak en probeerde er de smaak van tabak uit te lurken. Het smaakte naar niets, hoogstens naar gedroogd speeksel. Toen zijn dochter zeven was, had ze hem gevraagd te stoppen. Grote ogen, hoog stemmetje. Hoe had hij daarna ooit nog zijn pijp kunnen opsteken? Vlak voor de kruidenierszaak zei hij mama We – wat een toeval! -goedemorgen in het Macedonisch – ‘dobro utro!’ – en Maria, die zoals elke dag achter de kassa stond, in het Aroemeens –“buna dzuá!” Hij vroeg aan de caissière hoe het met haar ging, en met de kinderen, en zij vertelde dat ze opnieuw een baby verwachtten, waarop Pitu zijn droge lippen op haar handrug drukte. Hij kocht een fles rode wijn uit Povardarië en een baksteen aan halva. `Iets te vieren?’ vroeg Maria.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Hoe de laatste avond eruit zal zien

Je zit bij een klein erkerraam
in een leeg café aan zee.
Het is avond, en de eigenaar sluit af,
hoewel je je nog steeds over de radiator buigt,
die langzaam warmte verliest.

Nu daal je af naar de kust
om het laatste blauw op de golven te zien vervagen.
Je hebt in kleine huizen, krappe ruimtes gewoond…
de muren om je heen kwamen steeds dichterbij –
maar de zee en de lucht waren ook van jou.

Er is niemand anders in de buurt om met je te drinken
uit de waterige mist, schimmige diepten.
Je bent alleen met de wervelende kosmos.
Vaarwel, lief, ver weg, op een warme plek.
De nacht is eindeloos hier, de stilte oneindig.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Bert Natter, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.

Uit: Ze zullen denken dat we engelen zijn

“De laatste mooie dag van het jaar.
‘Daar moeten we van genieten.’
Ze zet haar spullen bij een tafeltje naast dat van mij. Om ruimte te maken schuif ik mijn tas een stukje opzij.
‘Jammer genoeg is hier alleen plek in de schaduw.’ Op een stoel zakkend wijst de vrouw naar een terras vol loungebanken aan de overkant van het plein. ‘Daar zitten ze lekker in de zon.’
En in het lawaai.
Ik knik vriendelijk en kijk de andere kant op, naar een ober en een serveerster die aan het klieren zijn bij een hoge kast waarin menukaarten, servetten, bestek en servies worden bewaard.
Ik wenk.
De vrouw wijst op de revers van mijn jasje en zegt: ‘Beeldig.’ Het meisje komt en gaat tussen onze tafeltjes in staan. Uit haar schort pakt ze een apparaat. Op haar borst draagt ze een button met haar naam. Ze wil weten of we bij elkaar horen.
‘Nee,’ zeg ik.
De vrouw legt haar telefoon weg en zegt: ‘We kennen elkaar net.’ Ze stelt zich voor als Prunella. Ik weet niet of ik het goed versta.
Ik neem haar hand aan. Liever houd ik mensen op afstand, minstens een armlengte.
In de verte starend vraagt het meisje waar we zin in hebben.
‘Voor mij graag een…’ Wat ze wil ontgaat mij, want terwijl het meisje zich vooroverbuigt om de vrouw beter te kunnen verstaan, verandert het kabbelende gedruis van de grote stad in een verschrikkelijk kabaal.
Een geldwagen raast over het plein, alles wat hem in de weg staat verpletterend of omverkegelend: prullenbakken, parasols, stoelen, tafels, mensen – om zich een ogenblik later met gierende banden in de gevel van het café aan de overkant te boren.
Met mijn ogen volg ik het spoor van lichamen naar de straat waar de wagen vandaan kwam, tussen de bioscoop en het stadhuis in.
De tijd wordt in fracties van seconden gemeten: een vuurbal slaat uit het café, op hetzelfde moment klinkt er een explosie, een donkere rookwolk wordt over de loungebanken geblazen, spullen worden weggeslingerd, mensen rennen door elkaar, kinderen gillen, glas versplintert, brokstukken vliegen door de lucht, papier dwarrelt omlaag en gruis daalt neer, een muur stort in, sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.” 

 

Bert Natter (Baarn, 19 januari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

In Memoriam Paul Celan

Leg deze woorden in het graf van de dode
naast de amandelen en zwarte kersen—
schedeltjes en bloeiende druppels bloed, ogen,
en Gij, o bitterheid die zijn hoofd torst.

Leg deze woorden op de oogleden van de dode
als ogentroost, als middeleeuwse trompetbloemen
die zullen bloeien, deze keer in de schaduw.
Laat de onthoofde tulpen glinsteren van de regen.

Leg deze woorden op zijn verdronken oogleden
zoals munten of sterren, troostogen.
Bedek de gezwollen lucht met zonnevlekken,
terwijl de donder de grond aanspreekt.

Syllabe na syllabe, gegrepen en bewerkt,
hebben de woorden zich verenigd in verdriet.
Het is het fantoom-uur van de klaagzang,
de leegte is aan zet, treurig en absoluut.

Leg deze woorden op de lippen van de dode
als een brandende tang, een tong van vlammen.
Een spiedende adelaar cirkelt en krijst.
Laat God tot ons bidden voor deze man.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Louis Menand, Edward Hirsch

De Amerikaanse schrijver en letterkundige Louis Menand werd geboren op 21 januari 1952 in Syracuse, New York. Zie ook alle tags voor Louis Menand op dit blog.

Uit: The Women Come And Go

“It was in Eliot’s character to convert misfortune into fate, and he eventually undertook to normalize the abnormality. In 1927, he was confirmed into the Church of England, which made divorce essentially impossible; in 1928, he took a vow of chastity.
Four years later, Eliot went to the United States to teach and lecture, leaving Vivienne in England. While he was away, he had his solicitors send her a letter announcing his intention to separate, and when he returned, after a year, he went into hiding. If he imagined that a clean break would help Vivienne get over him faster, he miscalculated badly. The separation unhinged her. She stalked her husband, now a famous man, for five years. She was never able to find out where he lived, and he used to slip out the back of the office at Faber & Faber, where he was an editor, whenever she showed up asking for him. (The receptionist was on instructions to give him a special ring.) Most of the friends Vivienne had made through her marriage abandoned her, and her behavior grew increasingly bizarre. In 1934, she joined the British Union of Fascists; she liked to wear the uniform in public. In 1938, her brother, Maurice, had her committed to an asylum. She died there in 1947, at the age of fifty-eight, possibly from a deliberate overdose.
Eliot had meanwhile renewed his acquaintance with an American woman named Emily Hale, whom he had been in love with when he was a student at Harvard. At the time, she had declined to reciprocate his affections; now, an unmarried drama teacher at Scripps College, she found that her reasons for indifference had become less pressing. She devoted herself to Eliot. During the nineteen-thirties, she frequently spent the summer in England with him. Their relations were platonic. Hale was a proper Boston lady; Eliot’s Bloomsbury friends found her hideously dull. “That awful American woman Miss Hale,” Ottoline Morrell complained. “She is like a sergeant major, quite intolerable. However Tom takes her about everywhere.” Hale plainly believed that she was first in line to become the next Mrs. Eliot. But when Vivienne died Eliot told Hale that although he loved her, it was not, as she reported to a friend, “in the way usual to men less gifted i.e. with complete love thro’ a married relationship.” Hale was fifty-five. She decided to settle for incomplete love through an unmarried relationship.
Eliot had acquired another admirer, an Englishwoman named Mary Trevelyan. Their relationship, too, was asexual; apparently to discourage illusions of intimacy, Eliot made it a rule that they could not dine together on consecutive nights. They were friends for twenty years, during which Trevelyan proposed three times. Eliot demurred: after Vivienne, he explained, the idea of living with someone was a “nightmare.” Then, in 1957, at the age of sixty-eight, and without notifying Hale or Trevelyan, Eliot married his thirty-year-old secretary, Valerie Fletcher. Eliot and Mary Trevelyan stopped speaking to one another; Emily Hale had a nervous breakdown and ended up in Massachusetts General Hospital. Eliot was happy in his second marriage, which seems to have been a case of complete love of the married type. (“There was nothing wrong with Tom, if that’s your implication,” Valerie Eliot once told an interviewer who asked why Eliot’s first marriage had been a failure.) Eliot died in 1965; Valerie Eliot is still alive. She is her husband’s literary executor and, thanks to “Cats,” a very wealthy woman.”

 

Louis Menand (Syracuse, 21 januari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Na een lange slapeloze nacht

Ik liep vroeg in de ochtend naar de zee
na een lange slapeloze nacht.

Ik klom over de gigantische meeuwkleurige rotsen
en ging langs de bomen,
lange dansers die hun ledematen strekten
en zich opwarmden in het blauwe licht.

Ik ging het zoute water in, een boeteling
wiens lichaam was bezoedeld,
en zwom naar een opkomende rode ster
in het oosten – koninklijk, in paars gewaad.

Een oever verdween achter me
en een ander wenkte.
ik beken
dat ik de persoon vergat die ik was geweest
net zo gemakkelijk als de wolken die boven ons dreven.

Mijn handen scheidden het water.
De wind drukte tegen mijn rug, vleugels
en mijn ziel zweefde over de witkoppige golven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Stefan Popa, Edward Hirsch

De Nederlandsche schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Of de oleander de winter overleeft

“De haan brak de zegel van stilte die de nacht had opgelegd aan het dorp dat Kruševo heette, maar Crushuva werd genoemd. Hij kraaide elke morgen slechts eenmaal, daar moesten de omwonenden het vervolgens mee doen. Veel had de haan niet op met zijn territorium. Liever zocht hij naar pieren.
Drie uur later tikte Pitu met zijn wandelstok tegen de drempel, die met de dag hoger leek te worden, en verliet zijn woning. De buurvrouw dook op in haar voortuin met in haar hand twee eieren, waarvan het linker een pluim droeg. Witte eieren. Haar vorige kip legde bruine eieren. Het beest was nog geen dag bij haar of ze moest alweer een nieuwe halen. Bruine eieren waren vervloekte eieren. Die at de buurvrouw niet. De mislukte kip at ze wel, gestoofd in een tomatensaus. Dat kon geen kwaad.
Pitu knikte naar haar. Hij beet in de beet van zijn lege pijp en daalde af door Crushuva. Nooit vergat hij om te genieten van de traptreden en de hellingen, die hem goedgezind waren zolang hij niet besloot terug te keren naar huis, bergopwaarts. Dit is mijn dorp, dacht Pitu. Met zijn vingertoppen beroerde hij de muur van een kerkje, dat met zijn toestemming was gerestaureerd. Zijn kuiten hadden zich naar deze schommelende en slingerende straten gevormd. Dit was zijn dorp, ja, maar meer nog was hij van het dorp.
‘Koffie?’ riep Anna nadat ze het laatste tafeltje op haar terras had neergezet. Sinds ze het koffiehuis van haar oom had overgenomen, rust in vrede, kwam Pitu er nog vaker.
‘Straks,’ antwoordde hij, terwijl hij op zijn horloge tikte. Hij had een afspraak. Anna wuifde hem uit met de doek waarmee ze de tafelbladen afnam. Op het pleintje verderop zag Pitu de jongen van Ilić een bal hooghouden. Het was een geel met rode bal. De jongen passeerde tegenstanders die alleen hij zag. Hij lachte ze uit, waarschijnlijk nog terecht ook. Mannen met notitieboekjes en oortjes in hun oren woonden tegenwoordig zijn wedstrijden bij. Die merkte hij dan weer niet op, in tegenstelling tot pa Ilić.
De jongen speelde de bal in Pitu’s voeten. ‘Kom, passeer me dan.’ Pitu zette zijn wandelstok tegen de muur en borg de pijp op in zijn binnenzak. Hij liet de bal van zijn ene naar zijn andere voet rollen, alsof hij wilde testen welk van zijn benen ook alweer het goede was, het minst slechte in zekere zin, en stormde op de jongen af. In plaats van de schijnbeweging die hij had bedacht, struikelde hij over de bal. Hij kon zich ternauwernood vastgrijpen aan een straatlantaarn. Hij rechtte zijn rug en wees naar beneden. ‘Ik begrijp niet dat ze die ballen tegenwoordig van die rare kleuren geven.’ Zijn woorden misten kracht. Twee meter sport en hij was al buiten adem.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Voor de slaapwandelaars

Vanavond wil ik iets geweldigs zeggen
voor de slaapwandelaars die zoveel geloof hebben
in hun benen, zoveel vertrouwen in het onzichtbare

pijl uitgehouwen in het tapijt, het uitgesleten pad
die naar de trap leidt in plaats van naar het raam,
de gapende deuropening in plaats van de naadloze spiegel.

Ik hou van de manier waarop slaapwandelaars bereid zijn
om uit hun lichaam de nacht in te stappen,
om hun armen op te heffen en de duisternis te verwelkomen,

de lege ruimtes palmen, alles aanraken.
Ze keren altijd veilig naar huis terug, als blinde mannen
die weten dat het ochtend is door schaduwen te voelen.

En altijd worden ze weer als zichzelf wakker.
Daarom wil ik iets verbazingwekkends zeggen
zoals: ons hart verlaat ons lichaam.

Onze harten zijn dorstige zwarte zakdoeken
’s nachts door de bomen vliegen, genieten
de donkerste stralen van het maanlicht, de muziek

van uilen, de beweging van door de wind verscheurde takken.
En nu zijn onze harten dikke zwarte vuisten
vliegen terug naar de handschoen van onze borst.

We moeten leren om op die manier op ons hart te vertrouwen.
We moeten het wanhopige geloof van slaap leren-
wandelaars die opstaan ​​uit hun rustige bedden

en loop door de huid van een ander leven.
We moeten de bedwelmende beker van duisternis drinken
en wakker worden voor onszelf, gevoed en verrast.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Edgar Allen Poe, Edward Hirsch

De Amerikaanse dichter en schrijver Edgar Allen Poe werd geboren op 19 januari 1809 in Boston. Zie ook alle tags voor Edgar Allen Poe op dit blog

Uit: The Devil in the Belfry

“Round the skirts of the valley (which is quite level, and paved throughout with flat tiles), extends a continuous row of sixty little houses. These, having their backs on the hills, must look, of course, to the centre of the plain, which is just sixty yards from the front door of each dwelling. Every house has a small garden before it, with a circular path, a sun-dial, and twenty-four cabbages. The buildings themselves are so precisely alike, that one can in no manner be distinguished from the other. Owing to the vast antiquity, the style of architecture is somewhat odd, but it is not for that reason the less strikingly picturesque. They are fashioned of hard-burned little bricks, red, with black ends, so that the walls look like a chess-board upon a great scale. The gables are turned to the front, and there are cornices, as big as all the rest of the house, over the eaves and over the main doors. The windows are narrow and deep, with very tiny panes and a great deal of sash. On the roof is a vast quantity of tiles with long curly ears. The woodwork, throughout, is of a dark hue and there is much carving about it, with but a trifling variety of pattern for, time out of mind, the carvers of Vondervotteimittiss have never been able to carve more than two objects—a time-piece and a cabbage. But these they do exceedingly well, and intersperse them, with singular ingenuity, wherever they find room for the chisel.
The dwellings are as much alike inside as out, and the furniture is all upon one plan. The floors are of square tiles, the chairs and tables of black-looking wood with thin crooked legs and puppy feet. The mantelpieces are wide and high, and have not only time-pieces and cabbages sculptured over the front, but a real time-piece, which makes a prodigious ticking, on the top in the middle, with a flower-pot containing a cabbage standing on each extremity by way of outrider. Between each cabbage and the time-piece, again, is a little China man having a large stomach with a great round hole in it, through which is seen the dial-plate of a watch.
The fireplaces are large and deep, with fierce crooked-looking fire-dogs. There is constantly a rousing fire, and a huge pot over it, full of sauer-kraut and pork, to which the good woman of the house is always busy in attending. She is a little fat old lady, with blue eyes and a red face, and wears a huge cap like a sugar-loaf, ornamented with purple and yellow ribbons. Her dress is of orange-colored linsey-woolsey, made very full behind and very short in the waist—and indeed very short in other respects, not reaching below the middle of her leg. This is somewhat thick, and so are her ankles, but she has a fine pair of green stockings to cover them. Her shoes—of pink leather—are fastened each with a bunch of yellow ribbons puckered up in the shape of a cabbage. In her left hand she has a little heavy Dutch watch; in her right she wields a ladle for the sauerkraut and pork. By her side there stands a fat tabby cat, with a gilt toy-repeater tied to its tail, which “the boys” have there fastened by way of a quiz.”

 

Edgar Allen Poe (19 januari 1809 – 7 oktober 1849)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Suikerspin

We liepen over de brug over de Chicago River
voor wat de laatste keer bleek te zijn,
en ik at een suikerspin, die zoete lucht,
dat zoete blauwe licht gesponnen uit het niets.
Het was maar een moment, echt niets meer,
maar ik herinner me dat ik me verwonderde over de stevige kabels
van de brug die ons droeg
en ik haakte mijn vingers door de lange
en slanke vingers van mijn grootvader,
een oude man uit de Oude Wereld
die lang geleden in het schimmenrijk verdween.
En ik herinner me die achtjarige jongen
die de zoetheid van lucht had geproefd,
die nog steeds aan mijn mond kleeft
en verdwijnt als ik adem.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Stefan Popa, Anton Ent, Edward Hirsch, Guy Helminger, André Kubiczek, Batya Gur, Nazim Hikmet, Qurratulain Hyder, Robert Olen Butler Jr.

De Nederlandsche schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Verdwenen grenzen

“Remus voelde hun ogen prikken. Verlegen wierp hij zijn lange haren van de ene naar de andere schouder. Een oude man streek instemmend over zijn stoppels en stak een sigaret op.
‘Je haar is veel te lang’, bromde hij tegen Remus. ‘Dus kom verder.’
De stilte had slechts een lange seconde geduurd. Voor een Roemeen genoeg om de goeden van de slechten te onderscheiden, dacht Remus, terwijl hij naar de man knipoogde en naar de enige vrije statafel in de hoek liep. Hij liet een spoor van sneeuw achter op het vieze tapijt. Onderweg stopte hij bij de opening in de muur waarachter een forsgebouwde vrouw koperen koffiepannetjes in een bak met heet zand perste.
‘Een Turkse koffie’, zei Remus.
‘Iets anders hebben we niet’, antwoordde de vrouw.
Remus knikte en liep naar de tafel. Hij drukte een elleboog in het hout, liet zijn kin in zijn handpalm rusten en wachtte tot de vrouw zou roepen dat de koffie klaar was. Of misschien zou ze de koffie komen brengen.
‘Ik heb jou hier nooit eerder gezien’, zei de oude man, die hem ongemerkt was genaderd. Het donkergroene pak van de man was versleten en op diverse plekken waren gaten en scheuren gedicht met de verkeerde kleuren katoen.
‘Maar ik u wel’, antwoordde Remus. De man trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik werk iets verderop, bij de schoenherstellerij, en loop elke dag langs dit koffiehuis. Soms zie ik u staan. Ik heb wel eens een artikel van u gelezen in een tijdschrift.’
‘Dat moet oud werk zijn’, verzuchtte de man. Hij fluisterde: ‘De censoren zien in alles wat ik schrijf een aanval op het systeem.’
‘En is dat niet zo?’ Remus verslikte zich. Het was een bijzonder onvoorzichtige vraag.
De man haalde zijn knokige schouders op.”

 

.
Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent) werd geboren in Rotterdam op 20 januari 1939. Zie ook alle tags voor Anton Ent op dit blog.

 

Overwintering aan zee

De elzen lopen uit. De weg van alle vlees
gegaan, dagelijks in godvergeten grijs.
De wind hield ik niet tegen. Stuifzand dit leven,
vliegend schuim. Het leek mij, versteende
vogel in regenpak, niet wijs op het glasloos
terras te blijven. De vrees voor strop en gas
joeg mij het strand langs. Ik wilde meeuw zijn

maar vogels sterven ook. Dit gaf zekerheid.
Dood als verbeelding. Wonder van elzeproppen.

 

Op het terras

Op het terras. Verschijnt een hagedis in het gras?
En weg! Ze wil niet weten welke soort
Iedere vorm van kennis scoort laag vandaag
Schaamte voor het verlangen naar anonieme
schoonheid een naakte man in de branding

Morgen verlaat ze dit eiland. Wat zij wilden
is voorbij. Duinen geven geen antwoord
het strand stuift, er staat een grijze zee

Over de boeg van de hoop. Ze vraagt benauwd:
hopen waarop? Dat de woorden niet liegen?
Minnaars elkaar niet bedriegen? Zelfmoord
en dood tot hetzelfde taalspel behoren?

De hoop dat het helder wordt zegt hij
Liever filmt ze een sneeuwjacht waarin
een man buiten adem voortgaat, duin op
duin af. Een hagedis in het gras. Is. Was.

 

 
Anton Ent (Rotterdam, 20 januari 1939

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Amour Honestus

The nights were long and cold and bittersweet,
And he made a song for the hell of it.

She stood by the window, a heavenly light
Who created havoc for the hell of it.

He used to fondle every skirt in sight,
Then he fell in love—that’s the hell of it.

Now there’s a courtyard with an abject knight
Yodeling his head off for the hell of it.

O poor me, my Lady, my hopeless plight!
She married a prince for the hell of it.

Honorable, unsatisfied, illicit—
Why bring it up? Just for the hell of it.

The fever spread from poet to poet
Who burned in the high-minded hell of it.

But the Untouchable had him by the throat,
And he stopped singing for the hell of it.

Love is a tower, a trance, a medieval pit.
When I lost you, I knew the hell of it.

 

Cotton Candy

We walked on the bridge over the Chicago River
for what turned out to be the last time,
and I ate cotton candy, that sugary air,
that sweet blue light spun out of nothingness.
It was just a moment, really, nothing more,
but I remember marveling at the sturdy cables
of the bridge that held us up
and threading my fingers through the long
and slender fingers of my grandfather,
an old man from the Old World
who long ago disappeared into the nether regions.
And I remember that eight-year-old boy
who had tasted the sweetness of air,
which still clings to my mouth
and disappears when I breathe.

 

 
Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

De Duitse (Luxemburgse) schrijver Guy Helminger werd geboren op 20 januari 1963 in Esch-sur-Alzette. Zie ook alle tags voor Guy Helminger op dit blog.

Uit: Die Allee der Zähne. Aufzeichnungen und Fotos aus Iran

„Die Strohpuppe hat gebrannt, der Winter ist vertrieben und Karneval vorbei. Im Magazin der NZZ lese ich, dass in Iran auf Trunkenheit 80 Peitschenhiebe stehen. Da hätten wohl nur wenige Kölner die fünfte Jahreszeit überlebt.
Noch gestern hatte ein Bekannter mich gefragt: „Wohin willst du?“, mit Betonung auf der ersten Silbe, während sein Gesicht von unsichtbarer Hand zerknittert worden war. „Nach Teheran“, hatte ich geantwortet und er hatte den Kopf geschüttelt und ein Bier bestellt, das er mir mit den Worten „Vielleicht dein letztes“ über die Theke schob. Es war nicht mein letztes. Im Gegenteil, in der Metropole der Abstinenzler waren die Bars in jedem Haushalt so gut bestückt, dass ich ins Grübeln kam und irgendwann einen der Gastgeber fragte, wie er an all den Wodka, Whisky, Wein und an das Weißbier käme? Er dachte einen Moment lang nach, als habe er sich die Frage noch nie gestellt, ehe er antwortete: „Ich gehe davon aus, dass die Regierung den Schmuggel organisiert.“
****************
Es wackelt gewaltig zwei-, dreimal und der Mann rechts neben mir lacht sich brezelig. Ich weiß nicht, ob ihn das Ruckeln so amüsiert oder der iranische Film, der gezeigt wird. Jedenfalls ist er der Chef einer iranischen Fluggesellschaft, einer anderen Fluggesellschaft als der, mit der wir gerade fliegen, erklärt mir mein Sitznachbar zur Linken. Seine Frau sei bereits einmal mit einer dieser Maschinen geflogen und da sei das Fahrwerk beim Landen nicht ausgefahren. Also habe der Kapitän kurzerhand ohne die Passagiere zu informieren einige Flugmanöver vollzogen, die man durchaus als unkonventionell für einen Passagierflieger bezeichnen könne, die das Fahrwerk aber beim dritten Mal gelöst hätten, und man sei sicher gelandet. Er reicht mir seine Visitenkarte und stellt sich vor: Gohar L., Distributor Middle East für Inline-Skater. Sein Zopf schaukelt ihm ruhig im Nacken, während er erzählt, dass seine Firma eigentlich eine Präsentation haben sollte in Teheran, aber die Behörden würden das Ganze dauernd verschieben. Die iranischen Jugendlichen hingegen hätten Interesse am Inline-Skating, und wo so viel verboten würde, müsse man den Drang der Jugend nach Abwechslung unterstützen. Ihn haben seine Eltern bereits mit zwölf nach Deutschland auf ein Internat geschickt, damit er raus aus Teheran kam. Heute lebt seine ganze Familie in Deutschland.“

 

Guy Helminger (Esch-sur-Alzette, 20 januari 1963)

 

De Duitse schrijver André Kubiczek werd op 20 januari 1969 geboren in Potsdam. Zie ook alle tags voor André Kubiczek op dit blog.

Uit: Komm in den totgesagten Park und schau

„Jetzt wusste wenigstens ein einziger Mensch auf dieser ganzen Scheißwelt, was mit ihm los war, obwohl Veit Stark doch sehr bezweifelte, dass Marek Winter, sein Kollege und wenn auch vielleicht nicht gerade Freund, so doch immerhin nahestehendster Bekannter im real life, sich noch an all das erinnern konnte, was er ihm zu sehr später Stunde – die Morgendämmerung war bereits aufgezogen vor den getönten Fenstern des Leibarztes – anvertraut hatte. Nein, nicht anvertraut, eher gebeichtet hatte, musste man schon sagen. Zu sehr war Marek in jener Nacht mit seinen eigenen dummen Problemen beschäftigt gewesen, hatte meist nur stumm vor sich hin gebrütet, das zerschrammte Gesicht verzogen wie in Qualen, und dabei Runde um Runde Bier und Wodka in sich hineingeschüttet, die Veit nachorderte, ohne ihn zu fragen. In unregelmäßigen Abständen, die jedoch immer kleiner wurden, je mehr er trank, hatte Marek mit der weinerlichen Beharrlichkeit des Betrunkenen immer wieder dieselbe barmende Frage gestellt: Wie um alles in der Welt er seiner zweiten, brasilianischen Frau – mit diesem unglaublichen Hintern und dem schwer undeutschen Temperament, die Veit vor zwei Jahren einmal kennengelernt hatte, als er Marek besucht hatte, um sich ein Buch zu leihen, eine Zeit, zu der er noch nicht sein ganzes Testosteron im Internet verschleuderte, und allein bei ihrem Anblick, vom Druck ihrer Hand, dem Klang ihrer dunkel getönten Stimme eine spontane Erektion bekommen hatte wie irgendein blöder Teenager – , wie, um Himmels willen, er seiner Frau Adriana am schonendsten beibringen könne, dass das Jugendamt demnächst ihre gemeinsame Wohnung inspizieren würde, hatte sich Marek Winter in einer leiernden Dauerschleife wiederholt, während er immer tiefer in ein alkoholisches Wachkoma gesunken war. Eine paradoxe Daseinsart gleichzeitiger An- und Abwesenheit, die Veit, der ganz offensichtlich einiges mehr vertrug als sein Kollege, überhaupt erst ermutigt hatte, von seinem aktuellen und äußerst desaströsen Status quo zu berichten, von dem kein Mensch etwas ahnte, seine Eltern nicht und nicht seine Schwester, vermutlich auch nicht die Studenten des Einführungsseminars, das er gab, ein persönlicher Ausnahmezustand, in den Veit Stark sich im Laufe eines Jahres hineinmanövriert hatte, ohne sich dessen bewusst gewesen zu sein.“

 


André Kubiczek (Potsdam, 20 januari 1969)

 

De Israëlische schrijfster, journaliste en literatuurwetenschapster Batya Gur werd geboren op 20 januari 1947 in Tel Aviv. Zie ook alle tags voor Batya Gur op dit blog.

Uit: Denn die Seele ist in deiner Hand (Vertaald door Barbara Linner)

“Es kommt der Punkt im Leben eines Menschen, an dem er klar erkennt: Wenn er jetzt nichts unternimmt, wenn er sich jetzt nicht über seine Bedenken hinwegsetzt und den Gefühlen freien
Lauf lässt, die er jahrelang unterdrückt hat – dann wird er es niemals tun. Diesen Gedanken sprach Inspektor Michael Ochajon nicht aus, aber er ging ihm durch den Kopf, als Balilati, der Leiter des polizeilichen Nachrichtendienstes, mit seinem Gemurre nicht mehr aufhören wollte, selbst als Michael sich bereits über die Leiche beugte. Er ging in die Hocke, um die ausgefransten Fasern des eingerissenen Seidenschals genauer zu betrachten, der um den Hals des Opfers geschlungen war. Vom Gesicht war nur noch eine zerschmetterte Masse aus Blut und Knochen übrig.
Ada Efrati hatte sie alarmiert und auf dem Treppenabsatz vor der Tür ihrer Eigentumswohnung auf sie gewartet. Unverzüglich hatte Balilati sie mit Fragen bestürmt, nur um sie am Ende wissen zu lassen, dass sie morgen noch ausführlicher von Inspektor Ochajon vernommen würde. Er bemerkte überhaupt nicht den verstörten Blick, den sie Michael zuwarf, als sie hinter Balilati die Außentreppe hinaufstieg, die zum zweiten und letzten Stockwerk des Gebäudes führte. Und schon da, als sie sie zum ersten Mal dort in der Dämmerung sahen, hatte Balilati sich zu Michael umgedreht und eine schnelle Einschätzung vorgenommen (»Ob sich bei der ein Versuch lohnt? Was meinst du?« Und sofort selbst die Antwort darauf gegeben: »Die ist ein harter Brocken, schöne Lippen hat sie, aber siehst du die zwei Furchen neben dem Mund? Die sagen: Null Interesse. Aber hast du ihre Figur gesehen? Und was für Nerven sie hat? Wie Drahtseile. Wir haben Leute schon ganz anders angetroffen, wenn sie eine Leiche gefunden haben, aber die, schau dir bloß mal an, wie sie dasteht«.)“

 


Batya Gur (20 januari 1947 – 19 mei 2005)

 

De Turkse schrijver Nazim Hikmet werd op 20 januari 1902 geboren in Thessaloniki. Zie ook alle tags voor Nazim Hikmet op dit blog.

 

The Japanese Fisherman

„Jetzt wusste wenigstens ein einziger Mensch auf dieser ganzen Scheißwelt, was mit ihm los war, obwohl Veit Stark doch sehr bezweifelte, dass Marek Winter, sein Kollege und wenn auch vielleicht nicht gerade Freund, so doch immerhin nahestehendster Bekannter im real life, sich noch an all das erinnern konnte, was er ihm zu sehr später Stunde – die Morgendämmerung war bereits aufgezogen vor den getönten Fenstern des Leibarztes – anvertraut hatte. Nein, nicht anvertraut, eher gebeichtet hatte, musste man schon sagen. Zu sehr war Marek in jener Nacht mit seinen eigenen dummen Problemen beschäftigt gewesen, hatte meist nur stumm vor sich hin gebrütet, das zerschrammte Gesicht verzogen wie in Qualen, und dabei Runde um Runde Bier und Wodka in sich hineingeschüttet, die Veit nachorderte, ohne ihn zu fragen. In unregelmäßigen Abständen, die jedoch immer kleiner wurden, je mehr er trank, hatte Marek mit der weinerlichen Beharrlichkeit des Betrunkenen immer wieder dieselbe barmende Frage gestellt: Wie um alles in der Welt er seiner zweiten, brasilianischen Frau – mit diesem unglaublichen Hintern und dem schwer undeutschen Temperament, die Veit vor zwei Jahren einmal kennengelernt hatte, als er Marek besucht hatte, um sich ein Buch zu leihen, eine Zeit, zu der er noch nicht sein ganzes Testosteron im Internet verschleuderte, und allein bei ihrem Anblick, vom Druck ihrer Hand, dem Klang ihrer dunkel getönten Stimme eine spontane Erektion bekommen hatte wie irgendein blöder Teenager – , wie, um Himmels willen, er seiner Frau Adriana am schonendsten beibringen könne, dass das Jugendamt demnächst ihre gemeinsame Wohnung inspizieren würde, hatte sich Marek Winter in einer leiernden Dauerschleife wiederholt, während er immer tiefer in ein alkoholisches Wachkoma gesunken war. Eine paradoxe Daseinsart gleichzeitiger An- und Abwesenheit, die Veit, der ganz offensichtlich einiges mehr vertrug als sein Kollege, überhaupt erst ermutigt hatte, von seinem aktuellen und äußerst desaströsen Status quo zu berichten, von dem kein Mensch etwas ahnte, seine Eltern nicht und nicht seine Schwester, vermutlich auch nicht die Studenten des Einführungsseminars, das er gab, ein persönlicher Ausnahmezustand, in den Veit Stark sich im Laufe eines Jahres hineinmanövriert hatte, ohne sich dessen bewusst gewesen zu sein.“

 

 
Nazim Hikmet (20 januari 1902 – 3 juni 1963)

 

De Indiaase schrijfster Qurratulain Hyder werd geboren op 20 januari 1927 in Aligarh, Uttar Pradesh. Zie ook alle tags voor Qurratulain Hyder op dit blog.

Uit: A Season of Betrayals (The Sound of Falling Leaves)

“She replied that she was looking for an in-law’s house—that’s how she happened to wander into my lane—and promised to come later. Then, right there in the middle of the alley, she told me about each and every one of our college friends. Salima married a Brigadier; she now had four children. Farkhunda’s husband was in the Foreign Service; her eldest daughter was in a school in London. Rehana was now the Principal of a college. Sa’diya had been to the States where she picked up a whole bunch of degrees; now she had some topnotch job in Karachi. This girl even knew about our old Hindu friends. Prabha’s hus-band was a Commodore in the Indian Navy; they were living in Bombay. Sarla was now a Station Director with the All India Radio, currently posted somewhere in South India. Latika had made a name for herself as a painter in New Delhi. She chattered on, but I couldn’t forget that first look of horror in her eyes. Then she said, “Whenever some of us get together in Karachi we always think of you.” “Really!” I laughed, but it sounded hollow. I know what words they must have used to remember me by, those witches. Friends, indeed! To tell you the truth, women are their own worst enemy. She didn’t even bother to ask me what I was doing in that wretched alley, at the back door of a decrepit house—she already knew. Women have an intelligence service of their own—it can put even Interpol to shame. Not that I have ever tried to hide any-thing. I’m insignificant, not worth much talking about. Nobody gives a damn for me. Neither do I.
The Sound of Falling Leaves .4 5 I’m Tanvir Fatima. My father, who lived in Meerut, was a zamindar, though not big. Our family observed strict purdah; I was kept in seclusion even from my cousins. But as my parents’ only daughter I was their darling. they pam-pered me beyond measure. I did well at the local se hof f I and won a few awards, so my parents sent me all the way to Delhi, to St. Mary’s, to matriculate. From there I went to Aligarh. That was the best time in my life, those four years at Aligarh Muslim Girls’ College. What a dream of a place! I’m not sentimental, but the memory of it still lingers. The large, enclosed yard of the college; the brick-lined paths; the lush grass; the patter of raindrops on the trees; the annual fair in the city where all the girls from the col-lege would run around covered from head to toe in black burqas; the narrow verandahs of the hostel; the tiny rooms which had such an air of domesticity about them—it al-most breaks my heart when I think of that place. I returned to Delhi, to do my M.Sc. There at the college I met all those girls—Rehana, Prabha, the rest. I’ve never much liked girls. In fact, I don’t like most people.”

 

 
Qurratulain Hyder (20 januari 1927 – 21 augustus 2007)

 

De Amerikaanse schrijver Robert Olen Butler Jr. Werd geboren op 20 januari 1945 in Granite City, Illinois. Zie ook alle tags voor Robert Olen Butler Jr. op dit blog.

Uit: Paris in the Dark

“From off to the west the air cracked. The sound brass-knuckled us and faded away.
A bomb. Awful big or very near.
All around me the shadows of men had risen up and were retreating into the bar. They had the Zepps in mind. I jumped up too but stepped out onto the pavement of Boulevard Montparnasse.
It wasn’t Zepps. I’d have heard their engines. And the crack and fade were distinctive. Dynamite. This was a hand-delivered explosive. I looked west. Five hundred yards along the boulevard I could make out a billow of smoke glowing piss-yellow in the dark.
I made off in that direction at a swift jog.
My footfalls rang loud. As I neared, there were sounds. Battlefield sounds just after an engagement. The silence of ceased weapon fire filled with the afterclap of moaning, of gasping babble.
The police were wading into the bomb site now. I took a step off the island and onto the cobbles. My foot nudged something and I stopped again. I looked down.
A man’s naked arm, severed at the elbow, its hand with palm turned upward, its fingers splayed in the direction of the café, as if it were the master of ceremonies to this production of the Grand Guignol. Mesdames et messieurs, je vous présente la Grande Guerre. The goddamn Great War.
I lifted my eyes once more to the Café Terminus. Not one detail I was witnessing-not a bistro table in the middle of Boulevard Montparnasse, not the severed arm at my feet-Would ever make it past the news censor’s knife.”
(…)

She followed my scar with her eyes, slowly, from near her fingertips, up my cheek, to the point where a German’s saber in the camp of a Mexican rebel had begun its slice.
“Are you sure you have no more of these?”
“How can I convince you?” I said.
I didn’t myself fully understand what I was suggesting until she gave me that complex look a woman can sometimes give, when you faintly shock and offend her, even as you compliment her and intrigue her, even as you move her to the possibility of the ultimate suffrage, a woman’s right to elect to express love, or even simply desire, on her own terms.
Now I realized what I had asked. Of course I had.”

 

 
Robert Olen Butler Jr. (Granite City, 20 januari 1945)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Stefan Popa, Edward Hirsch, Guy Helminger, André Kubiczek, Batya Gur, Nazim Hikmet, Qurratulain Hyder, Robert Olen Butler Jr.

De Nederlandsche schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: De verovering van Vlaanderen

`Verder vanuit dit genadeloze dieptepunt dat zowaar het uitzichtloze heeft bereikt. En u wilt evenzeer verder, dunkt me. U wilt méér. U hebt schoon genoeg van minder. Wellicht dat u onderweg enkele geschiedkundige strapatsen mijnerzijds ten deel zullen vallen, dat durf ik op dit moment te zeggen noch te beloven. De kans bestaat dat ik bekentenissen zal doen die u niet horen te interesseren en dat toch doen. Ik overweeg zelfs om dit werk iiberhaupt niet te publiceren. Dat zou wat zijn zeg! Het Nederlands taalgebied mijzelf ontzeggen. Het jammerlijke hieraan is dat niemand zal weten dat ik gemist word. Behalve ikzelf uiteraard, hoewel ik moet oppassen met dergelijke beweringen die de ijdeltuiterij schampen. Ik houd lang niet zoveel van mezelf als u van mij zult houden aan het eind van deze reis. Deze belofte doe ik u, waarmee ik indirect het besluit heb genomen om alles te noteren wat mij kortgeleden is overkomen — zoals u, scherpzinnig als u bent, al doorzag. We bevinden ons op een pril kruispunt in mijn leven, zowel literair als secundair. Rest mij enkel nog de opmerking dat dit alles waargebeurd is en met de meest zuivere intenties nauwgezet is opgeschreven. `Luister je wel?’ Niet echt, echt niet zelfs. Ik bespaar vader mijn antwoord en mijzelf een donderpreek. Hij biedt hulp, zoals altijd wanneer we elkaar de eerste vrijdag van de maand treffen in hetzelfde verdomde restaurant aan hetzelfde verdomde tafeltje met altijd hetzelfde veranderende uitzicht op diezelfde Amstel. Een baan, wat zakgeld, adviezen, een advocaat mits nodig. Maar ik heb helemaal niets nodig. `De reclamewereld is niet meer wat het was, vader’, zeg ik alsof de reclamewereld ooit iets is geweest. Vader buigt zich over de tafel. Zijn voorgeknoopte das bungelt vervaarlijk boven een diep bord met kreeftsoep. Dat zelfingenomen lachje. Zijn grijze wenkbrauwen die als halfopen rolgordijnen voor zijn ogen hangen. In het knoopsgat van de linker revers steekt het oude logo van zijn eerste grootbedrijf. Op zijn zeventiende is hij begonnen in een fabriek waar opbergdoosjes werden geproduceerd en vijftig jaar later is hij ondernemer van het jaar 1996, 1997, 2004, 2006 en tevens multimiljonair, in willekeurige volgorde. Met de iets te lange nagel van zijn wijsvinger tikt hij op de opgepoetste speld: ‘Het beginnen gaat je prima af, maar het volhouden lukt je steeds niet, laat staan het afmaken. Als ik iets heb geleerd, en als jij één ding van mij kunt leren, is het dat niets vanzelf gaat in het leven. Niemand schenkt je je eerste tonnetje. Dat moet je zelf verdienen.’

 
Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

Lees verder “Stefan Popa, Edward Hirsch, Guy Helminger, André Kubiczek, Batya Gur, Nazim Hikmet, Qurratulain Hyder, Robert Olen Butler Jr.”